Het voormalige klooster van de

Redemptoristinnen in Brugge:
een alarmkreet

Wat zij er over denken

De Dienst Monumentenzorg van de stad Brugge vestigde al in 1999 de aandacht op de kerk en het klooster van de Redemptoristinnen door het op te nemen bij de opengestelde gebouwen op Open Monumentendag en er een uitgebreide en positieve beschrijving aan te wijden. Dezelfde dienst onderstreepte in een eerste rapport van november 2004 en in een tweede van 2005, de waarde van het kloosterdomein van de Redemptoristinnen (ook genaamd Rode Nonnen) in de Katelijnestraat. De conclusies van het tweede rapport (waarvan we in bijlage de essentie weergeven) had ruimschoots moeten volstaan om zonder meer het behoud en de bescherming van het ganse complex te rechtvaardigen en te garanderen. Ze luidden :

Behoud van de kunsthistorisch, historisch en stadslandschappelijk waardevolle gebouwen en gebouwdelen zoals in het bijgevoegd advies van de dienst Monumentenzorg en Stadskernvernieuwing gesteld. Dit behoud zal een creatieve aanpak van de herbestemming van het kloosterpand niet in de weg staan. Respect voor de relatie tussen klooster en tuin uitgaande van de specifieke assenopbouw van de tuin, de kleinschalige bouwkundige elementen in de tuin zoals kapellen, grot, serre, tuinmuren, enz, is nodig.

Het is tamelijk onbegrijpelijk dat, na dit vooronderzoek, het College van burgemeester en schepenen niet besliste tot verder onderzoek over te gaan en integendeel van oordeel was het beter te weten en te beslissen dat de totale sloop in functie van een buitenschalig bouwproject, de enige te overwegen oplossing was.

De Groendienst van de stad Brugge stelde in 2005 een omstandig rapport op waarin de grote waarde van de tuin en van het bomenbestand op dit erf werden in het licht gesteld. Ondanks het feit dat het stadsbestuur toen al een negatieve houding had aangenomen ten overstaan van bescherming en behoud, bleef de Groendienst het behoud als enige te overwegen mogelijkheid verdedigen.

De Commissie voor stedenschoon van de stad Brugge bezocht het pand en kwam tot het unanieme besluit dat het moest bewaard blijven.

De Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen, (eerste afdeling, monumenten), heeft onlangs het pand zeer grondig bezocht en langdurig geëvalueerd, om tot de unanieme conclusie te komen dat het om merkwaardig onroerend erfgoed gaat waarvan het behoud zich opdringt.

De Cel Onroerend Erfgoed voor West-Vlaanderen heeft bij herhaling zeer ongunstige adviezen uitgebracht over de voorgelegde bouwprojecten. Tevergeefs, omdat het helaas maar om adviezen gaat. Thans heeft men er zich aan het werk gezet om op korte termijn een grondige studie te produceren, die ongetwijfeld de waarde van het ganse domein nog verder zal onderstrepen en naar men mag verhopen tot een dringende voorlopige bescherming zal leiden.

Nu het vaststaat dat de vele bezwaren geuit door verenigingen en personen, op het gemeentelijke niveau geen gehoor krijgen en de stad zonder meer het groene licht wil geven voor het slopen van het Redemptoristinnenklooster in de Katelijnestraat en het laten bouwen van twee appartementenblokken boven een ondergrondse parking van twee bouwlagen, kunnen we niet anders dan de noodklok te luiden en de hogere overheid op zijn verantwoordelijkheid te wijzen.

We vinden hierbij steun in de hierna volgende passage uit het recente regeerakkoord van de Vlaamse regering: In het kader van een geïntegreerd erfgoedbeleid zet de Vlaamse Regering in op een meer gesystematiseerde en uitdrukkelijke aandacht voor het religieus erfgoed. Bovendien moet het Centrum
voor Religieuze Kunst en Cultuur (CRKC) als Vlaams expertisecentrum voor het religieuze erfgoed,zowel binnen als buiten de kerkelijke gemeenschap, ook voor het onroerend erfgoed erkend worden, zodat het alle betrokkenen optimaal kan begeleiden bij behoud, beheer en herbestemming. De erkenning van het Centrum voor de studie van de negentiende-eeuwse kunst in België, het Bethunianum, dient daaraan voor het negentiende-eeuwse en meer specifiek voor het neogotische erfgoed, te worden toegevoegd.

De kerk mag niet verdwijnen

De kerk van de Redemptoristinnen, die dateert uit 1844-47 en werd ontworpen door de redemptorist en architect René Duvivier (1801-1858), is een zeldzaam en uitzonderlijk waardevol voorbeeld van de vroege neogotiek uit de eerste helft van de 19de eeuw. Ze werd destijds zozeer als een sieraad voor de stad beschouwd, dat ze als versiering voorkwam op porseleinkaarten die voor de stad adverteerden en vooral ook op het kadastraal plan van P. C. Popp, waarop ze prijkte samen met de kathedraal, het Belfort, het stadhuis en andere grote monumenten.

Vanaf 1850 groeide Brugge uit tot een belangrijk centrum van de internationale neogotiek. Omdat de architectuurdiscussie zich rond de Redemptoristinnenkerk kristalliseerde, kreeg dit gebouw een historisch belang dat de stad ver overstijgt. Samen met monumenten zoals de site van Vivenkapelle of de kerk van Dadizele, kan ze daarom beschouwd worden als één van de mijlpalen in de geschiedenis van de neogotiek en in de Belgische architectuurgeschiedenis in het algemeen.

