Het eerste stadsbestuur van Brugge

na de inlijving bij de Franse Republiek

22 januari 1795 – 7 maart 1796

Over de geschiedenis van Brugge in de Franse tijd, de periode 1794 tot 1815 bestaat geen algemeen overzichtswerk, niet eens onder de vorm van een niet-gepubliceerde licentiaatscriptie. Was dit wellicht een te verwarde en te ondoorzichtige tijd?

Als men naar de Bruges, histoire et souvenirs van Ad. Duclos grijpt, zal men er nauwelijks iets over die periode in terugvinden. In het meer recente overzichtswerk van J. A. Van Houtte, De geschiedenis van Brugge, worden er slechts enkele, weinig originele, bladzijden aan gewijd. Yvan Vanden Berghe eindigt in zijn Jacobijnen en Traditionalisten met de komst van de Fransen in juni 1794.

Bronnen over dit tijdperk en meer bepaald over de beginperiode die wordt omschreven als ‘époque intermédiaire’ zijn uiteraard in archieven te vinden, maar toegankelijke uitgegeven bronnen zijn er weinig. De meest interessante zijn de gedenkschriften van Jozef Van Walleghem, die gaan tot 1801 (jaren 1787-1797 gepubliceerd) en die van burgemeester Robert Coppieters, afgebroken bij zijn overlijden in 1797 en voor het grootste gedeelte gepubliceerd. Daarnaast zijn er de meer beknopte kronieken van Le Doulx en van Jan Karel Verbrugge. Een algemene studie, waarin men de gebeurtenissen en evoluties chronologisch kan situeren, ontbreekt.

Van de stadsbestuurders vanaf circa 1210 tot 1794 bestaan uitgebreide (weliswaar niet gepubliceerde) lijsten[1], maar voor de periode daarna moet men het zelf uitzoeken. Hierna alvast de samenstelling van het eerste stadsbestuur dat tijdens die periode aantrad[2].

De Franse overheersing vanaf juni 1794

Toen de Zuidelijke Nederlanden opnieuw door de Franse troepen werden veroverd, - voor Brugge gebeurde dit eerst op 25 juni en definitief op 30 juni 1794, - werden ze zonder verdere discussie bij de Franse Republiek ingelijfd. Tijdens de eerste vijftien maanden werden ze als wingewest en bezet gebied beschouwd en behandeld, onder het gezag van een militaire bevelhebber en van een nogal wanordelijke opeenvolging van republikeinse agenten die kwamen en gingen. Burgemeester Robert Coppieters vermeldt er enkele in zijn dagboek en dat waren ze ongetwijfeld nog niet allemaal: een ‘commissaire ordonnateur’ Lefort, twee ‘commissaires de guerre’ Quentin Plaisant en Delistre, vijf ‘commissaires représentants du peuple’ Richard, Fortin, Naus, Lacombe Saint-Michel[3] en Haussmann[4], alsook een ‘contrôleur ambulant’ Francoville[5]. Laurent[6] is de meest bijgebleven naam van een ‘représentant du peuple’, omdat hij een zware belasting van 4 miljoen guldens, te betalen in edele metalen, kwam opleggen. Al deze vertegenwoordigers waren Fransen, uiteraard vreemd aan de stad. Meestal logeerden ze in het voormalig Bisschoppelijk paleis of in de Eekhouteabdij.

Pas op 1 oktober 1795 kondigde de Nationale Conventie de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk af en werden de inwoners Franse staatsburgers. Het departement van de Leie kwam tot stand en de ‘commissaires représentants du peuple’ werden opgevolgd door een ‘commissaire du pouvoir exécutif pour le département de la Lys’. Een nieuwe departementale administratie werd opgericht, hoofdzakelijk bevolkt door Franse ambtenaren. Op 17 november werd het nieuwe uitvoerende bestuur, bestaande uit vijf man, vreemd aan de stad zoniet aan de provincie, voor het Leiedepartement benoemd. De Bruggeling Jacques Devaux (1764-1807) werd tot ‘commissaire du pouvoir exécutif’ aangesteld. Dit was de voornaamste vertegenwoordiger in het departement van het centraal gezag en voorloper van wat later de prefect en nog later de gouverneur zou zijn. Devaux zou het tot parlementslid brengen in de ‘Conseil des Cinq-Cents’, maar een vroegtijdige dood zou een einde maken aan een belovende loopbaan. Hij was getrouwd met Isabelle de Brouwer en zijn zoon was Paul Devaux, de latere Belgische staatsman[7].

De autonomie van de gemeentebesturen, die onder de Oostenrijkers al niet zo aanzienlijk meer was, werd nog verder beknot. Het leger en de vertegenwoordigers van het centrale gezag of ‘représentants du peuple’ trokken via de diensten van het departement, het grootste deel van de reële macht naar zich. Wat dan weer niet wil zeggen dat de gemeentebesturen onbestaande werden. Ze behielden een aantal bevoegdheden en hadden ook nog een zekere manoeuvreerruimte bij de uitoefening van hun functie. Hoofdzakelijk werden ze ingezet om de bevelen van de bezettende overheid aan de bevolking mee te delen en uit te voeren, alsook, zo goed en zo kwaad als het ging, de orde te handhaven.

Het laatste Ancien Regime stadsbestuur

Na de inname van de stad bleven de besturen van de stad Brugge en van het Brugse Vrije nog een geruime tijd in functie. De Franse bezetter liet ditmaal niet toe, zoals het bij de eerste inval van november 1792 was gebeurd, dat onder de druk van de plaatselijke revolutionairen om de haverklap een nieuw bestuur werd verkozen. De laatste besturen die door de Oostenrijkers waren geïnstalleerd (op 27 mei 1793 voor het Brugse Vrije en op 22 juli 1793 voor de stad Brugge) bleven nog praktisch zeven maanden hun functie uitoefenen, ook al waren sommige van hun leden voor de Fransen gevlucht[8].

