Advocaat Joseph Herreboudt,
een vroege promotor van Brugge Zeehaven
en van Brugse monumentenzorg

 

Joseph Vincent Marie Jean Herreboudt werd in Brugge geboren op 13 november 1841 als zoon van Adolphe Herreboudt en Adelaïde Englebert.

Voorouders Herreboudt

De Herreboudts[1], die al verschillende generaties in Brugge woonden, waren vanaf het midden van de achttiende eeuw nadrukkelijk aanwezig in het bakkersambacht. Karel Herreboudt (1706-1779) was in 1731 getrouwd met Anna Michiels. Hij kwam voor het eerst als deken voor in de ‘eed’ van de bakkers in 1751, en opnieuw in 1762, terwijl hij ondertussen ‘vinder’ of bestuurslid was in 1752, 1754 en 1756[2]. Hun zoon Louis (°1739) werd priester, terwijl minstens twee zoons, Jean-François en Jacques-Ignace, bakker werden.

Jean-François Herreboudt (1736-1794), getrouwd met Petronille Coddron, woonde en werkte in de Ezelstraat. Hij werd vinder van het bakkersambacht in 1770, 1781 en 1787. Het echtpaar had onder meer als zoon, bakker Louis Herreboudt (1769-1815) die met Cecile van Vyve trouwde. Het ingewikkelde verhaal van opeenvolgende sterfgevallen en huwelijken in functie van het rechthouden van de bakkerij, hebben we al eens verteld. Eén van de kinderen, Louis-Bernard Herreboudt (1803-1874) die nochtans met de dochter van suikerbakker Joos trouwde, verliet de ovens en werd drukker en uitgever van de Gazette van Brugge. Hij kreeg de bekende reeks nakomelingen die onder meer het Brugsch Handelsblad stichtten[3].

In de Langestraat woonde de broer van Jean-François, bakker Jacques-Ignace Herreboudt (1741-1796), getrouwd met Marie-Catherine Co(u)deré of Codery. Jacques was vinder van het bakkersambacht in 1792. In dit groot gezin bleven verschillende jongens en meisjes het beroep van warme bakker uitoefenen, maar een paar onder hen zocht het in andere activiteiten. Dit was het geval voor Frans-Jozef die ‘fabrikant’ werd en voor Jan-Robert die zoutzieder werd.

Jan-Robert Herreboudt (Brugge 24/04/1787 – 31/05/1869), grootvader langs vaderszijde van Joseph Herreboudt, was getrouwd met Anna Van Wymelbeke (1785-na1865)[4], dochter uit het groot gezin van chirurgijn Charles Van Wymelbeke (1747-1832) en Thérèse Beyts (1749-1804), zus van chirurgijn Frans Beyts (1736-1808) en tante van de ‘primus’ en latere baron d’Empire Frans-Jozef Beyts (1763-1832)[5]. Chirurgijn Charles was de zoon van Charles Van Wymelbeke sr. en Barbara Pulinx. Zijn broer was Philippe Van Wymelbeke (1755-1840), één van de actieve Brugse priesters tijdens de Brabantse Revolutie, die onderdook tijdens de Franse ‘Beloken Tijd’. Hij werd daarna pastoor op de Sint-Gillisparochie en was vanaf 1814 proost van de Potterie, zodat hij bijna buurman werd van zijn nichtje Anna[6]. Een broer van Anna Van Wymelbeke, Charles Van Wymelbeke-Vercauteren (°1779) werd bankier en wisselagent. In 1839 had hij echtelijke problemen, kwam hij in geldnood en werden heel wat van zijn eigendommen verkocht. Nog een andere broer was Dominique Van Wymelbeke (1794-1864) die trouwde met Charlotte Van Crombrugghe, de zus van kanunnik Constant van Crombrugghe (1789-1865), stichter van de Congregatie van de Jozefieten. In 1823 werd Dominique directeur-eigenaar van een school en pensionaat in Melle, in opvolging van Joseph Dechamps (†1852), de vader van de redemptorist Victor Dechamps (1810-1883) die kardinaal-aartsbisschop van Mechelen zou worden en van Adolphe Dechamps (1807-1875) die eerste minister werd. In 1837 schonk Dominique de eigendom met de thans nog bestaande school aan kanunnik van Crombrugghe en de paters jozefieten[7]. Nog een andere broer, Louis Van Wymelbeke (°1798) was brouwer in de Wijngaardstraat. Zoutzieder Jan-Robert erreboudtHerreboudt – Van Wymelbeke, was met zijn groot gezin gevestigd langs de Potterierei. Adolphe Herreboudt, de vader van de hier besproken Joseph, was één van de kinderen uit dit huwelijk.

Voorouders Englebert

Was de familie Herreboudt al generaties in Brugge ingeburgerd, dan ging het langs de kant van de moeder van Joseph Herreboudt om relatief recente inwoners. De grootvader van Joseph langs moederszijde was Edouard-Joseph Englebert (Brugge 15/03/1792 – 3/03/1854), de oudste zoon van de uit Verviers afkomstige Gabriel-Joseph Englebert (1758-1825), die in 1811 in Brugge met een hoedenmakerij was begonnen. Gabriel Englebert was tweemaal getrouwd en uit zijn tweede huwelijk had hij Adelaïde, die in 1829 trouwde met stadsbibliothecaris Pierre Laude (1794-1870)[8]. Edouard Englebert, uit het eerstehuwelijk, trouwde in 1818 met Marie Thonet (Brugge 10/02/1800 – Gent 1852) dochter van de wijnhandelaar Antoine Thonet. Samen hadden ze tien kinderen. De hoedenmakerij ging verder onder de naam Englebert-Thonet, gaf mooie porseleinkaarten uit als publiciteit en was achtereenvolgens gevestigd langs de Verversdijk-Hoogstraat en in de Langestraat, nummer 1[9]. In 1846, ongetwijfeld als gevolg van financiële problemen, verkocht Englebert zijn eigendommen Verversdijk en Langestraat aan bankier Felix Dujardin. Hij hield alleen nog zijn winkel op de Markt over, woonde er met een paar van zijn kinderen en ook met het echtpaar Laude-Englebert. In 1849 publiceerde hij bij herhaling in de kranten dat hij de schulden van zijn vrouw en zijn kinderen niet meer erkende. Het echtpaar was uiteengegaan en de echtgenote was met twee van de kinderen naar Gent vertrokken[10].

Eén van de zoons van het echtpaar Englebert-Thonet, Oscar Englebert (Brugge 11/06/1837 – Luik 1912) trouwde met de Brugse Adelaïde Couderé (1829-1918) en werd Belgisch officier. In 1868 verliet hij het leger en begon in Luik, Rue des Vennes, een handel in rubberproducten (regenmantels, fopstenen, enz.). Dertig jaar later zette hij de eerste stappen, samen met één van zijn broers, Gabriël en met zijn zoon Oscar jr. (1866-1933) voor het oprichten van de bandenfabriek Englebert, die internationale bekendheid zou verwerven en tot 3.000 arbeiders zou tewerkstellen[11]. Een andere broer, Frédéric, luitenant in de ‘Compagnie des ouvriers armuriers’ (1868) en kapitein belast met wapeninspectie (1869) vond een verbeterde kogel uit, ‘la balle Englebert’ die de prestaties van het Albinigeweer, dat in Herstal voor het Belgisch leger werd gefabriceerd, verbeterde. Een dochter in het gezin Englebert-Thonet, Gabrielle (Brugge 8/06/1834 – Blankenberge 24/10/1898) trouwde met de Brugse beeldhouwer en schilder Jules Van Nieuwenhuyse (Brugge 1830-1891)[12].

Het gezin Adolphe Herreboudt - Englebert

Adolphe Herreboudt (Brugge 18/01/1813 - 25/01/1885) die, in opvolging van zijn vader zoutzieder was langs de Potterierei, trouwde met Adèle Englebert (1821-1912). Het werd een gezin met twaalf kinderen, onder wie zes de geestelijke staat verkozen:

(1) Leon Herreboudt (1848-1878) was van de retorica 1865 in het Sint-Lodewijkscollege. Hij werd priester van het bisdom Brugge en onderpastoor in Moerkerke. Hij was pas dertig toen hij stierf.

(2) Antoine Herreboudt (Brugge 3/02/1854 – Drongen 19/05/1897) was van de retorica 1872 in het Sint-Lodewijkscollege. Hij werd jezuïet en was drie en veertig toen hij stierf.

(3) Marie (Brugge 4/01/1844 – 25/08/1926),

(4) Elisabeth (5/06/1850 – Brussel 5/11/1885) en

(5) Clotilde (Brugge 12/01/1863 – 18/03/1900) werden Zuster van Liefde.

(6) Anne (Brugge 25/01/1852 – 22/08/1925) werd Zwartzuster.

(7) Louis Herreboudt (Brugge 30/08/1848 - 4/12/1910) bleef vrijgezel.

(8) Charles (Brugge 13/10/1856 – Brisbane na 1900) week uit naar Australië.

(9) Stanislas Herreboudt (Brugge 11/12/1858 – 8/12/1941), die zijn vader opvolgde, trouwde met Hortense Van Acker (1862-1937), de achtste in een gezin van twaalf. Zij was de zus van kunstschilder Flori Van Acker (Brugge 1858-1940), van Elisabeth Van Acker, de grootmoeder van advocaat en kunstverzamelaar Robert Van Biesebroeck (Brugge 21 oktober 1923 – Rome 26 mei 2001) en van wolhandelaar Gustave Van Acker-Morbée, met als nazaten onder meer Nicole Van Acker, de echtgenote van Louis van Reninghe de Voxvrie en Anne-Marie Van Acker, de echtgenote van Clubvoorzitter dr. Michel D’hooghe.

(10) Thérèse Herreboudt trouwde met de legerarts Louis Garnier (Beauraing 24/02/1857 – Oostende 27/02/1922). Afstammelingen van dit echtpaar zijn onder meer de familie Garnier, antiquairs en bestuurders van het gelijknamig venduhuis in Brugge. Eén van de dochters Garnier trouwde met Hubert De Groote (1899-1979), bekende weerstander van WOII, burgemeester van Houthulst en flamboyant parlementslid met wisselende partijkaarten.

(11) Jean Herreboudt die kort leefde in 1855.

(12) Joseph-Vincent Herreboudt, onderwerp van deze studie.

Het verhaal van de familie Herreboudt, van de voorvaders en verwanten, is dus sterk in Brugge geworteld, tot op vandaag. Men mag aannemen dat Joseph Herreboudt zeer goed zijn grootouders Herreboudt-Van Wymelbeke en andere leden van de families Herreboudt en Van Wymelbeke heeft gekend. Ook van de familie Englebert zal hij ongetwijfeld enkele leden goed hebben gekend, met inbegrip van zijn ooms Oscar en Frédéric Englebert en beeldhouwer Van Nieuwenhuyse, alsook zijn aangetrouwde grootoom stadsbibliothecaris Laude. Nochtans, ondanks de stevige Brugse wortels, zal men bij Joseph Herreboudt en bij zijn afstammelingen openingen vaststellen op de wijde buitenwereld.

Joseph Herreboudt

Van de lange rij broers en zussen was Joseph-Vincent Herreboudt de oudste. Hij liep middelbare school in het Sint-Lodewijkscollege en voltooide er de retorica 1859-1860. Onder zijn tien klasgenoten bevonden zich Adolphe Duclos (Brugge 1841-1925), de latere historicus en kanunnik, Charles de Madrid (Brugge 1841 – Beernem 1886) die provincieraadslid werd en burgemeester van Beernem[13], Gustave Delescluze (Brugge 1842 - Kortrijk 1918), later priester,musicus en kunstcriticus[14], Victor de Thibault de Boesinghe (Brugge 1842-1901)[15] die gezapig vrijgezel bleef in Zwevezele en Charles de Brouwer (Oostende 1842 – Gent 1919) die in Gent advocaat werd en vervolgens

textielindustrieel en afgevaardigde bestuurder van La linière gantoise[16]. Hun retoricaleraar was de bekende taalkundige, priester Leonard De Bo (Beveren 1826 - Poperinge1885)[17].

Herreboudt behaalde in 1865 zijn doctoraat in de rechten in Leuven met onderscheiding. Hetzelfde jaar behaalden zijn latere confraters en politieke tegenstanders Polydore Demonie en Ernest Cauwe hun kandidaatsdiploma in Leuven[18]. Vanaf het jaar 1866 was hij ingeschreven eerst als stagiair, vervolgens als advocaat in Brugge en zou dit blijven tot begin 1880[19]. Hij woonde in de Hoogstraat A12-13 (later nr. 7) en had vanaf 1874 een tweede verblijf in Sint-Andries, dat stilaan zijn feitelijke hoofdverblijfplaats werd. Vanaf 1878 hield hij kantoor in de Braambergstraat, zonder echter zijn officiële woonplaats te

wijzigen.

In 1870 trouwde Joseph Herreboudt met Elisabeth (of Elza) De Laet (Antwerpen 21/07/1841 – Brussel 2/04/1909). Zij was de dochter van de Antwerpse volksvertegenwoordiger voor de Meetingpartij Jan De Laet (1815-1891), dichter, zakenman en politicus die een groot aandeel had in het tot stand komen van de eerste taalwetten[20]. Het echtpaar Herreboudt - De Laet had zeven kinderen: (Joseph)-Leon (°Brugge 10/02/1871) - Jean-Adelin (Brugge 10/05/1872 Brussel 1925) – Elza, Marie en Claire (°Brugge 29/04/1873) - Adolphe (°Sint-Andries 12/05/1874) - ERREBOUDT hBertha (°Sint-Andries 17/06/1875).

Bij de geboorte van de drieling Elza, Marie en Claire Herreboudt ging de vader de uitzonderlijke aangifte doen, vergezeld van twee jonge confraters, de advocaten-stagiairs Joseph De Cock (1847-1920) en Adolphe De Clercq (1848-1901)[21].

Advocaat en eerste publieke activiteiten

Nog maar pas ingeschreven als stagiair bij de balie van Brugge, liet Herreboudt van zich horen. Hij publiceerde een pamflet onder de titel Le domicile est inviolable (Article 10 de la Constitution). Aux membres des parquets de Bruges et de Courtrai. Hierin trok hij van leer tegen de parketten die waren opgetreden in een politieke zaak die betrekking had op gebeurtenissen in de gemeente Sint-Denijs en waarin ze bij de katholieke opinie de indruk hadden gewekt partijdig te werk te zijn gegaan[22].

