Een Administratief Centrum voor Brugge

Een fout ‘goed idee’.

Een paar voorafgaande bemerkingen

De opkomst van de computersamenleving leidt tot nieuwe opvattingen over dienstverlening en kantoren. Nog afgezien van telefoon, GSM, SMS, etc, vindt steeds meer communicatie plaats via e-mail, internet en websites, stilaan ook méér via webcams en conference-TV. Administratieve dienstverlening vindt in toenemende mate plaats op afstand. Vergunningen allerhande kunnen thans bij de meeste gemeenten elektronisch verkregen worden. Thuiswerken zal toenemen en burgers zullen niet eens weten of ze antwoord krijgen vanuit een kantoor of vanuit iemands’ tuin. Het is tegen deze achtergrond dan ook steeds meer de vraag of grote kantoorgebouwen nodig of wenselijk zijn. Voor een identieke activiteit kan een gezamenlijke huisvesting wenselijk zijn, waarbij op gemeentelijk niveau zo een activiteit (groendienst, bevolking, stedenbouw, musea, noem maar op) meestal een beperkt aantal ambtenaren zal bijeenbrengen. Het gaat dan ook, voor hun huisvesting, om beheersbare hoeveelheden en ruimten, die men vaak zal vinden in bestaande (monumentale) complexen die goed voor dit doel te gebruiken zijn. Nieuwbouw is dan verspilling van geld en het onbenut laten van aanwezig potentieel en kapitaal.

Een tweede kanttekening, die de kwestie op een ruimer vlak stelt dan alleen maar het hier behandelde, is dat achter initiatieven voor het bouwen van ‘centra’ of ‘grote complexen’ vaak, bewust of onbewust, een onzichtbare logica zit, die rechtstreeks of indirect met de markt verstrengeld zit. Het gaat dan om zakelijke overwegingen teneinde tot grootschalige nieuwbouw te komen en (zo groot mogelijke) winsten te maken via de extreme benutting van grond en het opblazen van volumes. In het geval van overheidsgebouwen, mikt de logica van de betrokken partijen op ogenschijnlijk evidente en eigentijdse argumenten, zoals efficiency, betere dienstverlening en allerlei andere quasi-overtuigende argumenten die nochtans, op de keper beschouwd, weinig houtsnijdend zijn en niet door de voorgestelde schaalvergroting gediend worden.

Een derde opmerking betreft het steeds weer opduikende fenomeen dat machthebbers (ook op lokaal niveau) door middel van (grote) projecten denken hun aanzien en status te verhogen. Ver van mij voor te houden dat grootse projecten altijd en per definitie zouden verkeerd zijn. Men moet ze echter heel kritisch benaderen en nagaan of ze wel aan een dringende en dwingende behoefte beantwoorden. Men leze hieromtrent ‘De macht van het bouwen’ door Deyan Sudjic (Anthos 2005). Ook al spitst de discussie daarin zich toe op wat zich op het grotere, (inter)nationale vlak afspeelt, vaak op het extreme, is hieruit ook inspiratie voor het lokale niveau te putten.

Een administratief centrum voor Brugge?

Het behoort vaak tot de verlangens van sommige beleidsverantwoordelijken uit de openbare en soms ook uit de privé sector, om alle ambtenaren of medewerkers die ze onder zich hebben op één enkele plek te verzamelen in een groot gebouw. De argumenten hiervoor zijn dan enerzijds dat dit tot grotere efficiëntie leidt bij die medewerkers en anderzijds dat het een betere dienstverlening aanbiedt aan de burgers. De goedkopere exploitatie wordt daar nog soms bijkomend aan toegevoegd.