Hoewel het interieur in 1931 werd aangepast en de kerk in 1963 een nieuwe voorgevel kreeg, zijn haar essentiële kwaliteiten en belangrijkste stijleigenschappen tot op heden bewaard gebleven: namelijk haar stedenbouwkundige impact, de fascinerende ruimteschepping met zenitale belichting, het zeer karakteristieke gebruik van eigentijdse materialen als stucwerk en gietijzer, de waardevolle stoffering met werk van Brugse en Doornikse kunstenaars, de band met de wijk.

De historische, kunsthistorische, architecturale en culturele hoge waarden van dit kerkgebouw staan buiten kijf. Dat beseffen zelfs de auteurs van het bestreden bouwproject, want ook zij voorzien het behoud van de kerk – evenwel in verminkte vorm en totaal geïsoleerd. De kerk behoudt haar cultuurhistorische waarde alleen wanneer ze volledig blijft met waardevolle nevenruimten zoals zusterskoor, sacristie, biechtkamer en trappenhuizen die o.a. toegang geven tot het doksaal. Het isoleren van het monument zonder bijgebouwen maakt het bovendien in de praktijk onmogelijk om het te laten functioneren voor een nieuwe bestemming.

Het klooster mag niet verdwijnen

Het imposante kloostergebouw dat aan de kerk paalt werd op hetzelfde tijdstip gebouwd. Het ging bij de aanvang om de aanpassing en uitbreiding van het bestaande huis van de vorige eigenaar Jan Nollet. Het heeft zijn originele karakter nog volledig behouden; alleen de parementsteen van de voorgevel werd in de 20ste eeuw vernieuwd, echter met behoud van de originele vormgeving. Daar achter werd het eigenlijke klooster gebouwd, op het stramien van de meeste kloosters, met op de benedenverdieping een rechthoekig, breed en lumineus kloosterpand rond een binnentuin. De vele lokalen geven uit op de sierlijke gewelven van de ruime kloostergangen. De bouw toont aan dat een sobere levensstijl niet in strijd moest zijn met een elegante architectuur, gebouwd volgens de eeuwenoude canons en verhoudingen voor abdijen en kloosters.
Ook op de eerste en de tweede verdieping, evenals op de zolder kan men volledig rondlopen, doorheen de ruime gangen.

In de vleugel die paalt aan de kerk, bevinden zich de merkwaardige delen die integraal behoren tot de kerk, en zonder welke deze niet meer voor om het even welke activiteit kan functioneren: de sacristie, de private bidkapel, de biechtkamer, de bergruimten, de bovenkapel, enz.

Er werd nog niet onderzocht, maar het is zeer goed mogelijk, dat het klooster elementen van het 18de-eeuwse klooster van de Penitenten heeft herbruikt. Hierop wijst het bestaan van een aanzienlijke kelder met tongewelf en een gedeeltelijk 17de-eeuws gebouwtje in de tuin.

De historische, cultuurhistorische, esthetische en architecturale waarde van dit pand is opvallend. Het laten slopen zou een schande zijn.

Bij bezoek kon worden vastgesteld dat het gebouw zich constructief in perfecte staat bevindt, van het dak tot de kelders. Alleen moet in één betrekkelijk klein gedeelte dringend werk worden gemaakt van het bestrijden van recente huiszwam. Vervolgens valt het op dat het om een groot gebouw gaat, waarschijnlijk het grootste klooster voor vrouwen dat in Brugge werd gebouwd. Kort na de oprichting woonden hier al een tachtigtal religieuzen. Dit aantal steeg nog in de volgende jaren. Het klooster in Brugge, het eerste van de Redemptoristinnen in België, stond aan de oorsprong van de overige kloosters van deze congregatie in ons land, maar ook van vele andere overal in de wereld. Omdat het een noviciaathuis en een passantenhuis was, moest het ruim zijn. Zowel de talrijke gemeenschappelijke vertrekken als de vele tientallen individuele kamers waren voorzien voor een aanzienlijk aantal bewoners.

Ook al is de waarde van een pand als monument de enige graadmeter die de overheid moet leiden bij het beschermen, toch is monumentenzorg niet blind voor het probleem van de mogelijkheden tot hergebruik van beschermde of te beschermen panden. In het huidige geval zijn deze mogelijkheden talrijk: lokalen voor de rechtover gelegen en te eng behuisde Kunstacademie en Nijverheidsschool – kantoren voor overheid of particulieren – stadsarchief -  studentenkamers (tot recent huisvestte het klooster meisjes uit het middelbaar onderwijs) – jeugdherberg, indeling in appartementen, enz. Een samenwerking tussen overheid en privépartners valt hierbij niet uit te sluiten.

