De Club van de Belgen in Parijs

onder Napoleon

Summary

It has been like that since time immemorial and all over the world: when ‘expats’ coming from a same country, region or town are living in some numbers in a foreign country or town, they meet. For old times’ sake, to reminisce the old days and speak the mother language, but also to support and promote each other in their new country.

It was not different in Paris during the reign of Napoleon. Belgians from the former Austrian Netherlands (also calling themselves Flemings) were well represented in the French capital. This was especially the case with artists, confirmed painters, sculptors and musicians as well as students.

Prominent amidst the Belgians in Paris was Charles Van Hulthem, Maecenas, botanist and book collector, very interested in all things artistic. He liked to bring his compatriots together and these gatherings had three purposes. First to provide Van Hulthem with a sympathetic audience for his learned lectures on Belgian painters, sculptors and musicians. Secondly to award prices to much promising artists. Thirdly to strengthen the ties between the expatriates and promote each others careers. All this was crowned by a dinner the ‘Belgian’ way, which meant very rich in food and drinks and with great conviviality. Indeed, when these recently integrated Frenchmen spoke about ‘our country’ and ‘patriotism’ they did not refer to  France, but to their own region, the Southern Netherlands, soon to become the kingdom of Belgium.

On the two gatherings of which a booklet was made as a souvenir, many of the leading artists from Belgian origin were present, together with some of their important French friends and patrons.

Toen de woorden ‘Belg’ en ‘Vlaming’ synoniem waren

Mensen die buiten hun land of stad wonen en elkaar op basis van hun streekverbondenheid ontmoeten: het is van alle tijden. Dat was niet anders toen onze gewesten tot het Franse keizerrijk behoorden en Parijs het politieke en artistieke centrum van de wereld was. Wie afkomstig waren uit ‘les départements réunis’ of ‘la Belgique’ vonden binnen het grotere geheel een bijkomende steun in deze geografische solidariteit.

Twee zeldzame drukken, die in een paar bibliotheken te vinden zijn[1], bevatten een uitgebreid verslag van twee feestelijke bijeenkomsten van Belgen die in Parijs woonden of er tijdelijk verbleven. Die feesten gingen door op maandag 8 september 1806[2] en donderdag 8 oktober 1807[3]. Werden ook voor en na die data nog gelijkaardige bijeenkomsten gehouden? We weten het niet, maar we vermoeden van wel, ook al was het dan wellicht onder een andere vorm. Dat de reünies van 1806 en 1807 aanleiding gaven tot een publicatie, had meest waarschijnlijk te maken met de redevoeringen die Charles Van Hulthem hield en die waardig werden bevonden (wellicht door de auteur zelf[4]) om voor het nageslacht te worden bewaard.

In die redevoeringen gebruikte Van Hulthem de benaming ‘Belge’ en ‘Belgique’ vijfentwintig maal en de benaming ‘Flamand’ of ‘Flandre’ dertig maal, duidelijk als synoniemen en varianten van elkaar. Wanneer de spreker het enkele keren over ‘les Pays-Bas’ had dan bedoelde hij het zelfde gebied, en als hij de woorden ‘patrie’, ‘patriotique’ of ‘compatriote’ gebruikte, dan bedoelde hij niet het Franse keizerrijk maar ‘les départements réunis’ of ‘les provinces belgiques’.

Over beide feesten vernemen we in de verslagen veel en toch nog weinig. We weten niet wie ze daadwerkelijk organiseerde, de lijst opmaakte van uit te nodigen personen, de adressen verzamelde en de invitaties stuurde, waar de samenkomsten plaats vonden, hoe lang ze duurden, wat op het menu stond en wie het gelag betaalde. We weten evenmin wie de verslagen opstelde, ze naar drukker Didot bracht, ze op een onbekend aantal exemplaren liet drukken en ze verspreidde.

Het is mogelijk dat de twee bijeenkomsten plaats vonden in de Parijse residentie van Charles Van Hulthem (1764-1832)[5]. Dit verzekert althans zijn biograaf Fernand Leleux, zonder echter een bron hiervoor te vermelden[6]. Tijdens de jaren waarin hij achtereenvolgens lid was van de Conseil des 500 en van het Tribunaat, huurde Van Hulthem een woning in Montmartre, n° 11 Rue Saint-Joseph (vroeger Rue du Temps-Perdu). De Rue Saint-Joseph was eigenlijk een steeg, net breed genoeg om een koets door te laten, maar toch vond men er enkele grote patriciërshuizen. Op het nummer 11 had de moeder gewoond van zeven van de onwettige maar gelegitimeerde kinderen van Lodewijk XIV, de marquise de Montespan (1640-1707), alvorens ze zich terugtrok in het door haar gestichte Couvent Saint-Joseph. Het is natuurlijk niet absoluut zeker, alleen maar mogelijk, dat honderd jaar later het huisnummer nog altijd op hetzelfde huis sloeg. Het is evenmin zeker dat Van Hulthem het ganse huis bewoonde, dat misschien zoals zo veel andere gebouwen in Parijs, in appartementen was onderverdeeld. Als Leleux gelijk heeft, zou het in ieder geval betekenen dat Van Hulthem over ruime vertrekken beschikte en in zijn salons een zestigtal genodigden kon ontvangen en laten tafelen.

Het feest van maandag 8 september 1806

Wat we wel weten is dat Van Hulthem inderdaad de hoofdrol speelde op de beide bijeenkomsten. Charles-Joseph-Emmanuel Van Hulthem was de revolutiejaren goed doorgekomen. Na de inlijving van onze provincies bij Frankrijk, had hij zich moeiteloos aangepast en was hij één van de intellectuele prominenten in Gent geworden. In 1796 had hij aanzienlijke hoeveelheden schilderijen, kunstwerken, handschriften en boeken uit de opgeheven kloosters samengebracht. Hiermee had hij in de kerk van de Sint-Pietersabdij het Museum voor Schone Kunsten opgericht en in de voormalige Baudelo-abdij de Bibliotheek van de Centrale school, basis voor de latere universiteitsbibliotheek. In de tuinen van deze abdij had hij, samen met zijn vriend Bernard Coppens (1756-1801)[7], het Hortus Gandavensis, de kruidtuin, opgericht, bakermat van de latere ‘Gentse Floraliën’. Hij had zich ook hard ingezet voor het behoud van Gentse monumenten toen het revolutionaire vandalisme zich tegen hen keerde. Privé – en dat was trouwens zijn grootste passie - legde hij een belangrijke handschriften- en boekenverzameling aan, die op het einde van zijn leven uit circa 70.000 werken bestond[8].

Politiek was het hem voor de wind gegaan. Als Gentse notabele was hij in 1797 tot lid verkozen van de Conseil des 500, het ‘parlement’ onder het Directoire. In 1802 werd hij, op aandringen van zijn vriend en senator Charles Lambrechts, door de Senaat aangeduid als lid van het in 1799 opgerichte Tribunat, de vergadering die één derde van de wetgevende bevoegdheid bezat, namelijk die om de door de Conseil d’Etat opgestelde wetsontwerpen te bespreken, voordat ze naar het Corps Législatif gingen, dat erover stemde zonder ze te mogen bespreken. Het Tribunaat was, vanaf zijn oprichting, de verzamelplaats van de meest kritische geesten onder diegenen die aan het publieke debat deelnamen. Ook al bleef die kritiek relatief beperkt, toch had Bonaparte zich duidelijk aan die heren mispakt. Dat ondervond hij toen hij keizer wilde worden en oppositie hiertegen vanuit het Tribunaat kwam, onder meer van de Belg Van Hulthem. Toen de opposanten hun slag niet thuis haalden, namen ze geen ontslag maar plaatsten zich op non-actief, zonder aan hun emolumenten te verzaken. Uiteindelijk was Napoleon ze zo beu dat hij op 19 augustus 1807 het Tribunaat gewoon afschafte. Van Hulthem genoot van toen af niet meer van de parlementaire status die hem regelmatig in Parijs deed verblijven en van het aanzien en de vergoedingen die er aan verbonden waren. Hij zou niettemin nadien nog redenen hebben om naar de hoofdstad terug te komen, nadat hij niet alleen bibliothecaris van de openbare bibliotheek in Brussel was geworden maar vooral tot rector van de Académie de Bruxelles was benoemd, wat hem bevoegdheid gaf over het onderwijs in de departementen van de vroegere Zuidelijke Nederlanden.

Zijn politieke hoedanigheid was niet voldoende om geloofwaardig het woord te kunnen voeren over een geleerd thema. Er werd dan ook vermeld dat hij voormalig bibliothecaris van het departement van de Schelde was, lid van de Zeeuwse Academie en van de ‘Belgische letterkundige Academie’ in Leiden en ook nog administrateur van de Vereniging voor de bevordering van de nationale industrie die in Parijs was gevestigd. Op het feest waar we het hier over hebben nam hij het woord om in naam van de Gentse Academie voor teken- schilder- en beeldhouwkunst, waarvan hij mededirecteur was, de erepenning van haar tweejaarlijkse Grote Prijs voor schilderkunst te overhandigen aan de Brusselaar Ferdinand-Marie Delvaux (Brussel 1782 – Bologna 1815)[9]. Kleinzoon van de beeldhouwer Laurent Delvaux (Gent 1696 – Nijvel 1771)[10] en zoon van een secretaris van de Soevereine Raad van Brabant, had Delvaux in Brussel gestudeerd onder de leiding van ‘de vernieuwer van de schilderkunst’ en auteur[11] André Lens (1739-1822)[12]. Hij verbleef in Parijs om er zich te verdiepen in de studie van de grote meesters en zou nadien naar Italië trekken, waar hij, pas 33 geworden, zou sterven. In de Sinte-Catharinakerk in Brussel werd door beeldhouwer Lambert Godecharle (1751-1835)[13] een grafmonument voor hem opgericht.

