Zes eeuwen

 Gruuthusehandschrift

en zijn mogelijke eigenaars

Deel I. Van Gruuthuse tot Van Borsselen

Dat de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag sinds begin 2007 de eigenaar is van het Gruuthusehandschrift, is bekend. Dat de laatste privé-eigenaars tot de Brugse familie Van Caloen behoren, ook. Ik was in de gelegenheid de bemiddelaar te zijn die er de eigenaar François van Caloen en, na zijn onverwacht overlijden, zijn oudste zoon Alexandre van Caloen van overtuigde om niet naar een veilinghuis in Londen te stappen[1], maar vertrouwen te geven aan dr. Anne S. Korteweg, de conservator manuscripten van de KB in Den Haag[2]. De spannende momenten tijdens deze tussenkomst konden mijn belangstelling voor het handschrift alleen maar aanwakkeren en me onder meer tot de vraag brengen aan wie het door de eeuwen heen kan hebben toebehoord.

Het Gruuthusehandschrift is niet een groots uitgewerkt, met miniaturen verlucht boek, maar een handboek, een werkdocument, net iets méér dan een persoonlijk schrift, dat door de tijdgenoten niet als bijzonder of uniek zal zijn aangevoeld. Toch werd het bewaard en in ere gehouden, ook al werd er al eens aan geknutseld om de bladen binnen een boekband uniform te maken. Toen het niet meer in gebruik was, zal het handschrift naar een archiefkamer verhuisd zijn en daaraan heeft het ongetwijfeld zijn overleving te danken. Ook als ze er misschien de inhoud niet goed meer van snapten, hielden de erfgenamen het toch maar bij, zoals ze cartularia, familieoorkonden en boedelbeschrijvingen bijhielden.

De generaties kwamen en gingen. Het risico bestond dat één van de bezitters aan het opruimen zou slaan en papieren die geen betrekking hadden op eigendommen, contracten of erfenissen, buiten zou gooien. Of dat hij enkele van de mooiere kalligrafische bladzijden uit het handschrift zou rukken en ze zou verkopen of ze zou inlijsten en tegen de muur hangen. Het is gelukkig niet gebeurd, al blijken toch enkele bladen uit het handschrift te zijn gescheurd.

Lof dus voor de rij van opeenvolgende eigenaars, die dit kroonjuweel van de Nederlandse literatuur zes eeuwen lang voor ons hebben bewaard. Maar wie waren ze?

De eerste onbekende eigenaars

Studies hebben tot de conclusie geleid dat het Gruuthusehandschrift, uit drie verschillende handschriften bestaat, van ongelijke omvang en met uiteenlopende inhoud (7 gebeden, 147 liederen en 18 gedichten), die door minstens vijf scriptoren werden opgetekend. Wanneer zijn de drie bundels een convoluut geworden? Mysterie. Ze zitten samen in een negentiende-eeuwse kalfsleren band, door Willem De Vreese[3] gedateerd rond 1840. Waren ze voordien al samengebonden? Niemand schijnt het te weten, maar iedereen lijkt aan te nemen dat dit het geval was. Carton gaat er zelfs van uit dat het convoluut een eerste maal ingebonden werd onder Lodewijk van Gruuthuse. Ook Heeroma verzekert het: De drie samenstellende delen zijn ongeveer gelijktijdig en in één en hetzelfde scriptorium in Brugge geschreven[4]. Op zijn laatst in 1462 zijn ze in één band verenigd. Nog volgens Heeroma liet Gruuthuse het inbinden uitvoeren voor het eerst of bij vernieuwing[5]. Bewijzen geven de auteurs niet, ook niet voor een nieuwe band in de 18de eeuw. We zijn alleen zeker van de negentiende-eeuwse band die er kwam rond de tijd dat Carton het handschrift ter beschikking kreeg.

Zich baserende op tekstgegevens, hebben literatuurhistorici het ontstaan van de handschriften geplaatst rond 1385-1400, met als einddatum 1395 (Heeroma) of zelfs 1408 (Brinkman[6]), de periode dus van hertog Filips de Stoute (1342-1404) en Margaretha van Maele (1350-1405), de tijd ook van Jan II en Jan III van der Aa, heren van Gruuthuse, overgrootvader en grootvader van Lodewijk van Gruuthuse (1422-1492).

Voor de eerste decennia na het ontstaan van de handschriften, kan onmogelijk een eigenaar of eigenaars worden aangewezen. Waren ze eigendom van een dichter, een minnezanger of een vereniging van zulke lieden? Werden ze opgeborgen bij de documenten die toebehoorden aan het ambachtsgild van de ‘peltiers’ of bontwerkers, waar auteurs van sommige van de gedichten lid van waren[7]? Verbleven ze in de bergkast van een vereniging van speellieden, van een confrérie of van een klooster? Of belandden ze in de boekenkoffers van Jan II (°ca. 1340), Jan III (°ca. 1370 ) of Jan IV (°ca. 1395) van der Aa, de voorvaders van Lodewijk van Gruuthuse?[8] Niets laat ons toe ook maar enig uitsluitsel hieromtrent te geven.

Sommige auteurs hebben nochtans die laatste mogelijkheid ernstig genomen. Joris Reynaert schreef: Toch wordt in het algemeen aangenomen dat het manuscript al vroeger in het bezit van de Gruuthuses was: een Jan van Gruuthuse, mogelijk Lodewijks grootvader zou onder meer forestier van het toernooigezelschap van de Witte Beer zijn geweest, het genootschap waarvoor het veertiende van de langere gedichten werd geschreven[9]. We hebben al eerder aangetoond dat geen enkele Gruuthuse ooit forestier van het gezelschap van de Witte Beer was, terwijl het gedicht in kwestie zich tot de koning van het Driekoningenfeest en niet tot de forestier van dit gezelschap richtte. Hoe dan ook is hieruit geen enkele conclusie te halen voor wat betreft het eigenaarschap van het handschrift[10].

De heer van Gruuthuse

Rond 1450-1460 kan Lodewijk van Gruuthuse de eigenaar geworden zijn. Op de webstek van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag weet men het zeker: Het Gruuthuse-handschrift (hs. 79 K 10) is een oorspronkelijk uit Brugge afkomstige, zeer diverse verzameling Middelnederlandse berijmde literatuur, die omstreeks 1400 tot stand kwam. De naam van het handschrift is ontleend aan de vroegst bekende eigenaar, Lodewijk van Gruuthuse, heer van Brugge (ca.1422-1492), die het, lang na de vervaardiging, in de tweede helft van de vijftiende eeuw in zijn bezit kreeg[11].

Hiermee wordt in het voetspoor getreden van wat de eerste uitgever van de teksten, Karel Carton (1802-1863)[12], schreef in zijn inleiding in 1849: Het handschrift is sedert eeuwen in het huis en geslacht van Gruuthuse bewaert geworden en werd altijd aenzien als toebehoord hebbende aan de vermaerde boekerij van Louis de Gruuthuse [13]. Hoezo ‘sedert eeuwen’? Hoezo ‘aanzien als toebehoord hebbende’? Waar zijn de documenten die dit bewijzen? Carton voegde er trouwens wat beteuterd aan toe dat Joseph-Basile Van Praet (1754-1837) in zijn gedocumenteerde (maar geschiedkundig niet helemaal accurate) publicatie over Gruuthuse, geen gewag had gemaakt van dit handschrift. De in Parijs werkende Bruggeling Van Praet, bibliofiel maar geen historicus, vermoedde waarschijnlijk niet eens het bestaan van dit discreet in Brugge of Koolkerke bewaarde object[14]. Klaas Heeroma (1909-1972)[15] stapte natuurlijk door dezelfde deur: We weten alleen dat Loys van Gruuthuse (…) de codices of het convoluut moet hebben gekocht en voor het eerst of bij vernieuwing laten inbinden. Hij zal dat hebben gedaan uit familiale overwegingen[16]. Wel, wel, wel. We weten alleen zeker dat we niets zeker weten, noch over de aankoop (als het überhaupt om een aankoop ging), noch over het inbinden en alvast niets over familiale overwegingen die deze verwerving zouden gemotiveerd hebben. Waar die zekerheden op gesteund zijn, is dus onduidelijk, behalve dan op één element waar we zo dadelijk op terug komen.

Er bestaat geen eigentijds document dat de eigendom in hoofde van Lodewijk van Gruuthuse of van Margaretha van Borssele (ca1430-1510) bevestigt. Uiteraard is van hen geen spoor te bekennen in de literaire teksten zelf, aangezien ze nog lang niet geboren waren toen die ontstonden. Er is in de teksten ook geen enkele verwijzing naar de voorouders van Gruuthuse en de pogingen van Heeroma en anderen om ze toch hier of daar te ontdekken, behoren tot de fantasie.