Soms wordt het argument naar voor geschoven dat het klooster niet kan herbestemd worden omdat het niet aan de moderne normen zou voldoen. Het stadsbestuur baseerde zich op informatie vanwege de diensten onderwijs en urbanisatie, ‘dat de kosten voor het garanderen van de brandveiligheid, een vlotte toegankelijkheid en het voldoen aan de normen van een onderwijsinstelling enorm hoog zouden oplopen’. Een rapport hierover is nooit vertoond en kan vanwege een op het gebied van monumentenzorg en bouwwerken niet noodzakelijk competente dienst, niet als gezaghebbend worden beschouwd. Deze a priori negatieve zienswijze houdt geen steek, wat de professionele leden van de bovengemelde adviescommissies beamen. Een dergelijke redenering zou elke vorm van herbestemming en dus ook van monumentenzorg onmogelijk maken. Bovendien zijn er uitstekende voorbeelden die het tegendeel bewijzen. Eén ervan is het Monasterium PoortAcker in Gent. Dit klooster is heringericht en bewoond, met 100% respect voor het monument. Nochtans zijn er ook overal houten roosters, houten wanden, pitchpine deuren, enz. Het geheel is niet alleen perfect geslaagd vanuit het oogpunt van monumentenzorg maar ook zeer succesvol en rendabel als gastenverblijf, restaurant, conferentieoord, enz. Er zijn, in Gent alleen al, meerdere voorbeelden aan te wijzen, zoals de Sint-Pietersabdij en de kloosters van de dominicanen en de karmelieten.

Er zijn momenteel tientallen voorbeelden in binnen- en buitenland van voorbeeldig herbestemde kerken en kloosters. Vanuit de Abdij van het Park (Leuven) werden met de steun van de Europese Unie belangrijke Europese projecten gerealiseerd die resulteerden in een drietalige publicatie ‘Converted Monasteries’ (Herbestemde kloosters, 2008). De Vlaamse administratie onroerend erfgoed heeft zopas een boek gepubliceerd met een aantal geslaagde voorbeelden van bij ons, onder de titel ‘In ander licht’.

De huizen in de Katelijnestraat mogen niet verdwijnen

De grotendeels 17de-18de-eeuwse huizen in de Katelijnestraat moeten worden bewaard. Ze zijn op zich belangrijk, en ze dragen bij tot het gevarieerde straatbeeld in de Katelijnestraat. Het voorliggende bouwproject spaart ze slechts ten dele en ontneemt aan wat overblijft de besloten context waar ze thans toe behoren.

Het huis met de blinde gevel in de Katelijnestraat mag niet verdwijnen

Dit neoclassicistische gebouw, waarvan de studie nog moet worden aangevat, dateert uit de 19de, zo niet zelfs de 18de eeuw. Met zijn blinde vensters aan de straatkant, gaat het om een fascinerend architecturaal gegeven, waaraan onder geen voorwendsel mag worden geraakt.
Het bevindt zich inwendig in goede staat van bewaring en kan voor allerhande bestemmingen worden aangewend.

De muren in de Katelijnestraat en in de Visspaanstraat
mogen niet verdwijnen

De hoge kloostermuren maken essentieel en onverbrekelijk deel uit van de stadsgezichten van een historische stad als Brugge. Het mysterieuze behoort tot het wezen van wat Brugge aantrekkelijk en apart maakt. Hieraan beginnen raken is helemaal de verkeerde weg opgaan. Zich verschuilen achter een gedeeltelijk bewaren, is toegeven dat men de muren inderdaad belangrijk vindt, zonder hierbij echter consequent te blijven.

Sommige delen van de muren dateren waarschijnlijk uit de periode van het Penitentenklooster, hetzij 17de-18de-eeuw.

De grote tuin mag niet verdwijnen

Bij een zo van de wereld afgeschermd geheel als een streng klooster van Redemptoristinnen, hoorde een grote tuin, die zowel voor de gezondheidswandelingen en de fysische arbeid van de bewoonsters als voor het kweken van groenten en fruit nodig was.

Ook al stond de Groendienst onder enige druk om besluiten te bereiken die een projectontwikkelaar niet zouden hinderen, waren hun conclusies duidelijk:
‘Het samengaan van een herkenbare tuinstructuur, een zeer waardevol patrimonium van kleinschalige bouwkundige elementen, en enkele waardevolle bomengroepen maken van deze kloostertuinen een geheel met een unieke en authentieke sfeer. Herbestemming en eventuele inplanting van nieuwe bouwvolumes dienen met dit gegeven rekening te houden’.
 ‘Het belang van de tuin wordt in zijn huidige toestand in de eerste plaats bepaald door de grootte van de open ruimte in een woonomgeving met vooral kleinschalige parcellering. Maximaal behoud van deze open ruimte, en toegankelijk maken in functie van de woonomgeving, dient de eerste betrachting te zijn bij het zoeken naar een aanvaardbare herbestemming’.
Vier bomengroepen worden zowel om hun botanische waarde als om hun stadslandschappelijke betekenis als zeer waardevol aangeduid, en zijn integraal te behouden. Bij bouwwerken in functie van een herbestemming dienen de passende technische beschermingsmaatregelen genomen te worden’.
‘Het samengaan van een herkenbare tuinstructuur, een zeer waardevol patrimonium van kleinschalige bouwkundige elementen, en enkele waardevolle bomengroepen maken van deze kloostertuinen een geheel met een unieke en authentieke sfeer. Herbestemming en eventuele inplanting van nieuwe bouwvolumes dienen met dit gegeven rekening te houden’.
 