Die besturen waren nog helemaal volgens het oude gewoonterecht samengesteld. Het stadsbestuur bestond uit de burgemeester van de schepenen en twaalf schepenen, de burgemeester van de raadsleden en twaalf raadsleden, met daarnaast nog de zes hoofdmannen van de stadswijken en de administratieve ambtsdragers, bestaande uit de stadsthesaurier, verschillende pensionarissen en griffiers. Het bestuur van het Brugse Vrije bestond uit vier burgemeesters, tweeëntwintig schepenen en acht pensionarissen en griffiers. De Oostenrijkers hadden aan beide besturen bij de laatste vernieuwingen een hoofdzakelijk traditionele bezetting gegeven, door voornamelijk edellieden te benoemen, meestal leden van families die al vele generaties die ambten bekleedden. In een geest van verzoening waren zelfs enkele onder hen, die voorstanders van de Brabantse Omwenteling waren geweest, in die besturen opgenomen. Toch hadden ook enkele leden van de burgerij hun intrede gedaan, weliswaar alleen in het bestuur van de stad Brugge en niet in dat van het Brugse Vrije: de vleeshandelaar Thomas Van Vyve (1755-1832)[9], de suikerraffinadeur Pieter Serdobbel (°Ruminghem bij Calais 1743 – Brugge 1803)[10], de advocaat Charles Holvoet (1741-1816)[11], de vishandelaar Bartholomeus Canneel (1747-na 1820)[12] en de kruidenier Pieter Gillon-Wielmaecker (1749-1828)[13].

Er bestaat geen studie over hun werkzaamheden tijdens de periode juni 1794 – januari 1795. Behielden ze enige autonomie? Waren ze alleen nog de uitvoerders van de instructies die ze vanwege de Franse overheid ontvingen? Dit vraagt om verder onderzoek. Het ging alvast om een verwarde en onzekere periode, waarbij de  samenleving grondig door elkaar werd geschud. Gelukkig ontsnapten onze gewesten aan het ergste, aangezien op 27 juli 1794 Robespierre ten val werd gebracht en hiermee een einde kwam aan de Terreur.

De Fransen legden na hun aankomst onmiddellijk de republikeinse kalender op en begonnen al op 4 juli 1794 met het invoeren van het papieren geld of assignaten. Algemeen was men van oordeel dat het om waardeloos geld ging. De onwil om die als betaalmiddel te aanvaarden was aanzienlijk, bij zover dat werd afgekondigd dat al wie weigerde betalingen te aanvaarden met assignaten tegen hun waarde a pari met de goudwaarde, de doodstraf zou oplopen (31 juli). Onmiddellijk ontstond trouwens een zeer lucratieve handel in valse assignaten, met de eruit voortspruitende jacht die op vervalsers werd ingezet. Anderzijds legde de Franse bezetter bijzonder hoge oorlogsbelastingen op: op 22 augustus werd op Brugge en ommeland de oorlogsheffing van vier miljoen Franse guldens gelegd. Die mocht alleen maar in edele metalen worden betaald. Kerken, kloosters, openbare besturen en particulieren trokken naar de edelsmeden om hun waardevolle voorwerpen tot goud- of zilverstaven te doen smelten. De besturen van Brugge en van het Brugse Vrije werden met het innen belast en stelden hiervoor een bijzondere commissie samen. Ondertussen liepen vertegenwoordigers van de Franse bezetter de verschillende ontvangers en kassiers van publieke gelden af, deden de rekening opmaken en namen alle saldo’s in baar geld mee.

Snel begonnen ook zowel de nieuwe reglementen als de opvorderingen van allerhande goederen zwaar op de bevolking te wegen. Het begon met het verplichte indienen van alle wapens (5 juli), de opeising van alle goederen afkomstig van Franse ‘émigrés’ (9 juli), het verbod valse berichten tegen de Republiek uit te strooien (17 juli), de opeising van o.m. grof linnen, koorden, potas, salpeter, buskruit, ijzer en koper (17 juli), het opstellen van de lijst van afwezige burgers (19 juli), de opeising van alle kruiwagens (22 juli), van haver (23 juli), van levensnoodzakelijke goederen (29 juli), van luxepaarden (2 augustus), van tienduizend stuks van elk van de volgende goederen: hemden, schoenen, lederen rugzakken, kousen, linnen zakken, slobkousen, runderhuiden, dekens, alsook tienduizend ellen laken en nog eens tienduizend voor tenten (8 augustus), van wol, garen en saai (9 augustus), van indigo en olie (23 augustus), van koetsen en harnassen (28 augustus), van alle trekpaarden (9 september), van lijnwaad (22 september), van koeien, ossen, schapen en kalvers (25 september), van leder voor het maken van 15.000 paar schoenen (5 januari). Op 23 augustus werden voor het eerst 800 mannen opgeëist – ‘pioniers’ werden ze genoemd - tussen de 20 en de 30, om verdedigingswerken uit te voeren in Duinkerken. Omdat er te weinig opdaagden werd de leeftijdsgrens uitgebreid: van 18 tot 40 jaar. Vanaf begin september werd werk gemaakt van het wegnemen van kunstwerken uit de kerken, om ze naar Parijs te voeren. De Madonna van Michel Angelo bevond zich onder de eerste. Werk van Jan van Eyck, Gerard David, Hans Memling, volgde.

Ook al werden kort na de inname van de stad, geruststellende plakkaten uitgehangen (4 juli 1794), die verzekerden dat de rust en de veiligheid van de inwoners, evenals de vrije godsdienstbeoefening gegarandeerd werden, bleef het alles behalve rustig. De hoofdzakelijke aanleiding tot onrust en rellen was de hortende voedselbevoorrading. Niet alleen werd veel door de bezetter opgeëist, maar de onveiligheid weerhield er de boeren van om met hun goederen naar de markt te komen, ondanks verordeningen waarbij hun veiligheid werd gewaarborgd. Als er dan toch goederen werden aangeboden, graan vooral, of ook eieren, boter en gevogelte, liep de bevolking storm en werden mensen dood getrappeld of verstikt in de massa. Er was dan ook regelmatig oproer en ‘murmuratie’, waarbij honderden vrouwen het Franse commando of het stadsbestuur onder druk zetten. Om de gerantsoeneerde voedingswaren te verdelen werd een ‘Comité de subsistance’ opgericht.