Alvorens de penning te overhandigen, hield Van Hulthem een uitgebreid betoog over de ‘Ecole flamande’. Hij begon bij Jan Van Eyck ‘de uitvinder van de olieverf’, en vernoemde verschillende groten, onder wie Memling (Hemmelinck) en Quinten Metseys (‘die door het mirakel van de liefde het grove smidsalaam opgaf voor de verfijnde borstel’) tot aan Rubens en Van Dyck. Voor de daarop volgende periode vermeldde Van Hulthem een zeventigtal schilders, beeldhouwers en graveurs. Méér dan een opsomming kon hij in het korte bestek van zijn redevoering niet aanbieden. Tot slot vermeldde hij ook nog meer dan 40 eigentijdse kunstenaars, van wie enkele zich onder zijn toehoorders bevonden.

Terloops bracht Van Hulthem hulde aan twee succesvolle Bruggelingen: Joseph-Benoît Suvée (Brugge 1743 – Rome 1807)[14] die, in de Villa Medicis in Rome, de ‘Académie de France’ leidde en Joseph Van Praet (Brugge 1754 – Parijs 1837)[15], de conservator en beheerder van de Bibliothèque impériale in Parijs. Van Praet bevond zich onder de aanwezigen en kreeg een ‘open doekje’ vanwege de Gentenaar met wie hij al minstens sinds 1795 bevriend was[16] en die hem beschreef als de man ‘dont les connaissances bibliographiques et le zèle à accroître le dépôt confié à ses soins, ne sont égalés que par sa rare modestie et son désir d’être utile à tous ceux qui aiment les lettres, les sciences et les arts’. Het was niet de eerste keer dat hij Van Praet lof toezwaaide. Hij had het ook al gedaan in 1799 tijdens een openbare zitting van de Conseil des 500[17].

Het laatste deel van zijn lezing wijdde Van Hulthem aan de kunstenaars van bij ons die zich een naam hadden gemaakt in het buitenland, vooral in Frankrijk. Hier opnieuw somde hij heel wat namen op, om stil te staan bij de op de bijeenkomst aanwezige landschapsschilder en ‘ancient Flamand’ Cesar Van Loo (Parijs 1743-1821)[18], die er aan gehouden had dit ‘vaderlands feest’ bij te wonen.

Van Hulthem bezong in lyrische bewoordingen de aanwezigheid over de ganse wereld van kunstwerken gemaakt door artiesten van bij ons. Dit was voor hem aanleiding om de aanwezige jonge schilders en beeldhouwers aan te sporen zich verder te bekwamen en hun illustere voorgangers na te volgen. Meteen gaf hij een beschrijving van de kwaliteiten die de grote kunstenaar en de grote kunst volgens hem moesten uitstralen.

Over wat hierop volgde vernemen we alleen dat het ging om ‘un banquet fraternel, où régnèrent la gaieté et cette franche cordialité qui caractérise le peuple belge’. De stemming kwam er ongetwijfeld in, naarmate niet minder dan tien heildronken werden uitgebracht op de keizer, de Vlaamse school, de artiesten van die school, de grote meesters van de Franse school, de Belgische kunstenaars in Parijs, Jozef Suvée, de Gentse Academie en zijn directeuren, de kunstacademies in België, Jan van Eyck en tenslotte – rechtstaande – op Pieter Paul Rubens.

In het drukwerk werd de lijst gegeven en becommentarieerd van de 38 deelnemers aan het feest. Ze werden in drie groepen ingedeeld: de Belgische kunstenaars die in Parijs gevestigd waren, de jonge kunstenaars die zich in Parijs aan het volmaken waren en alle overigen, niet-kunstenaars.

Onder de vijftien aanwezige schilders, die in Parijs gevestigd waren, bevonden zich vijf Bruggelingen. Het waren: de historieschilders Bernard Duvivier (Brugge 1762 – Parijs 1837)[19] en Joseph-François Ducq (Ledegem 1762 – Brugge 1829)[20], de portretschilder François-Joseph Kinsoen (Brugge 1770-1839)[21], de graveur Joseph De Meulemeester (Brugge 1771 – Antwerpen 1836)[22] en de decoratieve schilder Louis Gerbo (Brugge 1761-1818)[23], die ook de portretten schilderde van de keizerinnen Joséphine en Marie-Louise. De Antwerpenaren waren bijna even talrijk, met de bloemenschilder, medeoprichter van de Académie des beaux-arts en professor aan het Museum d’histoire naturelle Gerard Van Spaendonck (Tilburg 1746 – Parijs 1822)[24], de bloemenschilder Jean-François Van Dael (Antwerpen 1764 – Parijs 1840)[25], de exotische schilder en later Antwerpse havenkapitein François-Balthazar Solvyns (Antwerpen 1760-1824)[26] en de graveur Lambert-Antoine Claessens (Antwerpen 1764 – Parijs 1834)[27]. Verder waren er nog de Brusselaar Jean-Louis Demarne (Brussel 1744 – Parijs 1829)[28], landschapsschilder die al dertig jaar in Parijs woonde, de bloemenschilder en graveur Emmanuel De Gendt (Sint-Niklaas 1738 – Parijs 1815)[29] uit Sint-Niklaas die al veertig jaar in de lichtstad woonde, Piat-Joseph Sauvage (Doornik 1744-1818)[30], de specialist in het schilderen van bas-reliëfs en trompe-l’oeils, de bloemenschilder Cornelius Van Spaendonck (Tilburg 1767 – Parijs 1839)[31] die zijn eerste opleiding in Mechelen had gekregen en tenslotte de broers Pierre-Joseph Redouté (Saint-Hubert 1759 – Parijs 1840)[32] en Henri-Joseph Redouté (Saint-Hubert 1766- Parijs 1852)[33], de eerste de onbetwiste grootmeester in het schilderen van bloemen en planten, de tweede vooral beroemd voor wat hij tekende tijdens de expeditie van Bonaparte in Egypte. Er was ook nog, uit Noord-Frankrijk gekomen, Augustin Van den Berghe (Brugge 1756 – Beauvais 1836)[34], Brugs historieschilder die sinds 1796 leraar was aan de Ecole centrale in Beauvais. Samen vormden ze ongetwijfeld een interessant en illuster gezelschap.

Vervolgens werden acht jonge kunstenaars vermeld die zich in Parijs verder aan het bekwamen waren. Vier onder hen waren Bruggelingen: de laatbloeier Albert Gregorius[35] (Brugge 1771-1853) en Joseph Brulois (°Brugge 1783)[36], die in het atelier van Jacques-Louis David werkten[37] (Gregorius had eerst vanaf 1801 bij Suvée gewerkt), Jean-Robert Calloigne (Brugge 1775 – Antwerpen 1830)[38] die bij beeldhouwer Chaudet werkte en de Oostendse Bruggeling Tilman-François Suys (Oostende 1783 – Wingene 1861)[39] die bij architect Charles Percier (1764-1838)[40] in de leer was. Uit Gent kwam Joseph Paelinck (Oostakker 1781 – Brussel 1839)[41], uit Leuven Jean-Baptiste Bastiné (Leuven 1783 – Aachen 1844)[42] en François van Dorne (Leuven 1776-1848)[43] die alle drie bij David werkten. Er was ook nog Henri Ruxthiel (Lierneux 1775 – Parijs 1837)[44] die in de leer was eerst bij beeldhouwer Jean-Antoine Houdon (Versailles 1741 – Parijs 1828)[45], bijgenaamd ‘le Sculpteur des Lumières’, maker van de bustes van onder meer Voltaire, Benjamin Franklin en Washington, en nadien bij Philippe-Laurent Roland. Bij die jongeren bevond zich uiteraard als negende de vierentwintigjarige gevierde van de dag, Ferdinand Delvaux.

Tot slot waren er dan nog elf andere gasten, die met elkaar gemeen hadden dat ze Belgen waren die voor langere of kortere tijd in Parijs resideerden. Vooreerst waren er de twee Bruggelingen Joseph Van Praet die als conservator van de keizerlijke bibliotheek speciaal door Van Hulthem in de bloemen was gezet en Frans-Jozef Beyts (Brugge 1763 – Brussel 1832) [46], de Brugse primus van Leuven in 1782, die voordien al vaker in Parijs had gewoond als parlementslid en nu regelmatig pendelde tussen de hoofdstad en Brussel waar hij procureur generaal bij het Hof van Beroep was. Ook nog uit West-Vlaanderen kwam rustend priester Petrus-Jacobus Marant (Bavikhove 1743 – Kortrijk 1812)[47], die een loopbaan achter zich had als theologieprofessor in Leuven, pastoor in Wytschaete, laatste proost van de collegiale kerk van Harelbeke, kanunnik van de Sint-Donaaskathedraal in Brugge en zelfs lid van de Staten van Vlaanderen.