Deze tuin met een oppervlakte van méér dan 7500 m², is een inherent deel van het domein en dient samen met de gebouwen te worden bewaard. Wat thans op enkele jaren een bijna ondoordringbare wildernis is geworden kan zijn oorspronkelijke toestand herwinnen. De tuin bevat enkele belangrijke en hoge bomen. De Groendienst citeert vier bomengroepen met o. m. ‘zeer waardevolle linden, drie paardenkastanjes en een tamme kastanje’. Er zijn ook heel wat kleine gebouwtjes aanwezig (kapellen, serre, tuinhuisjes, grotten) die het geheel zijn bijzondere wat aandoenlijke charme verlenen. De studie van de Groendienst baseerde zich voornamelijk, naast eigen observatie, op het onuitgegeven proefschrift van Vincent Braeckman ‘Kloostertuinen te  Brugge’ (1990).

Ook hier is de mogelijkheid van goede bestemming aanwezig, namelijk als openbaar park. Het zal in al zijn gaafheid en beslotenheid een belangrijke bijdrage leveren tot het noodzakelijke openbaar groen in de stad. Het ‘Park Sebrechts’ (vroegere tuin van de Grauwzusters) en de Sincfaltuin (overblijfsel van de vroegere tuin van de Kapucijnen) kunnen hierbij als model dienen. In deze stadswijk is dit des te belangrijker, nadat men de ernaast gelegen tuin van het vroegere klooster van de Alexianen heeft laten inpalmen door de enorme betonblokken van twee grote hotels. Ook de mogelijkheid om vlakbij, in de Oude Gentweg, het verlaten industrieterrein van ‘Die Keure’ aan te kopen en er een groen gebied van te maken, werd niet weerhouden en integendeel werd gekozen voor een drukke woonbezetting. Luchtfoto’s tonen aan dat in deze drukbebouwde stadswijk, de tuin van de Redemptoristinnen nog als enige groene ruimte van enige betekenis overblijft.

Men hoeft niet te komen aandraven met het argument dat een deel van de tuin als park zal behouden blijven. Men slaagt er zelden of nooit in een echte tuin aan te leggen, als men eerst tabula rasa heeft gemaakt van wat er aanwezig is, om er een ondergrondse parkeergarage aan te leggen. Wat er dan bovenop als ‘groen’ wordt aangelegd, is nooit méér dan een artificiële plek. De ongeïnspireerde opeenvolgende ontwerpen van het bouwproject bevestigen dit.

Bij de beoordeling van het ‘masterplan’ dat door de projectontwikkelaar werd voorgelegd, reageerde de Groendienst o. m. als volgt:
‘De totale oppervlakte van het complex bedraagt 10.180 m². Volgens het voorgestelde masterplan bedraagt de oppervlakte gereserveerd voor de semi-publieke parkzone en de geprivatiseerde tuinen (ca. 4.340 m²), de publieke patio ( ca. 345 m²) en de ruimte voor de bomengroepen langs de Katelijnestraat (ca. 430 m²) in totaal ca. 5.115 m².  Hetzij een afname van ruim 50 % t.o.v. de huidige open ruimten of tuinzone. Bovendien zullen de ruimtelijke ervaring en de ruimtelijke kwaliteiten van de nieuwe tuinzones door de versnippering en de inplanting van nieuwe bouwvolumes dermate verstoord en verzwakt worden dat van een referentie naar de sfeer van de oorspronkelijke kloostertuin geen sprake kan zijn’.
De Groendienst besloot dan ook: ‘Omwille van

  • de oorspronkelijke structuur,
  • de visuele binding met het kloosterpand,
  • de ruimtelijke beleving,
  • en de aanwezigheid van de waardevolle kleine bouwkundige elementen en een zeer waardevolle bomengroep, dient het integraal behoud van (minstens) de noordoostelijke kloostertuin als uitgangspunt voor een herbestemming van het gehele complex gehanteerd te worden’

Deze zienswijze is, na aanpassingen van het masterplan, niet fundamenteel gewijzigd.

Enkele algemene argumenten

Er zijn ook meer algemene overwegingen te maken die pleiten voor het behoud van het ganse domein.

1.In die overwegingen moet de nadruk worden gelegd op de eigenheid van een middeleeuwse stad als Brugge, waar gesloten domeinen met hoge muren een belangrijk deel van de charme uitmaken. Het gebouw met de blinde vensters is daarenboven één van de meest karakteristieke straatbeelden van de stad.

Hoe desastreus het doorbreken van die geslotenheid kan uitdraaien, getuigen bvb de 'gaten' van de hotels die in dezelfde Katelijnestraat en Oude Gentweg tot stand kwamen na het vernielen van het vroegere klooster en tuin van de Alexianen. Hetzelfde geldt voor de met gaten doorbroken kloostermuur in de Schrijversstraat. Zonder zijn afgesloten domeinen is Brugge Brugge niet meer. De muren van het domein ‘Rode Nonnen’ geheel of grotendeels slechten is dan ook op zich onaanvaardbaar en zou meteen een kwalijk precedent betekenen in het vooruitzicht van de waarschijnlijkheid dat nog andere ommuurde (religieuze) eigendommen zullen volgen.

