Karel de Stoute en de

Wapenpas van de Betoverde Burcht

Een grote wapenpas in Brugge

Op de Grote Markt van Brugge werd van 28 april tot 17 mei 1463 een groots spektakel georganiseerd: le Pas du Perron Fée of Wapenpas van de Betoverde Burcht . Die wapenpas wordt zelden of nooit vermeld, hoewel hij een opmerkelijke politieke betekenis had en de eerste stap was die leidde tot de machtsovername die Karel de Stoute enkele maanden later zou forceren.

Dat dit evenement geen echo vond in de Brugse kronieken uit de tijd en nadien evenmin in de vele studies gewijd aan het Bourgondische Brugge, kan misschien voortkomen uit het feit dat het om een gebeurtenis ging die bijna uitsluitend het Bourgondische hof aanging. Dit is maar een gedeeltelijke uitleg, want hij geldt ook voor de Wapenpas van de Gouden Boom, die wél in de herinnering is gebleven.

Het is verwonderlijker dat Le Pas du Perron Fée geen vermelding kreeg in de biografieën gewijd aan Filips de Goede en aan Karel de Stoute en nauwelijks in de studies gewijd aan het Bourgondische hof. Het ging nochtans niet om zomaar een  tijdverdrijf maar om een evenement met dynastieke en politieke implicaties. De volgehouden acties die Karel de Stoute ondernam om de macht van zijn vader over te nemen, minstens er invloed op uit te oefenen, kwamen in deze wapenpas tot uiting.

Verschillende motieven voor de wapenpas

Zoals voor alle wapenpassen die werden georganiseerd aan het Bourgondische hof, moest de initiatiefnemer, die zocht naar persoonlijke bekendheid en roem, de toelating krijgen van de hertog. Die maakte van de gelegenheid gebruik om er voor zichzelf munt uit te slaan. Afgezien van de welkome ontspanning die een wapenpas zowel aan de hertog als aan zijn omgeving bood, was het evenement een politiek statement ter bevestiging van de macht en de rijkdom van het Bourgondische rijk. Men heeft terecht de Bourgondiërs de uitvinders genoemd van l’Etat spectacle.

Een wapenpas was ook een uitstekende gelegenheid om, tussendoor, subtiele onderhandelingen te voeren onder meer met betrekking tot het regelen van voor de Bourgondiërs voordelige huwelijken. Dit was het geval met de Pas du Perron Fée.

Soms was er nog méér aan de hand en groeiden sommige wapenpassen uit tot politieke gebeurtenissen, waar zonder woorden een gewichtig politiek standpunt werd meegedeeld of aan een politiek feit kracht werd bijgezet. Ook dit gebeurde, in de overtreffende trap zelfs, naar aanleiding van de Perron Fée, zoals we hierna zullen aantonen.

Philippe de Lalaing

Le Pas du Perron Fée werd georganiseerd door ridder Philippe de Lalaing. Hij behoorde tot een familie van professionele krijgers waarvan een behoorlijk aantal het leven op slagvelden heeft gelaten. Zijn oudere broer Jacques de Lalaing is, dankzij de sterke verhalen die over hem werden geschreven, de geschiedenis en de legende ingegaan als het prototype van de ridder zonder vaar noch vrees die zich volledig ten dienste stelde van zijn vorst. Hij werd beschreven als het model van de middeleeuwse edelman die de traditie van de ridders uit de Arthurlegende en uit de Roman de la Rose in ere hield.

Philippe de Lalaing wilde de opvolging van zijn oudere broer als legendarische ridder nemen en om zijn eigen wapenpas te mogen realiseren en op de deelname van de adel te kunnen rekenen, vroeg hij aan Filips de Goede of hij vanaf februari 1463 in Brussel een wapenpas mocht houden. Hij kreeg de toestemming, maar de hertog verzocht hem om, eerder dan in Brussel, zijn wapenpas in Brugge te organiseren en de datum naar einde april te verschuiven.