De verwijzingen naar bezit door het echtpaar Gruuthuse, zoals die op het handschrift zijn toegevoegd (zie Deel II, Bijlage 2), worden door sommigen als argument voor het eigenaarschap gebruikt. De exegeten zitten er echter wel mee verveeld dat die enkele verwijzingen niet uit de tijd van de Gruuthuses zelf kunnen zijn. Jan Deschamps[17] en Claudine Lemaire[18] hielden het op een laat vijftiende-eeuwse hand. Willem De Vreese meende dat ze niet vroeger konden zijn aangebracht dan in de late 17de eeuw voor een paar onder hen, in de volle 18de eeuw voor de meeste[19]. Joris Reynaert opteerde, zonder echter zijn conclusie te argumenteren, voor een tijdstip tussenin, begin 17de eeuw dus[20]. De toevoegingen waren alvast het werk van iemand met weinig verstand van kalligrafie; de meeste toegevoegde teksten werden trouwens in gewoon schrift gepend. De schrijver of schrijvers ervan was of waren al evenmin bij machte de inhoud van het handschrift te beoordelen, aangezien die onterecht werd aangeduid als een ‘dagelijks gebedenboek’ of ‘livre d’oraison journalier’ van Gruuthuse. Ze hadden evenmin voldoende historische kennis. Gruuthuse bestempelen als ‘prince de Winchester’ was heel dom. Hij was prins van Steenhuyse en werd door koning van Engeland Edward IV tot graaf van Winchester benoemd. Hem prins van Winchester noemen was dus onzin. Geklungel door één of meer amateurs, lijkt me in verband met deze toevoegingen het juiste woord.

De relatie van het handschrift tot de heer van Gruuthuse wordt hierdoor onvermijdelijk verzwakt. De exegeten hebben uitgelegd dat de verwijzingen naar Gruuthuse en zijn vrouw, zoals die thans op het handschrift staan, er gekomen zijn in vervanging van vroegere teksten die, naar aanleiding van een vernieuwd inbinden, werden weggeknipt. Carton schreef dat ze waren aangebracht hoogstwaarschijnlijk naer de oorspronkelijke titel welke door den tijd of de onzorg of versleten of gedeeltelijk vernietigd was. Heeroma schrijft het als volgt: Zo is er, verspreid over verschillende bladzijden van ons handschrift nog wel meer te vinden die door diezelfde 18de-eeuwse hand blijkbaar van oude, bij het binden en afsnijden weggevallen aantekeningen werd overschreven. Tja, moet men dat geloven?… De teksten in kwestie staan namelijk tamelijk centraal geplaatst en een paar zijn inhoudelijk van dien aard dat als ze al in de 15de eeuw voorkwamen, ongetwijfeld ook wel midden op de bladzijden zouden gestaan hebben en niet ergens helemaal onderaan weggemoffeld, waar ze dan werden afgesneden. Carton en zijn navolgers moesten, om aannemelijk te maken dat in de 18de eeuw teksten waren weggeknipt en vervangen, vooropstellen dat het convoluut toen opnieuw werd ingebonden, maar rond 1840 kwam er alweer een nieuwe band. Is een zo snelle opeenvolging van inbinden aannemelijk? Op zo korte tijd moest een boekband, zeker van een handschrift dat niet zo vaak werd ter hand genomen, toch niet vervangen worden?

Het enigma van het wapenschild

Blijft nog het wapenschild van Gruuthuse dat op blz. 2 van het handschrift is geschilderd en dat de kern uitmaakt van de eigendomsaanspraak. Iedereen heeft zich hierover achter Carton geschaard, die schreefeeroma die uitdruk: Het wapen onderaan de eerste bladzijde is gespaard[21], maar een strook eronder moest, met wat erop geschreven stond, verdwijnen. Als de tekening van het wapen inderdaad uit de 15de eeuw dateert, dan mag men het scepticisme laten varen en aannemen dat het handschrift, minstens het eerste katern ervan, gedurende een aantal jaren (een dertigtal of iets méér) aan Gruuthuse heeft toebehoord. Het wapen ziet er stilistisch uit zoals het in andere 15de-eeuwse geschriften voorkomt. Niet dat dit een onbetwistbaar argument is, want het gaat om een sober en strak wapen dat hoe dan ook weinig of geen varianten toelaat en ongewijzigd werd afgebeeld, ook in latere eeuwen. De meeste heraldische tekenaars kenden hun vak in de Lage Landen.

Als belangrijker heeft men het feit beschouwd dat het schild onderaan de tekst bengelt, opgehangen met een lint aan een spijker. Dergelijke presentatie is ook terug te vinden in andere handschriften die moeten hebben toebehoord aan Lodewijk van Gruuthuse. Men heeft gemeend dat hij op die manier zijn wapen liet aanbrengen wanneer hij een manuscript uit een andere verzameling aankocht. Claudine Lemaire schreef: In de regel zijn de Gruuthuse-codices te herkennen aan hun specifieke eigendomskenmerken: op een aangekocht handschrift wordt het Gruuthusewapen op de eerste bladzijde aangebracht, terwijl in de randen van handschriften voor hem uitgevoerd, wapenspreuk, emblemen en initialen kunstig zijn aangebracht[22]. Alvorens te besluiten of hiermee zekerheid wordt geboden over de 15de-eeuwse herkomst, zullen we even nader op andere handschriften ingaan die geheel of gedeeltelijk hetzelfde kenmerk vertonen.

Het Lectionarum Gruuthusianum (ca1400) werd in 1812 aangekocht door Karel Van Hulthem (1764-1832) op de veiling van de verzameling van de Antwerpse graveur Adriaan Collaert (ca1560-1618)[23]. Het Boec van het Kerstene leven (ca 1413), behoorde tot de verzameling van Charles Edmond De Coussemaker (1805-1876) en werd in 1877 op de veiling ervan door de Koninklijke Bibliotheek aangekocht[24]. Het Onzen Heere Joncheit (ca1470) werd in 1811 door K. Van Hulthem gekocht op de veiling van de bibliotheek van Ant. Neuwens[25]. Het Rational des Divins Offices van Guillaume Durand, thans het manuscript 338 van de Bibliothèque Mazarine[26], is daar terecht gekomen einde 18de – begin 19de eeuw als onderdeel van één van de door de Franse republiek gekaapte bibliotheken. De Ung petyt traictaye de Noblesse (na 1450) werd op een niet vermelde datum aangekocht door de British Library bij F. T. Hammond[27]. Deze handschriften, waarvan sommige door Gruuthuse kant-en-klaar werden aangekocht en andere door hem werden besteld, zijn allen voorzien van het Gruuthusewapen, meestal omhangen met het halssnoer van het Gulden Vlies, en – met uitzondering van de eerst vernoemde - bengelend met een lint aan een haak. Men kan dus besluiten dat het hier om een gelijkvormige 15de-eeuwse of Gruuthusiaanse voorstelling gaat, die zekerheid zou moeten geven dat het wapen wel degelijk in de 15de eeuw op het handschrift werd aangebracht en dus zonder twijfel tot de Gruuthuselibrije heeft behoord. Toch denk ik dat nog verder onderzoek is vereist alvorens deze conclusie eens en voor goed te treffen.

Vooreerst beantwoorden die enkele boeken niet aan de melding dat het bengelende wapenschild telkens zou voorkomen op boeken die Gruuthuse aankocht en niet zelf deed vervaardigen. Het Lectionarum kocht hij aan en zijn wapenschild is er op aangebracht, maar zonder dat het aan een lintje bengelde. Onzen Heere Joncheyt en Ung petyt traictaye zijn meer dan waarschijnlijk op bestelling voor Gruuthuse gemaakt, zouden dus het wapen in een randversiering moeten hebben en toch bengelt het gewoon zonder verdere versiering. De logica die men heeft willen zien, is er dus niet.

In al de gemelde gevallen gaat het daarbij om handschriften die na de 15de eeuw grotendeels onnaspeurbare wegen hebben gevolgd in privé-handen, waarbij veel kan gebeurd zijn en sommige eigenaars inventief kunnen te werk zijn gegaan. Om redenen hen eigen, konden ze wellicht het wapenschild van Gruuthuse op die handschriften aanbrengen.

Men kan immers vaststellen dat de voorstelling van een wapenschild dat bengelt aan een lint of koord, al dan niet vastgehecht aan een spijker, méér dan in de vroegere eeuwen, voorkwam in de 17de en 18de eeuw. Brugge en de Zuidelijke Nederlanden telden toen heel wat bekwame heraldici en tekenaars, die de betekenis konden kennen van dit aan een touwtje bengelen, namelijk als het ging om het toevoegen van een wapen in een handschrift dat de eigenaar niet zelf had besteld (want zoniet zou hij zijn wapen hebben laten integreren in de tekst of de illustratie) maar dat hij als afgewerkt object had aangekocht en er zijn eigendomsmerk had op aangebracht, net zoals men in latere tijden een ‘ex libris’ in een boek kleefde. Ik vind in het recente boek Te Wapen[28] heel wat 17de en 18de-eeuwse voorbeelden van wapens die aan een lintje bengelen, en ben overtuigd dat verdere opzoeking er nog veel méér zou doen ontdekken.

