S. O. S. voor een Leefbaar Brugge

Bezwaarschrift tegen het project genaamd ‘Park Katelijne’,
gelegen tussen Katelijnestraat en Vispaanstraat.

Het stadsbestuur is gevat door een aanvraag voor het optrekken van een aanzienlijk complex van gebouwen op het terrein van het vroegere klooster van de Redemptoristinnen. Het openbaar onderzoek is thans lopende. Het ontwerp komt in vervanging van de aanvraag van een paar jaar geleden, die werd afgekeurd.

In de begeleidende nota lijkt de projectontwikkelaar, de n. v. Katelijne, er van uit te gaan dat zijn ontwerp beantwoordt aan de eisen die het stadsbestuur tijdens voorgaande besprekingen heeft vooropgesteld. Ofwel neemt hij zijn wensen voor werkelijkheid, ofwel kreeg hij van sommige stadsbestuurders beloften die ver buiten de perken treden van wat aanvaardbaar is.

De projectontwikkelaar lijkt daarbij overtuigd dat zijn projet beantwoordt aan wat in het historische Brugge aanvaardbaar is. Zijn begeleidende nota, vol gezwollen modezinnen en stadhuiswoorden geeft hiervan blijk. Een voorbeeld slechts van die ‘zwevende’ retoriek, betreffende de uitleg over gebruik van bouwmaterialen: “…architectonisch beton, omdat dit een eerlijk materiaal is dat sereniteit, duurzaamheid en ook wel massiviteit/ingetogenheid uitstraalt, hetgeen kadert in de voormalige functie van slotklooster en de confrontatie met de imposante kerkgevel aankan”. De volledige tekst doet vooral weinig ter zake en geldt alleen als poging om aan een simpel bouwproject een soort veredelde ‘status’ te verschaffen en de pil te vergulden.

Voor zoveel ons bekend werd nooit een stedenbouwkundig attest aangevraagd, dat het stadsbestuur er zou toe genoopt hebben een precieze beslissing te nemen over wat op dit terrein mogelijk is, over de maximale verhouding bebouwde en onbebouwde oppervlakten, over de maximale verhouding van de bouwvolumes ten overstaan van de totale oppervlakte (V/T), over de maximum te bewaren groene ruimten, over de bestemming van terrein en gebouwen, meer bepaald van het kerkgebouw en het oude klooster, enz.

Men heeft het dus klaarblijkelijk gehouden bij mondelinge besprekingen, die voor zoveel men dit uit het dossier kan opmaken, zelden door formele schriftelijke conclusies werden bevestigd. Men heeft dus liever het indienen afgewacht van een volledig ontwerp, alvorens op het project in te gaan en er zich over uit te spreken.

Dit is uiteraard niet de passende werkwijze die men in goed bestuur moet volgen. Voor deze belangrijke eigendom (méér dan 1 ha), gelegen in de historische binnenstad, had het stadsbestuur al lang geleden, en zeker sinds het te koop aanbieden ervan, een stedenbouwkundig attest, bij voorkeur zelfs een BPA moeten opmaken, zodat zowel de eigenaars (de kloostercongregatie en haar volmachthebber) als de geïnteresseerde kopers, zouden weten binnen welke grenzen een project kan worden bedacht. Afwachten totdat een ontwerp wordt ingediend, doet niet alleen veel tijd en geld verliezen, maar riskeert uit te monden op juridische steekspelen en beroepen bij de hogere overheid, waarbij het niet zeker is dat de stad zijn gelijk zou halen.

Om die redenen en ten einde in het belang van de stad een goede toekomst voor deze eigendom te garanderen, is het nog niet te laat, maar dan toch uiterst dringend, een BPA op te stellen, dat de nodige rechtsgrond verleent. Een dergelijk BPA zal dan voorwaarden opleggen die zullen verhinderen dat volledig onaanvaardbare projecten worden voorgelegd, laat staan worden goedgekeurd. De bezwaren die we hierna formuleren, zijn op dit punt naar onze mening voldoende duidelijk.

1. De bestemming

Sinds het vroegere klooster te koop staat, had het stadsbestuur moeten overwegen en beslissen het zelf aan te kopen. Het is onbegrijpelijk dat een vooruitziend bestuur een dergelijke eigendom, in volle stad, zomaar aan de toevalligheden van geïnteresseerde projectontwikkelaars overlaat.