Oost-Vlaanderen was goed vertegenwoordigd met de ontvanger uit Lokeren Duché (waarschijnlijk een geboren Fransman, schoonbroer van de prefect van het departement van de Schelde Faipoult), de kunstliefhebber Henri de Potter[48], broer van een mededirecteur van de Gentse kunstacademie, Louis-Jean de Potter (1765-1823)[49], Frans Verbeeck, oud-leerling van de chirurgijnenschool in Gent die studeerde aan de Ecole pratique de médecine in Parijs en de Gentenaar Martin-Joseph Mengal (Gent 1784 - 1851)[50] die zich verder bekwaamde aan het Muziekconservatorium. De pianovirtuoos en componist Bertini, van Italiaans-Franse afkomst en lid van een uitgebreide familie musici, was Gentenaar geworden doordat hij vele jaren in die stad les gaf. Verder waren er nog de Leuvense botanicus en mineraloog Pollaert, de directeur van het Museum voor Plantenkunde in Brussel Adrien Dekin[51] (†1823), die de collecties van het Natuurkundig museum van de ondergang had gered en het voormalige lid van de Staten van Henegouwen, historicus, genealoog en bronnenpublicist Joseph de Saint-Genois (1749-1816)[52].

Het was alles bij elkaar een keurig en hoogstaand gezelschap. Van de 38 disgenoten waren er 23 schilder, beeldhouwer of architect. Men kan veronderstellen dat het er heel plezierig aan toeging en dat de talrijke toasts de sfeer ten goede kwamen. Men mag er op wedden dat de bijeenkomst eindigde, zoals dat in die tijd zo vaak gebeurde, met het plaatsnemen van één van hen (Bertini of Mengal wellicht) achter de piano en met het in koor zingen van liederen ‘bien de chez nous’, zoals de overbekende ‘schlager’ uit die tijd, gecomponeerd door Grétry op tekst van Marmontel: ‘Où peut-on être mieux qu’au sein de sa famille’.

Het feest van donderdag 8 oktober 1807

Voor het tweede feest waar een verslag werd van gedrukt, was het aantal aanwezigen aanzienlijk groter: 56 tegen 38. Slechts twintig van de deelnemers van het jaar daarvoor waren opnieuw opgedaagd. Sommigen hadden Parijs ondertussen verlaten. Dit was het geval voor Ducq en De Meulemeester die eind 1806 naar Rome waren vertrokken[53]. Ook Ferdinand Delvaux bevond zich in Italië. Onder de twintig opnieuw aanwezige deelnemers, waren er zestien beeldende kunstenaars, namelijk J. B. Bastiné, Joseph Brulois, Jean Calloigne, Lambert Claessens, Emmanuel De Gendt, Albert Gregorius, François Kinsoen, Joseph Paelinck, Henri en Pierre Redouté, Balthazar Solvyns, Tilman-François Suys, J. Van Dael, François Van Dorne, Cesar Van Loo en Corneel Van Spaendonck. Van de anderen waren Van Hulthem en Van Praet er als ‘vaste waarden’ weer bij, evenals de twee musici Bertini en Mengal. Er waren dus 36 nieuwe gasten te signaleren.

Opnieuw was het overhandigen van een erepenning aan een paar kunstenaars de aanleiding tot de bijeenkomst. Opnieuw hield Van Hulthem, voortaan vermeld als voormalig lid van het Tribunaat, een uitgebreid betoog, ditmaal gewijd aan beoefenaars van de beeldhouwkunst en van de muziekkunst in de Zuidelijke Nederlanden. Het werd opnieuw een grondige studie, waarbij tientallen beeldhouwers en musici werden besproken of vernoemd.

Brugge was weer zeer aanwezig in de toespraak. Van Hulthem herinnerde er aan dat drie jaar voordien Joseph Odevaere (1775-1830)[54] de Grote prijs voor schilderkunst had behaald. Hij bracht hulde aan Joseph Suvée die in februari in Rome was overleden. Hij begroette speciaal drie aanwezige Bruggelingen. De eerste was de rechter bij het Hof van Cassatie in Parijs François Busschop (Brugge 1763 -1840)[55], die hij beschreef als ‘autant distingué par ses connaissances que par son intégrité et son attachement inviolable à la justice’. Busschop-Breydel, de vice-primus van Leuven in 1782, was na een loopbaan in Brugge als ambtenaar en politicus voor en tijdens de revolutiejaren en na zijn benoeming tot rechter, in 1798 raadsheer bij het Hof van Cassatie in Parijs geworden. Hij zou in 1808 chevalier d’empire worden. De tweede was de portretschilder François Kinsoen die Van Hulthem stoutmoedig met Van Dyck vergeleek. Zijn belangrijkste verwelkoming ging opnieuw naar Joseph Van Praet, ‘de conservator van de grootste en rijkste bibliotheek in Europa’, die hij bewierookte met de woorden ‘distingué par ses connaissances bibliographiques et littéraires, recommandable par son honnêteté et son affabilité, toujours prêt à être utile, à servir ceux qui aiment les lettres, les arts et les sciences et qui a gagné l’estime et l’amitié de tous ceux qui le connaissent’.

De lezing mondde uit in de lofprijzing van drie kunstenaars die recent een zogenaamde ‘Prix de Rome’ hadden gewonnen. Vooreerst was er de Bruggeling Jean-Robert Calloigne die in Parijs de Eerste prijs voor beeldhouwkunst had behaald in de wedstrijd uitgeschreven door l’Institut de France en hiervoor uit handen van Van Hulthem een erepenning mocht ontvangen. Vervolgens was er de beeldhouwer Joseph Ruxthiel die de tweede prijs had behaald in het zelfde concours, maar die avond niet kon aanwezig zijn. Ten slotte was er François-Joseph Fétis (Mons 1784 – Brussel 1871)[56] die een Tweede prijs had behaald in de wedstrijd voor muziekcompositie, uitgeschreven door hetzelfde Institut de France. Pas getrouwd met de veertienjarige Adelaïde Robert, was hij evenmin aanwezig en de onderscheiding zou hem worden toegezonden. Later werd hij de directeur van het Muziekconservatorium in Brussel.

Onder de talrijke deelnemers waren een vijftal beeldende kunstenaars opgedaagd die er het vorige jaar niet bij waren. Vooreerst waren dat de beeldhouwers Antoine-Denis Chaudet (Parijs 1763-1810)[57], en Philippe-Laurent Roland (Pont-à-Marcq 1746 – Parijs 1816)[58], die beiden als lid van de Classe des beaux-arts van het Institut de France, wellicht een ‘duwtje’ hadden gegeven voor het lauweren van hun leerlingen. Historieschilder Matthieu-Ignace Van Bree (Antwerpen 1773-1839)[59], had na 1795 een paar jaar in Parijs gewerkt en had er in 1797 de Prix de Rome gewonnen. Na zijn terugkeer in Antwerpen was hij in 1804 officieel stadsschilder geworden, alsook leraar aan de kunstacademie en later directeur ervan. In de herfst 1807 verbleef hij in Parijs om er aan de keizer het schilderij aan te bieden waarop hij de intrede van de Eerste consul in Antwerpen had afgebeeld. Van den Berghe uit Antwerpen, een leerling van Van Bree had een gravure gemaakt naar het schilderij van zijn meester en was hem gevolgd om ook dit werk aan de keizer aan te bieden. De Bruggeling Matthieu Van den Bogaerde (°Brugge 1779)[60] verbleef in Parijs, waar hij vanaf 1798 leerling was van Joseph Suvée en nadien van Louis David.

De overige talrijke aanwezigen kunnen in grote lijnen onderverdeeld worden in diegenen die Belgische wortels of banden hadden en diegenen die aanwezig waren vanwege hun vriendschap met Van Hulthem of Van Praet, en doordat ze tot het Institut de France behoorden, dat de die dag uitgereikte prijzen had toegekend.

Voor wat de aanwezigen met ‘Belgische’ wortels betreft, vernoemden we al Van Praet, Busschop en Kinsoen, zonder de overige al genoemde kunstenaars te vergeten. Jean-Nicolas Bassenge (Luik 1758-1811) [61] was aanwezig om de prijs in naam van Ruxthiel in ontvangst te nemen. De jonge advocaat en dichter Bassenge was in Luik een hevige opponent van de prinsbisschop geweest en zeer actief tijdens de Franse revolutie, als commissaire du pouvoir exécutif. Later was hij lid van het Corps législatif, maar werd in 1802 uitgerangeerd, als tegenstander van Bonaparte. Hij eindigde zijn loopbaan als bibliothecaris van de stad Luik en stierf berooid. Graaf Philippe-Goswin de Neny (Brussel 1740 – Parijs 1812) [62], in zijn jonge jaren een goede kennis van zowel Voltaire als Rousseau, was de zoon van de machtige president van de Geheime Raad in de Oostenrijkse tijd, Patrice de Neny[63]. Zelf had Philippe-Goswin een niet onbehoorlijke carrière doorlopen, en was hij Staatsraad geweest, alsook voorzitter van de ‘Conseil de Tournai & du Tournaisis’. Hij had echter vanaf 1787 zowel politiek als sentimenteel een nogal bewogen leven geleid dat hij, eerder berooid, beëindigde in Parijs. Guillaume-Charles Faipoult (Parijs 1752-1817)[64], minister van financies onder het Directoire, was de bijzonder actieve prefect van het departement van de Schelde en voor het bevorderen van Gentse zaken vertoefde hij soms in Parijs. Pierre-Antoine Herwyn (Hondschote 1753 – Parijs 1824)[65] was na zijn revolutionaire loopbaan in 1799 senator geworden, waardoor hij in 1808 de titel van graaf zou verwerven en na de troonsbestijging van Lodewijk XVIII zelfs die van pair de France. Onlangs hertrouwd met Angèle van der Meersch de Nevele (Veurne 1774 - Parijs 1849), en pas vader geworden van Napoleon-Pierre Herwyn (Parijs 1806 – Ivry sur Seine 1890), verbleef hij meestal in Parijs. Charles Lambrechts (Leuven 1753 – Parijs 1823)[66], ook senator en eveneens binnenkort graaf, was één van de actieve anti-bonapartisten geweest en bleef binnenskamers een criticus van de keizer. Tijdens zijn lange loopbaan was hij rector van de universiteit in Leuven geweest, revolutionaire voorman in Brussel en minister van Justitie onder het Directoire. André-Modeste Gretry (Liège 1741 – Montmorency 1813)[67], de grootste levende componist uit de Zuidelijke Nederlanden, woonde bij Parijs en was aanwezig omwille van de bekroning van zijn jonge landgenoot Fétis. Van Praet en anderen konden aldus in levenden lijve de man ontmoeten langs wiens standbeeld ze vaak voorbijkwamen in de zuilengang van het Théâtre des Italiens of Opéra Comique. Le Secq, was bankier in Parijs, maar was uit Gent afkomstig, waar hij met een de Naeyer was getrouwd. De Bast, was een jonge medicus uit Gent die in Parijs verder studeerde.