Het voorstel van Philippe de Lalaing om een uitgebreide, drie weken durende wapenpas te organiseren, werd enthousiast onthaald, want dit paste perfect in het hertogelijke schema. Niet minder dan 86 ridders schreven zich in om tegen Lalaing in het strijdperk te treden. Het werden er uiteindelijk maar 61, omdat de hertog onverwacht een aanzienlijke delegatie naar Frankrijk stuurde, onder de leiding van Antoine de Croy en van Antoine de Grote Bastaard, om er te onderhandelen met Franse en Engelse diplomaten.

De inhoud van de wapenpas

Het scenario dat voor deze wijdlopige wapenpas was bedacht, blonk niet uit door grote originaliteit. Heel vaak stond in wapenpassen een Boom of een Perron (synoniem voor een burcht of een grote grot) als centraal attribuut. Het door Lalaing voorgestelde verhaal werd door bemiddeling van de wapenheraut Limbourg voorgelegd aan de hertog zelf en aan een groepje kenners onder de hovelingen die het moesten toetsen aan de ‘arthuriaanse’ canons.

In hoofdzaak kwam het er op neer dat in het perron of burcht een edele dame woonde, die nachtelijk onderdak verleende aan een verdwaalde ridder, maar hem in de morgen niet wilde vrij laten alvorens hij zijn moed en zijn deugdzaamheid had aangetoond. Om hiervan het bewijs te leveren moest hij de strijd aanbinden met alle ridders die zich bij de burcht zouden aanmelden. Pas nadat hij in deze opdracht slaagde, zou hij worden vrijgelaten.

Alle gewoonlijke personages kwamen in het verhaal voor: de Dame en haar hofdames, de vrijpostige dwerg als woordvoerder, de gevangen naamloze ridder, zijn tegenstrevers en hun sympathisanten, de scheidsrechters, de Moren en Turken, de ‘gekke ridder’, een reus, de wildemannen, de griffioenen als schildwachten voor het perron, de begeleidende muzikanten, pages, narren, schutters, en tot slot de hofmaarschalk van de Dame, die werd verbeeld door niemand minder dan hertog Filips de Goede zelf. Op het toernooiveld was de hertog permanent vertegenwoordigd door drie scheidsrechters die er moesten over waken dat alles in goede orde verliep.

De pracht en de praal

De kroniekschrijvers hebben een gedetailleerde beschrijving gegeven van de kledij waarin de strijders en hun gevolg waren uitgedost, wat het groot belang aantoont dat hieraan werd gehecht. Zo een wapenpas was noch min noch meer een mannelijke modeshow, waarbij de politieke macht en de rijkdom van de heren om ter felst werden ten toon gespreid.

Wat hierbij opvalt is dat, ondanks de korte tijd waarop alles georganiseerd werd, alle deelnemers, naast hun wapenrustingen, over weelderige, vaak geborduurde kledij en hoofddeksels beschikten, voor zichzelf en voor hun paard. Vooral Philippe de Lalaing trok hierbij de aandacht, doordat hij elke dag minstens één nieuwe uitrusting aantrok.

Er was variatie in de gebruikte stoffen: zijde, tafzijde, satijn, damast, laken, kamelot of wollen stof. Variatie in de accessoires: nerts, sabelbont, gewoon bont, hermelijn, klokjes en belletjes, vederbossen en struisvogelpluimen. Variatie in de bewerkingen en borduursels op de kledij. Eén conclusie was duidelijk: er werd door niemand op enkele ponden min of méér gekeken. Essentieel voor de symboliek was ook het gebruik van bepaalde kleuren, die telkens in detail werden meegedeeld. De kleurencombinatie die de hele wapenpas door duidelijk domineerde was die van de graaf van Charolais: zwart en paars.

 

De stad Brugge betaalde mee

Ook al was de wapenpas uitsluitend voorbehouden aan het Bourgondische hof en zijn hoge gasten, met het Brugse volk als bescheiden maar talrijk aanwezige toeschouwer rondom de arena, besefte de Brugse overheid maar al te goed het belang ervan en de voordelen die men hieruit op het vlak van prestige en van commerciële activiteiten zou halen.