In de landelijke gemeente Sint-Denijs bij Kortrijk was sinds 1861 een hevig dispuut lopende tussen het liberale gemeentebestuur dat een nieuwe begraafplaats aanlegde buiten de dorpskom en de geestelijkheid die, gesteund door de bisschop, het kerkhof rond de kerk wilde in stand houden. Begin 1868 werd het oude kerkhof gesloten en vond de eerste teraardebestelling plaats in ongewijde grond op de nieuwe begraafplaats. Van op de kansel gingen pastoor en onderpastoors te keer. Vooral onderpastoor Amand Van Eecke (Poperinge 1827 - Kortrijk 1888) hield opmerkelijke donderpreken. Hij voorspelde onder meer dat het vuur over Sint-Denijs zou neerdalen. In de volgende dagen vonden warempel zeven nachtelijke branden plaats, toevallig bij liberale prominenten.Onvermijdelijk werd de geestelijkheid van het aanzetten tot brandstichting beschuldigd. Er werd een aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen onderpastoor Van Eecke, die echter naar Burgess Hill in Engeland vluchtte waar hij onderdak vond in een bijhuis van het Brugse Sint-Juliaangesticht, waar Jozef Gezelle (1840-1903), broer van Guido, toen de aalmoezenier was.

Wie de gebeurtenissen in Sint-Denijs op de voet volgden, waren de Brugse weekbladen ’t Jaer 30 en De Katholyke Zondag. De eerste werd uitgegeven door de in Poperinge geboren Honoré Van den Berghe – Denaux (°1830) en had als belangrijkste zo niet enige redacteur, priester Guido Gezelle. De tweede werd uitgegeven door de uit Kortrijk afkomstige Henri Tremmery – Van Becelaere (1816-1871) en had als redacteur priester Augustin Van Becelaere (Kortrijk 1820 - Kachtem 1909)[23], de bouwheer van het neogotische complex in Vivenkapelle en schoonbroer van de uitgever.

Beide kranten waren er iedere keer vlug bij om te informeren over wat gebeurde in Sint-Denijs en hun artikels werden aanzien als ophitsing tot geweld. Men vermoedde sterk dat hun informant onderpastoor Van Eecke was. Het parket wilde er het fijne van weten en op zaterdag 26 september 1868 werden, met een grote machtsontplooiing, huiszoekingen verricht bij Van den Berghe in de Gruuthusestraat en bij Tremmery in de Cordouanierstraat. Na een lang verhoor werd Vanden Berghe opgepakt en naar de gevangenis van Kortrijk overgebracht. De huiszoeking bij Tremmery was al even grondig, maar de uitgever was afwezig zodat hij niet kon worden gearresteerd. Dan trok men maar in de namiddag naar Vivenkapelle, waar Augustin Van Becelaere pastoor was. Hij werd langdurig ondervraagd maar niet ingerekend. Men viel ook binnen in de Korte-Riddersstraat, bij de onderpastoor van Sint-Walburga, Guido Gezelle, maar zonder verder gevolg.

Het optreden tegen de twee Brugse nieuwsbladen lokte grote verontwaardiging uit. In wat een nationale protestactie werd, kwamen meer dan vijftig uitgevers van katholieke kranten in Brussel bijeen, en stuurden een petitie naar de Kamer van volksvertegenwoordigers. De onafhankelijkheid van de pers en de confidentialiteit van de bronnen stonden op het spel.

Ook Joseph Herreboudt mengde zich dus in het debat en publiceerde zijn scherp pamflet, gericht tegen de parketten van Brugge en Kortrijk. De huiszoekingen en de arrestatie waren in strijd met de Grondwet en met de onschendbaarheid van de woning, zo betoogde de jonge advocaat. Dit zal hem ongetwijfeld enkele stevige vijanden hebben opgeleverd, maar anderzijds ook trouwe vrienden. Eén van hen was Guido Gezelle, die in zijn weekblad ’t Jaer 30, een artikel aan hem wijdde onder de titel ‘Viva Seppen Herreboudt[24]’.

Herreboudt was een rasspreker, die zich graag overal liet horen. Hij hield meetings over politieke thema’s, zowel in Brugge als in andere steden, in de stijl zoals hij dit door zijn schoonvader De Laet zag doen. Hij gaf ook voordrachten over uiteenlopende onderwerpen, zoals de arbeidersstakingen[25] of koning Willem I[26]. In 1877 gaf hij in vele steden een voordracht over de ontwikkeling van Afrika, waarbij hij het verhaal deed van de verschillende ontdekkingsreizigers die zich op dit continent hadden gewaagd, tot en met Livingstone en Stanley en tevens van leer trok tegen de slavenhandel. Hij vertrouwde er op dat de bemoeiingen van koning Leopold hieraan een einde zouden stellen. Niet alle commentaren waren altijd gunstig. In zijn Carnets schreef de journalist Alexandre Delmer (1835-1915): On a donné la parole à l’avocat Herreboudt, qui dans un discours très diffus, modèle de coq à l’âne, a parlé un peu de tout (…)[27].

In 1871 was het aan Herreboudt om de rede te houden bij de opening van het gerechtelijk jaar. Het was de tweede maal dat de onlangs opgerichte Conferentie van de Jonge Balie het initiatief hiertoe nam. Veel magistraten en de meeste advocaten waren hierop aanwezig. Herreboudt deed onder een eerder onschuldige titel De la liberté testamentaire een felle uitval tegen wetsvoorstellen die vanuit liberale hoek werden ingediend, ten einde het schenken aan religieuze instellingen onmogelijk te maken. Hij betoogde dat het inderdaad wel niet paste dat men in testamenten de wettige erfgenamen zou onterven, maar dat het anderzijds moest mogelijk zijn dat welmenende en welvarende burgers een gedeelte van hun bezit konden overmaken ter ondersteuning van liefdadige instellingen. Het is duidelijk dat Herreboudt zich met zijn stellingnamen tot het katholieke kamp bekende en er op sympathie mocht rekenen.

Het belet niet dat hij in de conservatieve middens wenkbrauwen deed fronsen toen bleek dat hij ook nogal de ‘Vlaamse’ kaart trok en lid was van de Vlaamsche Broederbond, de pressiegroep die de Franstalige katholieke kiesvereniging een beetje op de hielen zat[28].

Aan de balie was hij stilaan een gevestigde confrater. In mei 1872 werd hij tot plaatsvervangend rechter benoemd bij de Brugse rechtbank van Eerste aanleg.

Politieke strijd

Op 26 oktober 1869 werden tussentijdse verkiezingen gehouden voor de vervanging van vijf leden in de Brugse gemeenteraad. Herreboudt werd voor de eerste maal en in wat ongewone omstandigheden als kandidaat voorgedragen door de katholieke kiesvereniging. Toen de bijeenkomst plaats vond voor het goedkeuren van de kandidaturen en de vooraf door het bestuur opgestelde lijst werd voorgelezen, klonk plots vanuit de zaal de naam Herreboudt. Afgesproken spel of niet, voorzitter Eugène de Cock (1818-1891) ging hier onmiddellijk op in en voegde de naam toe aan de lijst. Had deze nieuwkomer zich immers onlangs niet in de kijker geplaatst door zijn pamflet aangaande de druk besproken huiszoekingen?

Herreboudt aanvaardde kandidaat te zijn, maar bevestigde bij die gelegenheid zijn onafhankelijke geest door de publicatie van een manifest waarin hij te kennen gaf dat hij geen enkel imperatief mandaat zou aanvaarden, dat hij geen afstand deed van zijn vrijheid en dat hij bleef streven naar een uitbreiding van de politieke rechten van de burgers[29]. Deze eigengereide opstelling viel niet in goede aarde bij de partijbonzen, zodat in de partijkranten La Patrie en Standaard van Vlaanderen de naam Herreboudt niet meer werd vermeld. Hij kreeg alleen de steun van Guido Gezelle in ’t Jaer 30. Er werd ongetwijfeld ook mondeling actie tegen hem gevoerd, met als gevolg dat hij niet verkozen werd.

Korte tijd daarop was hij betrokken bij de oprichting van een weekblad dat de naam droeg La Réforme, organe politique libéral. Het blad had een vooruitstrevend programma en kwam op voor algemeen stemrecht, voor de afschaffing van de loting, voor de inkrimping van het leger, voor de eisen van de arbeiders. De naam ‘libéral’ leek misleidend en de initiatiefnemers bleken eerder tot de katholieke zuil te behoren, zoals de Avenir des Flandres deed opmerken. Maar het blad, waarvan het eerste nummer verscheen op 5 februari 1870, was in augustus al weer verdwenen[30]. Het werd gedrukt bij Leon Bogaert (°1845), die pas een paar maanden eerder de drukkerij van L’Impartial de Bruges van zijn moeder, de weduwe Alphonse Bogaert-Maignien (1822-1869) had overgenomen.Het blijft een mysterie hoe het komt dat de voordien radicaal-liberale Impartial, in stilte in het klerikale vaarwater terecht was gekomen en zelfs een tijdje Guido Gezelle als redacteur had. Begin 1873 zouden de krant en de drukkerij trouwens verdwijnen en zou de uitgever Brugge verlaten[31].

In 1868 werd Joseph Herreboudt lid van de Vereniging van de Schamele Armen. Ook al was het een neutrale vereniging, alleen het feit dat het zich niet situeerde binnen de christelijke caritatieve verenigingen en dat Jules Boyaval (1814-1879) er erevoorzitter en Adolphe Goupy de Beauvolers (1825-1894) voorzitter van was, gaf er toch een uitgesproken ‘blauw’ tintje aan. In januari 1872 behoorde Herreboudt, samen met katholiek gemeenteraadslid en advocaat Pieter Boutens (1831-1878)[32] tot de stichters van het Willemsfonds. Toen het na enkele jaren duidelijk werd dat het Willemsfonds tot het liberale kamp behoorde, en in tegenstelling tot anderen, bleef Herreboudt lid. Hij gaf er zelfs in 1877 een voordracht over zijn plan voor een groot programma van openbare werken[33]. Ook toen in 1878 het Van Gheluwe’s genootschap werd gesticht, was hij erbij en werd hij zelfs ondervoorzitter[34]. Op 14 april 1878 hield hij een voordracht voor de Reizigerskring, een andere vereniging van liberale strekking, waarin hij zijn geloof in het Plan de Maere uiteenzette. Tegen die tijd echter, zoals we hierna zullen zien, was Herreboudt een stevige tegenstander geworden van het katholieke meerderheidsbestuur. Ook nog in de lente van 1878 was hij één van de leden van de informele vereniging die zich de naam gaf van Bestendig Bureau van de Meeting, waarin een aantal Brugse verenigingen van liberale en katholieke strekking zitting hadden en die de organisatie op zich nam van vergaderingen en meetings voor de bevordering van het havenplan van de Maere. Toen echter begin 1880 de Kring Brugge-Zeehaven formeel werd opgericht, was Herreboudt er niet meer bij.

In de gemeenteraad maar niet in de provincieraad

Bij de tussentijdse gemeenteraadsverkiezing van 2 juli 1872, toen de katholieke partij het stilaan haalde op de liberale (13 zetels tegen 14), werd Herreboudt wèl voor het eerst tot gemeenteraadslid verkozen. Hij had tijdens de kiescampagne sterke taal gesproken en onder meer het thema ‘In Vlaanderen Vlaams’ met veel overtuiging naar voor gebracht[35]. Op 2 september 1872 legde hij met de andere verkozen leden, de grondwettelijke eed af.

De gemeenteraadsverkiezingen van 26 en 27 oktober 1875, betekenden de definitieve doorbraak van een katholieke meerderheid. De helft van de raad diende te worden vernieuwd en alle verkiesbare zetels, toegewezen volgens het meerderheidsprincipe van ‘the winner takes all’, werden door de katholieken ingepalmd. Herreboudt, die in de kiesmeetings Vlaams sprak, was de vijfde in de rij van gekozenen en behaalde zelfs een paar stemmen méér dan Amedée Visart (1835-1924), die weldra burgemeester van Brugge zou zijn. Er bleven nog alleen enkele liberalen over die het weinig bemoedigend vooruitzicht hadden van een complete eliminatie bij de volgende gedeeltelijke vernieuwing. Dit was ook wat gebeurde in oktober 1878, toen 14 katholieken werden gekozen en geen enkele

liberaal.

Op 27 mei 1878 had een tussentijdse verkiezing plaats voor de opvolging van twee provincieraadsleden, advocaat Louis Ryelandt (1841-1877) die was overleden en bankier Hector Gilliodts (1829-na 1889) die vanwege financiële problemen ontslag moest nemen. De katholieke kiesvereniging stelde handelaar Karel Serweytens de Mercx (1853-1936) en Gustave Kervyn de Lettenhove (1844-1934) voor[36]. Zonder dat men goed wist van waar het voorstel kwam, werd ook Joseph Herreboudt voorgedragen. Dat was duidelijk niet naar de zin van de leiders van de kiesvereniging die er alles aan deden opdat hij niet zou verkozen worden en daar ook in slaagden. Zij beschouwden toen immers Herreboudt al lang niet meer als één van hen. Hij moest op geen enkele steun van die kant meer rekenen, terwijl hij door de liberalen evenmin gesteund werd. Dit betekende dan ook het doodlopen van zijn politieke carrière.

Gemeenteraadslid Herreboudt in het Nederlands

Het was dus op 2 september 1872 dat Joseph Herreboudt zijn intrede in de Brugse gemeenteraad deed en de eed aflegde. Onmiddellijk bevestigde hij zijn onafhankelijkheid, ook al verdedigde hij dan toch voornamelijk de stellingen van de katholieke partij. Hij was anderzijds de verdediger van het gebruik van het Nederlands in de openbare zittingen[37].