2. De stad Brugge moet zich bewust zijn van het belang van de neogotiek voor haar toekomstige uitstraling. Het stadsbestuur moet inzien dat ze moeilijk van de Brugse neogotiek een nieuwe aantrekkingspool kan maken voor de stad, als ze nu één van de meest interessante monumenten van die stijlrichting verknoeit en laat verdwijnen. Het is helemaal onsamenhangend een icoon van de neogotiek zoals de kerk van de Redemptoristinnen aan zijn lot over te laten en de ganse kloostereigendom met de grond te laten gelijk maken, om anderzijds een tentoonstelling te wijden aan de neogotiek onder de titel ‘De Uitvinding van Brugge. De stad van Delacenserie’ en hier rond door de erfgoedcel publiekswerking te doen ontwikkelen.

3. Moest de eigendom, afgezien van de intrinsieke waarde van het geheel, zich in een uithoek van de stad Brugge bevinden, dan zou men misschien makkelijker begrijpen (zonder het uiteraard goed te keuren), dat het bestuur daar minder aandacht zou aan schenken. Het gaat hier echter om een eigendom gelegen in wat vanuit toeristisch oogpunt ‘de gouden driehoek’ wordt genoemd. Hier moeten toerisme en eerbied voor het erfgoed hand in hand gaan om het voorgenomen vandalisme te bestrijden. Het is echt niet mogelijk om naast het IBIS-Novotel complex nog een tweede mastodont te laten tot stand komen. Er dient daarnaast nog opgemerkt dat voor wat betreft 19de- en 20ste-eeuwse architectuur, de afbraak van de Gistfabriek en van de gevangenis al onaanvaardbare verliezen betekenden voor het Brugse patrimonium, die tot vandaag te betreuren blijven. Dit mag zich niet opnieuw herhalen.

4. Sinds 2001 heeft de stad Brugge zichzelf aanzienlijke verplichtingen opgelegd, door de inschrijving te vragen en te aanvaarden van de historische binnenstad op de lijst van het werelderfgoed van UNESCO. De stad gaat daar terecht fier op, en gebruikt deze inschrijving als element in het adverteren van de stad, onder meer op het toeristische vlak. Deze inschrijving legt echter ook plichten op waarnaar de stad zich moet gedragen. Het slopen van dit domein zou hiermee in flagrante tegenstelling zijn en zou wettigen dat UNESCO een onderzoek instelt en zich de vraag stelt of Brugge wellicht niet op de lijst van het bedreigde erfgoed moet worden geplaatst.

5. Zoals meestal het geval is, wanneer men iets wil afbreken, worden de argumenten gebruikt van ‘er is geen andere bestemming’ of ‘het is financieel niet haalbaar’.

Voor wat het eerste betreft is dit flagrant onjuist. Als men beslist de gebouwen en de grote groenzone te bewaren, zullen met zekerheid passende bestemmingen worden gevonden. Men heeft die tot hiertoe niet eens onderzocht en men is er, bij het verlenen van een stedenbouwkundig attest, vanuit gegaan dat alles gewoon mocht verdwijnen. De stad Brugge heeft niet eens zelf voldoende voetstappen ondernomen om na te gaan of het geheel kon worden beschermd en hierdoor vatbaar zou zijn voor overeenkomstige toelagen.

De financiering vraagt uiteraard tussenkomsten van de hogere overheid, die trouwens al in grote mate verworven zijn. Voor wat de aankoop door de stad van de grote tuin betreft, is het al jaren een zekerheid dat vanuit de Vlaamse overheid in het kader van het ‘stedenbeleid’ een aanzienlijke toelage zal worden verstrekt. Voor de gebouwen zal eveneens aanzienlijke betoelaging verkregen worden als men het hergebruik in de richting van het stedelijk onderwijs zoekt. Voor het overige zal de gewenste bescherming als monument eveneens zorgen voor de passende toelagen. Daarenboven moet de stad, wanneer haar verantwoordelijkheid op het spel staat, niet doen alsof ze onbemiddeld is.

Het motief van op het eerste zicht ontbrekende herbestemming en financiële middelen heeft nog maar zelden de verantwoordelijken voor de monumentenzorg weerhouden van bescherming, indien het voorliggende erfgoed deze bescherming verdiende. In het huidige geval, minder dan in vele andere, kunnen de financies of het ontbreken van mogelijkheden voor nieuwe bestemmingen worden ingeroepen.

6. Ook al is het bouwproject, waarbij het bestaande met de grond wordt gelijk gemaakt, hier niet in overweging te nemen in verband met de waarde van het domein, kunnen we niet nalaten te wijzen op wat er Brugge in geval van goedkeuring van dit project te wachten staat. Er zullen op het domein, boven een ondergrondse parkeergarage, twee aanzienlijke bouwblokken met vier bouwlagen worden opgetrokken, met daar rond een artificiële groenzone, die men ten onrechte ‘park’ zal noemen, met aan de kant van de Katelijnestraat een soort pleintje dat zonder meer als ‘onnozel’ te bestempelen is. De stad zal zich daarbij verbinden om het ‘park’ ten eeuwigen dage te onderhouden, zogenaamd als openbaar domein, maar in werkelijkheid in de eerste plaats ten gunste van de bewoners van de appartementen.

De opeenvolgende ontwerpen die voor de bouwblokken werden ingediend, getuigen van een dergelijke schraalheid en gebrek aan kwaliteit, dat het op zich al ondenkbaar lijkt dat zoiets ooit in de historische binnenstad zou mogen gebouwd worden. Hoe dan ook, zelfs het meest geniale ontwerp, kan niet worden overwogen, als hiermee merkwaardig onroerend erfgoed moet verdwijnen.