Men besliste dan ook op geen pond te kijken. In de eerste plaats moest de Markt behoorlijk worden ingericht in functie van de wapenpas. Méér dan tweeduizend karren zand werden aangevoerd. Rond de arena werden hekkens geplaatst en tribunes opgericht. In de arena werd de burcht of perron gebouwd, evenals de lokalen voor de strijdende ridders, voor de wapenherauten en voor de scheidsrechters. Vanaf de herberg met stallingen, waar de paardrijders hun beurt afwachtten, tot aan de arena liep een overdekte afgebakende toegang, met dichtslaande hefbomen. Al die voorlopige bouwwerken werden kleurrijk beschilderd. Een aantal huizen rondom de Markt werd afgehuurd en ter beschikking gesteld van de hertog en zijn gevolg, alsook van de graaf van Charolais, zodat ze comfortabel de gebeurtenissen konden volgen en zich tegelijk konden te goed doen aan spijs en drank. De stadsmagistraat vergat ook zichzelf niet. De voornaamste toelagen gingen naar de hertog en naar Philippe de Lalaing. Louis Gilliodts heeft omgerekend dat de stad een totale som uitkeerde die, in goudfranken van 1875,  286.400 fr. vertegenwoordigde.

Het politieke aspect

Het ging om een bijzonder spannend tijdstip, omwille van de hoogoplopende ruzie tussen Filips de Goede en Karel de Stoute. Naast het dynastieke element, kwam hierdoor eveneens een politiek gegeven aan bod.

De onenigheid tussen vader en zoon, die hoofdzakelijk draaide rond de te grote invloed die de hoofden van de familie de Croÿ op de hertog uitoefenden, had in 1457 geleid tot een klinkende ruzie over de aanduiding van een kamerheer voor Karel. Filips wilde die functie toekennen aan een neef van Antoine de Croÿ, zijn meest vertrouwde raadsman. Karel weigerde omdat hij geen enkel vertrouwen had in de Croÿs, die van de aftakelende gezondheid van de hertog gebruik of misbruik maakten om hun eigen belangen te bevorderen en tevens als agenten van de Franse koning ageerden. Sinds de uitbarsting van 1457 hadden Filips en Karel elkaar nog zelden ontmoet en nog weinig in dezelfde stad gewoond. Karel had zich in Gorcum (thans Gorinchem) teruggetrokken en had van de stad een vesting gemaakt, waarin hij zich tegen mogelijke aanvallen kon verschansen.

Het jaar 1462 was een hoogtepunt geweest in het conflict. Een lid van het huis van hertog Filips, zijn jolige wijnkelner Jean Coustain, werd er van beschuldigd dat hij Karel had willen vergiftigen. Hij werd onder marteling verhoord, veroordeeld en omgebracht. Karel vermoedde een machinatie van Lodewijk XI. Het werd nog erger toen bekend werd dat Jan van Bourgondië, graaf van Etampes, familielid van de hertogen maar bondgenoot van de Croÿs, bij middel van het betoveren van een wassen pop probeerde Karel dodelijk ziek te maken.

Teveel was teveel en Filips de Goede wilde duidelijk maken dat, ondanks de meningsverschillen, Karel zijn enige wettige erfgenaam en opvolger was, aan wie men niet de hand mocht slaan. In juli 1462 had hij hem tot zijn luitenant-generaal voor Holland benoemd, wat het dubbele element inhield hem zijn vertrouwen te betuigen maar tevens ook bezigheden te verschaffen die hem van het Hof verwijderd hielden. De verhoudingen tussen vader en zoon werden er niet beslissend door verbeterd. Filips stuurde dan ook op verdere verzoening aan. De aanwezigheid aan het hof van zijn zus, tevens schoonmoeder van Karel, en van die zijn schoonbroers en schoonzussen, leek de passende omkadering hiervoor te bieden. De verbeterde verstandhouding tussen vader en zoon werd aan de hofhouding duidelijk gemaakt en ook aan rivaal en vijand Lodewijk XI, toen Karel op 23 april 1463 in het Brugse Prinsenhof bij zijn vader zijn intrek kwam nemen en er tot 31 mei verbleef. Het was jaren geleden dat beiden nog samen waren, vooral voor een zo lange periode.