Al vanaf zijn intrede drukte Herreboudt zich, heel alleen, in het Nederlands uit. Hij liep hiermee voorop, want de meest standvastige promotor van het Nederlands in de Brugse stadsadministratie, dokter Eugeen Van Steenkiste (1841-1914), aan wie men meestal de eerste tussenkomsten in het Nederlands toeschrijft[38], was toen nog niet eens lid van de gemeenteraad en Herreboudt bleef nog heel eenzaam in zijn houding. In de tweede zitting die hij bijwoonde, gaf hij zijn maidenspeech, precies in verband met een taalkwestie. De goedkeuring van een gewijzigd reglement over de lastenboeken voor aanbestedingen en werken gaf hem de gelegenheid te vragen hoe het kwam dat die lastenboeken uitsluitend in het Frans werden opgesteld, daar waar een gemeentelijke verordening van 1851 een tweetalige redactie oplegde. Burgemeester Boyaval zat hiermee duidelijk verveeld en had alleen als excuus dat vele aannemers hadden gemeld dat de tekst in de volkstaal voor hen overbodig was, zodat die sinds 1866 was achterwege gebleven. Hij zou strikte onderrichtingen geven aan de administratie om voortaan aan de tweetaligheid te houden, beloofde hij. Maar, zo vroeg voorzitter van de rechtbank Charles van Caloen (1802-1877), eveneens gemeenteraadslid, welke van beide teksten zal als de authentieke rechtsgeldige tekst worden beschouwd? De beide uiteraard, antwoordde Herreboudt. Dat zal niet lukken in geval van betwistingen, zo voorspelde van Caloen: geconfronteerd met twee, eventueel afwijkende teksten, zouden de rechtbanken onmogelijk uitspraak kunnen doen[39].

De tweede tussenkomst in het Nederlands deed Herreboudt in verband met een incident dat zich rond het slachthuis had voorgedaan, waar een losgebroken rund enige paniek in de Hauwerstraat had veroorzaakt. Moest men de stallingen niet uitbreiden? Neen hoor, antwoordde de burgemeester, het ging hier om een dier dat in de stal van een herberg stond en dat onvoldoende begeleid naar het slachthuis werd gedreven[40].

Zijn derde tussenkomst in het Nederlands wijdde Herreboudt aan de noodzakelijke investeringen die moesten gebeuren ten bate van handel en nijverheid, meer bepaald in de Brugse haven. Hij verweet het bestuur op dit gebied schromelijk tekort te schieten[41]. Op dit thema zou hij in de volgende jaren regelmatig terugkeren.

Zijn vierde tussenkomst in het Nederlands betrof de spaarkassen in de scholen voor arme kinderen, die volgens hem in een bedroevende toestand verkeerden[42].

Het is zeer waarschijnlijk dat collega’s, ook partijgenoten, aan Herreboudt lieten blijken dat ze zijn tussenkomsten in het Nederlands niet apprecieerden en er hem op wezen dat hij zijn eigen ruiten ingooide, doordat een aantal van de raadsleden en schepenen niet eens begreep wat hij zegde. Daarom begon hij zijn volgende tussenkomst met de woorden: Je m’exprimerai en français, non parce que je renonce à me servir de la langue flamande, mais je désire être bien compris par ceux auxquels je m’adresse[43]. Daarop volgde een uiteenzetting over iets wat één van zijn stokpaardjes zou worden, de oppositie tegen de subsidies die de stad toekende aan een privéschool voor meisjes, de zogenaamde ‘école Boyaval’ waar de liberale meerderheid grote steun aan verleende[44]. Niet alleen stond het onderwijs er volgens hem maar op een laag niveau, maar de school was niet conform aan de wet op het onderwijs van 1842. Was ze dat wel, dan zou ze toelagen van het Rijk krijgen en zou ze kunnen gratis onderwijs aanbieden. De lange en scherpe discussies, waar de oude staatsman Paul Devaux (1801-1880) zelf uitgebreid in tussenkwam, toonden aan hoe vlijmscherp meerderheid en oppositie op dit punt tegenover elkaar stonden[45]. Voortaan zou Herreboudt zijn talrijke tussenkomsten in het Frans houden.

Het is pas in 1879, tijdens een discussie met betrekking tot twee lagere scholen voor arme kinderen, dat hij opnieuw Nederlands sprak. Hij begon toen aldus: Ik zal Vlaams spreken in verband met dit belangrijk punt, want ik wens goed begrepen te worden door mijn medeburgers, opdat men niet zou kunnen zeggen dat ik tegenstander van die school ben. Dergelijke houding, duidelijk bedoeld voor het aanwezige publiek, werkte op de zenuwen van zijn collega’s en deed aan schepen en advocaat Emile-Ernest Cauwe (1845-1908) de opmerking ontvallen: Richt u tot de gemeenteraad en niet tot het volk, we zijn hier niet in een meeting. Herreboudt zou nog drie maal dat jaar in het Nederlands het woord voeren, telkens over kwesties in verband met het gemeentelijk onderwijs.

Herreboudt had tegen die tijd enige versterking gekregen voor zijn taalopvattingen. Dokter Eugeen Van Steenkiste, architect Karel Verschelde (1842-1881) en advocaat Polydore Demonie (1844-1887) hadden, na hun verkiezing in oktober 1878 op de katholieke lijst, in het Nederlands hun eed afgelegd. Het duurde echter nog enkele jaren vooraleer Van Steenkiste zich in het Nederlands uitdrukte tijdens de zittingen[46]. Verschelde deed geen tussenkomsten en overleed weldra. Demonie kwam alleen in het Frans tussen.

Herreboudt in de gemeenteraad onder Boyaval

Een discussiepunt waarop Herreboudt vaak terugkwam betrof het gebrek aan evenwicht tussen wat de stad spendeerde voor haveninfrastructuur en industrie (300.000 fr. in 20 jaar) en het miljoen dat was besteed aan de bouw van een schouwburg. In afgemeten bewoordingen drukte hij dezelfde kritiek uit die in de lokale bladen met heel wat grotere heftigheid werd uitgebazuind[47]. Hij kwam later nog op het theater terug, het verlenen van toelagen bekritiserende en verzoekende om die als nutteloze en contraproductieve uitgaven af te schaffen[48].

Bij het lezen van de verslagen van de gemeenteraad krijgt men de indruk dat de sfeer er beleefd was en de relaties over het algemeen hoffelijk. Nochtans, waren deze verslagen wel de juiste weergave van de atmosfeer waarin de bijeenkomsten verliepen? Men kan het zich afvragen als men leest wat een liberale krant hierover schreef: Wat nog het schandelijkst is, ’t is dat zij uren lang babbelen, huilen, tieren, den burgemeester en zijne vrienden in de modder slepen, en dat zij dan nog den heer Boyaval zouden willen beletten op hunne snoodheden te antwoorden en zich te verdedigen[49]. Het is dus niet uitgesloten dat het stenografisch verslag werd opgepoetst en ‘gezuiverd’ alvorens het naar de drukker ging.

In het jaar 1873 was het voornaamste stokpaardje van Herreboudt de noodzaak werken uit te voeren tegen de verzanding van het kanaal Brugge – Gent (verwaarloosd volgens hem door de schuld van de ingenieurs van de waterwegen, die Oost-Vlamingen waren) en tegen dezelfde problemen in het kanaal Brugge-Oostende dat nog maar net goed was voor de binnenscheepvaart en geen zeeschepen meer toeliet. Met zijn uitgebreide en gedocumenteerde uiteenzettingen gaf Herreboudt blijk van een grondige kennis van de problematiek maar tegelijk moet deze ondernemende en nog jonge nieuwkomer wellicht behoorlijk op de zenuwen van sommige collega’s hebben gewerkt. Na één van zijn uiteenzettingen vroeg het bejaarde raadslid Ernest Marlier (1808-1887) of men zo goed wilde zijn de zitting te heffen en ‘s anderendaags te hernemen, maar de burgemeester liet droogjes opmerken dat Herreboudt weliswaar driekwartier had gesproken, maar dat hijzelf slechts drie minuten zou nodig hebben om te antwoorden[50]. Men kon er alvast niet omheen dat toen de burgemeester op 22 april 1873 het probleem van het kanaal met de voorzitter van de centrale Kamercommissie ging bespreken, Joseph Herreboudt mee naar Brussel mocht. Bij die gelegenheid werd ook het sinds lang aanslepende dossier van een te bouwen Rijksnormaalschool in Brugge besproken[51]. En toen op 23 oktober 1873 de katholiek Oostendenaar Auguste Beernaert (1829-1912) tot minister van Openbare Werken was benoemd, drong Herreboudt twee dagen later al aan opdat men onmiddellijk het idee van een directe toegang van Brugge naar de zee via Oostende met hem zou gaan bespreken[52].

Niets weerhield Herreboudt om steeds opnieuw zijn ideeën mee te delen. In de zittingsperiode van 17 tot 21 november 1873 nam hij het woord om een algemene uiteenzetting te geven over de toekomst van de stad. Hij deelde zijn betoog in volgens de drie doelen die hij voor Brugge vooropstelde: een commerciële stad en haven – een industriële stad – een toeristische stad[53]. Dit waren zijn steeds terugkerende leidmotieven.

Naast dit alles waren er nog heel wat andere punten waar het jonge raadslid zijn zeg over had. Zo ontwikkelde hij zijn kritiek op een gewijzigd reglement aangaande drankgelegenheden en balzalen, dat hij slecht opgesteld en verkeerd gecoördineerd vond[54]; hij drong aan opdat het aanleggen van nieuwe straten (zoals zou gebeuren in de wijk van de H. Magdalena) zou worden benut om de hygiëne van waterlopen en rioleringen aan te pakken[55]; hij verheugde zich over de aanleg van voetpaden aan de Langerei maar drong aan opdat hetzelfde zou gebeuren langs de Potterierei, die hij uiteraard goed kende aangezien hij er was opgegroeid[56]; hij had bezwaar tegen het overbrengen van het vredegerecht van het Vrije naar een stadseigendom op de Jan van Eyckplaats[57]; hij had kritiek op de gemeentelijke bewaarscholen, die teveel kostten en beter aan het privé initiatief konden worden overgelaten[58]; hij wees erop dat er te weinig personeel was aan de Handelskom en de investeringen daar veel te wensen overlieten[59]; hij bekritiseerde de lamlendige staat waarin zich het ziekenhuis voor ongeneeslijke vrouwen bevond[60]; hij was het niet eens met de duur van de concessie die men verleende om tramlijnen aan te leggen: volgens hem duurde die vijftig jaar te lang[61]. De bruggen aan de Dampoort en de Snaggaardsbrug dienden dringend vernieuwd te worden[62]. Een ander vaak terugkerend onderwerp was dat van de geplande rooilijnen en straatverbredingen, waarbij hij zich helemaal geen voorstander toonde van het snel en veralgemeend doorvoeren ervan[63]. Men volgde hem hierin, ook al omdat er geen bereidheid was om hiervoor genoeg vergoedingsbedragen te voorzien. Gelukkig maar, want dankzij deze traagheid zijn tientallen merkwaardige huizen in Brugge aan de vernieling ontsnapt.

Tegen het einde van 1873 zette Herreboudt nog eens alle registers open naar aanleiding van de bespreking van de begroting. Hij had kritische bemerkingen over de rekeningen. Hij wilde dat men aandrong voor méér toelage van de regering voor de uitgave van de Inventaire des chartes door Louis Gilliodts. Hij wilde dat méér werd voorzien voor werken aan de Sint-Annakerk. En tot slot kondigde hij aan dat daar waar de andere katholieke raadsleden zich onthielden, hij als enige tegen de begroting zou stemmen, die volgens hem helemaal niet beantwoordde aan de werkelijke financiële toestand van de stad[64].

Tijdens het jaar 1874 werd Herreboudt minder actief. Van begin maart tot einde augustus bleef hij, behalve op 16 mei, afwezig op de raadszittingen. Een reden hiervoor hebben we niet kunnen achterhalen. Ook tijdens de acht zittingen die hij bijwoonde nam hij minder vaak het woord. Helemaal zwijgzaam bleef hij nochtans niet. Hij brak een lans voor het verleggen van de spoorlijnen buiten de stad en klaagde over het onvoldoende aantal treinen naar Brussel[65]. Hij was niet te spreken over de traagheid waarmee de verslagen van de raadszittingen gedrukt werden en benadrukte dat de raadsleden de drukproeven moesten kunnen nalezen[66]. Hij interesseerde zich aan de plannen en de begroting voor werken aan het stadhuis, vroeg zich af waarom men zich voor leningen niet tot het Gemeentekrediet wendde en vroeg om beter inzicht in de belastingsontvangsten[67]. Hij eiste méér waterpompen voor de brandweer[68], méér middelen voor de muziekschool[69] en méér investeringen in het nieuwe Magdalenakwartier[70]. Voor nieuwe gebouwen die men wilde oprichten aan de Handelskom, wilde hij eerst de plannen zien, wat hem met tegenzin werd toegestaan[71]. Ook het Bureau van Weldadigheid[72] en de scholen[73] bleef hij aandachtig volgen. Het jaar 1874 werd afgesloten met de bespreking van de begroting voor het volgende jaar. Na een kritische redevoering die twintig bladzijden van het verslag in beslag nam, deelde Herreboudt mee dat hij zich ditmaal zou onthouden[74].

Bank Dujardin en politieke machtswissel

Tegen die tijd gingen de zittingen in een geladen atmosfeer door. Op 2 oktober 1874 had de Bank Dujardin de betalingen gestaakt en de boeken neergelegd[75]. In de zitting van 28 november kwam dit ter sprake. Er waren immers gemeentelijke gelden mee gemoeid, omdat zowel het Bureau voor Weldadigheid als de Burgerlijke Godshuizen sommen hadden gedeponeerd in deze bank en het ernstig risico bestond dat die reddeloos verloren waren. De oppositie, Herreboudt, Ronse en François Van den Abeele (1824-1900) voorop, rook bloed en vuurde haar vragen af: Over welke bedragen ging het? Wie had voor deze beleggingen de toelating gegeven en wie was verantwoordelijk voor de te verwachten verliezen? De leden van beide ondergeschikte besturen waren bijna uitsluitend liberalen, met onder hen enkele tenoren van de lokale partij, zoals de advocaten Alphonse Meynne (1839-1915) en Gustave Jacqué (1841-1924), notaris Joseph Van der Hofstadt (†1896) en Eugène Thomas (1830-1883). De gelegenheid was natuurlijk te mooi om ze niet even de schrik op het lijf te jagen. De burgemeester en de liberale meerderheid reageerden duidelijk aangeslagen maar namen een afwachtende houding aan, omdat volgens hen nog niets verloren was[76].

