Raymond Reynaert: Ik vermoed dat hij ook behoorde tot de ‘wijzen’ die u deze zomer zou interviewen.


Raymond was een vriend van meer dan 50 jaar ver en tot nog heel recent smeedden we samen een paar plannen om de publieke opinie voor sommige zaken te mobiliseren. Hij is een voortreffelijke schepen van financies geweest, ook al zat hij toen in een bestuur waar de meeste middelen werden opgepeuzeld door de veel te sterke personeelsuitbreiding en door de uitverkoop van het Brugse stadspatrimonium.
Twee van mijn opvolgers op het Brugse departement financiën zijn nu naar de eeuwige jachtvelden. Ik spoor Boudewijn Laloo aan zich goed te verzorgen en mij nu voor te laten gaan!

Het spijt me dat ik me sterk moet verzetten tegen Guido Van In wanneer hij, tegen alle waarheid in, vorige week verklaarde “dat de fundamenten voor het nieuwe elan van de stad in 1976 gelegd werden tijdens de antiroomse coalitie”.
Dit gebrek aan onpartijdigheid en vooral aan feitelijke kennis verbaast me.
Iedere Bruggeling die de jaren zeventig heeft meegemaakt, zal het er over eens zijn dat de grote sprong voorwaarts in Brugge gebeurd is tijdens de eerste beleidsperiode na de fusie, van 1971 tot 1976.

Ik som enkele van de verwezenlijkingen uit die tijd op:
- de voortreffelijke organisatie van de grote fusie, met een minimum aan bijkomende lasten (personeelsstijging van 850 naar 1250 – na 1977 steeg men naar bij de 2000, zonder noemenswaardig betere dienstverlening) - de oprichting van de dienst monumentenzorg - het structuurplan - de grote aanpak van de verkrotting en leegstand in de binnenstad - de zuivering van de reitjes en de moderne riolering in de ganse binnenstad - de openbare bibliotheek Biekorf en de talrijke filialen - de sociale woningbouw in de binnenstad (Zilverpand, Kalvariebergstraat, Kartuizerwijk, enz.) - de ondergrondse parkings (Biekorf, Zilverpand, Zand) - de sportvoorzieningen op Sint-Kruis, Assebroek, Dudzele, Sint-Pieters - het Olympiastadium - de aankoop van het Beisbroekbos en van andere groene eigendommen - de parkbegraafplaats op Sint-Pieters - de uitbreiding van de toelagen aan alle verenigingen - de initiatieven in de sociale sector, onder meer door Marie-Louise Maes, die vaak primeurs voor België waren - het AZ Sint Jan dat al meer dan 20 jaar in de steigers stond en dreigde nooit klaar te komen, maar op een paar jaar tijd volledig werd afgewerkt - de kabeldistributie, in gang gezet ondanks het verzet van de oppositie - de aanmoediging in passende zin van werken door andere overheden: olympisch zwembad, justitiepaleis, oud klooster Werkhuisstraat, enz. - de cruciale periode betreffende beslissingen over uitbreiding haven van Zeebrugge, waarin de stad Brugge het voortouw nam - de veel grotere nationale en internationale zichtbaarheid van de stad Brugge - zonder dan nog te spreken van de afschaffing van de verhaalbelastingen, die in 1971-72 werd doorgevoerd, en niet na 1976 zoals Van In ten onrechte beweert. (Het is trouwens al vaker voorgekomen dat na 1976 pluimen op de hoed werden gestoken voor zaken of beslissingen die dateerden uit de vorige periode).

Ik voeg er dan nog aan toe dat na aanzienlijke inspanningen en lobbywerk, we er in 1976 in slaagden een aanzienlijk tekort, gevolg van de fusie en van onze dynamische politiek, weg te werken door het veel hogere aandeel dat we (met terugwerkende kracht) uit het Gemeentefonds konden verwerven. Tot op vandaag steunt de Brugse gemeentelijke activiteit op de toen duur bevochten maar uiteindelijk verworven beslissing. Daar moet ik nog eens een boekje apart over schrijven.

Men zal méér dan een paar van de daaropvolgende bestuursperiodes moeten samenvoegen om een vergelijkbaar palmares te kunnen voorleggen. Een hoge stadsambtenaar die het allemaal van nabij heeft gevolgd zegde me vorige zaterdag: ‘In de eerste helft van de jaren zeventig werd de basis gelegd waarop tot op vandaag de opeenvolgende besturen kunnen teren’.

Over het algemeen vind ik dat de stad behoorlijk wordt bestuurd.
Besturen is er in de voorbije jaren niet makkelijker op geworden. De hogere overheid (meer in het bijzonder de Vlaamse) bombardeert de lokale besturen bestendig met allerhande nieuwe regels en bijkomende opdrachten, zonder de nodige middelen te voorzien. Er is thans een regelneverij aan de gang waar zelfs de reputatie van keizer-koster Jozef II bij verbleekt. De gemeenten komen hiertegen terecht in opstand.
 