Ondertussen maakten de Fransen er werk van om het publieke leven op republikeinse leest te schouwen. Iedereen werd verplicht een Franse kokarde te dragen (6 juli). De republikeinse kalender kwam in voege en de eerste republikeinse feesten werden georganiseerd. De minste overwinning van de Franse legers werd gevierd door overdadig klokkengelui, urenlange beiaardconcerten en talrijke kanonschoten.

De orde werd militair gehandhaafd. De jacht op Franse vluchtelingen werd ingezet en als er gesnapt werden, volgde zonder meer hun executie. Alle vreemdelingen zonder geldig paspoort werden gearresteerd (21 juli) en dagelijks moest een lijst worden opgemaakt van de in de stad aanwezige vreemdelingen (21 augustus). De ordehandhaving belette niet dat talrijke criminele daden werden gesteld. Daarom werd een nachtelijk uitgangsverbod ingesteld (15 september). Toen het bericht Brugge bereikte dat de Brugse notabele Pieter d’Herbe op 17 oktober 1794 in Brussel was gefusilleerd[14], omwille van de bijstand die hij had verleend aan Franse vluchtelingen, en dat handelaar Frans Serweytens maar net aan hetzelfde lot was ontsnapt[15], werd het iedereen duidelijk dat het regime steeds strenger begon op te treden. In Brugge zelf werden enkele vooraanstaanden gearresteerd, de huizen van de vluchtelingen werden verzegeld en als ze terugkwamen werden ze opgepakt. Ook al zijn er geen gegevens over enig verzet vanwege het op zijn laatste benen lopende stadsbestuur, mag men minstens veronderstellen dat de nieuwe orde (of wanorde) niet met de goedkeuring van de nog door de Oostenrijkers benoemde stadsbestuurders tot stand kwam. Ze wisten trouwens dat hun bestuur geen lang leven was beschoren. Door de oprichting in september van een criminele rechtbank was hen al een deel van hun rechterlijke macht ontnomen.

21 januari: Comité de surveillance

Het is pas in de tweede helft van januari 1795, bijna zeven maanden na de Franse intocht, dat de door de Oostenrijkers aangestelde gemeentebesturen werden afgezet en vervangen door nieuwe. Op 21 januari werden de besturen van de stad Brugge en van het Brugse Vrije op bevel van de militaire commandant afgeschaft. De datum was niet onschuldig: men vierde met groot omhaal en gedruis de tweede verjaardag van de terechtstelling van Lodewijk XVI.

Diezelfde dag werd een geïmporteerd bestuursorgaan opgericht onder de naam Comité de surveillance of Comiteyt van Waekzaemheyd. Dergelijke comités waren in Frankrijk ontstaan vanaf 1792 en hadden als hoofddoel te strijden tegen de gematigden. In 1793 waren ze veralgemeend en bij wet bevestigd. Zo was er de wet van 21 maart 1793 die besliste dat in elke gemeente een comité van twaalf vrais sans-culottes zou worden opgericht, dat de ziel van de Revolutie moest zijn. Voornaamste taak van dit comité bestond erin de vijanden van de Revolutie bij de overheid aan te klagen. De wet van 4 december 1793 had deze comités geassocieerd aan de gemeentebesturen voor alles wat de uitvoering van de revolutionaire wetten betrof. De Comités de surveillance hadden als opdracht jacht te maken op alle verdachten, aan hun arrestatie mee te werken, de overheid te controleren en bestuurders aan te klagen wegens ‘moderantisme’. Ze kregen ook de opdracht propaganda te voeren en onder meer de patriottische feesten in te richten.

Het in Brugge opgerichte Comité ging onmiddellijk zitting houden in het Brugse Vrije en bestond uit negen hevige aanhangers van de Franse republiek. Fransgezinde vagebonden, noemde Van Walleghem ze, de negen grootste schelmen van de stad Brugge, schreef Le Doulx. Het Comité kreeg als opdracht de opvolging te verzekeren van de strenge maatregelen die werden genomen in verband met de bijzondere oorlogsbelastingen, waarvan tot dan toe onvoldoende was geïnd. De negen leden waren: de Franse agent Goderis Genotte (1753-1796), timmerman Maeyens[16], kuiper Jean-Louis De Clercq, kruidenier De Clercq–Denys, schipper Melchior Lameire, handelaar De Baene (gewezen valsmunster, schreef Le Doulx), ontvanger François Goudeseune, timmerman Pierre Dorez en chirurgijn Verbrugghe uit Moerkerke. Op bestuurlijk vlak waren deze kleine middenstanders absolute nieuwkomers, die hun promotie alleen te danken hadden aan hun slaafse aanhankelijkheid tegenover de Franse bezetter. Ze namen hun taak onmiddellijk heel ernstig op en maakten jacht op de notabele burgers en geestelijken die hun aandeel in de oorlogsbelasting niet of onvolledig hadden voldaan. De eerste nacht na hun aanstelling arresteerden ze, met de medewerking van het Franse leger, drie en zestig personen. Na een nacht doorgebracht te hebben in het stadhuis (voor de geestelijken) en in het paleis van het Vrije (voor de burgers), werden ze bij dageraad naar Frankrijk weggevoerd. Enkele dagen later volgde nog een twintigtal. In de daaropvolgende dagen installeerden de comitéleden zich in het prestigieuze Paleis van het Vrije en plaatsten een groot bord boven de poort met het opschrift ‘Comité de surveillance’.

De Terreur was toen al zes maanden voorbij en aan dit soort comités was geen lang leven meer beschoren. Op 18 februari 1795, minder dan een maand na de oprichting in Brugge, werden ze in gans Frankrijk afgeschaft. De Convention deed immers inspanningen om meer gematigd op te treden. Zes van de negen leden van het Brugs comité waren al, in het vooruitzicht van deze verdwijning, opgevist en vanaf 15 februari toegevoegd aan de gemeenteraad.