Het is het genre van voorstellen waar sommigen, die hopen ‘mee met hun tijd’ te zijn, goedkeurend op reageren. In het Brugsch Handelsblad van 9 mei 2008 stond volgende opinie te lezen: “Eén groot administratief centrum voor het stadspersoneel op de gronden van de VTI is toe te juichen. Het ligt in de onmiddellijke omgeving van het station of m. a. w. het is eenvoudig via het openbaar vervoer te bereiken en er is meer parkeergelegenheid dan in hartje stad. Voor zelfstandigen als mezelf is het steeds een zoeken naar de juiste dienst en de ligging ervan. Nu liggen ze erg verspreid en goed verscholen in kleine en moeilijk te bereiken straatjes. Kortom, zowel voor het stadspersoneel als de bezoeker niets dan voordelen.” (Frank Descheemaeker). Een andere zegde: “Mensen dichter bij elkaar laten werken, heeft heel wat positieve kanten. In die zin ben ik het voorstel van Dirk De fauw om de versnippering van de stadsdiensten tegen te gaan en een groot administratief centrum te bouwen, gunstig gezind.” (Ina Verrept). Het is zeer waarschijnlijk dat dit wat ondoordachte reacties waren. Immers waar liggen dan wel die gemeentelijke diensten in kleine straatjes? Mij niet bekend. En hoe vaak moet de auteur van deze reactie naar die diensten? Hij woont trouwens, zoveel ik kan nagaan, in Dudzele en werkt in Sint-Andries, zodat hij voor stadsloketten het dubbel gemak van blindelings te vinden gemeenteafdelingen ter beschikking heeft. En dat ‘versnippering’ van stadsdiensten een kwaad zou zijn dat moet worden tegengegaan, zal ik hierna fundamenteel tegenspreken.

We denken immers te kunnen aantonen dat geen enkele van de drie argumenten - betere dienstverlening, efficiëntere administratie, economischer werking - goed te onderbouwen is, alvast niet voor een middelgrote stad zoals Brugge.

Voorbeelden

Het bouwen van administratieve centra is hier en elders door anderen voorgedaan.

In de jaren negentien zeventig heeft de provincie West-Vlaanderen beslist op het domein genaamd Boeverbos een aanzienlijk complex te bouwen en verder uit te breiden, om er het grootste aantal van haar medewerkers in onder te brengen. Dit lukte trouwens niet en er is al vele jaren een tweede provinciehuis in de Abdijbekestraat. Daarnaast zijn er nog de streekhuizen die een soort regionale kleine provinciehuizen zijn. En wat gecentraliseerd was, bleek na verloop van jaren dan toch weer niet op zijn plaats. Voorbeelden: cultuurarchief en bibliotheek zijn naar de Brugse binnenstad teruggekeerd. Het provinciaal archief kreeg een apart gebouw in Sint-Andries. Zonder het dan nog te hebben over provinciedomeinen, provinciale musea, specifieke diensten, enz. Als ik de vele adressen van provinciale diensten naga in de telefoongids, dan stel ik vast dat het centraliseren niet danig goed lukt.

Er is daarbij een aanzienlijk verschil vast te stellen tussen de provinciediensten en die van een gemeente, die veel rechtstreekser contact hebben met de ingezetenen. Het aantal West-Vlamingen dat persoonlijk en fysisch naar diensten van de provincie moet stappen, lijkt me uiterst gering. Omwille van de betere dienstverlening en bereikbaarheid hoefde men de provinciale diensten dus niet te centraliseren. Voor de efficiency dan? Zijn de ambtenaren efficiënter en bevordert het samenzijn in hetzelfde gebouw het contact tussen diensten die vaak weinig of niets met elkaar te maken hebben? Ik verhoop het voor hen, maar ik heb toch, op basis van gesprekken met ambtenaren, enige twijfels. Als men op een bepaalde verdieping van het administratief centrum Boeverbos zijn kantoor heeft, dan gebeurt het zelden en soms nooit dat men, voor de dienst, met iemand op een andere verdieping contact moet hebben, zo zegt men me.

Vlaams Gewest en federale regering willen dezelfde weg opgaan en bij het station van Brugge administratieve complexen bouwen. Men is daar trouwens al op vooruit gelopen door de eigendommen te verkopen waar thans nog administraties in huizen. Wat kadaster, bruggen en wegen, stedenbouw, financies, enz. met elkaar gemeen hebben, weet ik niet. Wie er mee gediend zal zijn dat ze allemaal samen zitten, de enen onder de federale hoed, de anderen onder de gewestelijke hoed, blijft voor mij een raadsel. Hoe dan ook, de redenen die andere besturen er hebben toe gebracht administratieve centra te bouwen zijn de hunne en ik oordeel er verder niet over. Hun beslissing hoeft echter noch voorbeeld noch model te zijn voor de stad Brugge.