Vervolgens waren er de Fransen die aan dit Belgische feest kwamen deelnemen. Hun functies en hoedanigheden laten er geen twijfel over bestaan dat ze waren uitgenodigd als vriend van Charles Van Hulthem of van Joseph Van Praet, zoniet van beiden. De ex-seminarist Bon-Joseph Dacier (Valognes 1742 – Parijs 1833)[68] was lid en voorzitter van de Académie des Inscriptions et belles-lettres van het Institut de France. In 1799 was hij lid van het Tribunaat geworden maar het jaar daarop al werd hij conservator van de manuscripten in de Bibliothèque impériale. In 1822 zou hij lid worden van de Académie française. Louis-Mathieu Langlès (Peronne 1763 – Parijs 1824)[69] was conservator in de Bibliothèque impériale van de handschriften in oosterse talen, lid van l’Institut de France en oprichter in 1792 van de Ecole des langues orientales. Aubin-Louis Millin de Grandmaison (Parijs 1759-1818)[70], ex-seminarist, was lid van het Institut de France en conservator in de Bibliothèque impériale van médailles, oude munten en gegraveerde stenen. De ex-priester François Noël (Saint-Germain-en-Laye 1755 - 1841)[71], was na een loopbaan met hoogten en laagten, algemeen inspecteur van het universitair onderwijs geworden en werd in 1823 met Charles-Pierre Chapsal (1788-1858)[72] de auteur van een gezaghebbende, om niet te zeggen beroemde Nouvelle Grammaire Française. Joachim Lebreton (Saint-Leen in Bretagne 1760 – Rio 1819)[73] was permanent secretaris (1803-1816) van de afdeling schone kunsten van het Institut de France. Hij zou sterven in Rio de Janeiro, naar waar hij met een groep kunstenaars op expeditie was getrokken. Van Formont-Cleroude de Sermentot werd alleen gezegd dat hij een liefhebber van de schone kunsten was en de schoonbroer van de invloedrijke senator Jean-Barthélémy Lecouteulx-Canteleu (1746-1818), die regent en ook de eerste voorzitter was van de Banque de France.

Nicolas François de Neufchâteau (Saffais 1750 – Paris 1828)[74], was van 1797 tot 1799 opeenvolgend minister van Binnenlandse Zaken en lid van het Directoire. Onder Bonaparte, die hij nogal slaafs volgde, werd hij senator en was van 1804 tot 1811 zelfs voorzitter van de senaat. Aan België verbond hem het feit dat hij titularis was van de ‘senatorerie’ voor Brussel. Hij was de oprichter van het Musée du Louvre, de organisator van de archiefdepots in de departementen en een specialist in landbouwzaken. Hij was vanaf 1796 lid van l’Institut de France en vanaf 1803 van de Académie Française. Jean Frantz[75] (Birchwiller 1761 – Straatsburg 1818) was lid van het Corps législatif en professor in de rechten aan de protestantse universiteit van Straatsburg. Hij was een specialist van de Code Napoleon. Christophe-Guillaume Koch, (Bouxwiller 1737 – Straatsburg 1813)[76], was oud-lid van het Tribunaat. Tijdens de revolutiejaren had hij gevochten voor de rechten van de protestanten, terwijl hij voor en na die tijd professor was aan de protestantse universiteit van Straatsburg, waar hij ook ererector van werd.

Joseph de Salm-Reifferscheidt-Dyck (Dyck-Neuss 1773 – Nice 1861)[77], was een bekende Duitse botanicus die onder het Empire belangrijk was in Frankrijk en lid werd van het Corps législatif. Napoleon zou hem tot graaf bevorderen, terwijl de koning van Pruisen in 1816 van hem een prins zou maken. Gescheiden van gravin de Hatzfeld, was hij in 1803 hertrouwd met de dichteres Constance de Théis met wie hij vanaf 1809 een sprankelend salon zou animeren in de Parijse Rue du Bac. Op zijn kasteel in Dyck legde hij vanaf 1800 één van de belangrijkste botanische collecties aan en hij publiceerde talrijke werken over botanica.

Opvallend op de bijeenkomst van 1807 was de aanwezigheid van vijftien dames. Roland en Kinsoen hadden hun vrouw en hun dochter meegebracht. Madame Kinsoen was geboren Leprince en was de dochter van een voormalig koninklijk architect. Ze waren pas sinds 1801 getrouwd, zodat de meegebrachte Mademoiselle Kinsoen nog een jong kind was. Chaudet en Van Loo hadden alleen hun vrouw mee en prefect Faipoult zijn schoonmoeder, Madame Duché. Ook Le Secq die met een Gentse uit de familie de Naeyer getrouwd was, bracht zijn echtgenote mee. François de Neufchâteau was vergezeld van zijn derde vrouw Marie Déard. De echtgenote van Salm-Dyck, Constance-Marie de Théis (Nantes 1767 – Parijs 1845)[78], was getrouwd geweest met een heer Pipelet de Leury. Voortaan bekend als Constance de Salm, was ze met haar aura van dichteres en ‘femme de lettres’ ongetwijfeld een sieraad binnen dit intellectuele en artistieke gezelschap. Marie-Joseph Chenier had haar de titel gegeven van ‘Muse de la Raison’[79].  De echtgenote van de Sermentot, geboren Le Monnier  was de dochter van dokter Louis-Guillaume Le Monnier (1717-1799) die niet alleen arts van Lodewijk XVI was geweest, maar de botanische tuin had aangelegd van het Trianon en na de revolutie een eigen tuin had ontwikkeld in Montreuil, naast het voormalig koninklijke domein van Versailles. De dochter Le Monnier en Joseph Salm-Dyck, evenals de verontschuldigde André Thouin, stonden in hoog aanzien bij Van Hulthem, omdat ze hem vele planten en zaden bezorgden voor de Gentse kruidtuin.

Een laatste bijzonderheid van de bijeenkomst in 1807 is dat het verslag ook de namen vermeldde van de heren van aanzien die hun spijt hadden uitgedrukt niet te kunnen aanwezig zijn. Het ging om prins Louis d’Arenberg (1750-1820)[80], sinds 1806 senator voor Brussel, van wie de zoon in 1808 zou trouwen met Stéphanie de Tascher de la Pagerie, nichtje van keizerin Joséphine, graaf Justin de Viry (Viry 1737 – 1813)[81], senator en voormalig prefect van het departement van de Leie, Muguet-Varange[82], afkomstig van Lyon, ontvanger van het departement van de Schelde, kolonel Louis-Alexandre (de) Seganville (1776-1844), vleugeladjudant van maarschalk Bessières[83], André Thouin (Parijs 1747-1824)[84], directeur van de keizerlijke plantentuin en milde schenker van planten, zaden en stekken voor de Gentse kruidtuin[85], de twee laureaten Ruxthiel en Fétis, de componist François Gossec (1734-1829)[86], geboren in Vergnies (Henegouwen), auteur van de ‘Hymne à l’Être Suprême’ en andere revolutionaire liederen, die met Grétry de Conservatoire de Paris had opgericht en Etienne Méhul (1763-1817)[87], afkomstig uit Givet, de toondichter van het beroemde ‘Chant du Départ’ (1794), gewaardeerde operacomponist, vooral verbonden aan het Théâtre des Italiens, waar Van Praet een habitué was. Onder de verontschuldigden bevonden zich ten slotte ook nog de beeldende kunstenaars Houdon, Demarne, Duvivier, Augustin Van den Berghe en Gerard Van Spaendonck. Hoewel afwezig, werden ze – terecht - allen voldoende hooggeacht om met hun naam het verhaal op te smukken.

Wat de aanwezigen na het officiële gedeelte aten en dronken of verder nog deden wordt niet meegedeeld. Opnieuw werd alleen maar gemeld dat het ging om een ‘banquet fraternel où régnèrent la gaieté et cette franche cordialité qui caractérisent le peuple belge’.

Enkele conclusies

Op de bijeenkomst van 1806, toen 38 deelnemers mee aanzaten, waren er onder hen 23 schilders, beeldhouwers en architecten of 60 % van het gezelschap. In 1807 waren er 56 deelnemers maar slechts 21 schilders, beeldhouwers en architecten of 39 %. Er waren heel wat nieuwe gezichten bij, aangezien slechts 20 deelnemers van 1806 er ook in 1807 opnieuw bij waren.