22 januari 1795: het eerste Franse stadsbestuur

Het Comité de surveillance had specifieke doelstellingen en kwam er niet in vervanging van de afgeschafte besturen van Brugge en het Vrije. Hiervoor werd op 22 januari 1795 een nieuw gemeentebestuur aangesteld. Het decreet hiertoe was in Brussel ondertekend door Haussmann en werd in Brugge afgekondigd en ten uitvoer gebracht door adjudant-generaal J. H. Lacombe Saint-Michel. Er werd hiermee geïnnoveerd want het nieuwe bestuur verving naast het bestuur van de stad, ook dat van een gedeelte van het Brugse Vrije, namelijk de ruime periferie rond Brugge, niet alleen de randgemeenten, maar ook verder gelegen gemeenten zoals Torhout, Gistel, Blankenberge, Leffinge, Beernem, Oedelem, Eeklo, enz. Om die reden werden vertegenwoordigers van die gemeenten in het stadsbestuur opgenomen. Het werd een wel héél uitgestrekt ‘Groot Brugge’ avant la lettre.

In de nieuwe samenstelling bleven nog enkele elementen over uit het Ancien Regime, ook al kregen ze een andere inhoud. Zo bleef er een burgemeester, die voortaan ‘maire’ werd genoemd. Onder hem stond een ‘baljuw’, in zekere mate de opvolger van de vroegere ‘burgemeester van de commune’, bevoegd voor de openbare orde. Alle overige leden van het bestuur werden schepen genoemd, maar omdat er zodanig veel waren (eerst zes en twintig, weldra drie en dertig) kan men ze eigenlijk als niets méér dan raadsleden beschouwen. Een bijzonder kenmerk, dat herinnerde aan de werkwijze vroeger in de Jacobijnse clubs, was dat om de veertien dagen een raadslid tot voorzitter en een andere tot ondervoorzitter van de raad werden aangeduid.

De eerste aanstelling bestond dus uit de maire, de baljuw en 26 leden. Twee onder hen, de Tilly en Van Huele werden aangeduid als specifieke vertegenwoordigers van de ‘vluchtelingen’. Een week later werd daar Valentin Jacoby aan toegevoegd met het argument dat hij onmisbaar was. Veertien dagen na hem werden zes leden van het opgedoekte ‘Comité de surveillance’ opgevist.

Alle Brugse leden van dit nieuwe bestuur, waren tijdens de eerste Franse overheersing einde 1792 – begin 1793, lid geweest van het ‘Genoodschap der Vrienden van Eendragt, Vrijheijd en Gelijkheijd’ of ‘Jacobijnse Club’, met uitzondering van een paar die in die tijd niet in Brugge verbleven en ongetwijfeld elders hun revolutionaire sporen verdienden. Er werd dus wel degelijk geput uit de groep van degenen die al langer tot de Fransgezinde coterie behoorden. Niet allen waren vanaf 1792 al onmiddellijk voor aanhechting bij Frankrijk geweest, want velen hoopten toen nog dat 1789 zich zou herhalen en de Zuidelijke Nederlanden onafhankelijk zouden worden. Achteraf waren de meesten in Fransgezinde richting geëvolueerd en hadden zich bij de terugkeer van de Franse troepen ook als dusdanig gemanifesteerd.

De oude ambtsadel werd definitief buiten spel gezet en alle benoemden behoorden tot de burgerij. De enige uitzondering hierop was (voormalig) ridder Jean-Jacques van Outryve de Merckem (1740-1815), die tot algemeen ontvanger werd benoemd. Niet alleen werd deze edelman van recente datum (pas sinds 1771) in de eerste plaats aanzien als de ondernemer die hij niet had opgehouden te zijn, maar hij had resoluut gekozen eerst voor de Brabantse revolutie, nadien voor de Franse, afstand doende van zijn adellijke titel en naam, door zich voortaan Outryve-Peers te noemen. Zijn collega Pieter Serdobbel, van Noord-Franse afkomst, behoorde eveneens tot de welvarende handelaars en was schepen geweest in het net afgeschafte, nog door de Oostenrijkers aangestelde schepencollege. Ook onder de republiek bleef men, toen althans nog, aan de stelling houden dat wie de publieke penningen beheerde, bij voorkeur zelf rijk moest zijn, opdat hij enerzijds niet in de verleiding zou komen voor eigen gebruik in de kas te grabbelen en anderzijds voldoende waarborgen bood met zijn eigen goederen, als tekorten werden vastgesteld.

In hoofdzaak behoorden de nieuwe bestuurders niet tot de kleine middenstand van de vroegere ambachten en neringen (zoals dit het geval was met het ‘Comité de Surveillance’), maar tot de gegoede burgerij, die van kooplui, industriëlen en beoefenaars van vrije beroepen. De leidinggevende figuren waren late vijftigers en zestigers, terwijl de meeste gewone leden dertigers waren. Een paar van die nieuwelingen zouden het later nog ver brengen, terwijl de meesten snel weer in de anonimiteit verdwenen. Opvallend in de lijst is de aanwezigheid van zeven beoefenaars van geneeskundige beroepen: artsen, chirurgijnen en apothekers.

Voor de stadssecretarissen, opvolgers van de vroegere pensionarissen en griffiers, opteerde men voor ‘vaste waarden’, namelijk vier min of meer revolutiegezinde advocaten die onder het Oostenrijkse regime al behoorlijk hadden gefunctioneerd en de verschillende op elkaar volgende regimes omwille van hun vakbekwaamheid hadden overleefd.