Het idee van samenhokken van administraties in megacomplexen beschouw ik als één van de restanten van onze sinds lang en nog steeds door sommige marxistische en bureaucratische ideeën gedomineerde Westerse wereld, waar vooral mei-68 erfgenamen de onwillekeurige aanhangers van zijn. Daar moet in het huidige, elektronische tijdperk, toch komaf mee kunnen gemaakt worden. Uit dezelfde jaren zestig dateert trouwens ook de slogan ‘Small is beautiful’, die heel wat inspirerende ideeën heeft tot realiteit gebracht, ook al zijn we thans, in een tijdperk van ‘globalisatie’, eerder opnieuw op vele domeinen door de drang naar het grootschalige en het gigantisme bezeten.


Voorgeschiedenis

In 1971 kwam Groot Brugge tot stand. Onmiddellijk rees het idee dat er een administratief centrum moest komen. Er werd zelfs een plek voor uitgekozen: de gronden van het voormalige Sint-Lodewijkscollege die burgemeester Michel Van Maele tijdens nachtelijke onderhandelingen op het kantoor van notaris Robert Vandekerckhove uit de handen van projectontwikkelaars kon halen. Er werden hiervoor plannen ontworpen die gelukkig geen genade vonden. Ook Prins Albert drukte, bij het zien van de maquette, samen met ICOMOS-voorzitter professor Piero Gazzola, zijn twijfels uit over het gebouw dat wij, gelet op het pompeuze karakter dat er aan was gegeven, ‘opgevrolijkt’ door veel bloembakken met geraniums onder de vensters, onder elkaar de naam gaven van ‘de ambassade van Beieren’.

In de loop van de volgende maanden werd hierover zeer grondig gediscussieerd en werd de conclusie bereikt dat Brugge helemaal geen nood had aan een administratief centrum. De eigendom kreeg een veel betere bestemming: winkels op gelijkvloers, parking ondergronds, sociale woningen op de verdiepingen. Iedereen was het daar volkomen mee eens en het is eigenlijk wel jammer dat vijfendertig jaar later de argumentatie nog eens moet worden overgedaan.

Wat is een gemeentelijke administratie?

Een gemeente is een soort regering in het klein, met talrijke afzonderlijke ‘ministeries’ of diensten. We sommen er lukraak een aantal van op:

  • secretarie
  • financiële diensten
  • stadsontvangerij en stadskas
  • personeelsdienst
  • burgerlijke stand
  • bevolking
  • begrafenissendienst en begraafplaatsen
  • culturele diensten, schouwburgen en zalen
  • musea
  • archief
  • politie
  • brandweer
  • groendienst
  • technische diensten (infrastructuur, wegen, gebouwen, stedenbouw, monumentenzorg, bouwaanvragen)
  • gezondheidsdienst, leefmilieu
  • huisvuil en ruimdienst
  • huisvesting
  • bibliotheken
  • informatie, persdienst, communicatie
  • ombudsdienst
  • onderwijs en scholen
  • stedenbeleid
  • stadseigendommen
  • sport, ontspanning, zwembaden
  • nog andere, waaronder uitbestede diensten zoals vuilnis ophalen, vismijn, enz.

Wat kan men nuttig samenbrengen?

De kantoren op de deelgemeenten

Bij de oprichting van Groot Brugge werd sterk de nadruk gelegd op de belofte dat de dienstverlening aan de bevolking er niet zou op achteruitgaan, integendeel. Daarom werd beslist dat de vroegere gemeentehuizen ten behoeve van de lokale bevolking verder zouden bemand blijven. Over die gemeenteafdelingen zegt de infogids: Wie niet in Brugge-centrum woont, kan voor de meeste formaliteiten in verband met de gemeenteadministratie ook op het administratief bureau van de deelgemeente terecht. Gekoppeld aan een politiekantoor, en met nog andere vormen van dienstverlening (bvb. bibliotheek, inkijken van plannen) betekenen de negen afdelingen op elke vroegere gemeente een aanwezigheid, een aanspreekpunt voor de burgers en een antenne voor de overheid. Wat ooit het kloppend hart was van een zelfstandige gemeente, blijft verder zijn rol binnen de plaatselijke gemeenschap vervullen.