Oproep

De ondertekenende verenigingen, die de spreekbuis zijn van een aanzienlijk deel van de opinie, zowel in Brugge als daarbuiten, roepen de stad Brugge op om haar verantwoordelijkheidszin te laten doorwegen boven elke vorm van gemakzucht, denken op korte termijn en ontvluchten van verantwoordelijkheid. Ze nodigen het stadsbestuur uit om bij de bevoegde hogere overheid mee de bescherming van het domein te ondersteunen.

De verenigingen roepen de bevoegde minister op om zonder dralen de enige passende en voor de hand liggende beslissing te nemen, met name die van het beschermen als monument van het volledige kloosterpand van de Redemptoristinnen in de Katelijnestraat in Brugge.

Vzw Bethunianum, Centrum voor de studie van de 19de-eeuwse kunst
Vzw Brugge die Scone
Vzw Marcus Gerards
Vzw Erfgoedforum Brugge
Vzw Koninklijke Gidsenbond voor Brugge en West-Vlaanderen
Vzw Koninklijke Heemkundige Kring Maurits Van Coppenolle
Vzw West-Vlaamse Gidsenkring Brugge
Vzw Groen
Lappersfort Poets Society
Groene Gordel Front
Vereniging Red Brugge
Vereniging Buurtbewoners Katelijnestraat en Visspaanstraat
Vereniging Buurtbewoners Klein Appelmoes, Assebroek
SOS voor een Leefbaar Brugge


Gegevens uit de studie van de
Dienst Monumentenzorg Brugge (2005)

Kerk

Eénbeukige kerk, met voorgevel op de Katelijnestraat, onder zadeldak (leien) doorbroken door nokverlichtingen en dakruiter, gebouwd in 1845-1847.
Vroeg voorbeeld van de ‘gothic revival’, eerste helft 19de eeuw.

De kerkruimte ontvouwt zich als portaal met twee zijportalen, overwelfde ruimte onder het doksaal, doksaal en schip gevormd door zes ongelijke traveeën, door ribgewelven overkluisd, en rechthoekig smaller koor, geflankeerd door links sacristie en reliekkamer en rechts zusterkoor op de verdieping (op begane grond als zusterkoor ingericht na het concilie).

Het doksaal is ingericht als koor voor de zusters, visueel afgesloten van de middenbeuk door gietijzeren hekwerk gevat tussen zuilelementen, versierd met beeldhouwwerk van R. Duvivier. Het Scheyvenorgel is gaaf bewaard.
De merkwaardige en zeldzame neogotische kerkgevel werd in 1963-1966 deels gesloopt en een neobarok bakstenen gevel ervóór gebouwd met stadssubsidie. De neogotische gevel is bewaard en deels zichtbaar achter de nieuwe gevel.

Klooster

Bij de bouw van het klooster in 1845 werd hoogstwaarschijnlijk rekening gehouden met bestaande bebouwing aan de Katelijnestraat, die deels geïntegreerd werd in het kloostercomplex, en op vandaag nog afleesbaar is.
De oorspronkelijk bepleisterde lijstgevel van 10 traveeën met twee classicistische poorttraveeën aan beide uiteinden (gebouwd tussen 1830 en 1845), werd al in 1858 gewijzigd. Net een eeuw later, in 1958, werd het parement vernieuwd in metselwerk met gele baksteen, waardoor de oorspronkelijkheid enigszins is aangetast. In deze vleugel is aan de straatzijde, op de begane grond, o.a. een klein salon aanwezig met schouwelement en plafondrozet in classicistische stijl, eerste helft 19de eeuw, wellicht nog een restant van de aankleding van het huis van de vorige eigenaar Nollet.

Aansluitend en palend aan deze voorbouw, tevens palend aan de rechterzijde van de kerk, bevindt zich het eigenlijke kloostergebouw, bestaande uit vier vleugels rond een vierzijdig pandhof, 3 bouwlagen hoog onder zadeldaken. Rood baksteenmetselwerk in sobere vormgeving, rondboog- of segmentboogvormige deur- en vensteropeningen, met nog oorspronkelijk verzorgd schrijnwerk.
Het verschil in metselwerk doet vermoeden dat de derde bouwlaag (iets) later is gerealiseerd (aanvang 1845 voor benedenverdieping en eerste verdieping en 1846 of 1847 voor bovenste verdieping).

Rond het binnenhof (ca. 15 x 21 m) zijn op de begane grond de vier pandgangen strikt symmetrisch geschikt, aan de lange zijden 7 traveeën, aan de korte zijden 5 traveeën, met rondboogvormige venster- en deuropeningen. Iedere pandgang heeft in de middelste travee een toegang tot de binnentuin. Het aantal traveeën aan korte en lange zijden zijn priemgetallen, die doen vermoeden dat hiermee een bepaalde harmonie is nagestreefd, want ook de verhouding van het binnenhof is 5/7, waarmee het gulden getal phi wordt benaderd.