Het is onder dit onheilspellende gesternte dat het jaar 1875 werd ingezet. Het was een verkiezingsjaar en de gemeenteraadsleden stonden scherp, Herreboudt in de eerste plaats. Een recente brand deed hem weer op zijn kritiek terugkomen betreffende de brandweer. Die had volgens hem niet de adequate waterpompen en daarbij, de organisatie trok op niets: ‘tout le monde donne des ordres’. Het werd hoogtijd vond hij om over een beroepskorps te beschikken. Hij verzette zich hevig tegen gedeeltelijke restauratiewerken aan de zijgevel van het stadhuis in de Blinde-Ezelstraat en wilde de volledige plannen en bestekken voor alle onderdelen van het stadhuis kunnen inzien. ‘Het zou maanden vergen om al die plannen klaar te hebben’ zuchtte de schepen. Het schepencollege wilde een obligatielening uitschrijven voor een bedrag van 500.000 fr. Waarom leent u dat niet gewoon bij het Gemeentekrediet, vroeg Herreboudt. Wanneer een hele reeks aanpassingen aan taksen en belastingen moesten worden goedgekeurd, eiste hij dat hierover een verslag zou worden gemaakt door het berek van financies en dat de teksten zouden gedrukt en aan de raadsleden bezorgd worden. Na hevige discussie kreeg hij uiteindelijk zijn zin. Al die punten bracht hij op dezelfde zitting naar voor[77]. Hij maakte zich ook bezorgd om de pensioenkassen van de stad, waar geen ernstige raadsbeslissingen bleken over te bestaan. Ook dit had uiteraard, zonder het te zeggen, met het faillissement Dujardin te maken[78].

Een zaak die gedurende een paar zittingen heel wat tijd in beslag nam had te maken met havenkwesties. De regering had beslist dat Gent door een zeekanaal met Terneuzen zou worden verbonden en dat België de kosten hiervoor op zich nam, ook op Nederlands grondgebied. Daarnaast zou Gent van dezelfde gunstige tarieven voor zijn trafieken genieten als Antwerpen. De havenmetropool verzette zich hevig tegen het kanaal naar Terneuzen en vond dat als Gent dan toch een rechtstreekse verbinding met de zee wilde, het beter volledig op Belgisch grondgebied gebeurde, met een kanaal naar Heist. Dit was helemaal naar de zin van Herreboudt, die trouwens rapporteur werd benoemd door het berek voor handel en nijverheid. Laten we op die kar springen, riep hij uit. Voor één maal dat Antwerpen iets voorstelt waar we het mee eens zijn, moeten we ons bij hen voegen. Immers, dit kanaal zou ook langs Brugge komen, of gemakkelijk met een vertakking kunnen verbonden worden. Meteen zouden we, bij de monding, een haven in volle zee kunnen uitbouwen. In naam van allen sloot de burgemeester zich bij de uiteenzetting van Herreboudt aan[79].

Dezelfde eensgezindheid was ver te zoeken toen de maand daarop een curieus punt op de dagorde kwam. De graanhandelaar en amateurschilder Jan Van de Kerckhove (†1881) wilde 2000 fr. schenken aan de stad, te gebruiken voor prijzen en giften ten gunste van jongens in het gemeentelijk onderwijs. De schenking zou gebeuren onder de naam ‘Stichting Fritz Van de Kerckhove’. Het ging om een eerbetoon aan ‘l’enfant de Bruges’, Frederic of Fritz Van de Kerckhove, geboren in 1862 en gestorven in 1873, die al merkwaardig schilderde, zo werd verzekerd, toen hij pas zeven was[80]. Was hij werkelijk de auteur van de vele kleine landschappen en etsen die op zijn naam stonden? Er was hierover veel twijfel en discussie. De vader legde klacht neer tegen wie twijfels uitte en durfde te insinueren dat het werk door hemzelf was geproduceerd. De 2.000 fr. vertegenwoordigde de opbrengst van de expositie van het oeuvre van het overleden kind, die in het begin van 1875 in de Cercle artistique et littéraire in Brussel had plaatsgevonden. Herreboudt was niet onder de indruk van deze op eerste zicht milde schenking. Was Fritz een wonderkind en had Brugge aan hem een geniale inwoner verloren? Of ging het integendeel om een verfoeilijke fopperij? In dit laatste geval zou de stad, door de aanvaarding van de schenking, medeplichtig worden. Daarom moest eerst een grondig onderzoek worden uitgevoerd, betoogde Herreboudt. De zaak werd onmiddellijk politiek, want vader Van de Kerckhove was een trouwe liberaal. Dat hij op de blauwe meerderheid mocht rekenen kwam tot uiting bij de stemming: de schenking werd goedgekeurd, liberalen tegen katholieken[81].

Herreboudt vertoefde ook in middens waar men zich aan de geschiedenis van Brugge interesseerde. Eén ervan was de in 1865 gestichte Société archéologique de Bruges die zich inzette voor het tot stand komen van een archeologisch museum (dat later het Gruuthusemuseum werd). De voorzitter ervan was zijn schoolkameraad Adolf Duclos. In diens verslag van de activiteiten, werd gemeenteraadslid Herreboudt onder de weldoeners vermeld, als schenker van twee geëmailleerde tegels afkomstig uit de vroeg veertiende-eeuwse boetkapel die in de abdij van Sint-Andries was opgericht, ter nagedachtenis van enkele geëxecuteerde Brugse burgers[82].

In de periode voor 1876 richtte Herreboudt uiteraard zijn pijlen op de liberale meerderheid en op burgemeester Boyaval. Hij was het nochtans soms met hen eens, zoals toen hij de burgemeester bijtrad in zijn oppositie tegen de katholieke minister van Binnenlandse Zaken en Onderwijs Charles Delcour (1811-1889). Herreboudt hield aan zijn onafhankelijkheid en verklaarde: J’ai l’habitude de dire la vérité à mes ennemis et plus encore à mes amis[83]. Hij werkte niettemin danig op de zenuwen van de liberale meerderheid. Nadat hij méér dan een uur had gesproken over het lastenboek dat de danszalen regelde, sprak Boyaval met enig sarcasme over dit lastige raadslid dat gesproken had ‘de toute la force de ses arguments et de ses poumons’[84]. Toen de burgemeester in de raadszitting zijn beklag maakte over artikels in La Patrie tegen de gemeentescholen, antwoordde Herreboudt, die misschien wel de inspirator van die artikels was, dat hij hierop in de kranten moest antwoorden en dit de raadsleden niet aanging[85]. In 1875 ontspon zich volgende dialoog tussen Boyaval en Herreboudt:

Boyaval: Vous exagérez tout. L’honorable membre est possédé d’un tel désir de tout critiquer.

Herreboudt : De tout examiner.

Boyaval : De tout critiquer.

Herreboudt : Vous n’avez pas le droit de dire cela. Je vous approuve aussi quelques fois, mais je veux examiner tout.

Boyaval : Monsieur Herreboudt a tellement l’habitude de tout critiquer.

Herreboudt : Je proteste[86].

De burgemeester was enkele weken later niet meer zo heftig, toen de problemen in verband met de Bank Dujardin opnieuw aan de orde waren. Het was ondertussen duidelijk geworden dat het Bureau voor Weldadigheid 11.700 fr. had gedeponeerd bij deze bank en de Burgerlijke Godshuizen 80.000 fr. De oppositie was van oordeel dat deze bedragen verloren waren en dit zich moest weerspiegelen in de begroting van deze beide instellingen. Herreboudt drong aan opdat zou onderzocht worden indien de deposito’s volgens de wettelijkheid waren gebeurd en wie hiervoor de verantwoordelijkheid had genomen. Zolang dit niet duidelijk was, kon men de begrotingen van deze beide instellingen niet goedkeuren besloot hij[87]. In een volgende zitting bevestigde hij die stelling[88]. Maar een paar maanden later had hij zich bedacht en was hij tot een gewijzigde conclusie gekomen. Men moest geen rekening houden met eventuele verliezen bij de bank zo vond hij, en men moest integendeel dit geld zonder meer als aanwezig beschouwen. Immers, als het bij de bank verloren ging, dan zou de ontvanger van de vermelde instellingen, die de deposito’s had uitgevoerd, verantwoordelijk zijn en de bedragen uit eigen vermogen moeten terugstorten. En als hij dat niet wilde, moest hij naar de rechter stappen en aantonen dat hij slechts de bevelen van de beheerders had opgevolgd. Die zouden dan voor het verlies moeten opdraaien. Het werd heel stil in de raadszaal, want dit was een ogenschijnlijk geruststellende maar bijna machiavellistische gedachtegang[89]. Men zou de volgende nachten in heel wat liberale herenhuizen waarschijnlijk

moeilijk de slaap vatten.

Tijdens de voorlaatste zitting van 1875 werd de stadsbegroting besproken. Herreboudt viel die scherp aan, vooral omdat men overhaast nieuwe belastingen en nieuwe leningen wilde doen goedkeuren, waar vooraf niet over was gediscussieerd. Hij beklemtoonde anderzijds dat er veel te weinig geld voorzien was voor onderhoud van stadsgebouwen, bruggen, kaaien, kanalen en riolen. En hij besloot met de wens dat een ‘nieuwe meerderheid’ hierover andere en betere gedachten zou hebben[90]. Iedereen wist natuurlijk sinds de verkiezingen van einde oktober dat het liberale bestuur ten einde liep en enkele dagen later de katholieke meerderheid de stad zou in handen nemen.

Openbare werken, monumentenzorg en Brugge Zeehaven

Er was inderdaad vanaf 1 januari 1876 een katholieke meerderheid, maar Herreboudt hoorde daar niet bij. Wat was er dan wel gebeurd? Op 3 januari 1876 hadden de herkozen of nieuwgekozen raadsleden in de Brugse gemeenteraad de eed afgelegd, met uitzondering van Joseph Herreboudt. Hij verscheen pas op 13 januari. Was hij misschien aan het mokken? Ondertussen waren namelijk drie katholieke raadsleden bij koninklijk besluit tot schepen benoemd: de jurist en eigenaar Alfred Ronse (1835-1914)[91], de advocaten Ernest Cauwe (1845-1908) en Georges de Crombrugghe (1841-1922)[92]. Het is zeer waarschijnlijk dat Joseph Herreboudt de ambitie koesterde schepen te worden en zeer ontgoocheld was toen dit niet gebeurde. Daar is wellicht de reden te vinden voor het feit dat hij in stijgende lijn oppositie ging voeren tegen de katholieke meerderheid. Vanaf januari 1879 zou hij trouwens, na het wegstemmen van de laatste liberalen, de enige overblijvende tegenstander zijn: een moeilijk vol te houden positie.

Na de overwinning van de katholieke partij, de benoeming van Amedée Visart tot burgemeester en de aanstelling van drie nieuwe schepenen begin 1876 (twee liberalen bleven nog een termijn uitdoen), was Herreboudt nu dus een tegenstander. Tijdens één van de eerste raadszittingen na de machtswissel, zat het er al bovenarms op tussen hem en de schepen van openbare werken Ronse[93]. Dit zou nooit meer goed komen. De oppositietoon werd bij Herreboudt duidelijk. Zo onder meer tijdens zijn talrijke tussenkomsten over een door hem gewenste rechtstreekse toegang van Brugge naar de zee, waarmee hij vooruitliep op de voorstellen van ingenieur August de Maere (1826-1900)[94]. Hij hamerde ook vaak op de nodige investeringen in de Handelskom[95].

Tijdens iedere zitting kwam hij weer uitgebreid en kritisch tussen op velerlei punten. Zo wilde hij bliksemafleiders op stadsgebouwen[96] en betere waterpompen voor de brandweer[97], hij wilde ook een beroepskorps van brandweerlui[98], hij had het steeds opnieuw over de werking van de Burgerlijke Godshuizen en over de verantwoordelijkheid van de bestuurders[99], over de tuin van de Duinenabdij[100], over de spaarkassen in de gemeentescholen[101], over watervervuiling[102], over lastenboeken[103], over sommige toelagen[104], over rooilijnen[105], over industrieterreinen[106], over de huisnummering[107], over de verhuizing van een meisjesschool[108], over de Stichting Cobrysse[109], over de hoogdringende noodzaak van een nieuw stationsgebouw en over de wenselijkheid het ontwerp hiervan aan een Brugse architect toe te vertrouwen, wat niet gebeurde aangezien de Antwerpse architect Joseph Schadde (1818-1894) werd aangesteld[110]. Herreboudt hield niet op.

 Soms steunde hij de meerderheid, zoals bij de actie van de burgemeester om groene promenades aan te leggen[111]. Maar soms steunde hij de vroegere burgemeester en stemde een voorstel over de ‘école pour demoiselles’ dat hij eigenlijk al vier jaar geleden zelf had geformuleerd en toen door Boyaval niet maar nu wel werd goed bevonden[112].

Na een jaar katholiek stadsbestuur, tijdens het welke hij van kamp was veranderd, drukte Herreboudt zijn ontgoocheling uit over de geringe daadkracht van het nieuwe bestuur en kwam zelf uitgebreid met plannen voor de dag, onder meer met een groots plan voor het uitvoeren van openbare werken en restauraties. Niets kon beter de stad en de streek doen heropleven, zo betoogde hij, dan een programma van grote openbare werken. Wat hij zo allemaal voorstelde was: voor 2 miljoen fr. werken uitvoeren aan stadsgebouwen, een overdekte schietbaan, een derde meisjesschool en een overdekte markt bouwen, het Gruuthusepaleis aankopen en het als stadsmuseum inrichten, promenades aanleggen, een nieuw Sint-Janshospitaal bouwen buiten de stad en een standbeeld voor Breydel en De Coninck oprichten. Dit alles zou moeten gebeuren door het aangaan van een lening van 5 miljoen fr[113].  Zijn uitgebreid plan dat hij tijdens een discours solennel uiteenzette, werd enigszins schoorvoetend bijgetreden door het schepencollege, dat meedeelde in dezelfde zin vooruitzichten te hebben. Het belette niet dat de raadsleden Van den Abeele en Cauwe tegenpruttelden en dat schepen Ronse liet opmerken: Rien n’est plus facile que de faire des propositions. De voorstellen van Herreboudt werden verwezen naar de commissie openbare werken en daar werden ze op 28 augustus met vier stemmen tegen twee goedgekeurd. Dit verwekte de woede van de schepenen Cauwe en Ronse[114].