De deelnemers en hun aanhangers

Het aantal en de kwaliteit van de deelnemers aan de wapenpas zijn een uitstekende meter om na te gaan welke groepen en facties er aan deelnamen en wie desgevallend de bovenhand had.

De eenzame Croÿ

Philippe de Croÿ, heer van Sempy, was acht en twintig toen hij aantrad in de wapenpas. Hij stond hoog in aanzien bij de hertog en was de oorzaak geweest van diens woede-uitbarsting toen graaf de Charolais geweigerd had hem als zijn derde kamerheer te aanvaarden. Sempy was weinig geliefd aan het hof. ‘Verwaand, hard, arrogant’, zegde men van hem. ‘Le plus âpre dans sa convoitise d’argent et de pouvoir, le plus dur dans son langage, le plus fier de tous les Croÿ’, zo beschreef hem de Barante.

Het is deze, toen nog relatief onbelangrijke Croÿ, die in het strijdperk trad. Zelfzeker, ongetwijfeld, maar ook heel eenzaam, want in tegenstelling tot de andere belangrijke edelen die deelnamen, had hij niemand van aanzien gevonden die zich aan hem wilde verbranden en met hem als zijn supporter de arena wilde betreden. Nooit wellicht zal hij méér dan die dag de waarheid hebben aangevoeld die schuilde in zijn persoonlijke wapenspreuk Moy seul.

Charolais: 28 aanhangers

Wie, tegenover de eenzame Croÿ, bracht graaf Karel allemaal in het strijdperk? Eerst en vooral was er natuurlijk hijzelf, die met enig machtsvertoon het strijdperk betrad. Een groep hooggeplaatste familieleden, vrienden en medewerkers vergezelden hem. Minstens vijf dagen van de wapenpas werden volledig bezet door zijn trouwe aanhangers, ‘ceux du Charolais’ en dat deed niemand hem na. Karel trad zesmaal in het strijdperk, één maal als strijder, vijf maal als begeleider en beschermer van vrienden en medestanders.

Op de derde dag, als om de herinnering weg te vegen aan de eerder die morgen opgetreden Croÿ, kwamen alle heren van Luxemburg aangereden. Karel de Charolais, hertog Jan van Kleef, Jacques de Bourbon en Adolf van Kleef en Ravestein waren er bij om hun steun te betuigen aan de familie die zich onvoorwaardelijk achter Karel had geschaard.

Ook de volgende dagen traden ridders aan die zich als vrienden of naaste medewerkers van Karel aankondigden en door hem in de arena werden begeleid. Op zondag 15 mei werd het een ware hoogdag voor Karel. Niet alleen trad hij zelf in het strijdperk, maar na hem waren het niets dan vrienden, allen in zijn kleuren gekleed. In totaal traden 28 aanhangers van Karel de Charolais 33 maal in de arena.

De Bourbons: 6 man

De bijeenkomst in Brugge was ook een familiereünie en dat weerspiegelde zich natuurlijk in de wapenpas. Onder de toeschouwers bevonden zich de hertogin van Bourbon, zuster van Filips de Goede en haar dochters. Er was een beduidend gevolg met hen meegekomen en die moesten zich ook laten gelden. Zes leden van het huis van Bourbon traden 9 maal in de arena op.

De hovelingen: 19 deelnemers

Er blijft een reeks van deelnemers waarvan men een zekere neutraliteit mag vermoeden. Zoals het goede hovelingen past, stonden ze ter beschikking om zich te scharen achter de machthebber van het ogenblik. Men kan ze in elk geval niet beschouwen als een clan rond Filips de Goede, laat staan rond de familie de Croÿ, die zich zou verzet hebben tegen Karel.