Mijn conclusie is dat het wapenschild op het Gruuthusehandschrift, doordat het identiek voorkomt op sommige van de vermelde handschriften, in de richting wijst van de authenticiteit ervan. Nochtans blijft die conclusie voorzichtig, omdat de bekende gevallen behoren tot manuscripten die in privébibliotheken – religieuze of adellijke - zijn terecht gekomen en er gedurende verschillende eeuwen in bewaard werden, het meest waarschijnlijk in de Zuidelijke Nederlanden. In dat geval kan het wapen van Gruuthuse er tijdens de 17de of 18de eeuw zijn op aangebracht. Het is voldoende bekend dat men in die tijd graag documenten opfleurde of vervalste als het er op aankwam zich een mooiere afstamming te verschaffen of zich vooraanstaande relaties aan te meten. De librije van Gruuthuse bleef door de eeuwen heen bekend als een prestigieuze verzameling, zodat een bibliofiel die graag de banden met een verondersteld luisterrijk familieverleden wilde verstevigen, ook best het wapenschild van de Gruuthuses kan overgenomen hebben. De wat knullig aangebrachte teksten rond het wapenschild doen daarbij onvermijdelijk achterdocht rijzen. Er is eigenlijk maar één mogelijkheid om zekerheid te krijgen, meen ik, namelijk dat de voor het wapenschild gebruikte verfstof op ouderdom wordt onderzocht[29] of minstens een heel secuur vergelijkend onderzoek wordt uitgevoerd tussen dit wapen en Gruuthusewapens die gegarandeerd 15de-eeuws zijn.

De verzameling in de Bibliothèque nationale

Voor de controle van de authenticiteit van het wapenschild blijft nog een ander pad te bewandelen. In het gedeelte van de Gruuthuselibrije dat in de bibliotheek van de Franse koning Lodewijk XII terecht kwam, bevonden zich heel wat boeken – een veertigtal – die omwille van hun ouderdom behoren tot de werken die niet in opdracht van Lodewijk van Gruuthuse konden vervaardigd zijn maar die hij had aangekocht, of misschien van zijn vader geërfd. Van die handschriften is grote zekerheid dat ze al die eeuwen in dezelfde koninklijke bibliotheek gebleven zijn, tot ze uiteindelijk in de Bibliothèque nationale terecht kwamen. Volgens de beschrijving door Joseph Van Praet, komt het wapenschild van Gruuthuse er praktisch altijd op voor, meestal overschilderd met het wapen van de Franse koning. Daar moet men dus kunnen vaststellen of die door Gruuthuse aangekochte boeken, na de aankoop op eenvoudige wijze werden voorzien van zijn wapen, al dan niet bengelend aan een koord en gehecht aan een spijker.

Informatie hierover is tot hiertoe nergens te vinden en zal hopelijk worden behandeld in de aangekondigde catalogus van handschriften met Vlaamse oorsprong die binnen de Bibliothèque nationale wordt voorbereid. Conservators Marie-Pierre Laffitte en Pascal Schandel hebben ons ondertussen enkele gegevens bezorgd over 33 van de handschriften in de Gruuthusebibliotheek die als ‘aangekocht’ kunnen worden beschouwd[30]. Op een enkele uitzondering na is het wapen van Gruuthuse er op aangebracht. Weliswaar is het maar op drie exemplaren echt bewaard en op alle andere overschilderd met het wapen van Lodewijk XII, maar dat maakt voor onze opzoeking geen verschil, des te meer omdat het oorspronkelijke wapen in transparantie zichtbaar is. Hoewel het in principe om werk gaat dat Gruuthuse aankocht en niet zelf deed vervaardigen, maakt in de meerderheid van de gevallen het wapen deel uit van een lijstwerkversiering en slechts in enkele staat het afzonderlijk onderaan het blad, zonder andere versiering.

Slechts in vier gevallen bengelt het wapen aan een nagel. Van die vier gevallen zijn er drie waarop het wapenschild van Gruuthuse niet werd overschilderd, wat de vraag oproept of ze, in tegenstelling met de andere waarop dit het geval was, wel bij Lodewijk XII terecht kwamen of eerder langs andere wegen, wellicht na de Franse revolutie, in de Bibliothèque nationale belandden. Ook het feit dat ze een veel hoger catalogusnummer dragen dan de meeste, kan in die richting doen denken[31]. De algemene voorstelling zoals Claudine Lemaire ze vooropstelde is dus helemaal niet bevestigd. Niettemin, al was het dus niet vaak op de vermelde wijze dat het wapenschild werd geplaatst en al blijven vragen hangen, mag men geredelijk concluderen dat in de tijd van Lodewijk van Gruuthuse het wapenschild inderdaad soms zonder andere versiering werd aangebracht, gewoon met een koord of lint aan een nagel bengelende. Dit versterkt dus de thesis dat het hier behandelde handschrift ooit aan hem heeft toebehoord en zijn wapenschild er in die tijd werd op aangebracht.

Toch is er nog een ander element dat doet twijfelen aan de authenticiteit en aan het tijdstip. De heraldische beschrijving van het Gruuthusewapen luidt als volgt: gevierendeeld, in het eerste en vierde kwartier van goud met een kruis van sabel; in het tweede en derde kwartier van keel met een Sint-Andrieskruis van zilver. Zo vindt men het overal nauwkeurig uitgevoerd. Het is dan ook verbazend dat dit op ons handschrift niet het geval is. Het Sint-Andrieskruis is immers op beide kwartieren niet in zilver maar in sabel. Een merkwaardige afwijking, die een bijkomende twijfel doet rijzen of dit wapen wel in de tijd van Lodewijk van Gruuthuse kan zijn aangebracht. De heraldici zouden zoiets toch niet aangedurfd hebben, wetende dat dit boek onder de ogen van de eigenaar zou komen? Men kent genoeg de lichtgeraaktheid van de edellieden voor alles wat met hun status te maken had[32].

Natuurlijk is het nu toch net zilver dat kan oxideren en zwart uitslaan. Het brengt ons dus toch niet zoveel verder. Maar waarom is dit hier het geval en niet bij Gruuthusewapens op andere handschriften? Dit lijkt me een bijkomend argument om grondig onderzoek te verrichten.

Exit Lodewijk van Gruuthuse

Is de datum waarop het handschrift in het bezit zou gekomen zijn van Lodewijk van Gruuthuse alleen bij benadering bekend, dan zijn we al evenmin zeker van het tijdstip en de aanleiding waarop het uit zijn bezit of dat van zijn erfgenamen verdween. Als men aanneemt dat het in het bezit van Gruuthuse bleef tot het einde van zijn leven, dan zou men mogen veronderstellen dat het met de meeste andere handschriften door zijn zoon werd ingepakt, toen die naar Frankrijk vertrok.

We weten dat dit niet het geval was, maar weten niet bij wie het na Gruuthuse terecht kwam. Net als andere handschriften uit de Gruuthuselibrije die her en der na de Franse revolutie te voorschijn kwamen en direct of na een omweg in openbare collecties terecht kwamen, bleek ons handschrift een gans andere weg te hebben gevolgd. Maar welke weg? De onzekerheid hierover is troef en zet ons aan om een paar pistes te bewandelen.

Het huwelijk Van Caloen - Van Borsselen

In het handschrift zelf komt een overzicht voor van de eigenaars ervan tijdens de laatste twee eeuwen (Zie na Deel II, bijlage 1). Dit overzicht, in hedendaags schrift, is, gelet op het ‘nous en descendons’ dat verband houdt met de melding dat hun familie afstamt van de Gruuthuses, van de hand van een Van Caloen. De auteur blijkt Jean van Caloen (1884-1972) te zijn, de eigenaar van het kasteel van Loppem, genealoog van de familie, amateurhistoricus en groot collectioneur, die tegelijk de neef en de schoonzoon was van de kasteelheer van Ten Berghe, Ernest van Caloen en zijn echtgenote Marguerite van Caloen de Basseghem, van wie hij de dochter Caroline van Caloen (1896-1926), zijn volle nicht, had getrouwd. Die tekst benadrukte dat het handschrift afkomstig was van de familie Van Caloen en door Paul van Caloen de Basseghem aan zijn dochter Marguerite was geschonken.[33] Er blijven bij het lezen van deze tekst heel wat vragen hangen, in de eerste plaats op welke documenten of gegevens de auteur ervan zich wel kan hebben gebaseerd, tenzij het uitsluitend om familiale overlevering ging.