Enkele maanden later voegde Herreboudt daar nog een voorstel aan toe, gebaseerd op de wens die koning Leopold II had uitgedrukt: Je voudrais voir restaurer ses anciens et beaux monuments, afin que Bruges devienne une autre Nürenberg. Que la ville tout entière ne soit qu’un vaste et splendide musée et pas un étranger ne visitera la Belgique sans aller le voir[115]. De goedkeuring van dit voorstel kon een tijdelijke uitweg brengen voor de bouwsector. Op het culturele vlak kon het zorgen voor de instandhouding van het stadsbeeld en als ‘ville d’agrément’ zou Brugge toeristen aantrekken. Herreboudt stelde onmiddellijk een volledig programma voor van te restaureren monumenten[116].

Deze belangrijke thema’s beletten niet dat Herreboudt ook over veel andere punten zijn stem liet horen. Zo klaagde hij omdat het maken van decors in de stadsschouwburg niet aan Bruggelingen werd toevertrouwd[117] en dat er te weinig opvoeringen in het Vlaams waren in de schouwburg[118], wenste hij een loskade aan de Coupure[119] en had hij bemerkingen over het vellen van bomen langs de Steenbrugse Wandeling[120]. Verder had hij regelmatige bemerkingen over de Burgerlijke Godshuizen en de Openbare Onderstand[121], over de gemeentescholen[122], over het atheneum[123], over de godsdienstlessen in het rijksonderwijs[124]. Hij was het er ook helemaal niet mee eens dat de aloude Kunstacademie, die een privé-instelling was, geleid door liberalen, werd opgedoekt en vervangen door een gemeentelijke instelling die uiteraard onder  katholieke voogdij zou staan[125].

1878: het jaar van het plan De Maere

Het was in november 1877 dat August de Maere een brochure uitgaf met een plan voor een nieuwe haven in Brugge met rechtstreekse toegang naar de zee. Herreboudt had zelf vroeger al in die zin gepleit en was dan ook onmiddellijk een groot voorstander van wat de Gentenaar voorstelde.

In de raadszitting van 26 januari 1878 wilde hij hierover tussenkomen, maar bij ordemotie nam raadslid Van den Abeele het woord en maaide hem het gras van onder de voeten. Herreboudt kon zich alleen maar volmondig bij de uiteenzetting van zijn opponent aansluiten, niet zonder wat schamper op te merken dat deze collega wel heel vlug zijn tot voor kort negatief standpunt hierover had verlaten. De kwestie werd doorverwezen naar het berek handel en nijverheid van de Brugse gemeenteraad. Herreboudt werd aangeduid als rapporteur en in de zitting van de gemeenteraad van 23 maart bracht hij een lang en enthousiast verslag uit. Op 18 april kwam de Maere zelf zijn plan voor het berek toelichten. Ook burgemeester Visart was aanwezig. In de zitting van 20 april bevestigde

de gemeenteraad opnieuw zijn steun. Voortaan behoorde het ‘plan de Maere’ officieel tot de betrachtingen van de stad Brugge. Een strijd werd ingezet die bijna twintig jaar duurde en de ganse Brugse bevolking op de been bracht.

Ook tijdens dit jaar bleef Herreboudt bijzonder actief in de gemeenteraad. Een eerste discussiepunt betrof de bouw van een nieuw hospitaal voor ongeneeslijke zieken, dat zou worden toevertrouwd aan de Zusters van Liefde. De Burgerlijke Godshuizen wilden het op het einde van de Oostmeers bouwen, maar Herreboudt had daar talrijke bezwaren tegen: het ging om moerassige gronden die epidemieën zouden veroorzaken, de zieken zouden hinder ondervinden van het lawaai van de locomotieven die in de nabijheid voorbij reden en de gronden rond het Minnewater moest men voor handel en industrie voorbehouden.

Zijn tussenkomst werd als een gelegenheid aangegrepen door raadslid François Van den Abeele om de al lang opgekropte onvrede over zijn collega in een denigrerende rede uit te spuwen, rede die in meer algemene zin was bedoeld en niet zozeer over het nieuwe hospitaal ging. Hij zegde: L’honorable membre veut depuis quelque temps transformer Bruges en une ville exceptionnelle. Mr Herreboudt parle d’un grand projet, comme d’ailleurs il sait en concevoir. Je sais très bien qu’il y a des personnes qui portent leurs aspirations fort haut, qui ont le désir de réaliser des conceptions grandioses, qui pour l’accomplissement de leurs espérances ont une foi robuste dans l’avenir, mais je crois qu’il est plus prudent de s’en tenir à la réalité, c’est certainement plus prosaïque, cela se prête moins à des développements oratoires, mais c’est beaucoup plus pratique un jour. Deze tirade komt in een bijzonder daglicht te staan als men weet dat Herreboudt als alternatief had voorgesteld het hospitaal te bouwen buiten de Smedenpoort…naast het buitenverblijf van dokter Van den Abeele![126]

Herreboudt had ook nog bemerkingen over het Bassin van het Minnewater[127], over de omheining rond Sint-Salvatorskerk (‘geen luguber hekken, maar een laag muurtje’)[128], over nieuwe magazijnen aan de Handelskom, over de nog steeds deficiënte brandweer, over het voetstuk van het standbeeld Jan van Eyck (‘voorkeur voor Pickery boven Delacenserie’)[129], over de controlecommissie op het vlees[130], over de slechte kasseien die men bestelde[131], tegen de rooilijnen met slopingen tot gevolg[132], over het Sint-Annakwartier, over de spoorlijn naar Blankenberge[133], over de beste plek voor het nieuw te bouwen station (‘buiten de stad a. u. b.’)[134], over de bomen die gerooid werden in de Rame[135], over de verkoop van het Engels seminarie[136], over de stadsbibliotheek (‘désordre complet’)[137] en over nog veel andere punten.

Wat de nieuwe wijk betreft die in de omgeving van de Boeveriepoort werd gepland, ondersteunde Herreboudt de bouw van de nieuwe huizen in Brugse stijl. Hij oordeelde echter dat de begrotingspost die voorzag in een toelage voor de bouwheren belachelijk laag was. Toen hij hierover zijn mening wilde geven, maande Visart hem aan: Je vous engage à être bref. Herreboudt reageerde gebeten: Comment, quand je ne viens pas au Conseil, on se hâte de vider les questions les plus importantes et aujourd’hui que je suis présent à la séance, je n’aurais pas le droit de répondre à un très long discours de Mr. Van den Abeele. Zijn voorstel van hogere toelage werd vervolgens verworpen[138].

Een ander punt waartegen Herreboudt van leer trok was een artikel dat men wilde toevoegen aan het reglement voor de Havenkom. Voortaan zou iedereen die voor diefstal of misbruik van vertrouwen was veroordeeld, voor altijd de toegang tot de haven worden ontzegd. Zoiets, vond hij, was onwettelijk, ongrondwettelijk en onuitstaanbaar. Een arme sjouwer die door de honger gedreven een kleine diefstal zou bedreven hebben, zou hierdoor, samen met zijn familie, buitensporig worden gestraft[139].

De bespreking van de begroting in februari 1878 was de gelegenheid voor Herreboudt om alle registers open te zetten. Tijdens de algemene bespreking nam hij gedurende twee uur het woord en deed een aantal voorstellen over waar het geld te vinden was voor de grote werken die hij voorstelde. Nadien had hij bij de artikelsgewijs bespreking op bijna elke begrotingspost iets aan te merken[140]. Schepen Cauwe zuchtte: Si nous votions tout ce que vous proposez, nous irions loin![141]

De stemming werd helemaal elektrisch toen schepen Ronse zich aldus tegen Herreboudt afzette : Pour qui lit entre les lignes, l’intention de Mr Herreboudt est facile à saisir. Il se résume ainsi: ‘Lorsque le Parti libéral était à la tête des affaires, tout prospérait, mais du moment qu’un autre parti a eu la gestion des affaires, tout a périclité’. Herreboudt reageerde heftig : Il n’y a rien entre les lignes ; j’ai la franchise de toujours dire ce que je pense. En vervolgens benadrukte hij waarom hij de katholieke meerderheid de rug had toegekeerd: A qui confiai-je l’exécution de mes idées ? A vous, administration catholique; à vous, mes amis politiques, avec qui j’étais arrivé au pouvoir et avec qui j’entendais m’y maintenir. Quelle a alors été l’attitude de mes amis ? Les journaux ont parlé pour eux : ils ont ridiculisé mes propositions. En omdat het nieuwe schepencollege geweigerd had berekeningen te maken over wat zijn voorstellen moesten kosten, had hij het zelf gedaan en in oktober 1877 een brochure uitgegeven, die meteen de volledige breuk had bezegeld[142].

Slechts eenmaal werd hij geprezen door de meerderheid. Hij brak namelijk een lans voor het vrij onderwijs (de schooloorlog was toen in zijn beginfase) en stelde voor – wat hij ook al onder het liberale bestuur had gedaan - de gemeentescholen over te dragen aan de Broeders van Liefde. Waarop dokter Van den Abeele aldus reageerde: Je retrouve Mr Herreboudt des anciens jours, lorsqu’il luttait dans nos rangs[143].

Herreboudt toonde ook nog eens zijn Vlaamsgezindheid, door een verzoek te ondersteunen dat door verschillende burgers was ingediend over het gebruik van het Nederlands in gemeentezaken. Een commissie onderzocht de zaak en bereikte de conclusie dat het taalgebruik vrij was, maar dat de raadsleden niettemin werden aangemoedigd zich in het Nederlands uit te drukken[144].

1879: zijn laatste jaar in de gemeenteraad

Bij het begin van 1879 deden dertien nieuwe raadsleden hun intrede. Als gevolg van de verkiezingen van 19 oktober 1878 verdwenen de laatste liberalen uit de gemeenteraad en bestond die nu uitsluitend uit leden van de katholieke partij, met Herreboudt, destijds op de katholieke lijst gekozen, als enig oppositielid[145]. Hij bleef niettemin actief, om niet te zeggen uiterst actief.

Hij volhardde eerst en vooral als de voornaamste sympathisant van de Maere en zijn havenplannen. Pas had deze een nieuwe brochure gepubliceerd of Herreboudt vroeg die te laten onderzoeken door het berek van handel en nijverheid. Met enige aarzeling stemde burgemeester Visart daar in toe[146]. Wellicht wilde hij dit niet in dit berek laten behandelen, wetende dat Herreboudt daar het hoge woord zou voeren en wellicht ook als rapporteur zou worden aangeduid. Had hij achteraf wellicht spijt van zijn toezegging? In elk geval klaagde Herreboudt bijna een maand later dat het berek nog altijd niet was bijeengeroepen. Men zou het de week daarop doen, werd hem beloofd[147]. Een maand later vroeg hij het weer. De bijeenkomst was opnieuw uitgesteld[148]. Pas begin 1880 zou men daar nog iets over horen.

Herreboudt trok in het jaar 1879 werkelijk alle registers open. Er kwam bijna geen punt meer op de dagorde voor, of hij had een grote of kleine bemerking te maken.

In dat jaar woedde de schooloorlog in alle hevigheid, en dit was ook merkbaar in de tussenkomsten van Herreboudt. Zo vond hij het uitstekend dat de plannen van architect Delacenserie voor de Rijksnormaalschool aan het publiek werden voorgesteld, maar vroeg tevens of het juist was dat er geen kapel voorzien was in het gebouw, wat hij niet goed vond[149]. Wat betreft de gemeentescholen, had de katholieke meerderheid er niets op tegen dat ze leeg liepen ten voordele van de talrijke bestaande of nieuw opgerichte vrije scholen. Integendeel, ze hielp er aan mee. Opdat de ouders hun kinderen verder aan de gemeentescholen zouden toevertrouwen, moesten deze liefst godsdienstonderricht verstrekken en dus werd dit door het stadsbestuur tegengewerkt. Aangezien de geestelijkheid weigerde medewerking te verlenen en het dus de onderwijzers zelf waren die verondersteld werden godsdienstles te geven, was het schepencollege van oordeel dat dit een ‘schismatieke werkwijze’ zou zijn. Aangezien de minister ook had opgelegd dat de gemeenten hun scholen moesten voorzien van de nodige godsdienstboeken en catechismussen, weigerde men dat in Brugge te doen, zich ‘naïef’ afvragend welke boeken of welke catechismus ze dan wel zouden moeten kopen. Tegen deze partijdigheid weerde Herreboudt zich sterk en als enige opposant trouwens tevergeefs[150]. Het schepencollege vond nog een andere manier om het aantal leerlingen in de gemeentescholen te doen verminderen. Men was tot de vaststelling gekomen dat 47 kinderen buiten Brugge woonden maar om één of andere reden in de stad school liepen. Men moest alleen onderwijs aanbieden aan de eigen bewoners, zo betoogde het schepencollege en dus moesten die kinderen eruit. Herreboudt maakte zich behoorlijk boos, in het Nederlands deze keer, en wees er op dat dit een toestand was die altijd en zonder problemen had bestaan, maar hij pleitte vergeefs[151]. Een andere hevige discussie ontstond rond de oprichting in de stedelijke nijverheidsschool (die avondlessen organiseerde voor volwassen laaggeschoolden) van een cursus over ‘industriële en politieke economie’ of staathuishoudkunde. Raadslid en advocaat Théophile Goethals (1845-1913), die bij de Nijverheidsschool betrokken was, had in een nota over de inhoud van deze cursus geschreven dat de leraar de economische gegevens moest toetsen aan de christelijke moraal en aan de Tien Geboden. Het kwam tot een hevige woordentwist, want Herreboudt vond natuurlijk niet dat een leraar dergelijke verbinding moest maken en betwijfelde zelfs of hij dat wel zou kunnen[152]. Men benoemde alvast een betrouwbare katholiek als leraar, de jonge advocaat Alphonse Geûens (1847-1925)[153].

Er waren nog veel andere tussenkomsten. Herreboudt hield een lang betoog over de gevaren van jongeren die zich op broos ijs waagden en drong aan op maatregelen[154]. Hij wilde dat de op de gevels geschilderde straatnamen en huisnummers zouden vervangen worden door blikken platen[155]. Hij vroeg de opheffing van de Berg van Barmhartigheid, die moest worden vervangen door nuttiger gemeentelijke instellingen, namelijk een bewaarhuis en een volksbank[156]. Hij had bemerkingen over het muziekconservatorium[157], over de nieuw te bouwen schietstand[158], over de overdreven kost van baggerwerken in de reien[159]. En zo ging het maar door.