Het spreekt voor zich dat een dergelijke dienstverlening geld kost. Er worden gebouwen voor in eigendom gehouden die men moet onderhouden. Die gebouwen sluiten en verkopen zou een besparing betekenen. Het daar tewerk gestelde personeel is in zekere mate dubbel gebruik met de centrale administratie en zou ofwel in de centrale dienst kunnen geïntegreerd worden, ofwel afvloeien. De contacten tussen de verschillende diensten en de centrale dienst, worden onderhouden door een permanente estafette. Het wegvallen van de gemeenteafdelingen zou de afschaffing of minstens vermindering van deze estafette kunnen betekenen. Er is op het gebied van besparing op gebouwen, personeel en werking dus één duidelijke mogelijkheid, namelijk het afschaffen van de negen administratieve kantoren op de vroegere randgemeenten en in Zeebrugge. Meteen kunnen ook de politieposten worden afgeschaft en alles beter gecentraliseerd.

Trouwens, nog afgezien van het idee te centraliseren in een administratief centrum, zou wel eens nader kunnen onderzocht worden in welke mate, in het elektronische tijdperk, die lokale antennes nog nodig en verantwoord zijn. Hoe de dienstverlening aan de bevolking kan evolueren zijn er twee voorliggende modellen. Enerzijds dat van de financiële instellingen die hun aanwezigheid in de voorbije jaren fel hebben ingekrompen en nog verder inkrimpen met het oog op het optimaliseren van hun winst. De Post zal binnenkort in Brugge nog slechts over een paar kantoren en enkele ‘postpunten’ beschikken. De andere optie is die van bvb. de ziekenbonden. De Bond Moyson heeft een half dozijn en de CM een dozijn lokale kantoren in Brugge, verspreid over het grondgebied, met het oog op het optimaliseren van hun dienstverlening. De stad Brugge volgt tot hiertoe de tweede logica.

A priori ga ik er, tot bewijs van het tegendeel, van uit dat de gemeenteafdelingen nog wel degelijk nuttig zijn en dat de onvermijdelijke méérkost die ze veroorzaken, verantwoord is in het perspectief van goede dienstverlening aan de bevolking. De burgemeester en het schepencollege die zullen beslissen deze kantoren te sluiten, zullen wel over zeer goede argumenten moeten beschikken. Ik zie het nog niet zo gemakkelijk gebeuren, zeker niet in de eerste 15 à 20 jaar, hoewel net daar, vanuit het oogpunt van besparingen en efficiëntie, heel wat mogelijk zou zijn.

De centrale administratieve diensten

Naast de gemeenteafdelingen, dient de vraag gesteld of alle overige administratieve diensten, zoals we daarboven opsomden, kunnen en/of moeten worden samengebracht. Dit lijkt me niet voor de hand te liggen.

De enige diensten die relatief veel nut kunnen hebben om dicht bij elkaar te huizen – hoewel ook voor hen de relativiteit van dit nut nog zou kunnen worden onderzocht – zijn de traditionele administratieve diensten: secretarie met wat er bij hoort, financiële diensten, ontvangerij, personeelsdienst, stadseigendommen. Een tweede groep die hier kan aan toegevoegd worden, hoewel die ook als één geheel elders zou kunnen samen huizen (dit was trouwens enkele jaren het geval toen ze in een benedenzaal van de stadshallen waren gehuisvest) is bevolking en burgerlijke stand met bijhorende diensten, zoals begrafenissen en begraafplaatsen.

Tot nadere orde is er voor deze diensten voldoende ruimte in de lokalen die ze thans bezetten en waar ze een goed gebruik van maken.

Van de andere diensten zijn er zeer weinig die echt op elkaar zijn afgestemd en er is niets op tegen dat ze op andere plaatsen in de stad gehuisvest zijn. Dit is thans het geval en niemand, noch onder de bevolking, noch bij het stadspersoneel heeft daar problemen mee.