We zijn ook in een tijd verzeild waar de vergaderziekte overal toeslaat en minder mensen nog verantwoordelijkheid nemen, maar zich laten ‘dekken’ door naamloze comités en werkgroepen. Dit betekent onder meer veel vertraging in de besluitvorming. Vooral wat betreft bouwvergunningen zijn de burgers vaak misnoegd over de al te grote lamlendigheid en traagheid.

Wat de leiding van de stad betreft, vind ik in Patrick Moenaert een goede ‘mix’ van een chef die beslissingen kan nemen en tegelijk zeer aanwezig is onder de bevolking. Hoewel hij thans wellicht wat minder bereikbaar is geworden dan in de eerste jaren van zijn burgemeesterschap. Men mist soms ook een grote visie, ook al kan een initiatief zoals Brugge 2002 niet vaak worden herhaald.

Wat ik een mindere uiting van goed bestuur vind en teveel ruimte geeft aan de partijpolitiek is de georganiseerde stoelendans in het schepencollege. Het is bijvoorbeeld niet begrijpelijk dat een voortreffelijke schepen zoals Jean-Pierre Van den Berghe voortijdig zal moeten opstappen.

Waar ik me uiteraard zeer aan interesseer is aan de wijze waarop men de binnenstad laat evolueren en daar ben ik niet altijd onverdeeld gelukkig mee. Ik sta aan de zijde van Mercedes Van Volcem om alles te weren wat niet kan en alles te bevorderen wat in de goede richting gaat. De appartementen in opbouw aan de Gulden-Vlieslaan die zopas in ‘Brugge die Scone’ werden aan de kaak gesteld, zijn een voorbeeld van hoe het niet mag. Gaat u maar even in de Ezelstraat het resultaat bekijken.

Op de grond en in de tuin van het vroegere Redemptoristinnenklooster in de Katelijnestraat wil men forse appartementsblokken bouwen, die een compleet ongepaste nieuwigheid zouden zijn in de historische binnenstad. Het stadsbestuur had al lang een categoriek ‘njet’ moeten uitspreken, in plaats van de ontwikkelaar steeds maar nieuwe plannen te laten indienen. Dit is het soort zaken dat zal maken dat vroeg of laat de inspecteurs van het UNESCO werelderfgoed voor de deur zullen staan. En hen moet men geen blaasjes wijsmaken. De stad pocht met zijn inschrijving op de werelderfgoedlijst, maar moet daar dan ook consequent naar handelen.

Het massatoerisme blijft natuurlijk ook een teer punt. Wel vind ik dat Jean-Marie Bogaert zijn departement behoorlijk leidt, met onder meer de inspanningen om het verblijfstoerisme in de winter aan te moedigen.

Waar ik minder enthousiast over ben is over de Brugse musea en mijn vriend Yves Roose zal me dat wel niet kwalijk nemen. De inflatie aan personeel aldaar wordt niet weerspiegeld in de activiteiten (onder meer in de wetenschappelijke neerslag ervan) van al dat volk. Hierover uitweiden zou een thema apart zijn. Het succes van de Karel de Stoute tentoonstelling (waar Brugge zelf maar een geringe inbreng in heeft) mag niet verdoezelen dat heel wat in onze musea verkeerd loopt.  

Eén van de achterhoede-initiatieven, die niet meer passen in deze tijd van de elektronische communicatie, is het steeds opnieuw willen ‘centraliseren’ van diensten en administraties. Zowel de federale als de Vlaamse overheid tonen hierin het slechte voorbeeld. Men is thans voor allerhande diensten die niets met elkaar te maken hebben, een enorm complex aan het bouwen achter het station, en dit in een architectuur en een volume die doen denken aan de sovjetgebouwen van de jaren vijftig. Wat naast het station aan het verrijzen is, is trouwens niet beter. Daar kan men nu eens ongehinderd hedendaags bouwen en men ploft er onvoorstelbaar saaie blokken naast elkaar neer. Onbegrijpelijk.

De stad is ook door de ziekte van de centralisatie gebeten, een idee dat nochtans definitief voorbijgestreefd hoort te zijn in het elektronische tijdperk. Alle politiediensten willen centraliseren (met de potsierlijke naam van ‘politietoren’) behoort tot die onverstandige (en buitengewoon dure, zelfs geldverkwistende) ideeën. Dat men gewoon alles in de Hauwerstraat laat wat daar goed thuishoort en dat men een bescheiden gebouw (met uitbreidingsmogelijkheid) bouwt buiten de binnenstad. Of hebben ze daar bij de politie geen telefoons, webcams, Pc’s, conferencerooms en noem maar op, om met elkaar te communiceren? Een tijd geleden werd ook nog het idee geopperd om een groot administratief gebouw voor de stad Brugge te bouwen. Hopelijk heeft men ondertussen de gekheid en ouderwetsheid van zoiets ingezien. 

www.andriesvandenabeele.net