Waar vroeger Herreboudt geen voorstander was van toelagen aan de schouwburg, omdat die zelf voldoende inkomsten kon genereren, was hij er thans, nadat de uitbater failliet was gegaan, wel voorstander was. Immers, zo betoogde hij, vroeger werd de schouwburg door de liberale bestuurders en hun aanhangers druk bezocht, maar nu werd door de nieuwe machthebbers hevig campagne gevoerd tegen de schouwburg. Dit gebeurde tot in de gemeenteraad waar onder meer raadslid Kervyn had betoogd dat de schouwburg een immorele bedoening was. Niets van, vond Herreboudt, het ging om een instelling van openbaar nut[160]. Ook eiste hij, tijdens een hevige discussie, méér toelagen voor het Vlaams toneel[161].

Het was onvermijdelijk dat Herreboudt tegen de stadsbegroting stemde. Zowel bij de bespreking er van als bij andere gelegenheden kwam het tot hevige botsingen tussen hem en vooral schepen Cauwe en gemeenteraadsleden Van den Abeele en Demonie. De scherpste woordenwisselingen had hij echter met schepen van openbare werken Ronse, aan wie hij vaak immobilisme verweet[162]. Ronse merkte van zijn kant op: Je ferai remarquer que les griefs formulés par leJournal de Bruges avant les élections, avaient une singulière ressemblance avec les griefs articulés ici au Conseil par l’honorable Monsieur Herreboudt[163]. Een andere keer maakte Ronse zich boos over les injures et grossièretés de Mr.Herreboudt. Waarop die zich beklaagde des personnalités dont je suis toujours l’objet lorsqu’il [Ronse] prend la parole[164]. Het belette hem niet verder lange interpellaties te houden over onder meer de politiecommissariaten en de nachtwacht, de brandweer, de gasverlichting of de aankoop van boeken voor de bibliotheek[165]. Hij bleef hameren op problemen van rooilijnen[166], klaagde erover dat er te veel wilde honden op straat liepen met gevaren voor de hygiëne en merkte op dat er wel studiebeurzen in de begroting waren voorzien maar dat er geen werden toegekend[167]. Wat de Burgerlijke godshuizen betreft had hij het over problemen die ontstonden door het feit dat instellingen dankzij de dode hand heel wat goederen in bezit kregen. Die moesten ze, zo drong hij aan, niet aanwenden om hun patrimonium te vermeerderen, maar om instituten op te richten in dienst van de armen[168].

Herreboudt schrok er nooit voor terug uiteenzettingen te houden die een uur tot zelfs een paar uur in beslag namen. Zo hield hij een zeer technisch en goed gedocumenteerd betoog over de kwaliteit van het water in de stad en méér bepaald van het reiewater, waar ongestoord de meeste latrines in uitmondden. Hij twijfelde er niet aan dat het als gevolg hiervan was dat de bewoners zo vaak het slachtoffer werden van kleine of grote epidemieën[169]. Deze en andere uiteenzettingen waren van dien aard dat men wel moet veronderstellen dat Herreboudt zich als woordvoerder opstelde van beroepslui die het probleem grondig kenden.

De politieke duivels werden helemaal losgelaten als het er om ging toelagen te verlenen. Zo had de Compagnie Jagers Verkenners van de Burgerwacht een toelage gevraagd van 2.500 fr. om een manifestatie in te richten in het kader van de vieringen voor de vijftigste verjaardag van België. Toen het antwoord op zich liet wachten, werd Herreboudt de spreekbuis van de aanvragers, van wie bekend was dat het een bolwerk van de liberalen was. Neem daar toch eens dringend een beslissing in, zo drong hij aan. Maar de katholieke partij had een tegenzet gedaan. Die zelfde morgen was een aanvraag binnengekomen, ook voor een toelage van 2.500 fr., door de harmonie van de ‘Concorde’, die een muziekfestival wilde inrichten. Het ene en het andere moest nog eens grondig onderzocht worden, betoogde men. Het zou nog heel wat discussie vereisen en uiteindelijk kregen beide verenigingen elk 1500 fr. Herreboudt was natuurlijk niet tevreden[170].

Over restauratiewerken sprak Herreboudt een woordje mee. Zo had hij nogal wat opmerkingen over de herstellingswerken aan de Civiele Griffie[171]. Ook over de werken aan de Kunstacademie of Poortersloge had hij ideeën. Hij kon zich in zekere mate verzoenen met het verwijderen van de trap en de ingang kant Jan van Eyckplein, maar wilde vooral graag hebben dat de lege nissen zouden worden opgevuld en liefst met beelden door Brugse beeldhouwers gemaakt[172].

En dan was er nog de kwestie van de bestemming te geven aan stadsgronden aan de Boninvest, die langs de ringvaart lagen. De stad wilde daar een opslagplaats bouwen voor het stallen van de lijkkoetsen. Bent u niet wijs, vroeg Herreboudt. Het is toch duidelijk dat hier een laad- en loskade moet komen, in dienst van de omliggende industrie. Dat één van de belangrijkste in die omgeving, de jeneverstokerij Van Mullem was, waarvan de eigenaars actieve liberalen waren, moet wellicht als achtergrond voor deze discussie worden gezien. Hoe dan ook trok Herreboudt andermaal aan het kortste einde en kwamen de lijkkoetsen langs de Boninvest terecht[173]

Voor wat het jaar 1879 betreft, verscheen Herreboudt voor het laatst in de gemeenteraad op de zitting van 29 november. Op de twee zittingen in december bleef hij afwezig, voorbode wellicht van zijn plotselinge definitieve afhaken.

Laatste loodjes

Tijdens de eerste zitting van de gemeenteraad voor het jaar 1880 was Herreboudt present en bijzonder actief, om niet te zeggen strijdlustig. Het begon met een voorafgaande bemerking. Hij deelde namelijk mee dat het berek voor handel en nijverheid hem een opdracht had toevertrouwd om een nieuw verslag op te maken over de stand van zaken betreffende Brugge-Zeehaven. Daar had hij echter geen gevolg aan kunnen geven, zo verklaarde hij, want de documenten waar hij het schepencollege had om gevraagd had hij niet ontvangen en zijn vraag om op stadskosten de havens van Vlissingen en Duinkerken te mogen bezoeken was onbeantwoord gebleven. Hierop volgde een heftige woordenwisseling tussen Herreboudt en schepen Ernest Cauwe, die elkaar duidelijk niet konden luchten. Burgemeester Visart liet tot slot opmerken dat het misschien al even goed was dat er nog geen verslag was, want de nakende oprichting van een actieve vereniging ter bevordering van Brugge-Zeehaven kon wellicht de zaak in een nieuw daglicht plaatsen[174]. De Kring Brugge-Zeehaven zou inderdaad op 28 februari 1880 worden gesticht, met August de Maere als voorzitter en Julius Sabbe (1846-1910) en Karel Serweytens als secretarissen, maar Herreboudt zou er niet meer bij zijn[175]. Wist burgemeester Visart misschien toen al dat hij weldra van de lastpost Herreboudt zou verlost zijn?

Daarop volgde een motie van Herreboudt in verband met een succesvolle tentoonstelling van schilderwerken die onlangs had plaats gevonden en die hem het idee had ingegeven dat de stad Brugge méér inspanningen moest doen om zijn kunstcollectie aan te vullen. Waarom hieraan geen 10 à 15.000 fr. per jaar besteden? Nu was het schepen Ronse die in de aanval ging en nogal laatdunkend deed opmerken dat het gemakkelijk was om dergelijke voorstellen te doen, zonder te zeggen waar men het geld moest halen[176].

Een derde punt waarbij Herreboudt zich fors liet gelden ging nogmaals over de schoolboeken voor godsdienstonderricht die de stad voor de gemeentescholen moest, maar niet wilde, aankopen. Het was duidelijk dat het schepencollege alle middelen wilde aanwenden om, in volle schoolstrijd, minister Pierre Van Humbeeck (1829-1890) te hekelen voor de instructies die hij hierover gaf, terwijl Herreboudt, als enige in de raad, de minister verdedigde. Sommige opmerkingen van Herreboudt werden in het verslag opgetekend met de reactie erop die was: ‘algemeen gelach’[177].

Op de zitting van 30 januari bleef Herreboudt afwezig en op die van 14 februari maakte hij een paar korte opmerkingen maar toen men nog maar pas aan het punt 3 was verliet hij de zitting, om nooit meer terug te keren[178].

Professor Romain Van Eenoo heeft destijds Herreboudt gekenschetst als “een exponent van de groep zogezegd vooruitstrevende jongkatholieken uit de jaren zeventig. Overtuigd katholiek, ultramontaans bijna, liep hij voortdurend storm tegen de partijstructuur en de politieke apathie van de katholieken. Als geducht meetingspreker reisde hij het land af. De liberalen zagen in hem een vreemd en moeilijk te beschrijven mengsel: een liberaal, een klerikaal, een radicaal en een republikein, die evengoed in de loge kon thuishoren[179].” Het is duidelijk dat Herreboudt een evolutie doormaakte, waarbij hij de katholieke partij verliet en er een tegenstander van werd, maar niet speciaal vriendelijk werd onthaald bij de liberalen. Vandaar dat hij niet alleen moeilijk te situeren was, maar dat zijn politieke carrière doodliep.

Naar Brussel

Erreboudt bleef maar eenzaam Herr Herreboudt was na de verkiezingen van 1879 het enige ‘liberale’ en Onafhankelijke gemeenteraadslid gebleven, eenzaam zetelende tegenover de verpletterende meerderheid. Dit was wellicht moeilijk vol te houden. Het einde hiervan kwam trouwens in zicht. Bij de eerstvolgende verkiezingen, in oktober 1881, verviel zijn mandaat en van herverkiezing was geen sprake. Hij was destijds met de steun van de katholieke partij verkozen, maar was in de loop van de jaren opponent geworden zodat verdere katholieke steun uit den boze was. Met het nieuwe electorale meerderheidssysteem hadden de liberalen geen vooruitzicht meer op ook maar de minste verkozene. Om het even welke politieke rol, zelfs die van een bescheiden lidmaatschap van de gemeenteraad, leek voortaan voor Herreboudt uitgesloten. Was het dit perspectief van een politieke mislukking wellicht dat hem er deed toe besluiten andere oorden op te zoeken? Mag men veronderstellen dat hij ook beroepshalve te lijden kreeg onder de ideologische zwenking die hij had genomen?

Of mag men hier ook een familieprobleem bij vermoeden? Een lid van de familie Herreboudt moet in 1879 in opspraak zijn gekomen omwille van geldproblemen. Dit werd in de katholieke La Patrie tegen Herreboudt gebruikt en hij was hier duidelijk door aangeslagen. In de gemeenteraad citeerde hij de zin die de krant in de mond van raadslid Van den Abeele had gelegd: Ainsi un fils par ses combinaisons économiques mal entendues peut ruiner ses parents et un père peu prévoyant et dépensier peut ne pas remplir ses devoirs envers ses enfants.Waarop Herreboudt vervolgde: Pour ceux qui connaissent le malheur qui a frappé des membres de ma famille, il est clair que l’orateur n’a voulu désigner par ces mots personne d’autre que moi. Waar het echter op aankwam was dat Van den Abeele dit nooit tijdens de raadszitting had gezegd en Herreboudt wilde dan ook weten of hij misschien de krant had geïnspireerd of zo niet of hij bereid was er zich van te distantiëren. Van den Abeele draaide wat rond de pot maar moest uiteindelijk toegeven dat hij dit inderdaad nooit had gezegd, maar dat hij evenmin verantwoordelijk was voor wat La Patrie schreef[180].

Einde februari 1880 vertrok Herreboudt met zijn gezin naar Brussel waar hij zich aan de balie liet inschrijven[181] en zich vestigde in Sint-Joos-ten-Node. Het lijkt erg vlug te zijn gegaan. Nadat hij op 14 februari nog korte tijd aanwezig was in de gemeenteraad, meldde het verslagboek van de tuchtraad van de balie, op 23 februari, zonder opgave van reden, zijn ontslag en zijn vertrek naar Brussel. De eerstvolgende twee jaar kwam hij nog voor in de ‘Wegwijzer voor Brugge en West-Vlaanderen’ onder de Brugse advocaten, met de melding dat hij in Brussel woonde. Maar ook deze vermelding bleef weldra achterwege. We vonden geen spoor van een ontslag uit de gemeenteraad. Hij gunde het plezier wellicht niet aan de katholieke partij dat ze in zijn plaats één van hen zouden kunnen binnenloodsen en bleef dus nominaal raadslid tot op het einde van zijn mandaat.

Wellicht werd hij mee naar de hoofdstad aangetrokken door de activiteiten van zijn schoonvader, evenals door die van zijn familieleden Englebert. In die richting lijkt zijn publicatie te wijzen die was gewijd aan uitvindingen en brevetten. Zijn ooms waren immers geïnteresseerd in het beschermen van de uitvindingen of verbeteringen die ze realiseerden.

De bevolkingsboeken van Sint-Joos-ten-Node getuigen van een wat onzekere toestand, die we vaststellen zonder er een verklaring voor te hebben. Op 28 februari 1880 werd het gezin Herreboudt ingeschreven, moeder en zeven kinderen, vermeld als komende van Sint-Andries en op 24 juli volgde Joseph, komende van Brugge. De inschrijving in Sint-Joos gebeurde in de Sint-Lazarusstraat, 53. Maar op 16 januari 1881 was het gezin al vertrokken en wel naar Parijs. Daar bleef het echter ook niet langer dan een goed jaar en op 19 mei 1882 werd het ingeschreven in de Picardstraat 71 in Sint-Jans-Molenbeek. De verdere mogelijke verhuizingen hebben we niet onderzocht.

De oudste zoon, (Joseph) Leon Herreboudt deed in 1893 een reis naar Montreal, maar kwam naar Brussel terug en ontpopte zich als projectontwikkelaar in De Haan. Samen met notaris Delphin Depuydt (†1900)[182], burgemeester van Gistel, stichtte hij in 1895 de Société anonyme du Coq sur Mer die de concessie van 1889 overnam en de badstad ontwikkelde over een kleine zeventig hectare, volgens de stedenbouwkundige richtlijnen van Joseph Stübben (1845-1936). Daarnaast was Herreboudt ook actief voor het in concessie geven van het honderdtal Belle-époque villa’s dat op initiatief van Leopold II in Anglo-Normandische stijl werd gebouwd[183].