De bijeenkomsten brachten in meerderheid heren van middelbare leeftijd bijeen. In 1806 zorgden enkele jonge kunstenaars voor wat jeugdig geweld. In 1807 werd de bijeenkomst opgefleurd door de aanwezigheid van een niet onaardig aantal dames. In 1806 lag de gemiddelde leeftijd van de aanwezigen op 40 jaar, met als jongsten Brulois, Suys en Bastiné, die 23 waren en met als nestor, De Gendt die 68 was. Het jaar daarop lag de gemiddelde leeftijd rond de 45 jaar. Vooral de vleiende aanwezigheid van enkele prominente vrienden van de heren Van Hulthem en Van Praet was hiervan de oorzaak. Dezelfde drie bleven ook in 1807 de jongste leden van het gezelschap, terwijl De Gendt als ouderdomsdeken werd gepasseerd door professor Koch, die 70 was. ulthem en Van Hulthem en Van  

De ganse sfeer die tot uiting komt in de gedrukte verslagen van de bijeenkomsten is er één van gezellig nationaal gevoel en lokaal patriottisme, dat niet in tegenstelling bleek te zijn met de onvermijdelijke aanhankelijkheid aan het Franse keizerrijk en aan Napoleon, gevoel dat trouwens niet erg diep stak. Om het eigen patriottisme uit te drukken werden de woorden ‘Belge’ en ‘Flamand’ als synoniemen gebruikt, waarbij het tweede vooral maar niet uitsluitend van pas kwam wanneer het om verhalen over schilder- of beeldhouwkunst ging.

Was de bijeenkomst van 1806 er één waar in meerderheid Belgen of heren met Belgische connecties op aanwezig waren, dan was dit het jaar daarop niet meer zo uitgesproken het geval. Van Hulthem en Van Praet hadden er duidelijk gebruik van gemaakt om enkele van hun Parijse relaties, onder meer uit de kring van geleerde vrijgezellen waar ze beiden toe behoorden, mee te laten genieten van de ‘franche cordialité belge’. Het spreekt daarbij als vanzelf dat de beide hier beschreven bijeenkomsten maar een voorbeeld zijn en slechts een onderdeel vormden van een drukke ‘chassé-croisé’ die op basis van allerhande motieven uiteenlopende groepen ‘Belgische Parisiens’ bijeenbracht.

Er mag niet worden uit het oog verloren dat de veertig- tot zestigjarige aanwezigen die de meerderheid op de twee bijeenkomsten vormden, allen de Franse revolutie en vooral de bange dagen van de Terreur hadden meegemaakt. Ze waren toen ‘les idées nouvelles’ genegen en hadden de kant van de revolutie gekozen, een paar waren zelfs tamelijk hevig tewerk gegaan. De meesten hadden nochtans gematigde wegen bewandeld, behoorden destijds tot de Girondijnen eerder dan tot de Jacobijnen en bevonden zich daarom blootgesteld aan de waanzin van het extremisme. Velen onder hen waren in de gevangenis beland, hadden veel vrienden en kennissen de dood zien ingaan en waren zelf slechts door de val van Robespierre en het einde van de Terreur, midden 1794, van terechtstelling gespaard en vrijgekomen. Het kan niet anders of die ervaringen moeten een geest van solidariteit hebben tot stand gebracht en af en toe onderwerp zijn geweest van gesprek en van sterke verhalen die aan de jongeren werden verteld.

In 1806 en 1807 bleef bij de meeste heren niet zo veel meer over van de vroegere revolutionaire geestdrift. Ze waren nu twintig jaar ouder en men bevond zich op het hoogtepunt van de populariteit van de keizer, ‘le génie du siècle’. De meesten, en dan in de eerste plaats de kunstenaars, hadden alles te verwachten van de overheid en van bestellingen geplaatst door de nieuwe machthebbers. De anderen waren ook gaandeweg meer keizersgezind geworden, hadden hoge functies aanvaard, werden lid van l’Institut de France of van de Académie Française en droegen nu het lintje of zelfs de rozet van de Légion d’Honneur. In 1808 zou een dozijn van hen die vernoemd waren als aanwezig of verontschuldigd op de beide ‘Belgische’ bijeenkomsten, bedacht worden met een adellijke titel. Ze waren voortaan chevalier, baron of zelfs comte d’Empire[88]. Er viel ook nog veel andere eer en glorie te rapen onder het keizerrijk. Voor de kunstenaars bestond die uit prijzen, eretekens, leerstoelen en vooral interessante opdrachten. Pas tegen het einde van het keizerrijk zouden een paar van die vrolijke aanwezigen op de Belgische banketten weer iets van hun tegendraadse overtuigingen laten blijken of – wat de kunstenaars betreft – nieuwe opdrachtgevers gaan zoeken.

Het is duidelijk dat deze bijeenkomsten niet alleen de vriendschap onderhielden, maar ook nuttige relaties tot stand brachten. Het tegenovergestelde zou verbazend zijn geweest. De voorspraak en de aanwending van relaties is van alle tijden, maar kende toen wellicht een hoogtepunt. De openbare archieven puilen uit van de aan de overheid gestuurde aanbevelingen. Voor het verkrijgen van benoemingen of het in de wacht slepen van opdrachten, was het essentieel ‘iemand te kennen’. De verbondenheid met streek- of stadgenoten speelde hierbij een aanzienlijke rol. De kunstenaars verzorgden de contacten waaruit bestellingen konden volgen. Zo mocht Kinsoen in het jaar 1807 het portret maken van senator en oud-prefect Justin de Viry, die hij ongetwijfeld in de ‘Belgische’ kringen in Parijs had leren kennen. Die zelfde de Viry bleef aandachtig volgen wat in zijn vroegere departement gebeurde en reisde er zelfs minstens één keer weer naartoe. Hij was altijd bereid om als ‘kruiwagen’ te dienen voor Brugse en Belgische vrienden, zoals onder meer de kandidaat-rechter Charles Coppieters en een kandidaat-pastoor op Sint-Andries mochten ondervinden[89].

Van Hulthem introduceerde in de hartelijke sfeer van de ‘Belgische’ bijeenkomsten enkele botanici die hij te vriend hield omdat hun giften belangrijk waren voor de in aanleg zijnde Gentse kruidtuin. Hij maakte er ook gebruik van om aan Bernard Duvivier te vragen een ‘ex-libris’-vignet voor hem te ontwerpen dat door Emmanuel De Gendt in een gravure zou worden omgezet[90]. Van Praet bracht zijn vrienden bibliothecarissen van de Bibliothèque impériale en leden van het Institut de France mee en was er ongetwijfeld mee gediend om in hun aanwezigheid te worden bewierookt. Die collega’s of medewerkers hadden projecten hetzij met hem hetzij onderling. Zo vertaalden Langlès en Noël samen werk uit het Perzisch. In algemene regel werden tussen de verschillende aanwezigen nog méér afspraken gemaakt, op die bijeenkomsten zelf of, als gevolg van het vrolijke samenzijn, op een later tijdstip.

De vele referenties in de voetnota’s bij ons artikel tonen het aan: de aanwezigen op de ‘Belgische’ banketten waren in hun tijd bekende personaliteiten en werden na hun dood bijna allen opgenomen in Belgische en Franse biografische woordenboeken. Voor wat betreft de beeldende kunstenaars onder hen, ontbreekt nagenoeg geen enkele in de Bénézit of de Saur. Hetzelfde geldt voor de musici in de Groves. Sommigen onder hen werden in deze naslagwerken heel uitgebreid behandeld.

Het drukken van een elegante en bibliofiele plaquette, met een verslag van de bijeenkomsten en daarin de gedetailleerde vermelding en lovende beschrijving van wie er allemaal aan deelnam of graag had aan deelgenomen, toont aan dat men er zich van bewust was tot een intellectuele bovenlaag te behoren en dat men verwachtte dat de geciteerde namen vele generaties later nog niet vergeten zouden zijn. Van Hulthem was hiervan in ieder geval overtuigd, toen hij schreef dat de aanwezige kunstenaars ‘soutiennent par leurs talents la gloire de l’école flamande’, terwijl hij de andere tafelgenoten bestempelde als ‘tous distingués par leurs lumières et leurs connaissances’. Hij had gelijk[91].

Andries Van den Abeele

(verschenen in Le Livre et l’Estampe, 2008, blz. 117-153.

Bijlage

Alfabetische lijst van aanwezigen en verontschuldigden

voor de bijeenkomsten van 1806 en 1807

Naam
afkomst
status[92]
jaar

Louis d’Arenberg

Brussel

B

-

verontschuldigd

Jean-Nicolas Bassenge

Luik

B

-

1807

Jean-Baptiste Bastiné

Leuven

K

1806

1807

Henri Bertini

Gent

M

1806

1807

Frans-Jozef Beyts

Brugge

B

1806

-

Joseph Brulois

Brugge

K

1806

1807

François Busschop

Brugge

B

-

1807

Jean Calloigne

Brugge

K

1806

1807

Antoine Chaudet

Parijs

K

-

1807

Madame Chaudet

Parijs

B

-

1807

Lambert-Ant. ClaessensAntwerpen

K

K

1806

 1807

Bon-Joseph Dacier

Parijs

B

-

1807

De Bast

Gent

B

-

1807

Emmanuel De Ghendt

Sint-Niklaas

K

1806

1807

Adrien Dekin

Brussel

B

1806

 -

Ferdinand Delvaux

Brussel

K

1806

 -

Jean-Louis Demarne

Brussel

K

1806

verontschuldigd

Joseph De Meulemeester

Brugge

K

1806

 -

Philippe-Goswin De Neny

Doornik

B

-

1807

Henri De Potter

Gent

B

1806

 -

Joseph de Saint-Genois

Doornik

B

1806

 -

Justin De Viry

Parijs / Viry

B

 -

verontschuldigd

Duché

(Lokeren)

B

1806

 -

Madame Duché

 

B

-

1807

Joseph-François Ducq

Brugge

K

1806

 -

Bernard Duvivier

Brugge

K

1806

verontschuldigd

Guillaume Faipoult

Parijs/Gent

B

-

1807

François Joseph Fétis

Mons

M

-

verontschuldigd

N. François de Neufchâteau

Saffais

B

-

1807 

Mme François. de Neufch.