Activiteiten

Eén van de eerste taken van het nieuwe bestuur bestond erin, op 29 januari 1795 de eerste ‘decadi’ feesten in te richten, waarbij aan ieder huis de Franse vlag moest hangen en iedere burger de Franse kokarde moest dragen. Ook voor andere feesten moest het stadsbestuur als gangmaker optreden. De traditionele, in de eerste plaats godsdienstige feesten liepen op hun laatste benen. Op 3 mei 1795 stapte maire Ryelandt met enkele andere gemeentebestuurders nog op in de H. Bloedprocessie maar op 22 juli werden alle processies buiten de kerkgebouwen verboden. Op 3 februari 1796 verdwenen ook alle andere godsdienstige manifestaties, zoals berechtingen of begrafenisstoeten, uit het straatbeeld.

Een volgende taak voor het nieuwe bestuur was het invoeren van de Burgerlijke stand. Voor dat eerste jaar 1795 werd het een catastrofe: slechts drie geboorten, drie huwelijken en één overlijden werden ingeschreven, tegen 1025 dopen en 335 huwelijken in de Brugse parochieboeken. De eerste geboorteaangifte betrof Brutus Genotte, zoon van de Franse agent Genotte. Een ‘wonderbaer kint’ schreef Van Walleghem, want de vader was niet in Brugge op het tijdstip dat het verwekt werd. De ene getuige was Jacques Herdeboudt, zoon van echtelieden die als een der eerste in het huwelijksregister zouden voorkomen…omdat ze hun echtscheiding lieten registreren. De andere getuige was Marie-Thérèse Breydel (1771-1808), lid van een gezin ‘genoegzaem om hunne Fransgesintheyt bekent’. Zij was de zus van de ‘Bekende Bruggeling’ Charles Breydel, die in 1790 was gesneuveld in het Patriottenleger en ze zou weldra de schoonzus worden van François Busschop. Het zou nog tot augustus 1796 duren vooraleer de Burgerlijke stand definitief de plaats van de parochieregisters innam.

Pijnlijker was de taak van het ophalen van de centen die door de Franse overheid werden opgeëist door de gedwongen lening van 30 december 1795. Voor het ganse Leiedepartement moest de som van 5 miljoen Franse livres worden opgehaald. Dit verliep heel moeizaam.

Stilaan werden ook bij de ondergeschikte besturen nieuwe verantwoordelijken aangesteld. Dit was in de eerste plaats het geval bij de Armenkamers die weldra zouden worden omgevormd tot Bestuur van de Burgerlijke Godshuizen. Maar ook op lagere echelons gebeurde dit. Zo kregen de voogden van het Sint-Janshospitaal, de oud-burgemeesters Robert Coppieters (1727-1797) en Charles de Schietere de Caprycke (1724-1801), op 29 oktober 1795 twee voogden toegevoegd: de gemeentebestuurders Pierre Vermeulen en François Busschop. Kort daarop zouden de twee oude voogden trouwens de bons krijgen.

Het eerste nieuwe gemeentebestuur van de Franse tijd bleef dertien maanden in functie. Hoe het zijn taak op verschillende domeinen vervulde, dient nog te worden uitgepluisd. Op dinsdag 8 maart 1796 werd met beiaard en klokkengelui de benoeming van weer een ander bestuur aangekondigd, dat ’s anderendaags officieel werd aangesteld. Het was een bestuur dat voortaan weer uitsluitend bevoegd was voor Brugge intra-muros. De nieuwe bestuurders sloten beter aan bij het strakker wordende bestuur dat werd opgelegd door het op 26 oktober 1795 aan de macht gekomen Directoire.

Andries Van den Abeele

Het op 22 januari 1795 benoemde stadsbestuur en zijn aanvullingen

 

Naam en functie

beroep en functies

geboorte en overlijden

In 1792lid Jac. Club

nr.

vroegere en (of)
latere ambten

OT: Oostenrijkse Tijd
BO: Brabantse Omwenteling – FT1 en FT2: Eerste en Tweede Franse overheersing

 

Burgemeester
of ‘Maire’

 

 

 

 

1.

Charles RYELANDT[17]

apotheker,

deken van de Kruidhalle

1722-1798

53

BO 1790: wijkmeester
FT1 1.12.1792: voorlopige vertegenwoordiger
FT1 13.02.1793: 4de wethouder

 

Baljuw

 

 

 

 

2

Jan TAILLIU[18]

advocaat,

suiker-raffinadeur

1767-1807

179

BO 2.04.92: wijkmeester
FT1 20.12.1792: schepen Brugge
FT1 31.01.1793: commissaris Brugse Vrije

 

schepenen

 

 

 

 

3.

François DE MEULENAERE - GILLIODTS[19]

koopman

1738-

43

OT 1787: leider Patriotten
BO 11.12.1789: 2de schepen
FT1 1.12.1792: voorlopige vertegenwoordiger
FT1 2.02.1793: commissaris
FT2 1800: schepen van Brugge

4.

Pierre-Jacques

VERMEULEN

geneesheer

1766-1818

34

BO 1790: wijkmeester
FT1 2.02.1793: voorlopige vertegenwoordiger Brugge

5.

François MICHOT – DE LA CAUWE[20]

apotheker

1755 -1823

40

FT1 18.12.1793: voorlopige vertegenwoordiger Br. Vrije
gevlucht naar Parijs in 1793

6.

Jacques MAMET[21]

brouwer

1766-1805

-

FT1 13.02.1793: wethouder
0T 18.07.1793: wijkmeester

7.

Jan SCHRAMME[22]

schilder

schoenmaker

1760 - na 1839

141

 

8.

Johannes HERRENS[23]

huidenvetter

- 30/09/1826

59

BO 1790: wijkmeester
FT1 13.02.1793: wethouder

9.

F. PERNEEL[24] (Beernem)

[notaris]

[Ruiselede 1765 – Beernem 1804]

 

FT1 1792: voorlopige vertegenwoordiger Br. Vrije

10.

SAVAT (Maldegem)

 

 

 

 

11.

VANDEPUTTE (Leffinge)

 

 

 

 

12.

Petrus Livinus CARTON[25] (Oedelem)

 

Aalter 1739/1742 – Oedelem 13/09/1823

 

 

13.