De dienstverlening

Het is verkeerd te denken dat men een betere dienstverlening zal verstrekken aan de bevolking door alle administratie in één bepaald gebouw te gaan onderbrengen.

Vooreerst zal iedereen voor zichzelf wel kunnen vaststellen dat hij maar zelden, soms in vele jaren niet, een stedelijke dienst moet gaan opzoeken. Het enige ongeveer waarvoor men zich als gewone burger wel moet persoonlijk voor verplaatsen, is een nieuwe identiteitskaart of een reispas. Zelfs adreswijzigingen kunnen elektronisch worden geregeld. Bezoekers voor de burgerlijke stand zijn hoofdzakelijk professionelen die de geboorten en sterfgevallen aangeven. Bezoekers voor de stedenbouwkundige diensten zijn vooral architecten en aannemers. De regelmatige bezoekers weten dus perfect waar ze zich moeten aanmelden. En de anderen moeten zich so wie so, de zeldzame keer dat ze op stadsdiensten beroep doen, bij voorbaat informeren over het adres waar ze zich, bij die bijzondere gelegenheid, moeten aanmelden. Dit adres is voor de overgrote meerderheid van de gevallen hun gemeenteafdeling. Als het een ander adres is, dan vinden ze dat gemakkelijk in de Infogids of in de telefoongids.

Als alles in één administratief centrum zou worden ondergebracht dan weet men wel ongeveer naar welk groot gebouw men moet, maar dan zal men nog niet direct bij het passende lokaal terecht komen. Ik heb vroeger wat ervaring gehad met het Financiecentrum in de Gustave Vincke-Dujardinstraat. Om daar precies te weten te komen in welke van de vier omliggende straten je moest zijn en in welke van de deuren je moest binnenstappen en waar zich dan in die lange gangen het kantoor bevond dat men nodig had, was er wel wat inspanning te leveren.

Hoe groter het complex, hoe meer werk moet worden gemaakt van veiligheid, van controle op binnen- en buitengaan, enz. Geen sprake meer van het informele binnenvallen zoals dit thans bij de meeste stadsdiensten zonder meer mogelijk is.

Een ander element is dat een gecentraliseerd complex veel verkeer aantrekt en ook behoefte heeft aan veel parkeerplaatsen. Eer men dan zijn auto kwijt is, heeft men ook al kostbare tijd verspeeld. De verspreiding van de kantoren maakt alles veel kleinschaliger en beter beheersbaar.

Betere dienstverlening aan de bevolking door het bouwen van een administratief centrum is dus volkomen uit den boze. Integendeel zelfs.

Efficiëntie van het stadspersoneel

Men kan er van uitgaan dat een ideale productiviteit en efficiëntie kan behaald worden door alle kippen mooi op hun stokje in dezelfde kippenren te doen hokken. Of dit uitgangspunt juist is, valt nog erg te bezien en is in ieder geval niet toepasselijk op gemeentelijk personeel.

Als dit personeel dagelijks interactief met elkaar in contact zou moeten zijn, zou men een samenwonen nog kunnen verdedigen. We hebben echter gewezen op de grote diversiteit van de diensten, die in de meeste gevallen niets met elkaar te maken hebben. Het grootste deel van hun activiteiten, routine of vooraf uitgestippeld, kan onafhankelijk gebeuren.

Het enige vaste verbindingspunt in het complexe en uiteenlopende netwerk van gemeentelijke diensten, is het zenuwcentrum dat bestaat uit het schepencollege en de secretarie. Alle briefwisseling moet van daar naar de diensten, alle dossiers moeten voor beslissing van die diensten naar het stadhuis. Dat vereist een permanente pendeldienst die de interne post van hier naar daar brengt. Het kost natuurlijk wat geld om een paar wagens en een paar chauffeurs in te zetten. Hier zou eventueel enige besparing kunnen op gebeuren. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat binnen een zelfde groot gebouw ook bestendig zal ‘gependeld’ worden met dossiers die naar het centrum moeten komen. Daarbij zal het pendelen maar gedeeltelijk kunnen worden afgeschaft, want er zullen altijd heel wat diensten overblijven die, door hun activiteit zelf, buiten dit administratief centrum zullen blijven.

