Een flater van belang rond Karel de Stoute

Vorige donderdag werd plechtig de tentoonstelling ‘Karel de Stoute – Pracht en praal in Bourgondië’ geopend. Op dit soort openingen zijn de Bruggelingen die actief zijn in de culturele sector graag talrijk aanwezig. Ze werden deze keer wel erg onbeschoft bejegend.

Vooreerst werd een scherp verschil gemaakt tussen een paar honderd genodigden die als ‘personaliteiten’ werden beschouwd en vooraf een kaart voor een voorbehouden zitplaats kregen toegestuurd. Een aantal van die bevoorrechten kwam trouwens niet opdagen, zodat stoelen leeg bleven. De massa van de Bruggelingen werd rechtstaande geparkeerd achter cordons die ze niet mochten passeren. Dit soort discriminerende behandeling kon misschien in de middeleeuwen maar is vandaag en in Brugge niet aanvaardbaar. De aanwezigen, onder wie zich heel wat méér ‘echte’ personaliteiten bevonden dan bij die vaak van buiten Brugge gekomen houders van een zitplaats, waren er niet over te spreken.

De uitleg die wordt gegeven is dat er te veel volk was en het niet anders kon worden beheerst. Dit is larie. Er bestonden heel wat alternatieve mogelijkheden. Men kon gewoon iedereen laten recht staan: als er vroeger grote zomertentoonstellingen werden geopend met speeches en receptie in de tuin van Groeninge, dan stond ook iedereen recht, de ‘grote katten’ inbegrepen. Of men kon de ganse kerk met stoelen vullen zodat iedereen kon zitten, zoals een paar jaar geleden werd gedaan bij de opening van de tentoonstelling Filips de Schone. Er zijn ook nog andere mogelijkheden, maar ik houd het bij die twee.

Wat de receptie betreft, ging men al evenzeer op onaanvaardbare manier te werk. In feite moet men van twee recepties spreken. De ‘stoelgasten’ werden buiten de kerk geloodst en meegetroond naar de ‘vriendenzaal’ in het Groeningemuseum. Men kon niet beter aangeven dat men niet wenste met dat zogenaamd ‘gewone’ Brugse volk in aanraking te komen. Het is onaanvaardbaar dat men de aanwezigheid aankondigt van de prinsen Lorenz en Astrid om daarna alle contact tussen hen en de Brugse aanwezigen onmogelijk te maken. Een dergelijk contact is ongetwijfeld door de prinsen zelf gewenst. Is het argument acceptabel dat de veiligheidsdiensten deze segregatie wilden? Dat moet nog eens onderzocht worden, want daar geloof ik niet veel van. Lorenz en Astrid zijn geen doelwit voor terrorisme, de deftige burgers die aanwezig waren wilden hun zeker niets dan goed. Ik vrees eerder dat dit opnieuw een blijk van neerbuigendheid en arrogantie is vanwege de organisatoren: ‘wij gaan lekker in klein comité vieren, ver van het plebs’.

Voor het gros van de aanwezigen werd een receptie aangeboden in de kerk zelf. Op gewone dagen mag je in de O.-L.-Vrouwkerk niet fluisteren of er komt een suppoost je vermanen dat de stilte moet geëerbiedigd worden. Nu mocht er gedronken en geklonken worden alsof het de gewoonste zaak was. Natuurlijk waren er onder de gasten enkele die het plezierig vonden om in een kerk te pintelieren. De grote meerderheid stond er onwennig bij. Zou men in een synagoge, een moskee of zelfs een vrijmetselaarstempel een receptie mogen organiseren? Heel zeker niet. De katholieke kerk is de meest gastvrije om allerhande activiteiten te verwelkomen, maar daar kan een dergelijke receptie onder geen beding bij horen. Dit is werkelijk een brug te ver en niet voor herhaling vatbaar.

Het is jammer dat een feestelijke opening van een interessante tentoonstelling moet overschaduwd worden door dergelijke ongepaste toestanden. In de Brugse musea ontbreekt het, ook op andere gebieden, aan ellebogen en aan wellevendheid. Die moet daar dringend worden bijgebracht en alvast moet het schepencollege een signaal geven dat hij het met dergelijke mentaliteit niet eens is en er zal voor zorgen dat zoiets zich niet meer voordoet.

Andries Van den Abeele
oud-schepen van Brugge
(verschenen in Brugsch Handelsblad 3 april 2009)

www.andriesvandenabeele.net