Vooral vertelt de nota dat het handschrift bij de Van Caloens terecht kwam als een gevolg van het huwelijk in 1779 van barones Marie-Constance van Borsselen van der Hooghe (1752-1824) met de achttien jaar oudere Jean-Adrien van Caloen (1734-1813)[34]. Dat hoeft niet te betekenen dat ze het, als een onderdeel van haar bruidschat, al onmiddellijk meebracht, wat de tekst trouwens ook niet zegt. De bruid had namelijk een oudere broer, Philippe-Nicolas van Borsselen van der Hooghe (1751-1829), die het familiehoofd was.

Onder het Ancien Regime bleef deze Van Borsselen zo onzichtbaar, dat men zich kan afvragen of hij wel al die tijd in Brugge verbleef, hoewel hij dan toch in 1778 steunend lid werd van de Kunstacademie en in 1787 trouwde. In 1792 ging hij, in opvolging van zijn overleden schoonouders in het hotel Claesman wonen in de Sint-Jacobstraat. Men zou hem, na zijn vader en grootvader, in het bestuur van het Brugse Vrije verwacht hebben, maar daar dook hij niet op. Pas in januari 1793, tijdens de Eerste Franse overheersing, werd hij op een volksvergadering tot schepen van het Brugse Vrije verkozen, in een samenstelling trouwens die alles behalve revolutionair en Fransgezind was. Men kan zich afvragen of Van Borsselen wel van die aanstelling op de hoogte was en vooral of hij ze aanvaardde. Dit bestuur kwam trouwens nooit van de grond. Daarmee had hij de Oostenrijkers blijkbaar aan zijn bestaan herinnerd, want toen ze daar terug waren, werd hij op 27 mei 1793 tot schepen van Brugge aangesteld. Het duurde maar een paar maanden (misschien aanvaardde hij ook dit ambt niet) want bij een herschikking op 22 juli was hij er al niet meer bij. Hij bleef alleen nog belast met de taak van wijkmeester voor de eerste wijk in het Sint-Jacobskwartier. Tijdens de woelige jaren hield hij zich duidelijk gedeisd, terwijl hij, als één van de rijke inwoners van de stad, het hoofd te bieden had aan de opeenvolgende belastingsgolven.

Pas tegen het einde van het Franse keizerrijk kwam Van Borsselen weer te voorschijn, als lid van het kiescollege van het departement van de Leie. In mei 1810 behoorde hij tot de locale personaliteiten die werden voorgesteld aan Napoleon en Marie-Louise en verleende hij (verplicht) onderdak aan Francesco Borghese, prins Aldobrandini (1776-1839), schoonbroer van Pauline Borghese, de zus van de keizer[35]. Rond die tijd nam hij ook de bescheiden functie op van lid van de Brugse gemeenteraad. In die hoedanigheid werd hij op 13 september 1814 voorgesteld aan prins Willem van Oranje, bij die zijn bezoek aan Brugge. In maart daaropvolgend, toen Willem de troon besteeg, ging een vier man sterke delegatie in Den Haag een huldeadres overhandigen in naam van de Brugse gemeenteraad. De vier waren burgemeester baron Jean-Jacques van Zuylen van Nyevelt (1752-1846), graaf Jean-Charles de Carnin de Staden (1747-1826), schoonbroer van burgemeester de Croeser, baron Bruno de Heere de Beauvoorde (1757-1815), de laatste schout van Brugge en baron Philippe van Borsselen. Dit bezoek legde hen geen windeieren. Vooreerst werden ze alle vier bevestigd in hun adellijke status en opgenomen in de West-Vlaamse Ridderschap. Van Zuylen werd kort daarop door de koning tot lid benoemd van de Tweede kamer en bevestigd als burgemeester, terwijl Carnin en Borsselen in de Eerste kamer werden benoemd. Ze waren respectievelijk 63, 68 en 64 jaar oud. Alleen Bruno de Heere hoorde er niet meer bij: hij was in juni 1815 overleden.

Van Zuylen en Van Borsselen werden, zowel door de gemeenteraad van Brugge aangeduid voor de delegatie naar Den Haag, als door Willem I benoemd in hoge functies, omwille van hun Noord-Nederlandse wortels, die mochten doen veronderstellen dat ze de hereniging van de XVII Provincies binnen het Verenigd koninkrijk der Nederlanden bijzonder genegen waren. Daarbij was van Zuylen een verwant van Melchior Goubau d’Hovorst (1757-1836), directeur-generaal van de katholieke eredienst en één van de ‘kingmakers’ in Zuid-Nederland en was van Borsselen de schoonbroer van Eugène Goubau (1761-1839), broer van Melchior en voorzitter in het Hoog Gerechtshof in Brussel[36]. Bovendien was een ver familielid, Anton-Willem van Borssele van der Hooge (1784-1857), kamerheer van de koning.[37] Met dergelijke relaties stond men vooraan in de rij, en bleef van Borsselen lid van de Eerste kamer voor de provincie West-Vlaanderen vanaf september 1815 tot aan zijn dood.

Van Borsselen van der Hooghe

De naam Van Borsselen van der Hooghe[38] doet een belletje rinkelen dat ons in de richting van Margaretha van Borssele, de echtgenote van Lodewijk van Gruuthuse, doet kijken. Als het handschrift inderdaad in of na 1779 bij de van Caloens werd ingebracht door een bruid die de naam Van Borsselen droeg, doet het de gedachte rijzen dat de hiaat van ongeveer 300 jaar sinds de dood van Lodewijk van Gruuthuse misschien zou kunnen worden opgevuld. J. Reynaert heeft het als zekerheid genomen dat het handschrift, na de dood van Lodewijk, bij zijn weduwe bleef, en nadien bij haar familie: Na de dood van Lodewijks weduwe Margaretha, moet het handschrift in de familie van Borsele zijn overgeërfd tot in 1779 Marie Constance Van Borsele van der Hooghe trouwde met Jean Adrien van Caloen[39]. Laat ons nagaan of dit inderdaad kan bevestigd worden.

De bruid van Jean-Adrien van Caloen was de dochter van burgemeester van het Brugse Vrije (van 1749 tot 1754), Pieter-Lodewijk van Borsselen van der Hooghe (1709-1771) die in Brugge geboren was en er ook stierf, net als zijn twee echtgenoten, Jeanne d’Henrart de Ramelos (†1743) en Isabelle Van der Meersch (†1757)[40]. Het was zijn vader Philippe-Jozef van Borsselen van der Hooghe (1669-1727) die zich als eerste van de familie in Brugge was komen vestigen. In Middelburg (Zeeland) geboren en katholiek gedoopt[41], kwam hij naar het graafschap Vlaanderen om er in 1693 in Gent te trouwen met Marie-Isabelle Le Beuf, die een paar maanden later overleed. Twee jaar nadien hertrouwde hij met de Gentse Adrienne Rodriguez d’Evora y Vega (1669-1755). Hij verkocht het kasteel Ter Hooghe[42] bij Middelburg en kwam in Brugge wonen nadat hij in 1710 schepen werd van het Brugse Vrije en van 1713 tot aan zijn dood, burgemeester was[43]. Hij burgerde zich in Brugge goed in en was onder meer één van de stichters in 1721 van de Academie voor schilderkunst. Moet men aannemen dat hij al in het bezit was van het handschrift en het uit Middelburg had meegebracht? Dat zou ons al een goede honderd jaar hogerop helpen. Bij gebrek aan ook maar het minste document, is de veronderstelling enigszins vermetel, maar laat het er ons toch op wagen.

Om de hypothese van een oorsprong bij de familie Van Borssele op te bouwen, moeten we tot in de vijftiende eeuw opklimmen. De heren Van Borssele[44] waren vanaf de tweede helft van de 13de eeuw heer van Veere en later ook heer van Vlissingen. Ze ‘hamsterden’ de titels en heerlijkheden, waren verwant met de graven van Holland en van Zeeland en voerden de adel in dit gewest aan. Sommigen onder hen huwden met koningsdochters en één van hen, Frank van Borssele (1395-1470), werd de echtgenoot van de onfortuinlijke gravin Jacoba van Beieren (1401-1436). Adriaan van Borssele (1417-1468), kamerheer van de hertog, trouwde in 1457 met Anna van Bourgondië (ca1440-1508), één van de bastaarddochters van Filips de Goede. Dit waren allen heren van hoge stand, die niet moesten onderdoen voor Gruuthuse. Niet minder dan drie Borsseles werden ridder in de Orde van het Gulden Vlies.