Belangstelling voor Canada

Vanaf 1890 werd het de tijd dat de kinderen aan trouwen dachten. Over Leon hebben we hieromtrent geen gegevens. De tweede, Jean-Adelin, trouwde met een Ranscelot en trok ook naar Canada. Elza trouwde in 1891 met de Franse burggraaf Raoul Ogier d’Ivry. Marie trouwde achtereenvolgens met de Canadees Alex Johnson, met John Gale en, op hoge leeftijd, met haar schoonbroer Raoul Ogier d’Ivry. Claire werd karmelietes. Adolphe, die in 1893 naar Canada was getrokken, samen met Leon, trouwde in 1906 met Elisabeth Rowan[184] en ging in Schotland wonen, terwijl zijn zoon Robert C. Herreboudt (1911-2003) naar de Verenigde Staten uitweek. Bertha trouwde met Jules Van de Kerckhove en ook zij gingen een aantal jaren in Canada wonen. Men kan vaststellen dat de kinderenERREBOUDT h Herreboudt overwegend met buitenlanders trouwden en naar andere landen trokken.

Het was vanaf minstens 1890 dat Herreboudt belangstelling begon te betonen voor Canada, meer bepaald voor het schiereiland dat zich uitstrekt rondom de Sint-Laurensmonding, ‘la Gaspesie’[185] genoemd. In 1902 verklaarde hij dat hij sedert 15 jaar in Canada had verbleven, wat ons in 1887 brengt[186]. Het is zeker, als die verklaring klopt, dat hij tijdens die vijftien jaar vaak pendelde tussen Europa en Canada. Al zijn publicaties behandelden voortaan de betrekkingen met Canada. We konden niet achterhalen wat hem hiertoe bracht. Het heeft ongetwijfeld te maken met wat hierna volgt, zonder dat we konden nagaan wat oorzaak was en wat gevolg.

In 1891 trouwde zijn dochter Elisabeth (1873-1950) met de Franse burggraaf, Raoul Ogier d’Ivry (ca1870-1952), zoon van burggraaf Émile Ogier d’Ivry (†1891) en Angèle Dupuis d’Angeac (†1930). De familie Ogier d’Ivry had een stamboom die opklom tot aan Lodewijk van Gruuthuse en Margaretha van Borselen. Een Canadese auteur, Joseph Graham beschrijft het huwelijk, op basis van familiegegevens, als volgt[187]: “Toen in 1891 Émile Ogier d'Ivry overleed, bleef zijn weduwe Angèle achter met drie kinderen, Raoul, Marie-Hélène en Jean, aan wie ze een passende toekomst wilde verzekeren. Raoul, haar oudste zoon was als kind het slachtoffer geweest van een hersenvliesontsteking en als gevolg hiervan was hij intellectueel achterlijk gebleven. Ondanks die handicap was hij een charmante en actieve jongeman en vond hij in Elizabeth (Elza) Herreboudt de Laet een toegewijde vrouw. Angèle nam zich voor het jonge gezin in Franstalig Canada te vestigen en trok in de streek van de Sint-Laurensrivier op zoek naar een geschikte locatie. In het dorpje Ste-Agathe-des-Monts kocht ze een landbouwbedrijf van 250 hectare aan de oevers van Lake Manitou, dat had toebehoord aan één van de pioniers in de streek, Pierre Casimir Bohémier”[188]. Het jonge paar vertrok in 1893 naar Canada. Ze kregen drie kinderen: Marie (geboren in België in 1892), Gaëtan (Quebec 1895 - Frankrijk 1969)[189] en Jacqueline (°Quebec 1898).  

Er was nog méér. Ook Marie Herreboudt kwam in 1891 of 1893, dus ofwel  vroeger dan of gelijktijdig met haar zus, naar Canada. Dit was het gevolg van (of werd gevolgd door) haar huwelijk met Alexander R. Johnson (°Quebec, mei 1868), een advocaat van Ierse origine. Ze werd anglicaanse, zoals haar man. Kinderen waren er waarschijnlijk niet. In 1901 woonden ze in Sainte-Agathe, maar bij een telling in 1911 woonden ze in Maisonneuve lez Montreal[190]. In dat jaar woonden de drie kinderen Ogier d’Ivry bij hen.

Het kan bijna niet anders dan dat Joseph Herreboudt eveneens bij de onderneming van de familie Ogier d’Ivry was betrokken. Hij leerde alvast het gebied grondig kennen. Het was eigenlijk al sinds 1867 dat zowel de federale overheid in Canada als enkele deelstaten, waaronder Quebec, inspanningen deden om migranten aan te trekken en om onder diegenen die zich in Antwerpen aanmeldden om naar Noord-America te vertrekken, een aantal te overtuigen naar Canada te komen eerder dan naar de Verenigde Staten. Immigranten die landbouw wilden bedrijven konden rekenen op een gratis hofstede. België hoorde bij de preferentiële landen, van waaruit men graag boeren, tuinders, mijnwerkers en ambachtslui wilde aantrekken, alsook dienstpersoneel zowel mannelijk als vrouwelijk. Vooral Quebec en Manitoba adverteerden dat ze Franstalig en katholiek waren. De onderwijzer Edouard Simaeys, afkomstig uit Tielt, werd als immigratieagent in Antwerpen geplaatst. Kandidaten kregen hulp om de overtocht te betalen en de agenten die gegadigden aanbrachten kregen een commissie. Drie boekjes gaven informatie aan de kandidaten: dat van Herreboudt, Le Canada au point de vue de l’émigration (1890), van Gustaaf Vekeman Guide des émigrants au Canada (1890) en dat van Louis Hacault Les Belges au Manitoba (1894). De scheepvaartmaatschappijen publiceerden hun eigen propagandamateriaal. Bij de rekrutering moest daarbij omzichtig worden tewerk gegaan, want na klachten over leugenachtige propaganda en over exploitatie van migranten, was men van Belgische zijde argwanend en restrictief geworden[191].

Gewonnen voor het idee katholieke Franstalige migranten naar Quebec te sturen, kon Herreboudt baron Prosper de Haulleville (1830-1898)[192], directeur van de Journal de Bruxelles, overtuigen om het kolonisatieproject in Gaspé te ondersteunen. Artikels verschenen in zijn dagblad, maar een echt succes kon men het niet noemen. Tamelijk weinig Belgische families gingen op het voorstel in[193]. Zijn enthousiasme werd trouwens niet door iedereen gedeeld. De viceconsul van België in Montreal schreef in december 1892 naar de minister van Buitenlandse Zaken over het gebied in kwestie: c’est peut-être le dernier des territoires colonisables du Canada[194].

Vanaf 1892 hield Herreboudt voordrachten over immigratie naar Canada[195]. Op 13 september 1899 kwam hij voor de Handelskamer in Brugge een voordracht houden over het belang voor de haven van Zeebrugge in opbouw om relaties aan te knopen met havens en gebieden aan de overkant van de oceaan, waarbij hij de merites bezong van de zich ontwikkelende streek rond de monding van de Sint-Laurens. Hij vond het de moeite zijn tekst in druk te geven.

De zes laatste publicaties van Herreboudt die we terugvonden, hebben alle betrekking op Canada en de twee laatste werden in 1913 en 1917 in Montreal gepubliceerd. Herreboudt was sinds 1909 weduwnaar en niets verhindert te denken dat hij zich in de nabijheid van zijn dochters in Canada ging vestigen. Eén van zijn zoons, Jean-Adelin, was trouwens ook naar Canada getrokken, waar hij in Quebec de algemene vertegenwoordiger was geworden van de Belgische chocolades Meurisse. Ook het echtpaar Van de Kerckhove – Herreboudt was naar Canada verhuisd. Minstens vier van de zeven kinderen Herreboudt bevonden zich dus tijdelijk of definitief in Canada[196].

Was Herreboudt, voorspreker van het ‘gewone volk’ in zijn Brugse tijd, verder naar ‘links’ opgeschoven? Zijn laatste publicaties geven die indruk. Hij was een voorstander geworden van de Principes van Rochdale (1829), het grondmanifest van de coöperatieve beweging die in de arbeidersorganisaties zijn voornaamste aanhangers had[197]. Hij koppelde dit aan de beweging voor sociale tuinwijken, die toen ook opgang maakte, in de lijn van wat de Engelse stedenbouwkundige en socialistische utopist Ebenezer Howard (1850-1928) propageerde.

Een overlijdensdatum voor Joseph Herreboudt heb ik (nog) niet gevonden. Bij de nazaten en de families die ik contacteerde is die niet bekend. Vast staat, op basis van een vermelding in 1923, dat hij toen overleden was. Hij zou, maar zekerheid is er niet, in Brussel of de Brusselse agglomeratie gestorven zijn.

Een evaluatie

Joseph Herreboudt, lid van een oude en uitgebreide Brugse familie, lijkt me om meer dan één reden een interessante figuur, waardig om in de Brugse herinnering te worden bewaard.

Hij was immers op het politieke terrein de eerste die zowel de plannen van August de Maere voor een rechtstreekse verbinding van Brugge met de zee in Heist als de suggestie van Leopold II om van Brugge een aantrekkelijke monumentenstad te maken, met kracht ondersteunde. Hij was ook de eerste die in de Brugse gemeenteraad het Nederlands liet weerklinken. Onder zijn vele voorstellen zijn er heel wat die er op wijzen dat hij mee was met of voorop liep op zijn tijd en onder meer uitgesproken sociaalvoelend was. Zijn tussenkomsten hadden meestal een ‘moderne’ en vooruitstrevende klank.

Om redenen die wellicht niet te achterhalen zijn, kreeg hij geen aantrekkelijke functie in de groep die het bestuur van de stad na 1875 overnam en dat nam hij duidelijk kwalijk, zodat hij hevig oppositie begon te voeren tegen zijn vroegere partijgenoten. Hij geraakte hierdoor geïsoleerd en verliet Brugge.

De laatste dertig jaar van zijn leven waren gericht op migratie naar Canada en kregen hierdoor, voor hem en zijn gezin, een avontuurlijk tintje.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Brugs Ommeland, 2009, blz. 156-195)

Publicaties door Joseph Herreboudt

* Le domicile est inviolable (Article 10 de la Constitution). Aux membres des

parquets de Bruges et de Courtrai, Bruges, imp. Neut, octobre 1868 (16 blz)

* De la liberté testamentaire. Discours prononcé à la séance solennelle de

rentrée de la Conférence du Jeune Barreau le 14 novembre 1871, in: La

Belgique judiciaire. Ook gepubliceerd in Brugge bij drukkerij Leon Bogaert, (z. d.)

* Discours prononcé à la séance du 27 octobre 1877 du Conseil Communal de

Bruges. [het door Herreboudt voorgesteld groots programma van openbare

werken]

* Bruges Port de Mer. Rapport sur les projets de Mr de Maere-Limnander [1878,

verslag door Herreboudt namens het Berek Handel en Nijverheid van de

Brugse gemeenteraad]

* Gemeenteblad van de stad Brugge, jaargangen 1872 tot en met 1880, bevat

het verslag van de talrijke tussenkomsten door en discussies met Joseph

Herreboudt, in de openbare zittingen van de Brugse gemeenteraad.

* L’Afrique Centrale et l’Association internationale pour réprimer la traite et

explorer l’Afrique. Conférence donnée aux Cercles catholiques de Bruges,

Malines, Ostende…, Brugge, Deressauw Frères, 1877.

* Manuel des inventeurs ou résumé de la doctrine et de la jurisprudence en matière de brevets d’invention (loi du 24 mai 1854), Bruxelles, G. Larcier aîné, 1880.

* Concordats amiables. Examen de la proposition de loi Deman et Dansaert, membres de la Chambre des représentants, Bruxelles, G. Larcier aîné, 1880.

* Le Canada au point de vue de l'émigration, Bruges, Herreboudt-Claeys, 1890

* De l’avenir de nos relations commerciales avec le Canada, Bruxelles, Librairie universelle, 1892.

* Société Coopérative d’Etudes Pratiques, Griffin Cove sur les bords du Golfe Saint-Laurent, Conférence donnée le 13 septembre 1899 à la Chambre de Commerce de Bruges.

* Les trusts américains en présence des coopératives belges, Bruxelles, De Ghilage, 1901.

* Banques hypothécaires et cités bocagères, Montréal, Imprimerie Bilodeau,

1913, 22 p. [over coöperatieve sociale economie, volgens de principes van

Rochdale en over de tuinwijken volgens Ebenezer Howard].

* La République coopérative, Montréal, Œuvre des orphelinats agricoles, 1917, 8 p. [over landbouwcoöperatieven]

familiefotoIllustratie

Familiefoto, daterende 1873-75, waarschijnlijk genomen in de tuin van het huis Potterierei, met achteraan de muur van de zoutziederij. Staande van links naar rechts: Stanislas – Charles – Anne-Marie – Leon – Joseph – Antoine – Elisa - Louis. Zittende: Marie – Adolphe Herreboudt en Adelaïde Englebert – Clotilde – Thérèse.



[1] Alle genealogische gegevens hierna komen meestal uit Stadsarchief Brugge, parochieboeken en akten van de burgerlijke stand.

[2] Stadsarchief Brugge, Wetsvernieuwingen.

[3] A. VAN DEN ABEELE, De eerste jaren van de drukkerij Herreboudt, in: Biekorf, 1985, blz. 240-249 en 320-339.

[4] Stadsarchief Brugge (Beeldbank) bewaart een foto van haar, gemaakt door Daveluy in 1865.

[5] A. VAN DEN ABEELE, De noblesse d’empire in West-Vlaanderen, in: Biekorf, 2002, blz. 309-332.

[6] E. REMBRY, De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge, Brugge, 1890-96, blz. 285-332.

[7] C. PIERAERTS, Vie et œuvre du chanoine Van Crombrugghe, Gent, 1878.

[8] J. VANDAMME, Het bibliotheekwezen te Brugge voor 1920, Brugge, 1971, blz. 48-52.

[9] H. DEMAREST, Brugse mensen in de buurschap Langestraat, Brugge, 1982, blz. 18-19.

[10] [J. D’HONDT e. a.], Van ververs, edellieden en apothekers…tot de West-Vlaamse elektriciteitsmaatschappij. Zeshonderd jaar leven en werken aan de Verversdijk en de Hoogstraat, z. d., z. u.; B. BEERNAERT & B. SCHOTTE, Over de Koe, het Hert, de Uil…zes huizen, zes verhalen…, Brugge, 2000, blz. 52-55.

[11] Ph. TAMSIN, Oscar Englebert, in: Nouvelle biographie nationale, T. 8, 2005, 132-133.