Philippe COLENS[26] (Oedelem)

chirurgijn

1756-

Brugge

8/01/1828

 

FT1 31.01.1793: voorlopige vertegenwoordiger Brugse Vrije

14.

Charles DE TILLY[27]

koopman

1753-1819

14

FT1 31.01.1793: commissaris Brugse Vrije
“vluchteling”

15.

Joseph VAN HUELE[28]

ontvanger

1765-1803

19

FT1 11.02.1793: bijgevoegd voorl. vertegenwoordiger
“vluchteling”
FT2 1796: burgemeester van Brugge

16.

Jean-François BARREEL-GODDYN[29]

huidenvetter

Menen1762- (Brussel?)

na 1816

18

FT1 31.01.1793: voorl. vertegenwoordiger Brugse Vrije
FT1 11.02.1793: bijgev. voorl. Vertegenwoordiger
FT2 1800: schepen van Brugge

17.

DE  KEIRSEMAKER (Eeklo)

 

 

 

FT2 13 april 1797: griffier criminele rechtbank Brugge

18.

Charles DE NET -RYELANDT[30]

kaarsen-
maker, kruidenier, makelaar

1760 – 22/11/1814

6

FT1 1792-93: functies in voorlopig stadsbestuur

19.

François BUSSCHOP-BREYDEL[31]

advocaat

1763-1840

108

1786: advocaat
BO 1790: raadpensionaris Brugge
FT2 1798: rechter Hof van Cassatie (Parijs)   
1815: raadsheer Hof van Cassatie (Parijs)

20.

Henri DELBAERE

landmeter

 

132

 

21.

BOUTTENS (Torhout)

geneesheer

† 1833

 

 

22.

Charles TOOMKINS[32] (Blankenberge)

geneesheer

1751-1827

 

FT2 1796: procureur rechtbank
FT2 1807: rechter criminele rechtbank

23.

Pierre-Josse DUVIVIER (Blankenberge)

chirurgijn

†Bredene 16/04/1810

 

 

24.

QUINTIN (Gistel)

huidenvetter

 

 

 

25.

François Joseph COPPEE[33]

magazijn-wachter

1751-1802

55

FT2 1796-1799: commissaire du Directoire bij het stadsbestuur van Brugge

26.

‘Georges’ LEY (Jacques? Nicolas?)

rentenier

Jacques 1756-1807

Nicolas 1759-

11

 

27.

Jean François

LEDOUX

huidenvetter

1762-

 

 

28.

François VERPLANCKE-PETIT[34]

koopman

1751-1815

133

FT2 1796: rechter
FT2 1800: griffier criminele rechtbank
FT2 1811: rechter

 

Toegevoegd op 29 januari 1795

 

 

 

 

29.

Valentin JACOBY[35]

koopman

1759-1811

91

FT1 1792-93: voorlopige bestuurder Brugse Vrije
FT2 1806: burgemeester St.-Kruis

 

Toegevoegd op 15 februari 1795

 

 

 

 

30.

François GOUDESEUNE[36]

handelaar ontvanger

1749-1815

65

FT2 21.01.1795: lid (voorzitter) Comité de surveillance
FT2 1796: rechter
FT2 1800: plaatsv. rechter

31.

DECLERCK-DENYS

kruidenier

1768-

115

FT2 21.01.1795: lid Comité de surveillance
FT2 vrederechter

32.

Engelbertus

DE BAENE

bleker

 

 

FT2 21.01.1795: lid Comité de surveillance

33

Melchior LAMEIRE[37]

schipper

1759-

134

FT2 21.01.1795: lid Comité de surveillance

34.

Pierre DOREZ-DENYS[38]

timmerman, later: directeur gemeentel. werken

Saint-Amand (Nord) 02/09/1763- Brugge

 

FT2 21.01.1795: lid Comité de surveillance

35.

Jean-Louis DECLERCK

kuiper

 

181

FT2 21.01.1795: lid Comité de surveillance

 

algemeen ontvanger

 

 

 

 

36.

Jean-Jacques VAN OUTRYVE DE MERCKEM

groot-
handelaar,
importeur, maritiem
verzekeraar

1740-1815

143

BO 1790: thesaurier Brugge

37.

Pierre J. SERDOBBEL –LEY[39]

suiker-raffinadeur

Rumin-
ghem (Calais)
1743 -
Brugge 6/04/1803

107

OT 1793: schepen van Brugge

 

secretarissen

 

 

 

 

38.

Charles HOLVOET[40]

advocaat

1741-1816

 

OT 1793: schepen van Brugge
FT2 1796: voorzitter rechtbank Leie
FT2 1800: rechter

39.

Charles DE BROUCKERE[41]

advocaat

1757- 1850

62

OT 1785: schepen Br. Vrije
OT 1787: rechter Oostende
FT2 1796: rechter Criminele Rechtbank Brugge
FT2 1800: raadsheer Hof v. Beroep, Brussel
FT2 1807: voorz. Crimineel Hof, Brugge
FT2 1811: voorz. Hof v. Beroep
FT2 1813: lid Corps Législatif
1814: comm. gen. Binnenl. Zaken
1815: gouverneur van Limburg
1828: Lid Eerste Kamer
1833: advocaat (Brugge)

40.

Henri Joseph YSENBRANDT

advocaat

Veurne
1752 – Hoogstade
1826

 

OT pensionaris Nieuwpoort
BO 1790: advocaat Brugge
FT1 1792: voorl. vertegenw.
FT2 1796: rechter
FT2 1807: rechter criminele rechtbank

41.

Olivier Joseph ROELS[42]

advocaatpensionaris

1766-1840

84

OT 1795: rechter
FT2 1809: plaatsv. rechter
1815: lid arr. raad
1816: griffier prov. W. Vl.
1830: lid Nationaal Congres (arr. Veurne)

Gepubliceerd in Brugs Ommeland, 2008, blz. 51-68



[1] D. VANDENAUWEELE, De wetsvernieuwingen in Brugge (1203-1364), onuitgegeven licentiaatsverhandeling; [A. SCHOUTEET en J. DE GROOTE, Stadsarchief Brugge], Lijst Wetsvernieuwingen 1363-1794 (getypte tekst).