Een belangrijk element is het scheppen van het goede werkklimaat, bevorderlijk voor de efficiëntie. Als men alle ambtenaren in één groot complex samenbrengt, dan wordt onvermijdelijk en automatisch een soort ‘proletarisering’ in de hand gewerkt. Iedereen wordt over dezelfde kam geschoren, alles wordt veel onpersoonlijker, er is veel minder verantwoordelijkheidszin. Thans heeft men in het stadsbestuur talrijke ‘chefs’ van een afdeling of onderdeel, die zich sterk verantwoordelijk voelen voor die afdeling, waakzaam toekijken op de activiteiten en de efficiëntie binnen hun dienst, een nauwe band hebben met hun personeel, het onderhouden van het gebouw waar ze in huizen goed in het oog houden, enz. In een groot gebouw wordt alles anoniemer, voelt niemand zich nog echt verantwoordelijk, zullen de ‘chefs’ verdwijnen in de massa van de vele ‘chefs’. Zonder dan nog te vergeten dat, de menselijke natuur zijnde wat ze is, de politieke of administratieve ‘opperchefs’ wel veel méér gezag naar zich zullen toetrekken en zich veel meer zullen mengen op praktische gebieden waar ze beter ver van af blijven. Een hoger ambtenaar met ervaring geeft me als volgt zijn opinie, die ik uiteraard deel: “Het concept van een administratief centrum is een uitloper van een centralistisch gedachtegoed, waarbij de ambtenaren binnen handbereik en controle moeten zitten. Zelfstandig denkende en sprekende ambtenaren moeten onder curatele worden geplaatst.” Machiavelli zou hier trouwens aan toevoegen dat hoe meer mensen je samen brengt, des te méér kans op georganiseerd gegrom en tegenstand ontstaat.

Een ander element dat moet onder ogen worden genomen is dat het in één gebouw samenbrengen van alle ambtenaren met het volledige college van burgemeester en schepenen, niet noodzakelijk is, zelfs niet wenselijk. Burgemeester en schepenen zijn beleidsmakers en hoeven niet in dagelijks fysisch contact te staan met hun administratie. Als ze dat zijn, is het risico groot dat ze het afdelingshoofd van hun administratie zullen (willen) worden, of als ze niet zeer bekwaam zijn, een bediende in méér zullen zijn op hun afdeling. Dit hoeft echt niet aangemoedigd te worden.

Er is nog een bijkomend element, dat vijfendertig jaar geleden niet actueel was, en dat is de evolutie naar meer digitale communicatie en meer elektronisch verkeer. Dit verkeer neemt overhand toe en kan alleen maar aangemoedigd worden. Het geldt zowel voor het onderlinge verkeer binnen de administratie als voor de dienstverlening aan de bevolking. Eerder dan alle diensten op één plek bijeen te brengen zou men op centrifugale bewegingen kunnen denken, waarbij de zo klein mogelijke eenheden worden aangemoedigd en zelfs, in een aantal gevallen, het volledige of gedeeltelijke thuiswerken kan worden bevorderd. Een stadsambtenaar schrijft me: “De gehanteerde argumenten ten gunste van een administratief centrum houden weinig steek. De dossiers worden niet vlugger verplaatst binnen één gebouw, te meer daar de toekomst digitaal is en nu al veel adviezen van administratie en leden van het College volgens een apart adviesprogramma elektronisch worden gevraagd en afgeleverd. Dossiers fysiek verplaatsen zal in de nabije toekomst zeldzaam worden”.

Men mag evenmin vergeten dat werken in historische gebouwen, voor wat betreft aangenaamheid en comfort, vaak te verkiezen is boven nieuwgebouwde kantoorgebouwen. De ruimten zijn prestigieus en verschaffen werkvreugde. De volumes maken dat er een betere omgeving is, ook in volle zomer, dan dat een gebouw met (energieopslorpende) airconditioning kan bieden.