De oudste tak was het nauwst met Veere verbonden. Hendrik II van Borssele (1404-1474), heer van Veere, Zandenburg en Zandycke, getrouwd met Johanna van Halewyn, werd al in 1445 in de Orde van het Gulden Vlies opgenomen. Zijn dochter was de Margaretha die met Lodewijk van Gruuthuse trouwde. Zijn zoon Wolfert VI van Borssele (1430-1487), die eveneens ridder van het Gulden Vlies werd, toonde door zijn huwelijken aan hoe hoog de familie was opgeklommen. Zijn eerste vrouw was Mary Stuart (1432-1465), een dochter van James I, koning van Schotland. De tweede, Charlotte de Bourbon-Montpensier (1443-1478) behoorde tot de Franse koninklijke familie. Zijn wettige zoons overleefden hem niet, zodat het einde van het geslacht in zicht kwam. Zijn dochter, Anna Van Borssele (1471-1518), dichteres, humaniste en beschermster van de jonge Erasmus, was de laatste Borssele die Vrouw van Veere en Vlissingen was. Ze huwde met Filips van Bourgondië-Beveren (±1450-1498), de heerlijkheid werd weldra verheven tot markizaat en het is als resultaat van een opvolging die op Willem van Oranje uitmondde, dat de titel vandaag nog altijd, als één van haar belangrijkste, door de Nederlandse koningin, zelf ook afstammelinge van de van Borsseles[45], wordt gevoerd. Van de Borsseles komt ook haar titel van Vrouw van Sint-Maartensdijk[46].

Onder de Van Borsseles werd het stadje Veere niet alleen welvarend, het was ook een intellectueel centrum. Het had twee rederijkerskamers: de Missus Scholieren en de Sint-Annakinderen met als zinnebeelden de Witte Lely en de Blaue Accolyn. Is het mogelijk dat einde 14e – begin 15e E. het Gruuthusehandschrift, dat uit die tijd dateert, in Veere in gebruik werd genomen en bewaard werd bij of eigendom werd van de heer van Veere, grootvader of vader van Margaretha van Borssele?

De Vrouwe van Veere (was dat Margaretha van Borssele of Anna van Borssele, haar nicht?) was ook feodale eigenares van het kasteel Ter Hooghe langs de Koudekerkseweg, op een paar km van Middelburg[47]. Lodewijk van Gruuthuse hield er verblijf tijdens de uitoefening van zijn ambt van stadhouder van Holland en Zeeland. Hij was het die de eigendom verkocht aan een Middelburgse poorter, Adriaan Jacobszoon. In de veel later bijeen gezamelde (familie)documenten wordt gemeld dat deze Adriaan op 9 mei 1485 open brieven kreeg van aartshertog Maximiliaan waardoor hij ‘van der Hooghe’ als zijn familienaam mocht aannemen. Bij Van Dycke wordt zelfs gemeld dat hij door deze open brieven de toelating kreeg de wapens van Borssele te voeren met bovenop een kroon met dertien parels[48]. Voor beide voorrechten is geen document bekend, maar op de gemelde datum bestaat een document met een heel wat bescheidener inhoud: het verleende aan Adriaan vergunning om langs de openbare weg bomen te planten bij zijn nieuwverworven eigendom[49]. Hoe dan ook, na aankoop van het landgoed, noemden Adriaan en de zijnen zich voortaan Van der Hooghe. De familie was aan een steile maatschappelijke opgang bezig, eerst in Middelburg, weldra in gans Zeeland. Zo werd Pieter van der Hooghe (†1607) Eerste edele van Zeeland, vertegenwoordiger in Zeeland van prins Philip Willem en rentmeester-generaal van de Domeinen van Zeeland Bewesterschelde[50].

Joos van der Hooghe (†1666), burgemeester van Middelburg, was de laatste die het bij die naam hield. Zijn nakomelingen hadden hieraan duidelijk niet meer genoeg en wilden zich de prestigieuze naam van de familie Van Borssele toe-eigenen. Zijn zoon Jacob (1622-1686), die lid werd van de Raad van State en tot de hoogste regionen van de macht in de Verenigde Provincies doorstootte, noemde zich voortaan van Borssele van der Hooghe, heer van Geldermalsen en voerde het ongebroken wapen van de wettige afstammelingen van Borssele. Na hem noemden sommige familieleden zich gewoon Van Borssele. De legitieme takken van de oude familie Van Borssele waren nochtans uitgestorven en alleen bleven nog hier en daar enkele afstammelingen van bastaarden over. De voornoemde Jacob van der Hooghe liet talrijke opzoekingen verrichten en stambomen opmaken waaruit moest blijken dat een Nicolaas van Borssele van Zandycke in Middelburg de vader was van de eerste Van der Hooghe, met als enige ‘bewijs’, dat deze eerste Van der Hooghe, Jacop Clayszoon heette[51]. Een massale hoeveelheid documenten werd verzameld, aangekocht of gefabriceerd. Zoveel mogelijk oude documenten afkomstig van de uitgestorven families werden bijeengebracht of gekopieerd, ten einde de indruk te verwekken dat het om van ouds bewaarde familiearchieven ging. Volgens de gewoonten van de tijd werden sommige documenten vervalst of ‘bijgewerkt’[52].

Aanvankelijk sloeg niemand blijkbaar veel acht op deze inspanningen om zich te hechten aan een prestigieus voorgeslacht. Adriaan van Borssele van der Hooghe, heer van Geldermalsen (1658-1727) was lid van de Raad van State en was één van de onderhandelaars van het Barrièretraktaat (1715)[53]. Zijn broer Philips-Jacob van Borssele van der Hooghe (1670-1735), heer van Voorhout was in 1701 rentmeester generaal van Brabant en werd ook ambassadeur in Londen. Jan van Borssele van der Hooghe (1707-1764), zoon van Adriaan, was onder meer directeur van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en gaf de naam Geldermalsen aan een schip dat vanaf 1748 vaarde tot het in 1752 in de Zuid-Chinese zee verging[54]. Hij stond ook in de gunst bij Prins Willem IV die hem tot Eerste edele van Zeeland aanstelde. Pas rond die tijd begon de betwisting over de naam, de afkomst en de adellijke kwaliteit van de familie. De ridderschap van Utrecht weigerde immers een andere zoon van Adriaan, Philips-Jacob van Borssele van der Hooghe (ca. 1700 – na 1759) als lid te erkennen en zitting te laten nemen in de Provinciale Staten op de bank van de edelen, omdat ze de bewijzen van zijn adeldom onvoldoende achtten. Anna van Hannover (1709-1759), vanaf 1751 regentes van de Verenigde Provincies na de dood van Willem IV, wees de bezwaren af en ondanks luid en schriftelijk protest bekrachtigde ze Borsseles’ lidmaatschap van de vergadering van edelen[55]. De afstamming bleef niettemin betwist en daarom werden de Noord-Nederlandse leden van de familie in 1814 en 1819 slechts met de predicaten jonkheer en jonkvrouw in de Nederlandse adel toegelaten[56].

De naar Zuid-Nederland uitgeweken naamdragers slaagden beter in hun opzet. Pieter-Lodewijk van Borsselen liet in 1760 een stamboom goedkeuren door de Chambre Héraldique in Brussel. De omkoopbaarheid van de wapenherauten die deze Kamer bevolkten, was overbekend. Toch maakte dit officiële lichaam in dit geval enig voorbehoud en verklaarde dat het onduidelijk bleef hoe de familie Van der Hooghe gesproten kon zijn uit de tak Van Borssele van Zandycke[57]. Dit voorbehoud belette niet dat de Zuid-Nederlandse tak steviger documenten leek te kunnen voorleggen, - of welwillender beoordelaars ontmoette - zodat ze in 1816 van Willem I de (niet overdraagbare) barontitel kon verkrijgen. Ongetwijfeld diende de stamboom van 1760 als bron voor de genealogie gepubliceerd door Van Dycke in zijn Recueil héraldique. Hij vermeldde namelijk dat hij zijn tekst baseerde op de documenten bewaard bij Maximiliaan de Peellaert Steenmaere, zoon van een van Borsselen[58]. De familie van Borsselen beschouwde zich alvast als ‘descendentium perantiquae et illustrissimae stirpis’, zoals ze op hun graftomben lieten beitelen[59].

Met dit alles voor ogen, komt de hypothese dat het Gruuthusehandschrift, samen met andere documenten, door de nieuwe eigenaars van Ter Hooghe naar aanleiding van de aankoop in of rond 1485 zou zijn verkregen vanwege Lodewijk van Gruuthuse of Margaretha van Borssele, wel op heel losse schroeven te staan. Het is natuurlijk niet helemaal onmogelijk, want als er een nieuwe leenheer kwam, kreeg hij vaak de oorkonden en documenten mee die op de heerlijkheid betrekking hadden. In dat archief zou ook het handschrift kunnen gezeten hebben. Maar het lijkt toch ver gezocht. Het feit dat de familie zonder naam, die nadien Van der Hooghe werd en nog later Van Borssele van der Hooghe, in de vijftiende eeuw een zakelijk contact had met Lodewijk van Gruuthuse en wellicht met die zijn echtgenote, is onvoldoende om te kunnen vermoeden dat ze toen al in het bezit kwam van het Gruuthusehandschrift.