Dit gold in de eerste plaats voor de voornaamste onder hen, Adolf van Kleef, heer van Ravestein, neef en al vele jaren voornaam medewerker van Filips de Goede. Hij was geen vriend van de Croÿs, maar hij was trouw aan zijn oom, de hertog. Dit belette niet dat hij ook tegenover zijn neef Karel vriendschap uitdrukte, door samen met hem diens vrienden in het strijdperk te vergezellen.

Er waren dan ook nog ‘mindere goden’, van wie men niet met zekerheid kan zeggen of ze een bepaalde voorkeur hadden binnen het ingewikkelde spel van invloeden en vijandschappen aan het hertogelijke hof. Men mag dus eerder hun neutraliteit veronderstellen in de politieke strijd tussen vader en zoon en hun afwachtende houding ten overstaan van de Croÿs. Deze 19 deelnemers traden in totaal 21 maal in de arena.

De slotceremonies

Op 17 mei werd de wapenpas afgesloten met een ultiem gevecht tussen de ridder van de Burcht en Adolf van Kleef, gevolgd door een plechtige slotceremonie. Ook toen de drie hoofdprijzen werden uitgereikt bleek duidelijk wie de overhand had. Eén van die prijzen ging, beleefdheidshalve naar Adolf van Kleef, de belangrijke en populaire hoveling, die zijn sympathie voor zijn neef Karel niet had verborgen. De twee andere prijzen gingen naar het hoofd en naar een lid van de familie Luxemburg, vijanden van de Croÿs en grote aanhangers van Karel. Men had er blijkbaar niet eens aan gedacht om uit beleefde gastvrijheid ook een prijs aan een Bourbon te geven. Niets wijst er op dat de drie prijswinnaars op eender welke wijze ‘de besten’ waren geweest. De prijstoekenning was op louter politieke gronden gebeurd.

Op het banket dat vervolgens door de hertog werd aangeboden, troonden aan de eretafel, rond hertog Filips, zijn zoon, zijn zus, haar dochters en haar zoon, hertog Jan van Kleef, Adolf van Kleef-Ravestein, de graven uit de familie Luxemburg, alsook de zoon van de prins van Oranje. Verder zaten alle deelnemers aan de wapenpas aan en kregen één voor één een herinneringsgeschenk met een versje op een miniperkamentje erbij. Onder de disgenoten werd niemand uit de Croÿfamilie vermeld.

Tot en met de prijsuitdeling was het dus duidelijk dat men tijdens de voorbije weken een politieke verklaring van Karel had bijgewoond. Maakt u zich geen zorgen over mijn vader en over de toekomst, zo luidde de boodschap, hier ben ik, stevig in het zadel, goed omringd en binnenkort geïnstalleerd als de rechtmatige opvolger. Daar kon iedereen zich dus best op voorbereiden.

De greep naar de macht

In een recente publicatie schreef professor Colette Beaune over deze wapenpas : C’est un rite politique: on joue la confrontation qui menace entre les partisans du Téméraire et ceux des Croÿ. Professor Elodie Lecuppre-Desjardin volgde haar hierin toen ze schreef: Dans le cas du Perron Fée il est clair que la trame fictive se double d’une compétition politique bien réelle opposant l’entourage du comte de Charolais (Saint-Pol, Brimeu, etc) aux proches du duc Philippe (Lalaing, Croÿ, Clèves, etc…).