 

B

-

1807

Jean Frantz

Straatsburg

B

-

1807

Louis Gerbo

Brugge

K

1806

 -

François Gossec

Vergnies

K

 -

verontschuldigd

Albert Gregorius

Brugge

K

1806

1807

André M. Gretry

Luik

M

 -

1807

Pierre-Antoine Herwyn

Hondschote

B

 -

1807

Jean-Antoine Houdon

Versailles

K

 -

verontschuldigd

François Kinsoen

Brugge

K

1806

1807

Madame Kinsoen

Parijs

B

 -

1807

Mademoiselle Kinsoen

Parijs

B

 -

1807

Christophe Koch

Straatsburg

B

 -

1807

Charles Lambrechts

Leuven

B

 -

1807

Louis-Mathieu Langlès

Peronne

B

 -

1807

Joachim Lebreton

Saint-Meen

B

 -

1807

Le Secq

Gent

B

 -

1807

Mme Le Secq-de Naeyer

Gent

B

 -

1807

Martin Mengal

Gent

M

1806

1807

Petrus-Jacobus Marant

Bavikhove

B

1806

-

Etienne Mehul

Visé

K

 -

verontschuldigd

Aubin-Louis Millin

Parijs

B

 -

1807

Muguet-Varange

Lyon

B

 -

verontschuldigd

François Noël

St-Germain

B

 -

1807

Joseph Paelinck

Gent

K

1806

1807

Pollaert

Leuven

B

1806

-

Henri-Joseph Redouté

Saint-Hubert

K

1806

1807

Pierre-Joseph Redouté

Saint-Hubert

K

1806

1807

Philippe Roland

Parijs

K

-

1807

Madame Roland

Parijs

B

-

1807

Mademoiselle Roland

Parijs

B

-

1807

Henri-Joseph Ruxthiel

Luik

K

1806

verontschuldigd

Joseph Salm-Dyck

Dyck

B

-

1807

Madame Salm-Dyck

Nantes

B

-

1807

Piat-Joseph Sauvage

Doornik

K

1806

verontschuldigd

Louis-Alex. Seganville

 

B

-

verontschuldigd 

(de) Sermentot

 

B

-

1807

Mme Sermentot

Versailles

B

-

1807

Balthazar Solvyns

Antwerpen

K

1806

1807

Madame Solvyns

Antwerpen

B

-

1807

André Thouin

Parijs

B

-

verontschuldigd

Tilman-François Suys

Oostende/Brugge

K

1806

1807

Mathieu-Ign. Van Bree

Antwerpen

K

-

1807

Jean-François Van Dael

Antwerpen

K

1806

1807

Augustin Van den Berghe

Brugge

K

1806

verontschuldigd

Van den Berghe

Antwerpen

K

-

1807

Mathieu V.d. Bogaerde

Brugge

K

-

1807

François Van Dorne

Leuven

K

1806

1807

Charles van Hulthem

Gent

B

1806

1807

César Van Loo

Parijs

K

1806

1807

Mme Van Loo

Parijs

B

-

1807

Joseph B. Van Praet

Brugge

B

1806

1807

Corneille Van Spaendonck

Tilburg

K

1806

1807

Gerard Van Spaendonck

Tilburg

K

1806

verontschuldigd

François Verbeeck

Gent

B

1806

-

 



[1] Eén van de documenten, of allebei, zijn te vinden in de Bibliothèque nationale (Parijs), de Koninklijke Bibliotheek (Brussel), de Koninklijke Bibliotheek (Den Haag), de Universiteitsbibliotheek (Gent), het Stadsarchief (Antwerpen).

[2] Discours prononcé dans une réunion d’artistes belges, habitants de Paris, par M. Van Hulthem, membre du Tribunat et de la Légion d’Honneur et un des directeurs de l’Académie de dessin, peinture et architecture de Gand, le 8 septembre 1806, (…), chez P. Didot l’Aîné, 1806, 30 blz; tekst gepubliceerd in: Revue universelle des arts, 1857, blz. 512-524.

[3] Discours prononcé dans une réunion d’artistes belges, habitants de Paris, par M. Ch. Van Hulthem, ancien membre du Tribunat (…), le 8 octobre 1807, chez P. Didot l’Aîné, 1807, 48 blz.

[4] In een paar voetnota’s schrijft hij in de ik-vorm.

[5] V. JACQUES, Charles van Hulthem, in: Biographie nationale (hierna: BN), T. IX, 1886-1887, 692-705; Karel Van Hulthem 1764-1832: catalogus tentoonstelling georganiseerd ter gelegenheid van de tweehonderdste verjaardag van Karel van Hulthems geboorte, Brussel, 1964; F. LELEUX, Charles Van Hulthem, Brussel, 1965; F. LELEUX, Figures révolutionnaires gantoises, Oostende, 1984; L. FRANÇOIS, Progressief en Cultuurbewust. Prototypes van de Gentse burgerij einde 18de – begin 19de eeuw, Brussel, 1990.

[6] F. LELEUX, Charles Van Hulthem, a. w., blz. 281, 292, 296.

[7] A. VANDER MEERSCH, Bernard Coppens, in: BN, T. IV, 1873, 380-381.

[8] Bibliotheca Hulthemiana ou catalogue méthodique de la riche et précieuse collection de livres et de manuscrits délaissés par M. Ch. Van Hulthem, Gent, 1836, V volumes. 2308 blz.

[9] A. SIRET, Ferdinand-Marie Delvaux, in: BN, T. V, 1876, 503-504; D. COEKELBERGHS, Les peintres belges à Rome de 1700 à 1830, Brussel-Rome, 1976. D. COEKELBERGHS & P. LOOZE (dir.), 1770-1830. Om en rond het neoclassicisme, Brussel, expo Elsene 1985-1986, blz 202-203.

[10] E. DE BUSSCHER, Laurent Delvaux, in: BN, T. V, 1876, 498-503; A. JACOBS, Les dessins de Ferdinand-Marie Delvaux aux Musées royaux des Beaux-Arts de Belgique: analyse de l'oeuvre graphique du peintre et premier essai de catalogue, in: Bulletin Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, 1992-1993, 1-4, blz. 97-126; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz. 44-48; J. STIENNON, Les arts plastiques, in: Wallonie. Atouts et références d’une région (dir. Freddy Joris), Gouvernement wallon, Namen, 1995.

[11] A. LENS, Le Costume ou essai sur les habillements et les usages de plusieurs Peuples de l'Antiquité, prouvé par les Monuments, Luik, 1776.

[12] Ch. BLANC & A. MICHIELS, Histoire des Peintres de toutes les écoles depuis la Renaissance jusqu'à nos jours. André Lens, Parijs, Renouard, 1864; H. HYMANS, André Lens, in: BN, T. XI, 1890-1891, 810-816; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz. 67-89.

[13] F. STAPPAERTS, Lambert Godecharle, in: BN, T. VII, 1880-1883, 834-838; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz. 105-114.

[14] L. DEVLIEGHER, J. B. Suvée en het Frans classicisme, in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis te Brugge (ASEB), 1956, blz. 134-144; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz. 96-101; S. JANSSENS & P. KNOLLE (red.), Brugge, Parijs, Rome. Joseph Benoît Suvée en het classicisme, Brugge - Twenthe, 2007; D. MARECHAL, De nachten van Joseph B. Suvée (1743-1807). De Heilige Familie en andere nocturnes, in: ASEB, 2007, 247-264.

[15] P. BERGMANS, Joseph-Basile-Bernard Van Praet, in: BN, T. XVIII, 1905, 154-163; A. VAN DEN ABEELE, De zoons van drukker-uitgever Joseph Van Praet, in: Biekorf, 1997, blz 206-221; L. VAN BIERVLIET, De boekenas Brugge – Parijs, in: Ludo VAN DAMME (ed.), The founding fathers, Brugge, 2004.

[16] R. LIEVENS, Charles van Hulthem als vriend, in: Spiegel der Letteren, 1999, blz. 229-277.

[17] F. LELEUX, Van Hulthem, a. w., blz. 227.