Als de Van Borsseles van der Hooghe, bij hypothese, het handschrift op één of ander tijdstip in handen kregen, betekende dit dat het eigendom werd van lieden die, zeker vanaf de 17de eeuw, tot veel bereid waren om zich te laten erkennen als de rechtmatige nakomelingen van de belangrijkste familie uit de Zeeuwse geschiedenis. Een oud handschrift waarin ze wat gegevens zouden hebben laten bijschrijven die verwezen naar Margaretha van Borssele en naar haar handschriften verzamelende echtgenoot, zou in dit plaatje wel gepast hebben.

Het blijft natuurlijk allemaal giswerk. We hebben immers alleen maar een familietraditie om de eigendom van het handschrift op het einde van de achttiende eeuw bij een Van Borsselen van der Hooghe te plaatsen en we weten dus helemaal niet, voor zoveel dit inderdaad zo is, sinds hoeveel generaties het handschrift in hun bezit kan zijn geweest. De hiaat tussen Lodewijk van Gruuthuse en het (verondersteld) te voorschijn komen van het handschrift bij de familietak Van Borsselen van der Hooghe in Brugge blijft dus bestaan.

In het tweede deel zullen we, vanaf begin de negentiende eeuw, op iets vastere grond terechtkomen. Hoewel ook daar nog veel vraagtekens over de eigenaars van het handschrift onbeantwoord blijven.

Andries Van den Abeele


Zes eeuwen

 Gruuthusehandschrift

en zijn mogelijke eigenaars

Deel II. Van Ten Berghe naar Den Haag

Het handschrift bij de familie van Caloen

Als iets tot de vaste gewoonten van adellijke families behoorde, dan was het wel dat archieven en wat er mee samenging, aan de goede zorgen van het (uiteraard mannelijke) familiehoofd werden toevertrouwd, degene die men onder het Ancien Regime de ‘hoir féodal’ of feodale erfgenaam noemde[60]. Zou het hier anders verlopen zijn en zou in 1779 de dochter Van Borsselen naar aanleiding van haar huwelijk toch documenten, minstens dit ene handschrift, hebben meegekregen? Normaal niet, zodat de familie Van Caloen ten vroegste in het bezit van het handschrift kwam nadat Philippe van Borsselen, die gehuwd was met Isabelle Simon (1767-1847), dochter van de voorlaatste schout van Brugge, François-Xavier Simon de Ville, in 1829 in zijn statige woning in de Sint-Jacobstraat (thans Muziekacademie), kinderloos was overleden. De wijze waarop de nota is opgesteld wijst alleszins in de richting van deze interpretatie. Er staat immers gewoon ‘door het huwelijk kwam het handschrift over van de Borsseles naar de Caloens’, zonder verder in te gaan op het tijdstip of de omstandigheden.

Het is immers waarschijnlijk dat de nalatenschap niet werd verdeeld in 1829, maar pas na het overlijden van de weduwe Van Borsselen in november 1847. Wat betreft archief en handschriften kan dit misschien al na de dood van de echtgenoot in 1829 zijn gebeurd, maar dit blijft toch niet zo waarschijnlijk. Hoe dan ook, zelfs tegen die vroegste datum waren schoonbroer en zus Van Caloen – van Borsselen overleden en waren het hun drie dochters die erfden en de nalatenschap onder elkaar verdeelden.

Dat het patrimonium Van Borsselen, zeker na 1847, inderdaad bij hen terecht kwam toont ook een ander object aan, namelijk het mirakelschilderij van Onze-Lieve-Vrouwepolder bij Middelburg in Zeeland. Dit schilderij uit de late vijftiende eeuw, dat tijdens de Reformatie in privé-handen was terecht gekomen, en in 1662 door Pieter van Borssele van der Hooghe was aangekocht, werd door zijn katholieke nakomelingen naar Brugge meegenomen. De jonge architect en oudheidkundige Karel Verschelde (1842-1881) mocht in 1864 papieren inkijken ten huize De Croeser in de Gouden-Handstraat en hij trof er de notariële aankoopakte aan van dit schilderij. Hij nam er een kopie van die later bij kanunnik Duclos (1841-1925) terecht kwam en nog later bij Michiel English (1885-1962). De Croeser had echter alleen maar een document, terwijl het schilderij bij een ander familielid was terecht gekomen. Verschelde ging, samen met Jean de Bethune (1821-1894) en James Weale (1832-1917) het schilderij zelf bekijken bij Anselme van Caloen de Basseghem. Op dat tijdstip waren Charles-Joseph de Croeser (1778-1857)[61] en zijn echtgenote Marie-Thérèse van Caloen (1780-1848) ook al overleden en was er opnieuw een verdeling geweest, waarbij hun dochter Marie-Thérèse de Croeser, echtgenote van Anselme van Caloen de Basseghem, haar deel had gekregen[62].

De Croeser – van Caloen

Volgens de nota achteraan in het Gruuthusehandschrift toegevoegd door baron Jean van Caloen, kwam het handschrift dus (in 1829 na de dood van baron van Borsselen? in 1847 na de dood van zijn weduwe?) in het kasteel Ten Berghe terecht, tenzij het bewaard werd in het grote herenhuis dat de Croeser in de Gouden-Handstraat bezat[63].

Bij gebrek aan een mannelijke erfgenaam was het niet onlogisch dat, nu de feodale regels uit het Ancien regime niet meer werden toegepast en er geen ‘hoir féodal’ meer was, archieven en documenten naar de oudste dochter en haar echtgenoot De Croeser waren gegaan. Omdat de overdracht van het erfdeel Van Borsselen na 1829 gebeurde, meest waarschijnlijk zelfs pas na 1847, was dit dus in elk geval na de tijd van burgemeester de Croeser. Tussen haakjes, er was een dubbele alliantie geweest, want in 1811 was Jeanne van Caloen (1784-1855), de zus van Marie-Thérèse, getrouwd met Jean de Croeser (1780-1849), de broer van Charles-Joseph. Dit echtpaar bleef kinderloos. Ook de derde zus, Thérèse-Marie van Caloen (1781-1841) sloot nauw bij de familie aan door, eveneens in 1811, te trouwen met haar neef Maximiliaan de Peellaert Steenmaere (1773-1855), die de zoon was van Maximiliaan de Peellaert (1734-1823) en Elisabeth-Thérèse van Borsselen (1745-1827), de oudere zus van Marie-Constance en Philippe van Borsselen. Ook dit echtpaar bleef kinderloos en was ook vroeger dan Philippe van Borsselen overleden. De nakomelingen en erfgenamen van de laatste Brugse Van Borsselen, vond men dus uitsluitend bij de familie Charles-Joseph de Croeser – van Caloen.

De dochter van Charles-Joseph en Marie-Thérèse de Croeser – van Caloen, Marie-Thérèse de Croeser (1811-1887) was, zoals we al zagen, getrouwd met Anselme van Caloen, baron van Basseghem (1803-1876), een telg uit de oudste tak van deze familie. Hij was gedurende meer dan veertig jaar burgemeester van Varsenare, functie waarin zijn vader hem was voorgegaan en waarin drie van zijn zoons, een kleinzoon en een achterkleinzoon hem zouden opvolgen. Tijdens de zomer woonde het gezin op het kasteel Ter Straten in Varsenare en tijdens de winter in het Prinsenhof in Brugge[64]. Haar broer Charles-Marie-Jean de Croeser (1806-1875) trouwde met de rijke erfdochter Hélène van Hoobrouck de Mooreghem (1817-1885) en werd heer zowel op Ten Berghe als op het kasteel van Moregem (Oost-Vlaanderen). Zoals zijn vader en zijn grootvader bleef hij ook nog, gedurende enkele jaren althans, tijdens een paar wintermaanden het bijzonder grote herenhuis in de Gouden-Handstraat bewonen[65] en na 1855 het van zijn broer geërfde herenhuis, Ridderstraat 11. Het Gruuthusehandschrift bleef, volgens de nota, in zijn bezit.

De enige zoon in het gezin de Croeser – van Hoobrouck, Edouard-Eugène de Croeser (1839-1862) had een hartkwaal en in juni 1862, op huwelijksreis in Parijs, overleed hij tijdens wat discreet ‘un transport d’amour’ of een liefdesextase werd genoemd. Ondanks zijn fysische handicaps (hij miste ook een hand) was hij een actieve jonge man. Hij publiceerde in 1860 bij drukker Herreboudt een boekje: Etudes sur l’histoire et la culture de la pomme de terre en was ook de oprichter van een volksschool op het Ganzeplein in Brugge[66]. Het verlies kwam voor de ouders hard aan. Zowel om de jonge ontredderde weduwe, Irma de Nève de Roden (1839-1914)[67] te ondersteunen (ze werd korte tijd door de Franse politie vastgehouden onder de verdenking van moord en haar schoonvader moest haar gaan vrijpleiten) als om de herinnering aan hun zoon hoog te houden en meteen het aanzienlijke familiepatrimonium veilig te stellen[68], stelden ze haar als universeel erfgenaam aan, op voorwaarde dat ze in het huwelijk zou treden met een zoon van Anselme en Marie-Thérèse van Caloen - de Croeser. Men liet aan Irma de keuze tussen de vier broers, Octave (1835-1897), Paul (1843-1920), Julien (1844-1936) en Camille (1846-1903) van Caloen de Basseghem. Volgens de familieverhalen hadden de vier jonge mannen een uitgesproken (eerder moeilijk) karakter. Ze maakten Irma ijverig het hof, want ze was niet alleen zeer aantrekkelijk maar vertegenwoordigde, als aangeduide erfgename van het echtpaar De Croeser, een groot fortuin. Na rijp beraad gaf ze de voorkeur aan Paul, die haar de meest aangename leek. Ze huwden in juni 1865 en gingen op het kasteel van Moregem wonen.