De kost van de gebouwen

Als men een nieuw administratief centrum bouwt, is men van één zaak zeker: dat men enkele miljoenen euro zal besteden aan de aankoop van terreinen en het oprichten van een nieuw gebouw, met alles wat aan bijkomende kosten wordt veroorzaakt door de grootschaligheid. Men mag ook rekenen op een aanzienlijke jaarlijkse uitgave voor onderhoud, controle, bewaking, enz. Van deze bijkomende last op de begroting is men dus al zeker.

Is men hierdoor ontlast van andere kosten? Alleen maar heel gedeeltelijk. Zelfs wanneer alle diensten die thans in het stadhuis en in het Brugse Vrije zijn ondergebracht daar verdwijnen, zal men de onderhoudslast van deze monumenten op geen enkele manier verminderen. Men zal er hoe dan ook een nieuwe bestemming moeten voor vinden. Men moet toch niet de absurditeit verwachten dat deze historische gebouwen gewoon zouden worden van de hand gedaan?

Hetzelfde geldt, in mindere mate, voor een aantal andere gebouwen waar stadsdiensten in huizen. Daar zou men eventueel kunnen in verminderen. Zo talrijk zijn die gebouwen echter niet, zodat er van deze mogelijkheid geen grote besparing te verwachten valt.

Ik vind het onbegrijpelijk dat zowel de federale diensten als die van het Vlaams Gewest uit Brugge centrum wegtrekken, nadat de provinciale diensten dit al gedaan hebben. Ze zijn passende gebruikers van gebouwen die ze nu aan de ‘markt’ overlaten en waarvoor niet altijd een passende bestemming voor de hand ligt. Ik denk aan de gebouwen op de Grote Markt (Bruggen en Wegen), langs de Langerei (Kadaster), in de Werkhuisstraat (stedenbouw, onroerend erfgoed), enz. Het is niet aan de stad om dit verkeerde voorbeeld te volgen.

Een stadsambtenaar beaamt dit en schrijft me: “Wat mij het meest stoort is het (onjuiste) signaal dat naar buiten toe wordt gegeven en dat inhoudt dat hergebruik van bestaande gebouwen niet meer mogelijk zou zijn (economisch, energetisch, enz.). De binnenstad wordt aldus meer en meer functioneel uitgehold en verliest de zo noodzakelijke evenwichtige menging van functies.”

Vergaderen?

Eén van de aangehaalde argumenten is dat er onvoldoende vergaderruimten zouden zijn in het stadhuis. Dit is naar mijn mening eveneens een onjuiste redenering. In de naast elkaar gelegen gebouwen van het stadhuis en van het Brugse Vrije lijkt het me dat er aardig wat vergaderruimten aanwezig zijn. Men moet ze om te beginnen optimaal willen gebruiken en ik denk dat op dat gebied nog heel wat kan gebeuren.

De mogelijkheden om ze in aantal te verhogen zijn daarbij ruimschoots aanwezig. Men hoeft in het stadhuis en het Brugse Vrije maar eens na te gaan wat op kelder- en zolderverdiepingen nog mogelijk is. Daarbij zal men vroeg of laat het stadsarchief uit het Brugse Vrije moeten doen verhuizen naar een passende, ruime, en vooral ook veiliger locatie. Als dat gebeurt, zal men ruimte zat hebben, zowel in de lokalen van de Civiele Griffie als in de prachtige kelders en ruime zolders van het Vrije.

Hopelijk zullen die vergaderruimten dan ook nog nuttig blijken en niet dienen om een overdreven vergaderdorst te lessen, één van de kwalen van deze tijd, de zogenaamde ‘vergaderitis’.