[18] De genreschilder Jan Van Loo (° Sluis – Brugge ca.1585) had een zoon Jacob van Loo, historieschilder in Amsterdam en nadien portretschilder in Parijs, die op zijn beurt twee zoons schilder had, Jean van Loo die in Toulon werkte en Louis-Abraham van Loo (c. 1656–1712) die werkte in Nice, Toulon en Aix-en-Provence. De tweede had opnieuw drie zoons schilder: Jan-Baptist Van Loo, succesvol historieschilder in Frankrijk en Italië en vervolgens portretschilder in Engeland; Charles Van Loo, de beroemdste telg van de familie, eveneens portret-, genre- en historieschilder; Joseph van Loo die graveur werd. Jan-Baptist Van Loo had ook weer drie zoons schilder: Louis-Michel van Loo, eerst werkzaam in Rome en Parijs en daarna zeer invloedrijk in Spanje; François van Loo (1708–32) die jong stierf; Amedée van Loo, historie- en portretschilder aan het hof van Frederic de Grote. De hier vermelde Cesar van Loo was de zoon van Charles Van Loo en was de laatste in de rij van schilders. Hij werkte in Turijn en Parijs en specialiseerde zich in winterlandschappen. (Bénézit, Dictionary of artists, T. VIII, 2006, 1218-1221)

[19] F. STAPPAERTS, Jean-Bernard Duvivier, in: BN, T. VI, 1878, 381-383; D. MARECHAL, Van portrettisten en geportretteerden. Enkele negentiende-eeuwse schilderijen en miniaturen in Brugs stedelijk bezit, in: Jaarboek 1989-90, Stad Brugge Stedelijke Musea, 1991, blz. 221-234; D. MARECHAL, J. Bernard Duvivier (1762-1837), een Brugse neoclassicistische fijnschilder en tekenaar te Parijs, in: Jaarboek 1995-96, Stad Brugge Stedelijke Musea, blz. 216-237; D. COEKELBERGHS, a. w.; Lexicon van Westvlaamse beeldende kunstenaars, Brugge, 1992-1998, Deel 4, 77.

[20] A. SIRET, Joseph-François Ducq, in: BN, T. VI, 1878, 238-239; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz 136-138; D. COEKELBERGHS, a. w.; Lexicon, a. w., Deel 2, 84.

[21] M. HEINS, François Kinsoen, in: BN, T. 1888-1889, 777-778; D. MARECHAL, Van portrettisten, a. w.; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz. 411-413; Lexicon, a. w., Deel 1, 89.

[22] E. DE BUSSCHER, Joseph-Charles De Meulemeester, in: BN, T. V, 1876, 520-531; E. DE BUSSCHER, Biographie historique et artistique de J.-C. De Meulemeester de Bruges, graveur en taille-douce, éditeur des loges de Raphaël, Gent, 1837; D. COEKELBERGHS, a. w.; Lexicon, a. w., Deel 4, 68.

[23] A. SIRET, Louis Gerbo, in: BN, T. VII, 1880-1883, 669-670; Lexicon, a. w., Deel 4, 80.

[24] F. DONNET, Gérard Van Spaendonck, in: BN, T. XXIII, 1921-1924, 287-290; M. VAN BOVEN & S. SEGAL, Gerard en Cornelis van Spaendonck, twee Brabantse bloemschilders in Parijs, Maarsen, 1980; D. COEKELBERGHS, a. w.

[25] A. SIRET, Jean-François Van Dael, in: BN, T. IV, 1873, 628-630; B. LOSSKY, Le peintre fleuriste Jean-François Van Daël et ses œuvres au château de Fontainebleau, in Bull. de la Soc. de l'Histoire de l'Art français, 1967, blz. 123-136; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz. 278-279.

[26] E. DE BORCHGRAVE, François-Balthazar Solvyns, in: BN, T. XXIII, 1921-1924, 134-138; N. HOSTYN, François-Balthasar Solvyns, in: Nationaal Biografisch Woordenboek (hierna: NBW), T. X, 1983; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz. 304.

[27] A. SIRET, Lambert-Antoine Claessens, in: BN, T. IV, 1873, 129-130; Les Salons retrouvés, II, cat. expo. M.B.A. et de la Dentelle/M.B.A, Mus. de la Chartreuse, Calais-Dunkerque-Douai, 1993, blz. 33.

[28] A. WAUTERS, Jean-Louis De Marne, in: BN, T. XIII, 1894-1895, 767-772; J. WATELIN, Le peintre Jean Louis Demarne, Parijs, 1962; P. SCURVILLE, Jean-Louis Demarne, in: Dictionnaire de biographie française (hierna: DBF), T. X, 1965, 969; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz. 321.

[29] E. DE BUSSCHER, Emmanuel De Ghendt, in: BN, T. V, 1876, 95-99.

[30] E. MATTHIEU, Piat Sauvage, in: BN, T. XXI, 1911-1913, 447-449; P. RINCHON, Notice sur Sauvage, Brussel, 1903; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., 266-270.

[31] F. DONNET, Corneille Van Spaendonck, in: BN, T. XXIII, 1921-1924, 286-287; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz 276.

[32] J. HELBIG, Pierre-Joseph Redouté, in: BN, T. XVIII, 1905, 827-833; A. LAWALREE, Les frères Redouté (Musées vivants de Wallonie et de Bruxelles, 13), Luik, 1987, blz. 8-11.

[33] J. HELBIG, Henri-Joseph Redouté, in: BN, T. XVIII, 1905, 825-827; Henri-Joseph Redouté. Esquisse biographique, in: Henri-Joseph Redouté et l'Expédition de Bonaparte en Egypte (recueil édité par A. Dierkens et J.M. Duvosquel), IV, Saint-Hubert, 1993.

[34] L. DE BAST, Annales du Salon de Gand (1820), Gand, 1823, pp. 61-63; Lexicon, a. w., Deel 4, 128.

[35] A. SIRET, Albert Gregorius, in: BN, T. VIII, 1884-1885, 253; A. SCHOUTEET, Beknopte geschiedenis van de Academie voor Schone kunsten te Brugge, Brugge, 1967; D. MARECHAL, Van portrettisten…, a. w.; Lexicon, a. w., Deel 4, 83.

[36] J. DANLOS, De Brugse academie voor schone kunsten, Brugge, 1987, blz. 48 ; Lexicon, a w., Deel 5, 48.

[37] D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz 180-191.

[38] E. DE BUSSCHER, Jean-Robert Calloigne, in: BN, T. III, 1872, 250-253; Lexicon, a. w., Deel 5, 50. Ducq, Calloigne en Gregorius werden opeenvolgend directeur van de Kunstacademie in Brugge.

[39] P. SAINTENOY, Tilman-François Suys, in: BN, T. XXIV, 1926-1929, 335-345; J. FABER, Tilman-François Suys, in: NBW, T. XII, 1987, 717-724.

[40] D. R. ROCHETTE, Charles Percier, architecte, in: Revue des deux mondes, Parijs, 1840.

[41] M. REINS, Joseph Paelinck, in: BN, T. XVI, 1901, 448-452; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz. 193-201.

[42] F. KUETGENS, J. B. J. Bastiné, Aix-la-Chapelle, 1928; J. B. J. Bastiné, in: Saur Allgemeines Lexikon, Band 7, 1993, 443.

[43] F. STAPPAERTS, François Van Dorne, in: BN, T. VI, 1878, 135-138; E. VAN EVEN, Louvain monumental, Leuven, 1860.

[44] E. MARCHAL, Henri-Joseph Ruxthiel, in: BN, T. XX, 1908-1910, 494-497; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w. blz. 166-168.

[45] A. REINBOLD, Jean-Antoine Houdon, in: DBF, T. XVII, 989, 1334; A. L. POULET, Jean-Antoine Houdon: Sculptor of the Enlightenment, University of Chicago Press, 2003.

[46] F. STAPPAERTS, Joseph-François, baron Beyts, in: BN, T. II, 1868, 410-415; A. VAN DEN ABEELE, De noblesse d’Empire in West-Vlaanderen, in: Biekorf, 2002, blz. 309-332.

[47] E. REUSENS, Pierre Marant, in: BN, T. XIII, 1894-1895, 408-414; P. J. TANGHE, Parochieboek van Wytschaete, zie: Parochieboeken (anastatische herdruk 1976), deel IX, korte tekst overgenomen uit Standaerd van Vlaenderen, 10 oktober 1857; L. SLOSSE, Rond Kortrijk, (anastatische herdruk 1977), deel I, blz 437.

[48] La Noblesse belge. Annuaire 1896, II, blz. 1875-1883 geeft informatie over de Gentse familie De Potter. Louis de Potter, niet te verwarren met zijn naamgenoot, de Brugse staatsman en republikein, had twee broers maar niet met de voornaam Henri. Het ging om Edouard-Joseph de Potter (Gent 1769-1846) en Joseph-Marie de Potter d’Indoye (Gent 1778-1850). Het kan dus om één van die twee gaan, aannemende dat de auteur van de tekst zich vergiste van voornaam.

[49] Deze raadsheer bij de prefectuur was eigenaar van een aanzienlijke kunstverzameling en was achtereenvolgens gehuwd met Colette en Marie Kervyn de Volkaersbeke

[50] J. ROBIJNS, Martin-Joseph Mengal in: NBW, T. XV, Brussel, 1996, 490-497; M.-R. VAN DRIESSCHE, Aspecten van het muziekleven te Gent in de 19e eeuw, Proeve tot een systematisch-biografische benadering, onuitg. Doct. Proefschr., UG, Gent, 1997/98,  blz. 282-312. Joseph Mengal, hoornspeler in het orkest van de Opera in Gent, had vier zoons: Jacques, hoornist, Jean-Baptist, hoornist, Guillaume, dirigent en Martin-Joseph, componist, hoornist, dirigent en directeur Conservatorium. Op 13-jarige leeftijd was Martin al eerste hoornist in het orkest van het Groot Theater van Gent en componeerde hij instrumentale stukjes. Prefect Faipoult nam hem in bescherming en stuurde hem in 1804 naar het conservatorium in Parijs, waar hij studeerde bij Frédéric Duvernoy (hoorn) en Charles Simon Catel (harmonie). Vanaf december 1804 volbracht hij zijn legerdienst bij het muziekkorps van de keizerlijke wacht, elitekorps bij uitstek en nam deel aan drie campagnes: Italië (1804), Oostenrijk (1805), Pruisen (1805). Na elke veldslag keerde het regiment terug naar Parijs, zodat hij zijn studies niet hoefde te onderbreken. Uit militaire dienst ontslagen (1807), behaalde hij een tweede prijs harmonie en het jaar daarop een eerste prijs hoorn. Vanaf 1808 speelde Mengal als eerste hoornist in het orkest van het Théâtre de l’Odéon en van 1812 tot 1824 in dat van de Opéra Comique of het Théâtre Feydeau, de twee belangrijkste operainstellingen in Parijs. Drie van zijn komische opera’s werden daar opgevoerd. Une Nuit au Château, komische eenakter (1818) werd een groot succes en werd gedurende jaren opgevoerd in Gent en Antwerpen.  In 1824 keerde hij naar België terug en werd directeur én orkestdirigent (1825/30) van het Groot Theater te Gent, in 1832 orkestdirigent van de opera in Antwerpen en in 1832-35 in Den Haag (1833/35). In 1835 werd hij in Gent de eerste directeur van het  stedelijk conservatorium.  Op compositorisch vlak was hij bijzonder productief.