Het behouden van een groen gebied, in een stadsgedeelte waar nog weinig uitbreiding van openbaar groen mogelijk is, gebiedt tot verwerving door de stad. Voor zoveel ons bekend zijn er binnen de stadsdiensten studies gemaakt die de noodzaak van het behoud van deze eigendom als groen gebied bevestigen. Ons is verzekerd dat de aankoop met een dergelijke bestemming op aanzienlijke toelagen van de Vlaamse overheid kan beroep doen.
 
De bestaande gebouwen zijn daarbij een voor de hand liggende mogelijkheid voor de uitbreiding van de te eng behuisde Academie en Nijverheidsschool, die aan de overkant van de straat liggen. We konden in de krant zelfs lezen dat sommige opleidingen niet konden doorgaan, wegens plaatsgebrek. Gelet op de bestemming als schoolgebouw, zou dit trouwens ook met een aanzienlijke overheidstoelage kunnen gerealiseerd worden, en met permanente betoelaging van de werkingskosten. Men hoeft dus alvast niet te komen aandraven met het argument van te krappe stadsfinancies.

Er moet ook nog worden aan toegevoegd dat de kapel die (om het plan op te fleuren?) op de ontwerptekeningen prominent aanwezig is, niet in de verkoop en de ontwikkeling is opgenomen. Er blijft dus, als de stad dit ontwerp zou goedkeuren, een levensgroot probleem: wat met de kerk? Zolang hiervoor geen oplossing bestaat, lijkt het in goed bestuur ondenkbaar, daar zo maar abstractie van te maken.

Het ontwerp voorziet dat de ‘tuin’ aan de stad zal worden overgemaakt, die ten eeuwigen dage voor het onderhouden ervan zal opdraaien, met als tegenprestatie het gedeeltelijk publiek maken. Men zal wel aannemen dat heel wat bouwers van appartementsgebouwen en vooral mede-eigenaars opgetogen zouden zijn de last van hun omringende groene zone aan de overheid te kunnen overlaten. In het huidige geval wordt de stad dus willens nillens toch eigenaar van een ‘park’ boven een ondergrondse parking, met alle eraan verbonden onderhoudslasten.

2. Het voorliggende project.

Het voorliggende ontwerp voorziet in een totaal van 79 appartementen, 2 stadswoningen, een conciërgewoning en een ondergrondse parking over twee bouwlagen. Dit is enige vermindering in vergelijking met het eerste ontwerp dat voorzag in 78 appartementen, 37 ‘service flats’, 187 ‘woonvertrekken’ voor collectieve of toevallige gebruikers, een ‘zorgencentrum’, en een ondergrondse parking met vier niveaus.

Het vorige project had zich een kleedje van ‘sociaal’ en ‘zorgencentrum’ aangemeten. Dit is nu verdwenen en het huidige presenteert zich voor wat het werkelijk is, een doodgewoon bouwproject ingediend door een op maximale opbrengst gerichte promotor. Dit is zijn recht, maar daar tegenover staan de plichten van de overheid.

Hierna volgen onze bezwaren.

3. De verhouding bebouwd – onbebouwd en V/T.

De becijferde gegevens die door de aanvrager bij het ontwerp zijn gevoegd, zijn niet helemaal duidelijk. In principe (zonder de ondergrondse parking in rekening te brengen) zou de verhouding V/T 0,93 bedragen wat min of meer aannemelijk is.

Men moet er nochtans rekening mee houden dat een groter deel van het terrein zal ingenomen worden door gebouwen dan thans het geval is en dat de ermee samengaande verharde zones en nutsvoorzieningen ook aanzienlijker zullen zijn. Ook het bouwvolume zal aanzienlijk groter zijn dan thans het geval is. Hiervoor wordt geen argumentatie aangevoerd.