De pandgangen zijn overwelfd met bepleisterde tongewelven, aan ieder venster of deur onderbroken door steekkappen, en aanzettend op klassiek lijstwerk.
De deuren naar de belendende ruimten en trappenhuizen benadrukken de symmetrische aanleg; deze in de as van de pandgangen en in het midden van de gangen, tegenover de deuren naar het binnenhof, zijn rijker aangekleed, met zwaardere omlijstingen en bekroond door beeldnissen. De overige deuren zijn eenvoudige paneeldeuren. Alle hout is afgewerkt in imitatiebeschildering in eik. De vloeren zijn in zwarte steen.

In de vleugel tegenover de kerk (zuidzijde) bevindt zich de refter, met haaks daarop de keuken en de eenlaagse dienstgebouwen. De vleugel aan de oostzijde telt een aantal verblijfsruimten (o.a. recreatieruimte). Vanuit de noordelijke pandgang is een bidruimte bereikbaar, palend aan het koor van de kerk (heringericht na het concilie). In deze bidruimte stond tegen de eindwand een houten bas-reliëf geplaatst van L. Kockorols (in de 19de eeuw provinciaal van de Redemptoristen) met uitbeelding van Christus op de Olijfberg. De aankleding van de sacristie, met de kamerhoge wandkasten, is nog oorspronkelijk.

In de hoek van de noordelijke en westelijke pandgang bevindt zich de houten draaitrap naar het doksaal van de kerk, waar de zusters de erediensten bijwoonden. In de andere hoek leidt een trap naar de cellen en werkruimten op de verdieping.

Op de verdiepingen bevinden zich telkens schaars verlichte middengangen met houten plankenvloeren, met de cellen, de werkruimten, de bibliotheek en de bidruimte die uitgeeft op het koor van de kerk. Deze bidruimte is door de neogotische aankleding, altaren en beeldengroepen merkwaardig.

Boven de sacristie bevinden zich enkele ruimten waar de relieken en devotie voorwerpen werden bewaard en waar de zusters konden biechten (merkwaardige constructie, waarbij de biechtvader via een trapje vanuit het koor naar boven kwam, biecht hoorde, maar geen visueel contact had met de biechtelingen). Op een van de gangen hangt de klok om de zusters te wekken (door Severinus Vanaerschodt, Leuven, 1887). Ook reeks ronde mechanische klokken (Kreitz, Antwerpen, midden 19de eeuw).

De zolders zijn nog oorspronkelijk, met de reeksen spanten en, merkwaardig, een katrolsysteem en een goederenlift om de was te hijsen (gesitueerd in de dwarsvleugel boven de keuken).

Kloostertuin met kapellen en andere religieuze relicten

De grote tuin is verdeeld door een scheidingsmuur (komt overeen met de perceelsscheiding ca. 1830, wellicht werd het zuidoostelijk deel later aangekocht en aan het kloosterdomein toegevoegd).
Het tweede deel werd, volgens de zusters, vooral als moestuin gebruikt (reeds op plan Popp, 1865 in kweekperken verdeeld, nu niet meer in cultuur, gewone grasperken).

Het eerste deel had vooral een meditatieve en recreatieve functie, door de aanwezigheid van de kapellen, maar ook in het tweede deel wordt men tot meditatie en gebed aangespoord. De aanleg van deze slottuin zou nog volgens V. Braeckman teruggaan tot de stichtingsjaren (met nog drie paardenkastanjes). Op het Plan Popp 1865 is een landschapstuin getekend met kronkelende paden.
De rijen fruitbomen laagstammige perenboompjes, appelaars en kerselaars, zijn zowel mooi als nuttig.

De kapellen of beeldengroepen zijn voor deze kloostertuin zeer karakteristiek, zeldzaam en nog oorspronkelijk (wellicht ook van kort na 1845 of toch zeker tweede helft 19de eeuw). Volgens V. Braeckman werden ze gebouwd op verschillende tijdstippen met de erfenissen van zusters die bij testament een kapel hadden gevraagd.
Ze zijn neogotische en religieuze interpretaties van de meer wereldlijke lusthuisjes en folies in 18de-eeuwse landschapstuinen:
- bakstenen vrijstaande kapel van Sint-Alfonsus, centraal tegenover de oostelijke vleugel,
- neogotische hoekkapel O.L.Vrouw van Altijddurende Bijstand, in de noordelijke hoek van de tuin,
- neogotische kapel toegewijd aan H. Hart, zou het oudste zijn, opgevat als prieel, met ijzeren trappenbordes,
- een latere Lourdesgrot in de hoek van deze tuin aan de Visspaanstraat, waarnaast zich een tuinhuis en een serre bevindt, gebouwd tegen een restant van een oud pandje met inwendig moer- en kinderbalken waarvan de binnengevel doorbroken is door twee neogotische spitsboogramen en een deurtje,
- in de tweede tuin tegen de straatgevel van de Katelijnestraat: kapel toegewijd aan H. Jozef,
- in de uiterste zuidoostelijke hoek van deze tuin een Calvarie, begroeid met esdoorns, met in nissen van de tuinmuren bas-reliëfs die de zeven smarten van Maria uitbeelden.

In de tuin tegenover de refter is een beeld van de stichter H. Alfonsus geplaatst.
Iets verder is een beeld van de Engelbewaarder op een hoog voetstuk geplaatst.
De nutstuin zou zo’n 50 jaar gelegen zijn aangelegd (palmhaagjes, kweekbedden, appelgaard en lei-fruit).