Van Caloen de Basseghem en van Caloen

Deze keer niet als de echtgenote maar als de heer des huizes, keerde een Van Caloen (de Basseghem) weer naar Ten Berghe, waar het manuscript midden de uitgebreide familiearchieven berustte. Nadat schoonvader De Croeser in 1875 was overleden, kreeg architect Jozef Schadde (1818-1894) de opdracht het relatief kleine Ten Berghe aanzienlijk uit te breiden met een aanbouw in neogotische stijl[69]. Het gezin leefde volgens een als het ware nog middeleeuws nomadisch adellijk patroon, met een winterverblijf in Ten Berghe, een lente- en zomerverblijf in Moregem (waar Paul van Caloen burgemeester was) en een herfstverblijf voor het jachtseizoen in het kasteel Zorgvliet in Ruddervoorde, met zijn uitgestrekte bossen. De winterhuizen in Brugge, Gouden-Handstraat en Ridderstraat werden verkocht.

De oudste van de drie dochters van Paul en Irma, Marguerite van Caloen de Basseghem (1868-1939) huwde met haar verre neef uit Loppem, Ernest I van Caloen (1859-1937), advocaat, vele jaren schepen van de stad Brugge en belangrijke politieke personaliteit[70], jongste zoon uit een groot gezin. Na 1920 woonden ze in de zomer op Ten Berghe en ’s winters in de stad langs de Dyver. Haar zus Berthe (1869-1952) trouwde met de latere minister en provinciegouverneur Albert Ruzette (1866-1929) en woonde in de winter in Brugge naast de Sint-Walburgakerk en in de zomer op het kasteel van Moregem. Haar zus Madeleine (1870-1946) trouwde met Maurice della Faille d’Huysse (1855-1927) en ging zich vestigen op een kasteel langs de Oedelemsesteenweg in Assebroek[71], in afwachting dat het domein Zorgvliet zou beschikbaar zijn[72]. De volgende bewoners van Ten Berghe werden, vanaf 1939, Ernest II van Caloen (1905-1995), zijn vrouw Thérèse Coppieters Stochove (1907-2001) en hun zes kinderen[73]. Dit gezin woonde er het jaar door. Zo komen we bij de verkopers van het manuscript terecht: François van Caloen (1930-2006), oudste zoon in dit gezin en zijn kinderen[74].

De voorstelling van de opeenvolgende eigenaars van het manuscript vanaf 1779, zoals ze in de nota voorkomt, is niet apriori af te wijzen. Ze kan steunen op familietradities, die juist kunnen zijn. Er blijven nochtans vraagtekens. Het verhaal wordt immers door geen enkele verwijzing naar documenten gestaafd. Bestaan dergelijke documenten, in het archief De Croeser – van Caloen op het kasteel Ten Berghe, of elders? Wellicht niet. Het zou ongewoon zijn dat in huwelijkscontracten of nalatenschappen, precies dit handschrift expliciet zou vermeld zijn. Hoewel, men weet maar nooit. Het is alvast een piste die nog niet is bewandeld. Ook al moet men dus de vermelde filiatie niet afwijzen, men hoeft ze evenmin zonder meer te aanvaarden. Iedereen weet hoe familieverhalen in de loop van de jaren en van generatie op generatie, vervormd kunnen worden. Het is dus toch allemaal wel nog eens van wat naderbij te bekijken.

Het valt op dat de schrijver van de nota er duidelijk belang heeft aan gehecht dat het handschrift niet van de familie De Croeser kwam, maar van de familie Van Caloen, om via een omwegje langs De Croeser, uiteindelijk weer bij een Van Caloen terecht te komen. Bij de Van Caloens werd de verbintenis met een Van Borsselen van der Hooghe als een opwaartse stap in de adellijke status beschouwd en als iets uit die richting kwam, werd dit dubbel geapprecieerd en onderstreept. Waren er anderzijds wellicht familiale spanningen geweest en diende het handschrift te worden ingepast binnen een belangrijker patrimoniaal kader? Immers, na de dood van het echtpaar De Croeser – van Hoobrouck, was in principe zijn zus, Marie-Thérèse de Croeser, echtgenote van Caloen de Basseghem, de rechtmatige erfgename. In dit geval zou het aanzienlijke fortuin De Croeser – van Hoobrouck na de dood van Marie-Thérèse verdeeld zijn geworden onder haar acht kinderen. Zo verliep het echter niet. Het echtpaar De Croeser – van Hoobrouck beschouwde immers één van die acht, neef Paul, als de plaatsvervanger van zijn te vroeg gestorven enige zoon en beschouwde Irma als zijn schoondochter, wat ze juridisch gezien, na de dood van de onfortuinlijke hartlijder, niet meer was. Het was Irma die ze bij testament tot hun algemene erfgenaam hadden aangesteld, op voorwaarde dat ze met één van hun neven getrouwd was. Was iedereen daarover binnen de familie Van Caloen de Basseghem gelukkig? Waren er daarnaast eventueel ook niet nog andere pretendenten geweest voor de erfenis, onder de nazaten De Croeser of Van Hoobrouck?

Vond men het wellicht nodig, met de bedoeling het eigendomsrecht van Marguerite van Caloen de Basseghem steviger te funderen, niet alleen wat betreft het handschrift maar ook voor een breder geheel van eigendommen, aan te tonen dat het manuscript wel degelijk dankzij een Van Caloen in de familie was terecht gekomen? Een paar thans levende nazaten hebben nog herinnering aan vroegere disputen over sommige delen van nalatenschappen, meer bepaald van roerend erfgoed, tussen broers en zussen die elk hun belangen verdedigden. Als het over de centjes gaat, of gewoon maar over aandenkens, kan het in de families al eens waaien!

De familie Despars

We zijn hiermee nog niet aan het einde van onze veronderstellingen. Als we nu eens aannamen dat de eigendom van het handschrift door Van Borsselen van der Hooghe, waarvan we het problematische hebben aangetoond, op verzinsels zou berusten uit latere tijden, net zoals het toevoegen op het handschrift van de namen Lodewijk van Gruuthuse en Margaretha van Borssele pas later om godweet welke reden is gebeurd.

Laat ons even wat dichter bij huis kijken, meer bepaald onze ogen richten op het kasteel Ten Berghe. Op een paar km ten Noorden van de Brugse vestingen gelegen, was het oorspronkelijk niet méér dan een jachthuis. De heerlijkheid dateerde uit de hoge middeleeuwen en behoorde toe aan het eens machtige maar uitstervende geslacht van Roden. In 1484 werd het leengoed door Jacob Despars (ca.1445-1500) als zomerverblijf aangekocht. In de vijftiende eeuw behoorde de familie Despars tot de aanzienlijke internationale handelaars van de stad Brugge[75]. Verwant met oude families zoals Metteneye, Bave, Strabant, enz., maakten de Despars deel uit van de Brugse aristocratie en manifesteerden ze zich als lid of beschermer van schuttersgilden, rederijkerskamers, godsdienstige genootschappen of andere gezelschappen.

In de tweede helft van de vijftiende eeuw werden de zaken geleid door de broers Jan, Jacob en Wouter Despars en werd door hen en door hun nakomelingen steeds adellijker geleefd, totdat ze ook echt tot de adel gingen behoren. Wouter Despars (1455-1515) werd burgemeester van Brugge en was één van de laatste ‘forestiers’ (hoofdman voor één jaar) van het toernooigezelschap van de Witte Beer. Zijn oudere broer, Jacob Despars, die ook burgemeester van Brugge werd en nadien nog schout, had naast zijn commerciële activiteiten ook geschiedkundige belangstelling en verzamelde heel wat documenten en nota’s.