[2] Stadsarchief Brugge, Resolutieboeken, 1792-1794 en 1794-1796 (AN III)

[3] Het ging om de militair Jean-Pierre Lacombe Saint-Michel (1749-1812) die in 1794-95 bij de ‘Armée du Nord’ één van de bevelvoerders was. Uit een adellijke familie gesproten, werd hij hevig revolutionair, zetelde in de Convention en de Conseil des Anciens, maar was ook regelmatig in militaire dienst. Hij eindigde als divisiegeneraal en bezweek aan de gevolgen van zijn verwondingen

[4] Nicolas Haussmann (1759-1847), commissaire aux armées in de veroverde gebieden, grootvader van de beroemde Parijse stedenbouwkundige baron Haussmann.

[5] Waarschijnlijk Charles-Bruno Francoville, advocaat, in 1789 afgevaardigde bij de Etats Généraux voor Calais.

[6] Claude Laurent (°1740), geneesheer in Straatsburg, werd in september 1792 lid van de Convention nationale en was aanhanger van Marat en Robespierre. Hij ontsnapte aan de Terreur en vervulde opdrachten in België met de Armée du Nord. Hij was vooral actief in het opleggen van hoge belastingen. In 1798 tot lid van de Conseil des 500  verkozen, verzette hij zich hevig tegen de staatsgreep door Bonaparte en werd hierom verbannen. Hij keerde naar Straatsburg terug waar hij opnieuw geneesheer werd in het militair hospitaal en in 1804 overleed.

[7] A. CORDEWIENER, Paul Devaux (1801-1880), in: Biographie nationale de Belgique, T. XXXIV, 1967-68, 211-230; A. VAN DEN ABEELE, Isidore Alleweireldt en de negentiende-eeuwse architectuur in Brugge, in: Brugs Ommeland, 1985, blz. 179-199

[8] Y. VANDEN BERGHE, Jacobijnen en traditionalisten, Deel II, Bijlagen, Brussel, 1972.

[9] J. VAN VYVE, Histoire et généalogie de la Famille van Vyve, Brussel, 1982, blz. 156-158.

[10] F. VAN DYCKE, Recueil héraldique (…), Brugge, 1851, blz. 252. Serdobbel was getrouwd met Marie-Elisabeth Ley uit de Ierse familie die zich als suikerrafinadeur in de Naaldenstraat in Brugge gevestigd had.

[11] P. HOLVOET, De genealogie Holvoet, Antwerpen, 1942.

[12] F. SIMON, Reacties der Bruggelingen tijdens het Voorlopig Bewind en de eerste jaren van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, Gent, 1965 (onuitgegeven), blz. 280-282.

[13] A. VAN DEN ABEELE, De “geestelijke vaders en moeders” van het klooster der Arme Klaren Coletienen in Brugge, Biekorf, 2003, p. 110-130

[14] P. VERHAEGEN, Le procès et la mort de P. J. D’Herbe de Bruges, in : Messager des sciences historiques de Belgique, 1894, blz. 257-279 ; H. DEMAREST, Een Bruggeling door de Fransen terechtgesteld in 1794, in : Brugs Ommeland, 1988, blz. 140-148.

[15] C. A. SERWEYTENS DE MERCX, Généalogie Serweytens de Mercx, in: Tablettes des Flandres, Vol. 8, 1960, blz. 209.

[16] Dezelfde die de Sint-Donaaskathedraal zou opkopen en slopen.

[17] A. VAN DEN ABEELE, Politieke apothekers, in: Brugge die Scone, 1995, n° 1. Het fortuin van Ryelandt werd in 1796 geschat op 80.000 Livres.

[18] Jan Tailliu woonde met zijn broer Charles en zijn twee zusters, alle ongehuwd, in Vlamingstraat  E18-3. Hun fortuin werd in 1796 op 25.000 livres geschat.

[19] François de Meulenaere was getrouwd met de zes jaar oudere Ursula Gilliodts. Ze woonden Hoogstraat  A2-21. Bij hen woonden hun dochter Marie (°1765) en haar echtgenoot Pierre Van der Plancke (1760-1798). Zijn fortuin werd in 1796 geschat op 100.000 livres.

[20] A. VAN DEN ABEELE, Politieke apothekers, a. w. Zijn fortuin werd in 1796 geschat op 6.000 livres.

[21] Jacques-Pierre Mamet, zoon van Jacques Mamet en Marie Carlier, werd in Blankenberge geboren op 15 augustus 1766 en overleed in Sint-Pieters-op-de-Dijk op 13 april 1805. Hij was getrouwd met Marie Florin (°Brugge 1762). Ze hadden drie dochters, onder wie Colette (1787-1864) die huwde met ontvanger Karel Van de Putte. Mamet werd brouwer in Brugge, eerst Smedenstraat D12-15 en, nadat hij Van Caester was opgevolgd in de Brouwerij De Zwaan, Simon-Stevinplein. Zijn fortuin werd in 1796 geschat op 4.000 livres.

[22] Schoenmaker Leonard Schramme woonde met zijn zes volwassen en ongehuwde kinderen, onder wie Jan, in de Korte Zilverstraat D22-21. In 1796 werd zijn fortuin op 4.000 livres geschat.

[23] Was getrouwd met Maria Maselis.

[24] Waarschijnlijk Eugène François Perneel die van 1796 tot 1804 notaris was in Oostkamp.

[25] Hij is de oudst bekende Carton uit de regio Aalter-Gent. Gehuwd met Maria De Kock (†1812). Hadden zonen, o. m. Johannes (Aalter1771 - Eede1842)

[26] A. VAN DEN ABEELE, De familie Colens in Brugge, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 2007, blz. 414-435.