Hadden ze hierin gelijk? Op het precieze punt van de confrontatie, duidelijk niet. De analyse van de deelnemers toont aan dat hier niet van een ‘confrontation’ of ‘compétition politique’ kan worden gesproken maar van een onbetwistbare triomf van Karel de Stoute, een zegevierend machtsvertoon dat zich afspeelde onder de ogen van zijn vader, van de familie en van het hele hof. Het ging helemaal niet om een duel tussen ‘l’entourage du comte de Charolais’ en ‘les proches du duc Philippe’, laat staan om een strijd tussen Karel en de familie de Croÿ. Het waren in zeer grote zo niet verpletterende meerderheid aanhangers en dienaars van Karel die aan de wapenpas deelnamen, terwijl de meeste anderen hoogstens als ‘neutraal’ kunnen bestempeld worden. De leidinggevende Croÿs en hun aanhangers waren slechts door één junior deelnemer vertegenwoordigd.

De wapenpas bood aan Karel de gelegenheid om aan zijn vader en aan het hele hof duidelijk te maken dat hij voor de opvolging klaar stond en dat hij op een uitgebreide en toegewijde hofhouding en groep van medewerkers kon rekenen. Men had gepoogd hem in de hoek te duwen, maar hier in Brugge toonde hij aan dat dit niet gelukt was. De grote namen aan het hof, de heren ‘van den bloede’ zoals de Kleefs en de Bourbons, de grote families zoals de Luxemburgs en de Lalaings afficheerden zich met hem en lieten er tegenover de oude hertog geen twijfel over bestaan dat ze voor de toekomst kozen. De Luxemburgs deden dit zelfs met veel vertoon door niet onder hun eigen kleuren maar onder die van Karel in de arena te treden, bij zover dat de kroniekschrijver ze ‘les gens de monseigneur de Charolais’ noemde. Naast hen waren er ook de leden van de eigen hofhouding van Karel, ‘ceux de l’hôtel de monseigneur de Charolais’, of gewoon ‘ceux du Charolais’ die talrijk aan de wapenpas deelnamen. Tegenover zo een massale deelname woog één enkele jonge vertegenwoordiger van de zich nog machtig wanende maar op de wapenpas afwezige Croÿs niet zwaar.

Naar een staatsgreep

Het machtsvertoon van Karel drong nochtans nog niet helemaal door tot Filips de Goede of had alvast weinig onmiddellijke invloed op hem en zijn raadgevers. Pas had de graaf van Charolais Brugge verlaten of Antoine de Croÿ en zijn broer Jean kregen weer de bovenhand. Beiden waren opgemerkte afwezigen tijdens de periode van de wapenpas, net zoals het vreemd moest lijken dat Antoine de Grote Bastaard, fervente amateur van toernooien en steekspelen, niet deelnam. Hij was nochtans nog in Brugge op 25 april, toen hij deelnam aan het steekspel van de Witte Beer en er zelfs een prijs kreeg.

Was Karel de Stoute naïef of was hij verblind door het manifeste overwicht dat hij hier in Brugge kon ten toon spreiden? Zal hij zich geen vragen hebben gesteld over de afwezigheid van de leiders van de clan Croÿ of aanvaardde hij de uitleg dat ze onderhandelingen waren gaan voeren met gezanten van de Engelse koning? Wist hij dat de Croÿs, graaf de Lannoy en anderen, zich in de eerste plaats in Frankrijk bevonden om met Lodewijk XI en zijn medewerkers geheime besprekingen te voeren over de steden aan de Somme en hun hinterland dat ongeveer gans Picardië besloeg? Die steden, stevige bolwerken tegen de Franse opdringerigheid, waren door het Verdrag van Arras in 1435 aan Filips de Goede afgestaan, mits er ten voordele van de Franse kroon een recht tot wederinkoop werd ingeschreven. Terwijl Filips in Brugge alle eer en glorie aan zijn zoon gunde was hij stiekem een akkoord aan het bedisselen waarvan hij wist dat Karel het zou verwerpen. Op 20 juli 1463 ondertekenden de onderhandelaars in Parijs de overeenkomst waarbij Lodewijk XI de steden voor de in 1435 afgesproken prijs van 400.000 gouden kronen terug inkocht.