[12] J. FONTIER, Jules Van Nieuwenhuyse, in: Lexicon van Westvlaamse beeldende kunstenaars, Deel 7, Brugge, 1998, blz 130.

[13] L. SCHEPENS, De provincieraad van West-Vlaanderen 1836-1921, Tielt, 1976, blz. 461.

[14] H. VERRIEST, Twintig Vlaamsche koppen, Roeselare, 1901; L. SIMOENS, ‘Upnophanes’, Gustaf de Lescluze, VWS cahiers 121, Oostende, 1981.

[15]J. DESENDRE, Familie de Thibault de Boesinghe te Zwevezele, in: Ons Wingene, Jaarboek 2004, blz. 112-116.

[16] Baron de BROUWER, Descendance de Jean-Baptiste de Brouwer et Louise-Colette-Isabelle Muuls, Bruxelles, 1964, blz. 65.

[17] R. WILLEMYNS, L. L. De Bo, dialectoloog en particularist, VWS cahiers, 1993.

[18] Annuaire de l’Université catholique de Louvain, Trentième année, Leuven, 1866.

[19] A. VAN DEN ABEELE, De balie van Brugge, Brugge, 2009, blz. 172.

[20]  L. WILS, Jan De Laet, in: Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998, blz 1767-1769.

[21] A. VAN DEN ABEELE, De Balie van Brugge, a. w., blz. 130.

[22] E. VERHEUST, L’affaire de Saint-Genois, in: Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, 1965, blz. 305-380; K. ROTSAERT, De Brugse pers en de mysteriën van Sint-Denijs, in: Brugs Ommeland, 1997, blz. 131-141.

[23] A. C. DE SCHREVEL, Augustin-Joseph Van Becelaere, Biographie Nationale, T. XXVI, Brussel, 1936-1938, col. 155-156.

[24] ‘t Jaer 30, 16 oktober 1869.

[25] La Patrie, 6 oktober 1869

[26] Gazette van Brugge, 30 december 1868.

[27] M.-Th. DELMER, Carnets du journaliste catholique Alexandre Delmer, 1860-1889, Volume 3, Louvain la Neuve / Leuven, 1994, blz. 466.

[28] F. BOUDREZ, Vlaamsche Broederbond, in: Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging, a. w., blz. 3401.

[29] R. VAN EENOO, Partijvorming en politieke strekkingen bij de cijnskiezers te Brugge (1830-1893), Gent, 1968 (onuitgegeven), blz. 610.

[30] R. VAN EENOO, De pers te Brugge 1792-1914, Leuven/Parijs 1961, blz. 135.

[31] A. VAN DEN ABEELE, De Brugse drukkers Bogaert, in Biekorf, 1985, blz 47-74.

[32] A. VAN DEN ABEELE, De Balie van Brugge, a. w., blz. 113.

[33] R. VAN EENOO, Partijvorming, a. w., blz. 751.

[34] Journal de Bruges, 24 januari 1879.

[35] R. VAN EENOO, Partijvorming, a. w. blz 734.

[36] L. SCHEPENS, De provincieraad van West-Vlaanderen, 1836-1921, Brugge, 1976, blz. 191, 504, 518, 554, 556.

[37] BRUGGE, Gemeenteblad, Verslagen van de gemeenteraadszittingen over de jaren 1872 tot 1881.

[38] W. VANDENBUSSCHE, Eeuwig zagen voor de Vlaamsche taal. De invloed van Eugeen

Van Steenkiste op de vernederlandsing van de Brugse stadsadministratie, in: Verslagen en

Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1995, 105(2–3), 264–284.

[39] BRUGGE, Gemeenteblad, 1872, zittingen 2 augustus en 28 oktober.

[40] Idem, zitting 2 augustus.

[41] Idem.

[42] Idem, zitting 28 oktober en volgende.

[43] Idem.

[44] K. ROTSAERT, Het “Institut Boyaval’ in Brugge (1865-1876), in: Biekorf, 1988, 29-45 en 167-186.

[45] BRUGGE, Gemeenteblad, 1872, vanaf blz. 77.

[46] W. VANDENBUSSCHE, Triglossia and pragmatic variety choice in nineteenth-century Bruges. A case study in historical sociolinguistics, in: Journal of Historical Pragmatics 5:1 (2004), 27–47.

[47] BRUGGE, Gemeenteblad, 1872, zitting 28 oktober en volgende.

[48] Idem, 1873, zitting 12 april.

[49] De Westvlaming, 20 november 1873.

[50] BRUGGE, Gemeenteblad 1873, zittingen 25 januari, 1 februari, 22 februari, 1 maart, 22 maart, 7 juni, 21 juni.

[51] Idem, zitting 26 april.

[52] Idem, zitting 25 oktober

[53] Idem, zittingen 17-21 november.

[54] Idem, zitting 26 april.

[55] Idem.

[56] Idem.

[57] Idem, 1872, zitting 28 oktober en volgende.

[58] Idem.

[59] Idem.

[60] Idem, 1873, zitting 7 juni.

[61] Idem, zittingen 7 juni en 22 augustus.

[62] Idem, zitting 4 augustus.

[63] Idem, zitting 20 september.

[64] Idem, zitting 21 november.

[65] Idem, 1874, zittingen 17 januari en 28 november.

[66] Idem, zittingen 31 januari en 16 mei.

[67] Idem, zitting 23 januari.

[68] Idem.

[69] Idem, zitting 17 oktober.

[70] Idem, zitting 7 november.

[71] Idem, zitting 16 mei.

[72] Idem, zitting 28 november.

[73] Idem, zitting 17 december.

[74] Idem.

[75] A. MAERTENS, Leven en dood van een bank in de XIXe Eeuw, Brugge, 1948.

[76] BRUGGE, Gemeenteblad 1874, zitting 28 november.

[77] Idem, 1875, zitting 23 januari.

[78] Idem, zitting 20 maart.

[79] Idem, zittingen 20 maart en 14 april.

[80] Ad. SIRET, L’Enfant de Bruges. Renseignements biographiques, documents, articles de journaux, lettres, procès-verbaux, etc., réunis et annotés par Adolphe Siret, Bruxelles, Office de Publicité, Paris, A. Lévy, en Leuven, Peeters, 1876) ; R. MORTIER, L’Enfant de Bruges et les écrivains, Bruxelles, Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique, 1999.

[81]  BRUGGE, Gemeenteblad 1875, zitting 15 mei.

[82] A. DUCLOS, Société archéologique de Bruges et Musée d’antiquités, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 1876-1877, blz. 219.

[83] BRUGGE, Gemeenteblad 1873, zitting 26 april.

[84] Idem, zitting 17-21 november.

[85] Idem, 1874, zitting 17 januari.

[86] Idem, 1875, zitting 20 februari.

[87] Idem, zitting 14 april.

[88] Idem, zitting 10 mei.

[89] Idem, zitting 28 augustus.

[90] Idem, zitting 20 december.

[91] P. VAN MOLLE, Het Belgisch parlement 1894-1972, Antwerpen / Utrecht 1972, blz. 286-287. 

[92] A. VAN DEN ABEELE, De Balie van Brugge, a.w., blz. 116 en 131.

[93] BRUGGE, Gemeenteblad 1876, zitting 4 maart.

[94] Idem, zittingen 6 en 13 mei, 24 juni, 8 juli.

[95] Idem, zittingen 4 maart, 24 juni, 8 juli.

[96] Idem, zitting 3 juni.

[97] Idem.

[98] Idem, zitting 9 december.

[99] Idem, zittingen 15 april, 6 mei, 3 juni, 16 september, 4 november

[100] Idem, zitting 24 juni.

[101] Idem.

[102] Idem, zitting 8 juli.

[103] Idem, zitting 29 juli.

[104] Idem.

[105] Idem.

[106] Idem, zitting 26 augustus.

[107] Idem, zitting 16 september.

[108] Idem, zitting 23 september

[109] Idem, zitting 23 september.

[110] Idem, zitting 30 december.

[111] Idem, zitting 8 juli.

[112] Idem, zitting 12 augustus.

[113] Idem, 1877, zitting 30 juni

[114] Idem, zitting 1 september.

[115] Journal de Bruges, 18 oktober 1877

[116] BRUGGE, Gemeenteblad 1877, zitting 27 oktober.

[117] Idem, zitting 20 januari.

[118] Idem, zitting 17 februari.

[119] Idem, zitting 10 maart.

[120] Idem, zitting 1 december.

[121] Idem, zittingen 30 april, 2 juni, 16 juni, 1 september.

[122] Idem, zitting 11 augustus.

[123] Idem, zitting 21 juli.

[124] Idem, zitting 24 februari.

[125] Idem, zitting 7 juli.

[126] Idem, 1878, zitting 5 januari.

[127] Idem.

[128] Idem.

[129] Idem, zitting 22 februari.

[130] Idem, zitting 26 februari.

[131] Idem.

[132] Idem, zitting 28 februari.

[133] Idem, zitting 4 mei.

[134] Idem, zitting 25 mei.

[135] Idem, zitting 5 oktober.

[136] Idem.

[137] Idem, zitting 9 november.

[138] Idem, zitting 22 februari.

[139] Idem, zitting 23 maart.

[140] Idem, zitting 23 februari.

[141] Idem, zitting 27 februari.

[142] Idem, zitting 25 februari.

[143] Idem, zitting 27 februari.

[144] Idem, zittingen 31 augustus en 5 oktober.

[145] Idem, 1879, zitting 1 januari.

[146] Idem, zitting 5 april.

[147] Idem, zitting 3 mei.

[148] Idem, zitting 31 mei.

[149] Idem, zitting 18 januari.

[150] Idem, zittingen 18 oktober en 5 november.

[151] Idem, zitting 29 november.

[152] Idem, zitting van 31 mei.

[153] G. DE WAELE, Geschiedenis van de stedelijke Nijverheidsschool, in: 125 Jaar stedelijke Nijverheidsschool, Brugge, 1979, blz. 73.

[154] BRUGGE, Gemeenteblad, 1879, zitting 1 februari

[155] Idem.

[156] Idem, zittingen 1 en 15 februari.

[157] Idem, zitting 4 oktober.

[158] Idem, zitting 18 oktober.

[159] Idem, zitting 21 juni.

[160] Idem, zitting 5 april

[161] Idem, zitting 15 februari.

[162] Idem, zittingen 15 februari, 8 en 15 maart.

[163] Idem, zitting 15 maart.

[164] Idem, zitting 8 maart.

[165] Idem, zitting 10 maart.

[166] Idem, zitting 19 april.

[167] Idem, zitting 3 mei.

[168] Idem, zitting 3 mei.

[169] Idem, zittingen 31 mei en 4 juli.

[170] Idem, zittingen 31 mei en 21 juni

[171] Idem, zitting 21 juni.

[172] Idem, zitting 3 mei.

[173] Idem, zittingen 29 augustus, 4 oktober en 5 november.

[174] Idem, 1880, zitting 10 januari.

[175] R. VAN EENOO, Het ontstaan van Brugge Zeehaven, in: Brugge en de Zee, Antwerpen, 1982, blz. 197-231.

[176] BRUGGE, Gemeenteblad, 1880, zitting 10 januari.

[177] Idem.

[178] Idem, zitting 14 februari.

[179] R. VAN EENOO, Partijvorming, a. w., blz 610.

[180] BRUGGE, Gemeenteblad 1879, zitting 21 juni.

[181] Dit werd zo gemeld, maar we waren niet in de gelegenheid om na te gaan of hij inderdaad op het Brusselse ‘tableau’ verscheen.

[182] N. BENTEIN, Biografie Delphin Depuydt Gistel, Oostende

[183] E. VANDENBERGHE, G. CLAEYS en Y. DE WISPELAERE, De Haan: van gehucht tot elegante badplaats, Het Streekboek, 1996. Zie ook gegevens op de webstek van de gemeente De Haan.

[184] Soms ook vermeld als ‘Orven’.

[185] Het schiereiland genaamd Gaspesie in Quebec, naast New Brunswick, paalt ten noorden aan de monding van de Sint-Laurens, ten zuiden aan de Baie des Chaleurs en ten oosten aan de Baai van Sint-Laurens. Het heeft nagenoeg dezelfde oppervlakte als België maar telt thans slechts 139.000 inwoners.

[186] Brussel, Archief Ministerie van Buitenlandse zaken, 2958 I, nota van de procureur generaal van het Hof van Beroep in Brussel Ferdinand van Bruyssel voor de Minister van Buitenlandse Zaken, 1 mei 1892.

[187] J. GRAHAM, Viscount Raoul Ogier d’Ivry, Internet www.Ballyhoo.ca/history/viscountRaoul.html

[188] In 1912 werd de plek de afzonderlijke gemeente Ivry-sur-le-Lac, die later bij Sainte-Agathe werd gevoegd, maar na referendum, op 1 januari 2006 weer een afzonderlijke gemeente werd.

[189] Gaëtan Ogier d’Ivry trouwde met Françoise Diaz de Laya de Lostanges Béduer (1908-1951). Hun zoon Philippe Ogier d’Ivry (°1926) is getrouwd met Marie-Thérèse Ubbelhode (°1935). Ze hebben een zoon Antoine Ogier d’Ivry (°1958) die ongehuwd is. Ze wonen in hun familiedomein Chêne de Coeur (Sarthe).

[190] Gegevens uit de Canadese ‘Automated genealogy’, ons bezorgd door David M. Johnson.

[191]  S. JAUMAIN (dir.), Les immigrants préférés. Les Belges, Ottawa, Presses Universitaires, 1999

[192] N. PIEPERS, Prosper de Haulleville, Biographie nationale, T. XXXVII, Brussel, 1971, col. 413-420.

[193] C. J. JAENEN, The Belgians in Canada, Ottawa, 1991.

[194] Brussel, Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, 2958 I.

[195] S. JAUMAIN, a. w., blz. 87.

[196] In de op internet terug te vinden archieven van de aankomsten op Ellis Island (New York) zijn tussen 1893 en 1908 heel wat aankomsten terug te vinden van Joseph Herreboudt en zijn familieleden. Het terugkeren van de zelfde namen wijst er op dat ze nog af en toe naar Europa terug kwamen. New York was natuurlijk niet de enige haven waar ze voet aan wal konden zetten. Er is kans dat ze eerder in Quebec landden, maar van de lijsten van aankomst daar vonden we online niet dezelfde beschikbaarheid.

[197] Zie: International Co-operative Alliance, www.ica.coop

www.andriesvandenabeele.net