[27] In 1796 werd zijn fortuin geschat op 80.000 livres. Hij was getrouwd en had vier kinderen, onder wie kapitein Charles de Tilly (°1786) die bij het Franse 86ste Infanterie de Ligne diende tot 02 juni 1815

[28] A. VAN DEN ABEELE, De familie Van Huele in de revolutietijd, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1993, blz. 89-107; idem, De filosoof Thomas Paine en zijn Brugse vriend Joseph Van Huele, in: Brugge die Scone, 1993, n° 4, blz. 7. In 1796 was Van Huele nog niet getrouwd en woonde met zijn twee broers en zijn zuster in bij hun vader Jan Van Huele, Engelsestraat A3-19. Het fortuin van de vader werd in 1796 geschat op 40.000 livres.

[29] A. VAN DEN ABEELE, Brugse suiker in de achttiende eeuw, in: Brugs Ommeland, 1995, blz. 2-22. Als verwante van generaal Van der Mersch schaarde Barreel zich bij de Vonkisten, en bekleedde onder het Frans bewind verscheidene functies in het stadsbestuur van Brugge en in de arrondissementsraad. Hij werd ook voorzitter van de Rechtbank van koophandel in Brugge. Zijn pro-franse revolutionaire houding belette niet dat hij de zusters van het Engels Klooster in bescher­ming nam. Hij trouwde met Thérèse Goddyn, weduwe van kruidenier Paul Feys (Brugge 1748-1790), overleden als lid van het Vrijwilligerskorps (patriotten) en onder grote volkstoeloop begraven. In 1796 werd het fortuin van Barreel geschat op 4.000 livres.

[30] Charles De Net was getrouwd met de 7 jaar oudere Isabelle Ryelandt. Ze woonden met hun drie kinderen op het adres E2-14. Behoorde tot de vriendenkring van drukker-uitgever Joseph Bogaert. In 1796 werd zijn fortuin geschat op 10.000 livres.

[31] L. VAN BIERVLIET, François Busschop, in: Nieuw Biografisch Woordenboek, VIII, 132; Eadem, Biekorf, 1977, blz. 218-221; A. VAN DEN ABEELE, De Noblesse d’Empire in West-Vlaanderen, in: Biekorf, 2002, blz. 309-332

[32] Geboren in Brugge, licentiaat medicijnen Leuven 1782, gevestigd in Blankenberge. Tijdens de revolutiejaren ging hij de politieke toer op en bij de hervorming van de rechtbanken werd hij openbaar aanklager. In 1810 schreef Beyts over hem: “ Il était médecin auparavant et certainement il n’est pas devenu jurisconsulte depuis: l’on n’a à Bruges aucun espoir qu’il le devienne jamais. Cependant c’est un homme probe, qui a peu de fortune, qui a une famille à nourrir, qui a toujours été extrêmement dévoué à la cause des Français, un homme enfin qui a rendu pendant longtemps des services et dont au moins le zèle n’a jamais été en défaut, si quelque fois son talent l’a trahi et son inintelligence. Je propose pour lui une pension de retraite, je certifie qu’il l’a vraiment méritée, par toute la bonne volonté avec laquelle pendant si longtemps il a rendu tous les services qu’il a pu rendre à la chose publique” (Ph. VAN HILLE, Het Hof van Beroep te Brussel en de rechtbanken van Oost- en West-Vlaanderen onder het Frans Bewind 1800-1814, Handzame, 1970, blz. 27). Hij keerde na 1814 naar de geneeskunde terug en werd dokter in het Sint-Janshospitaal tot aan zijn dood op 20 juni 1827. (I. DE MEYER,

[33] Hij stamde uit een handelaarsfamilie in Brugge maar zijn zaken liepen op een faillissement uit, waarna hij het met kleine betrekkingen zoals magazijnwachter moest stellen. Zie: A. VAN DEN ABEELE, Albert Coppé en Brugge, in: Albert Coppé, huldeboek, Brussel, 2006.

[34] Het gezin had zeven kinderen. Hij had geen diploma in de rechten maar zou zich door de praktijk de nodige kennis verwerven.

[35] A. VAN DEN ABEELE, Valentin Jacoby, burgemeester van Sint-Kruis (1806-1811), in: Brugs Ommeland, 1992, blz 37-53.

[36] A. VAN DEN ABEELE, De revolutionaire dame Caroline Lambert, in: Biekorf, 1999, blz. 560-565. Goudeseune was de schoonbroer van Caroline Lambert. Als beloning voor zijn republikeinse ijver werd hij in 1800 o.m. tot plaatsvervangend rechter benoemd in Brugge, maar de regeringscommissaris noteerde een paar jaar later dat hij "geen rechtsgeleerde (was) en noch verstandig, noch geschikt”. In 1810 werd hij bedankt. In een verslag van substituut procureur generaal Mercx werd over hem genoteerd: “Eerste plaatsvervangend rechter sinds het jaar VIII, is zijn gedrag onberispelijk, maar hij is zo onwetend dat men hem nooit heeft opgeroepen. Hij heeft dus sinds zijn aanstelling geen enkele zaak behandeld” (zie Ph. VAN HILLE, a. w.)

[37] Schipper Lameire, zoon van schipper Jacob Lameire, was getrouwd met Anne Pinson en woonde Spiegelrei A3-77. Nog in 1795 werd hij vinder in het ambacht van de schippers.

[38] Dorez trouwde op 30 april 1799 met de Brugse Anna Denys (°1762), dochter van een loodgieter. Hij was ondertussen directeur van de gemeentelijke werken geworden.

[39] Hij was getrouwd met Marie Ley, dochter van suikerraffinadeur Nicolas Ley en Jeanne Van Landschoot.

[40] In 1813 moest Holvoet als rechter ontslag nemen: hij was krankzinnig geworden.

[41] L. ROPPE, Charles de Brouckère, in: Nieuw Biografisch Woordenboek, III, 108

[42] Gehuwd met Françoise Van Severen, zus van Bernard en Jan van Severen

www.andriesvandenabeele.net