Karel ontstak in grote woede en de tweede helft van 1463 zag onvermijdelijk de verhoudingen tussen hem en zijn vader opnieuw verslechteren. Het succes van Karel tijdens de Perron Fée maakte zijn vijanden wellicht des te beslister om alles op alles in te zetten tegen hem. Toen de hertog begin augustus – op wie zijn aanstoken? - een voorname raadgever van Karel, de voormalige rentmeester generaal in Holland Anton Michiels deed arresteren, liet Karel hem gewapenderhand bevrijden en hielp hem vluchten buiten het bereik van zijn vader. Razend trok deze onmiddellijk de dotatie aan zijn zoon in, maar die plooide niet en richtte zich tot de Staten van Holland die hem een toelage toezegden, zodat hij verder kon actie voeren en zijn hofhouding betalen.

De ruzies tussen vader en zoon, evenals de door Filips fel gekoesterde wens om op kruistocht te trekken, waarbij hij volgens de geruchten, tijdens zijn afwezigheid het regentschap over de Nederlanden zou toevertrouwen aan de Franse en de Engelse koning, veroorzaakten heel wat onrust. De Staten van Holland waren zo versteld door wat Karel hen vertelde, dat ze bij de Staten van Vlaanderen aandrongen op een bijeenkomst van alle provinciale staten van de Bourgondische Nederlanden. Een uitnodiging voor een bijeenkomst in Gent werd inderdaad tussen 20 en 24 december verstuurd, maar toen Filips dit vernam wilde hij zich het initiatief niet laten ontnemen en op 25 december stuurde hij zelf een uitnodiging voor een bijeenkomst in Brugge. Karel liet zich evenmin onbetuigd en op 26 december vroeg hij aan de Staten om vooraf met hem in Antwerpen samen te komen. De hertog was razend toen hij dit vernam en stuurde nog vlug op oudejaarsavond een brief naar alle Staten waarin hij de weerspannigheid van zijn zoon veroordeelde en verbood aan de Antwerpse bijeenkomst deel te nemen. De uiterst snelle opeenvolging van uitnodigingen kan de vergelijking doorstaan met het elektronische tijdperk! Een aantal afgevaardigden ging toch eerst met Karel in Antwerpen overleggen. Dat Filips vervolgens tegen hem en de Staten alleen maar verbaal van leer trok, ondanks het feit dat het hier om een zelden vertoonde aantasting van zijn gezag ging, toonde aan dat hij niet meer de machtige vorst van weleer was.

Op 9 januari 1464 vergaderden op het stadhuis van Brugge voor het eerst de ‘Staten Generaal’ van de Bourgondische Nederlanden, verre voorafspiegeling van wat eeuwen later een democratisch verkozen parlement zou worden. Karel waagde zich niet in Brugge en wachtte in Gent op het resultaat van de bijeenkomst. Pas toen een aanzienlijke delegatie tot tweemaal met hem kwam onderhandelen en hem dringend kwam uitnodigen, ging hij mee naar Brugge om er zich eens te meer en zonder ook maar op iets toe te geven, met zijn vader te verzoenen. Het gebeurde wederzijds niet van harte.

Tegen het einde van het jaar 1464 werd stilaan een ommekeer in hun relatie zichtbaar. Eén van de redenen was waarschijnlijk dat Filips zich aan de invloed van koning Louis XI had onttrokken, nadat een aantal blunders van deze laatste hiertoe aanleiding had gegeven. Karel kreeg meer en meer gehoor bij zijn vader en toen die opnieuw ernstig ziek werd, achtte hij zijn uur gekomen.

De staatsgreep

Begin februari 1465, hierin geholpen door zijn moeder en zijn halfbroer Antoine, pleegde Karel een goed voorbereide coup en greep de feitelijke politieke macht. De gebroeders de Croÿ waren niet aanwezig, wat de zaak vergemakkelijkte. En opdat ze zeker niet meer zouden terugkeren vaardigde Karel, onder de naam van zijn vader, een formele veroordeling tegen hen uit en werden al hun bezittingen verbeurd verklaard. De enige nog aan het hof verblijvende Croÿ, de jonge Heer van Sempy, kon de hertog overtuigen om die beslissing in te trekken en de uitzinnige Filips was met een mes in de hand naar de poort van zijn paleis gerend om ‘zijn mensen’ tegen Karel te verdedigen. Hij had zich echter als een kind weer naar zijn kamer laten brengen en de genomen beslissing werd bevestigd. Sempy werd stante pede verjaagd en de onteigeningen ten nadele van de Croÿs werden manu militari uitgevoerd.