Een complete V/T met inbegrip van nutsvoorzieningen, verhardingen, ondergrondse bouwlagen, zou natuurlijk heel wat hoger liggen en ook beter de werkelijkheid weergeven.

b) Het bestaande kloostergebouw, dat in een vierkant is gebouwd, naast de kerk, wordt volledig gesloopt en vervangen door een nieuw gebouw met bijkomende bouwlagen. De tuin die er middenin ligt zal, geprangd tussen die hoogbouw, nog weinig zonlicht ontvangen. Er wordt in weinige woorden gemeld dat het bestaande gebouw niet bruikbaar is voor moderne appartementen en dus moet het maar verdwijnen. Het komt ons voor dat, behoorlijk laat, toch nog een onderzoek naar de architecturale en historische waarde van dit gebouw werd ondernomen en dat hieruit is gebleken dat het om een merkwaardig en te behouden gebouw gaat, dat zou teruggaan tot het voormalige klooster van de Penitenten uit de 17de-18de eeuw. Alvorens enige sloopvergunning wordt gegeven dient hierover klaarheid te bestaan en moet het stadsbestuur het rapport hierover publiek maken. Hieruit kan dan de beslissing worden afgeleid of het hier om een te behouden, eventueel als monument te beschermen, gebouw gaat.

c) Daarnaast worden grote appartementsgebouwen opgetrokken, langs de Katelijnestraat en op het domein. Hiervoor moeten, naast het klooster, ook een paar interessante huizen met historisch waardevol karakter, sneuvelen. Het geheel is minder belastend dan het eerste ontwerp, maar het blijven grote ‘blokken’, die misschien elders, buiten de historische stad, kunnen worden toegestaan, maar die in de binnenstad helemaal niet op hun plaats zijn. Het gaat om gebouwen met een overdreven hoogte en volume, zowel in hoofde van de bestaande gemeentelijke reglementen als meer bepaald in functie van wat in de gevelontwikkeling van de Katelijnestraat en vooral ook van de Vispaanstraat aanvaardbaar is.

Stedenbouw heeft in algemene regel steeds het bouwen op binnenpercelen geweigerd en dit is natuurlijk goed begrijpelijk, al was het maar vanuit het oogpunt van vrijdom voor de omwonenden. Het appartementscomplex binnen op het terrein zou dan ook geen genade mogen vinden. Het zal langs de ene kant inkijk geven op de woningen langs de Katelijnestraat, langs de andere kant op de woningen in de Vispaanstraat. Het is vooral langs die kant dat het onaanvaardbaar lijkt de traditionele, schilderachtige en typisch-Brugse huizenrij te confronteren met een hoogbouw van appartementen die evenveel uitkijkposten zullen zijn op deze rustige woonwijk.

d) De architecturale vormgeving laat aanzienlijk te wensen over. Dit is het onvermijdelijke gevolg van de overdreven volumes. Hier opnieuw werd ontegensprekelijk een inspanning geleverd om aan de kritiek op het vorige ontwerp tegemoet te komen. Het blijft echter een architectuur ‘à la Benidorm’, die in minder gevoelige omgevingen misschien genade zou vinden, maar niet past in de historische binnenstad van de werelderfgoedstad Brugge. Daarbij zal dit gebouwencomplex in ongunstige zin afsteken bij de godshuizen (beschermde gebouwen) ter linkerzijde en bij de niet-beschermde maar waardevolle woonhuizen ter rechter zijde.
Het blijft een overwegend monotone en té overheersende invulling van de straatwand langs de Katelijnestraat, zonder respect voor de omgeving, zonder de passende ritmiek, het gewenste verticalisme, de passende materialen, enz. Het is niet omdat een flater van belang werd begaan wat verderop in de straat (Novotel en Hotel) dat dit hier voor herhaling zou vatbaar zijn, integendeel.

e) Van de bestaande tuin blijft ook iets méér over dan in het eerste ontwerp, maar een aantasting van het bestaande wordt het in elk geval. Er de naam ‘park’ aan geven is natuurlijk misleidend want het zal niet veel méér zijn dan een grasperk, aangezien het boven een ondergrondse parking komt. Alle voorstellen van behoud van kleine relicten zijn hierbij niets méér dan een ‘lapje voor het bloeden’.

g) De bestemming van de kerk van de Redemptoristinnen blijft een vraagteken. Hierover wordt in het ontwerp met geen woord gerept. Het gaat om een interessant bouwwerk, dat eigenlijk al lang als monument had moeten beschermd zijn en in ieder geval goede bewaring en passende nieuwe bestemming vereist en verdient. De verkoop van het domein en het bouwen erop mag zeker niet worden toegestaan indien geen duidelijkheid bestaat over de toekomst en bestemming van deze kerk.

Brugge 20 november 2008

www.andriesvandenabeele.net