Is het anderzijds nodig dat alle schepenen in het aanzienlijke complex op de Burg hun kantoor hebben? Zoveel te beter als het gaat, maar absoluut noodzakelijk lijkt me dat niet. Alle schepenen hebben, net als de burgemeester hun kantoor in het gezamenlijke complex van stadhuis en Brugse Vrije, met uitzondering van de twee schepenen die met openbare werken en stedenbouw te maken hebben en die enkele honderden meter verder zitten, dicht bij hun diensten. Als ze liever met hun kantoor naar de Burg willen terugkeren (of er twee kantoren willen op nahouden) dan is hiervoor ongetwijfeld een oplossing te vinden. Ook de schepenen moeten trouwens niet aangemoedigd worden om bestendig bij elkaar over de vloer te komen en te ‘palaveren’. Met telefoon en e-mail is het meeste wel vlug te regelen. Mijn ervaring was destijds dat grondige besprekingen tijdens de wekelijkse zitting van het schepencollege ruim voldeden, samen met de vele andere gelegenheden waarop burgemeester, schepenen en hogere ambtenaren elkaar formeel en informeel ontmoetten. Hoe dan ook huizen ze allen niet ver van elkaar en is een afspraak al vlug gemaakt.

De immateriële aspecten

De mens leeft niet van brood alleen. Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat a + b zou bewezen worden dat het goedkoper en efficiënter is om een administratief centrum te bouwen, dan nog blijft het een ‘foute’ oplossing.

Het stadhuis, uitgebreid met het Vrije moet in lengte van jaren het kloppend hart en het zenuwcentrum blijven van het stedelijk gebeuren, zowel van de gemeenteraad, van het schepencollege als van de administratie en de dienstverlening aan de bevolking. Dit laten evolueren tot een zielloos en doelloos gebouw, onvermijdelijk met een museumachtige functie, zou onvergeeflijk zijn. Dit geldt voor de beleidsfuncties (burgemeester, schepenen, gemeenteraad) en als dit even kan – zoals het inderdaad in Brugge kan – ook voor de voornaamste administratieve functies. Dezelfde redenering wordt naar ik meen in alle steden met een historisch stadhuis ontwikkeld. Ik denk aan Brussel, Antwerpen, Gent, Sint-Niklaas, Luik, Mons, Namen, Doornik, Oudenaarde, Mechelen, Leuven, Kortrijk, Damme en ga zo maar door. Geen enkele van die steden denkt er aan om zijn stadhuis te verlaten, omdat men zogenaamd ‘efficiënter’ kan werken in een modern gebouw en kan vergaderen in moderne lokalen.

Ook al keur ik het niet goed, kan ik in zekere mate begrijpen dat voor de bijeenkomsten van de provincieraad een dure en gesofistikeerde vergaderzaal is gebouwd. De zaal in het gouvernementsgebouw had immers voor zijn gebruikers niet dezelfde gevoelswaarde als het stadhuis heeft voor de zijne. Het gebouw is immers nogal recent, net zoals de provincies zelf. Toch is het jammer dat het comfort hoger geplaatst werd dan de symboliek. Comfort dat men trouwens evengoed in de vroegere raadszaal had kunnen binnenbrengen.

De plaatselijke dienstverlening en de aanwezigheid van het stadsbestuur op elke deelgemeente blijft evenzeer een noodzaak. Als men de anonimiteit, de vervreemding, de bureaucratisering, in de hand wil werken, dan moet men de gemeentehuizen op de deelgemeenten maar afschaffen. Ik geloof niet dat dit goed zou zijn, integendeel. ‘Versnippering’ als een administratief ideaal? Ja, inderdaad.

Conclusie

Noch voor de dienstverlening aan de bevolking, noch voor een efficiënter werking van de stadsdiensten, noch voor de vermindering van de kosten zou een administratief centrum ook maar een begin van verbetering betekenen. Daarbij zouden de immateriële waarden van historisch besef, locale fierheid, esthetische voldoening, binding van heden met verleden, continuïteit, nationale en internationale uitstraling, er evenmin door gediend worden.

Daarom zeg ik dat dit een ‘fout’ goed idee is, waarvan ik de hoop uitspreek dat het in alle stilte zal worden opgeborgen. Ik moet, en het spijt me zeer, met deze zienswijze ingaan tegen het idee van een vriend, maar ‘Amicus Plato, sed magis amica Veritas’. Ik ben zeker dat hij een beredeneerde argumentatie zal appreciëren en verhoop hem te hebben overtuigd. Hij heeft ongetwijfeld nog voldoende echte goede ideeën!

Andries Van den Abeele

1 juli 2008

www.andriesvandenabeele.net