Karel liet er verder geen gras over groeien. In april 1465 riep hij opnieuw de Staten Generaal bijeen in Brussel en die gaven hem wat hij wenste: fondsen om oorlog tegen de Franse koning te voeren en officiële erkenning dat hij hun toekomstige vorst was. Hierdoor gesterkt, liet hij zich door zijn vader op 27 april tot zijn luitenant-generaal benoemen, zodat hij voortaan officieel de militaire macht in handen had. Filips bleef nog bij naam de hertog, maar de regeringsraad was voortaan overwegend samengesteld uit getrouwen van Karel, die zijn instructies volgden.

Vervolgens trok Karel ten strijde tegen Lodewijk XI die hij op 16 juli 1465 zo goed als versloeg in de slag bij Montlhéry, in het kader van de Guerre du Bien Public, gevoerd door het bondgenootschap van grote vazallen tegen de Franse koning. In Brugge werd een algemene dankprocessie gehouden en voor het eerst werd de relikwie van het H.-Bloed bij andere relikwieën gevoegd om te worden rondgedragen. Tijdens die slag sneuvelde Philippe de Lalaing, de initiatiefnemer van de Pas du Perron Fée, die in de strijd de standaard van Bourgondië had gedragen. De steden aan de Somme werden heroverd en in oktober werd dit door het Verdrag van Conflans bezegeld.

Toen was de Brugse wapenpas al lang vergeten en was een gans nieuwe fase ingeluid. Op de sportieve schijnoorlogjes waren de bloedige gevechten van een echte oorlog gevolgd en op de symbolische manifestatie van macht, de echte machtsuitoefening. Tijdelijk won Karel van Lodewijk XI. Zijn vader, die op 15 juni 1467 overleed, had in de laatste twee jaren amper nog zeggingschap over de staatszaken. Ondertussen was in september 1465 Isabella van Bourbon, de echtgenote van Karel, overleden. Hij was nu vrij om het gewenste dynastieke huwelijk met Engeland aan te gaan. Naar aanleiding van dit huwelijk met Margareta van York, in 1468, bood zijn halfbroer Antoine hem de schitterende Wapenpas van de Gouden Boom aan, weer maar eens in Brugge.

Minder dan tien jaar later sneuvelde Karel. Dit betekende een ommekeer in de geschiedenis van de Lage Landen, één waar voortaan minder plaats was voor vorsten met een persoonlijke politiek en met grote praal. De Wapenpassen behoorden tot het verleden.

De Pas van de Betoverde Burcht, die als een generale repetitie kon gelden voor de nakende machtsoverdracht, had het onvermijdelijke verloop van de gebeurtenissen niet beïnvloed of gewijzigd, hoogstens omwille van zijn psychologische impact wat bespoedigd of vergemakkelijkt. Voor een goed begrip is deze episode toch niet zonder betekenis en mag alvast, in de chronologie van de gebeurtenissen die leidden tot de ‘greep naar de macht’ vanwege Karel, correct worden geïnterpreteerd. In ieder geval verdient deze wapenpas het om uit de vergetelheid te worden gehaald en mag meteen het Brugse ‘geheugenverlies’ worden goedgemaakt.

Andries Van den Abeele
(gepubliceerd in Kunsttijdschrift Vlaanderen, april 2009, blz. 98-103).


Deze bijdrage is een aanzet tot de meer uitgebreide studie die dit jaar wordt gepubliceerd in de Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge.
www.andriesvandenabeele.net