[51] A. DEKIN & A. F. PASSY, Florula Bruxellensis seu Catalogus Plantarum Circa Bruxellas Sponte Nascentium, Brussel, 1814

[52] J. DE LE COURT, Joseph, comte De Saint-Genois, in: BN, T. VII, 1880-1883, 592-601; Note sur la vie et l'œuvre de Joseph de Saint-Genois, in: Les monuments anciens de Joseph de Saint-Genois, Volume 4, Brussel-Rijsel, 1997.

[53] L. DEVLIEGHER, De Brugse graveur J. De Meulemeester in het Vaticaan (1807-1819), in : ASEB, 2001, blz. 101-108.

[54] H. HYMANS, Joseph-Désiré Odevaere, in: BN, T. XVI, 1901, 68-74; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, blz. 169-176.

[55] DERISY, François Busschop, in: DBF, T. VII, 1956, 714; A. VAN DEN ABEELE, De noblesse d’empire, a. w.

[56] R. WANGERMEE, F. J. Fétis, musicologue et compositeur, Brussel, 1951; François-Joseph Fétis et la vie musicale de son temps (1784-1871), in: Catalogue d’exposition, Brussel, 1972;  R. WANGERMEE, François-Joseph Fétis, in: The New Grove Dictionary of Music and Musicians, T.VI, 1980, 511-514; R. WANGERMEE (ed.), François-Joseph Fétis. Correspondance, Luik, 2007.

[57] Antoine Denis Chaudet, in: M. N. BOUILLET & A. CHASSANG (dir.), Dictionnaire universel d'histoire et de géographie, 1878; J. S. DE SACY, Antoine-Denis Chaudet, in: DBF, T. VIII, 1959, 834.

[58] Pierre-Jean DAVID D’ANGERS, Roland et ses ouvrages, Parijs, 1847.

[59] A. SIRET, Matthieu Van Bree, in: BN, T. II, 1868, 929-937; C. JANSEN, De vergankelijke glorie van Matthijs Van Brée (1773-1839), in: Oud Holland, XCV, 1981, blz. 228-257; D. COEKELBERGHS & P. LOOZE, a. w., blz. 148-164.

[60] J. DANLOS, a.w.; Lexicon, a.w., Deel 5, 117.

[61] A. DE STASSART, Notice sur Bassenge, in: Revue de Liège, 1846, blz 516-522; A. BORGNET, Nicolas Bassenge, in: BN, T. I, 1866, 748-761; R. D’AMAT, Jean-Nicolas Bassenge, in: DBF, T. V, 1951, 747-48

[62] B. BERNARD, Des Lumières à l’émigration. Jalons pour une biographie de Philippe-Goswin de Neny, in: Nouvelles Ann. Prince de Ligne, 1989, blz. 153-201; B. BERNARD, Amours et voyages. Les pérégrinations méditéranéennes de Philippe-Goswin de Neny et sa correspondance avec Marie-Caroline Murray, in: idem, 1992, blz. 182-230; G. SCHRANS, Vrijmetselaars te Gent in de XVIIIde eeuw, Gent, 1997, blz. 509; G. SCHRANS, “Le rendez-vous de la noblesse” La loge bruxelloise “L’Heureuse Rencontre” au XVIIIe siècle, in: Acta Macionica, 1998 blz. 255-259.

[63] B. BERNARD, Patrice-François de Neny (1716-1784). Portrait d’un homme d’Etat, in: Etudes sur le XVIIIe siècle, tome XXI, ed. Roland Mortier & Hervé Hasquin, Brussel, 1993.

[64] R. D’AMAT, Guillaume Faipoult, in: DBF, T. XIII, 1975, 485-487.

[65] E. VAN VARENBERGH, Pierre-Antoine, graaf Herwyn de Nevele, in: BN, T. IX, 1886-1887, 301-304; C. MEYER, Pierre Herwyn, in: DBF, T. XVII, 1989, 1158; A. VAN DEN ABEELE, De noblesse d’empire, a. w.

 [66] A. LE ROY, Charles-Joseph-Mathieu, comte Lambrechts, in: BN, T. XI, 1890-1891, 210-216; F. LELEUX, Charles comte Lambrechts, in BN, T. XLII, 1981-1982, 461-478; F. LELEUX, Charles Lambrechts, Beernem, 1988; L. NORMAN, Charles Lambrechts, in: DBF, T. VII, 1956, 714.

[67]  J. B. RONGE, André Grétry, in: BN, T. VIII, 1884-1885, 256-299; H. DE CURZON, Grétry, Parijs, 1907; J. QUITIN, André-Modeste Grétry, in: The New Grove Dictionary, T. VII, 1980, 704-712;  J. MONGREDIEN, André-Modeste Grétry, in: DBF, T. XVI, 1985, 1193; J. M. WARSZAWASKI, Grétry, in: www.musicologie.org (2006)

[68] D. LYON, Bon-Joseph Dacier in: DBF, T. IX, 1961, 1464.

[69] L. NORMAND, Louis-Mathieu Langlès, in: DBF, T. XIX, 2001, 1743.

[70] Biographie Universelle, ancienne et moderne, Brussel, 1843/47.

[71] idem

[72] M. PREVOST, Charles-Pierre Chapsal, in: DBF, T. VIII, 1959, 444.

[73] Biographie Universelle, ancienne et moderne, Brussel, 1843/47.

[74] A. F. DE SILLERY, Notice biographique sur M. le comte François de Neufchâteau, 1828.

M. PARCOT, Nicolas-Louis François de Neufchâteau, in: DBF, T. XIV, 1979, 1062-65.

[75] M. PARCOT, Jean Frantz, in: DBF, T. XIV, 1979, 1115.

[76] A. ROBERT & G. GOUGNY, Dictionnaire des parlementaires français, 1909; T. DE MOREMBERT, Christophe-Guillaume Koch, in: DBF, T. XVIII, 1989, 1219.

[77] Deutsche Biographische Enzyklopedie, T. VIII, 1999, 502.

[78] Alphonse SECHE, Les muses françaises. Anthologie des femmes poètes 1200 à 1891. Accompagné de notices biographiques et bibliographiques, 1908; Martine LAUZON, Une moraliste féminine: Constance de Salm, Mémoire de maîtrise, Montréal, Université McGill, 1997.

[79] Haar roman Vingt-quatre heures d’une femme sensible, werd in 2007 met succes opnieuw uitgegeven.

[80] L. GACHARD, Louis-Engelbert, duc d’Arenberg, in: BN, T. I, 1866, 426-432; E. FRANCESCHINI, Louis d’Arenberg: in: DBF, T. III, 1939, 471.

[81] A. VAN DEN ABEELE, De vier prefecten van het departement van de Leie, in : Biekorf, 2004, blz. 97-139.

[82] E. PRUAUX, Les dirigeants de la Banque de France sous le Consulat et l’Empire, op: www.cambacérès.fr ; C. ROUSSEL-LARROUMET, La Banque de France 1800-1815, thèse, 1921.

[83] A. RABEL, Le maréchal Bessières, Duc d’Istrie (1768-1813), Parijs, 1902.

[84] Y. LETOUZEY, Le Jardin des plantes à la croisée des chemins avec André Thouin, 1747-1824, Museum national d’histoire naturelle, Parijs, 1989.

[85] In een voetnota sprak Van Hulthem hem warme dankwoorden toe.

[86] F. STAPPAERTS, François-Joseph Gossec, in: BN, T. VIII, 1884-1885, 138-144; B. S. BROOK, François Gossec, in: The new Grover dictionary, a. w., T. VII, 1980, 560-563; T. DE MOREMBERT, François Gossec, in: DBF, T. XVI, 1985, 648.

[87] D. CHARLTON, Etienne Méhul, in: The new Grover dictionary, a. w., T. XII, 1980, 62-67.

[88] Graaf: d’Arenberg, François de Neufchâteau, Herwyn, Lambrechts, Salm-Dyck, de Viry; Baron: Beyts, de Seganville; Ridder: Busschop, Dacier, Houdon, Millin, Noël.

[89] A. VAN DEN ABEELE, De vier prefecten…, a. w.

[90] C. VANDENBROEKE, De representativiteit van de ‘Bibliotheca Hulthemiana’, in: ASEB, 1998, blz. 157-162; D. MARECHAL, Duvivier, a. w.

[91] Met mijn dank aan conservator Dominique Marechal en mevrouw Flavie Roquet.

[92] Status: K voor kunstenaar (schilder, beeldhouwer, architect) – M voor musicus - de B van bezoeker voor de anderen.

www.andriesvandenabeele.net