Woningen aan Katelijnestraat 107-109-111-113

De woningen 107 en 109 ondanks het recentere uitzicht van de gevels,  bevatten historische elementen bevatten die teruggaan tot de einde 18de eeuw.  Behoud is dan ook vooropgesteld.

Van de woningen 111 en 113 is de intrinsieke kunsthistorische waarde eerder beperkt. In hoofdzaak 19de-eeuwse en vroeg-20ste-eeuwse bebouwing zonder veel intrinsiek waardevolle constructies of interieurelementen.  De straatgevels van de woningen, waarvan het merendeel in de loop van de 20ste eeuw verbouwd werd, worden stadslandschappelijk passend ervaren.

Blinde gevel aan Katelijnestraat

Aan de Katelijnestraat, in de tweede tuin (vroegere moestuin, nu hoofdzakelijk siertuin) bevindt zich een gebouw van twee bouwlagen onder schilddak, aan de straatzijde met blindvensters afgewerkt en geflankeerd door bakstenen tuinmuren met paneelwerk, vermoedelijk tweede kwart van de 19de eeuw. De gevel met aanpalende muren spelen een dominante rol in het stadslandschap van de Katelijnestraat.

Serre en tuinberging

Van de tuinberging tegenaan de buitenmuur met de Visspaanstraat is een deeltje een restant van een oudere constructie (17de-eeuws) die in de 19de eeuw een nieuwe binnengevel kreeg met neogotische raamopeningen.  De serre is tegen deze gevel aangebouwd. De resterende tuinbergingen zijn 19de-eeuws.

Kloostermuren

De kloostertuin is aan de aanpalende straten, zowel de Katelijnestraat als de Visspaanstraat, als met de aanpalende buren (Novotel, vroeger klooster van de Broeders van Liefde, en de eenlaagshuizen Visspaanstraat en Pietje Pek aan de Katelijnestraat) begrensd door hoge bakstenen muren (verzorgd geel baksteenparement, aan de straatzijden in vakken op hoge plint en met kroonlijst), die zowel in het straatbeeld als vanuit de tuinen de beslotenheid van dit kloosterdomein zeer sterk beklemtonen.

Algemene kunsthistorische evaluatie en randvoorwaarden

Vooreerst dient benadrukt dat het kloosterdomein gelegen is binnen de Brugse binnenstad, sinds 2001 geplaatst op de Unesco-lijst van het Werelderfgoed.
Algemeen wordt dus aangenomen dat het deel uitmaakt van een belangrijk en niet te veronachtzamen historisch erfgoed.
De kloostersite heeft in zijn geheel een belangrijke erfgoedwaarde o.a. om volgende redenen:
- de geschiedenis en de aanwezigheid van een contemplatieve vrouwelijke kloosterorde in Brugge gedurende anderhalve eeuw.
- de kerk is een uniek voorbeeld van de aanvang van de kerkelijke neogotiek in het midden van de 19de eeuw (nog voor de H. Magdalenakerk en de H. Hartkerk), nog voor de eerste bloeiperiode onder impuls van Jean Bethune.  Deze kerk is enig in zijn soort in Brugge en zelfs in België en kunsthistorisch zeer belangrijk en waardevol.
- de kloostergebouwen door hun aanleg en eenvoudige architecturale structuur en vormgeving. Het klooster bevat waardevolle elementen, inzonderheid het pandhof, de rondlopende pandgang op het gelijkvloers met zijn symmetrisch opgestelde ingangen naar aanpalende salons en lokalen, het verfijnde neogotische schrijnwerk van deuren en trappen.
- de (gesplitste) kloostertuinen, met zijn talrijke kapellen en andere religieuze relicten (grot,  Calvarieberg,  bas-reliëfs in tuinmuur),  maakt deel uit van het uitzonderlijk areaal van nog gaaf bewaarde kloostertuinen in de Brugse binnenstad, zoals het Engels klooster, de karmelieten aan de Ezelstraat, het Grootseminarie, (allen beschermd).  In de stadspublicatie Groen Brugge (1987, p. 43) duidt een overzichtsplan met de verdwenen en nog bestaande kloostertuinen goed het belang aan van deze kloostertuin in de relatie met het groenaanbod in de Brugse binnenstad. 
- Zeker het oudste deel van de  kloostertuinen,  met zijn typische assenstructuur telkens beëindigd door een religieus element en met een belangrijk bestand aan hoogstammige bomen,  is historisch en landschappelijk van uitzonderlijk belang. 
- De tweede tuin,  voormalige moestuin,  is landschappelijk minder belangrijk in zijn opbouw maar bevat een kapel tegen de tuinmuur kant Katelijnestraat,  een indrukwekkende calvarie en bas-reliëfs in de kloostermuur die kunsthistorisch belangrijk zijn. 
- De tussenmuur tussen beide delen is landschappelijk belangrijk omwille van de historiek van de plek en kwalitatieve fysische afbakening tussen beide tuindelen.
- de economische motieven:
het gebouwenbestand vertegenwoordigt een financiële waarde (op de vrije markt veelal bepaald door vraag en aanbod), maar in functie van de duurzame ontwikkeling van de binnenstad gaat de voorkeur naar behoud en hergebruik van dit patrimonium.

Vanuit deze erfgoedwaarde werd behoud van karakter van de site, kerk,  klooster, tuin en tuinmuren als uitgangspunt altijd vooropgesteld. 

www.andriesvandenabeele.net