Zijn geschiedkundig werk werd verder gezet door zijn kleinzoon, Nicolaas Despars (1522-1597), rijke aristocraat die voorname functies uitoefende, onder meer die van burgemeester van Brugge. Daarnaast was hij een bekend en gewaardeerd kroniekschrijver en historicus, die een bibliotheek met drukwerken en handschriften bezat. Oorspronkelijke documenten die afkomstig waren van het toernooigezelschap van de Witte Beer, had hij bij de hand en hij putte er informatie uit die hij verwerkte in zijn Cronycke van den lande ende graefscepe van Vlaenderen. Waarom zou hij ook het literaire handschrift dat ons hier bezig houdt niet in zijn bezit hebben gehad en zou het niet kunnen dat het al die eeuwen in Ten Berghe of in de stadswoning van de Despars werd bewaard? Het zou dan, net als het landgoed zelf en net als de handschriften van Nicolaas Despars, na de laatste naamdrager door huwelijk overgegaan zijn op een de Marivoorde, nog later op een De Croeser (uit een oorspronkelijk Zeeuwse familie) en nog veel later op een Van Caloen.

In deze optiek is het chronologisch mogelijk dat het handschrift eerst aan Gruuthuse had toebehoord en langs een of andere weg bij de verzamelaars Jacob of Nicolaas Despars terecht kwam. Men mag niet uit het oog verliezen dat dit handschrift niet van dezelfde orde was als de met miniaturen versierde boeken van de Gruuthuselibrije. Het ging hier om een gebruiksvoorwerp, dat eerder in de muziekkamer of de woonkamer zal gelegen of rondgeslingerd hebben dan dat het in de bibliotheek stond of in de handschriftenkoffers en waaraan niet de waarde werd gehecht die het thans voor ons heeft. Historici en kroniekschrijvers zoals Jacob en Nicolaas Despars zouden er natuurlijk wel belangstelling voor gehad hebben.

Wat de verwijzingen naar Gruuthuse en zijn echtgenote betreft, ofwel stonden die al vroeg op het handschrift (meer bepaald het wapenschild) ofwel bevond zich onder de Despars (of de heren De Croeser) een olijke kerel die het plezierig vond om het handschrift aan Gruuthuse te koppelen. Ik moet wel toegeven dat het verwijzen naar Gruuthuse en zijn echtgenote minder goed verklaarbaar is in hoofde van een Despars of een De Croeser dan in die van een (al dan niet authentieke) Van Borssele.

Ex libris de Croeser 1818

Er duikt in dit verband nog een bijkomend enigma op. Bovenaan blz. 1 van het handschrift staat namelijk in spaarzame lettertjes vermeld ‘Ex libris V[icom]te de Croeser 1818’. Er klopt hier iets niet. In 1818 bestond er namelijk geen burggraaf De Croeser, alleen een baron[76]. Aan burgemeester en baron Charles-Enée de Croeser (1734-1828) werd de titel van burggraaf, overdraagbaar bij eerstgeboorte, pas op 7 oktober 1827 verleend, en dan nog. Hij stierf immers op 22 januari 1828, voor hij de gelegenheid had de open brieven te lichten en het koninklijk besluit bleef dan ook zonder uitwerking. Zijn zoon en zijn kleinzoon werden evenmin burggraaf en bleven baron. Pas in 1878, onder Leopold II, werd weduwe Hélène de Croeser - van Hoobrouck ten persoonlijke titel burggravin, met machtiging de titel te voeren voor de naam van haar overleden echtgenoot, baron Charles-Marie de Croeser. De geschiedenis had zich immers herhaald: Charles-Marie had de titel van burggraaf gekregen, maar ook hij was gestorven voor hij de open brieven kon lichten[77]. Er is dus nooit een burggraaf De Croeser geweest, ook al hebben de barons De Croeser en hun omgeving, evengoed als sommige overheidsinstanties, soms vergeten dat ze de hogere titel niet bezaten.

Hoe dan ook, de toevoeging is zeker niet van de hand van burgemeester De Croeser en dateert zeker niet van 1818. Hoe kon hij immers in dat jaar voorzien dat hem tien jaar later een titel van burggraaf zou te beurt vallen? In 1818 was het handschrift – als men op de nota van Jean van Caloen betrouwt - nog altijd in het bezit van Philippe-Nicolas van Borsselen. In wie zijn handen het in elk geval op basis van die nota niet was, is in die van burgemeester Charles-Enée de Croeser.

De eigendomsvermelding met dat jaartal kan gedaan zijn door zoon Charles-Joseph of door kleinzoon Charles-Marie. Wenste één van beiden wellicht veiligheidshalve een prestigieus eigendomsmerk aan te brengen op het ogenblik dat belangstelling ontstond voor het handschrift en dat het rond 1845, met het oog op publicatie, werd in bruikleen gegeven? Karel Carton mocht dan wel kanunnik zijn, en de ijverige Philippe Blommaert (1808-1871) die het handschrift naar Gent meenam om de tekst te ontcijferen[78], edelman, het belette niet dat een eigendomsaanduiding wel als nuttig kon voorkomen. Men wist maar nooit.

Maar hoe kwamen zoon of kleinzoon ertoe de eigendom van het handschrift op de naam van burgemeester De Croeser te plaatsen? Waren ze in die mate onwetend over de overdracht Van Borsselen - van Caloen, die toch niet zo lang voordien zou gebeurd zijn en waar Charles-Enée de Croeser niets mee te maken had? Of wisten ze integendeel zeer goed dat dit niet de oorsprong was en het handschrift al veel langer aan de familie De Croeser toebehoorde? In dit geval zou het betekenen dat het verhaal over de herkomst Van Borsselen, zoals ze in de nota voorkomt, pas twee of drie generaties later, in de loop van de twintigste eeuw tot stand kwam, in een periode waarin men eigenlijk niet meer wist hoe de vork juist in de steel zat, en men er de voorkeur aan gaf de oorsprong bij de Van Caloens te leggen en niet bij de ondertussen uitgestorven De Croesers. Maar als het handschrift wel langs De Croeser was binnengekomen, dan deed dit de hypothese van het opklimmen tot aan de Despars aan kracht winnen.

Hoewel… Er is ook nog de mogelijkheid dat Charles-Enée de Croeser, die een verzamelaar was, het handschrift bij een particulier of op een veiling aankocht, en dat zijn zoon of zijn kleinzoon in zijn papieren een spoor terugvond die deze verwerving in 1818 situeerde. Deze mogelijkheid zou natuurlijk het ganse verhaal, of de verschillende verhalen over vroegere eigenaars grondig dooreen schudden. Ze zou meteen de weg open laten voor een op te sporen aanwezigheid van het handschrift tijdens de 15de tot 18de eeuw in Brugse of andere verzamelingen. Dit zou zowel een privéverzameling kunnen zijn als een kloosterbibliotheek of de archiefkoffer van een ambacht, confrérie of andere vereniging. Daar zou dan wellicht een verklaring over de 17de en 18de-eeuwse toevoegingen gevonden kunnen worden. Tijdens de revolutiejaren en daarna werden tal van bibliotheken en archieven openbaar verkocht en burgemeester De Croeser behoorde tot de geïnteresseerde kopers. In één van de tientallen veilingcatalogi uit die tijd ligt misschien een antwoord verborgen.

Een eigendom Charles-Enée de Croeser zou ook een uitleg kunnen zijn voor de achttiende-eeuwse inschrijvingen die betrekking hadden op de Gruuthuses en die in dit geval ook vroeg-negentiende-eeuws zouden kunnen zijn, maar geschreven door een oudere man met achttiende-eeuws schrift. Misschien waren er inderdaad vroegere verwijzingen naar Gruuthuse en zijn vrouw, en werden die alleen maar hernomen. Maar burgemeester de Croeser was ook wel in staat om een beetje te fantaseren. Hij was, zoals verschillende elementen aantonen, tamelijk zelfbewust en hij verbond zijn naam graag aan die van prestigieuze lieden. Hij was daarbij een kenner van geschiedenis, vooral van genealogie en heraldiek. Hij bezat onder meer de royale zes volumes van het handschrift de Hooghe, gewijd aan grafschriften in Brugge en geïllustreerd met zeer talrijke grafmonumenten en wapenschilden, waarin zes bladzijden aan Gruuthuse waren gewijd. Tegen het einde van zijn leven schonk hij deze boeken trouwens aan de openbare bibliotheek van de stad Brugge[79].

Nog een element dat eerder pleit voor De Croeser als eigenaar, is het feit dat al minstens in 1837 bekend was dat het handschrift zich bij Charles-Joseph de Croeser bevond. Hij was actief als (onbezoldigd) provinciaal inspecteur voor het lager onderwijs en kende daardoor onvermijdelijk heel wat mensen in de Brugse onderwijswereld. Eén van hen was de atheneumleraar Jan-Antoon De Jonghe (1797-1861), een bezige bij die zich onledig hield met het stichten van (efemere) nieuwsbladen en verenigingen evenals met het schrijven van allerhande teksten[80]. Hij was ook buiten Brugge actief in literaire Vlaamse middens en was in 1836 secretaris van de in Gent opgerichte vereniging De tael is gansch het volk[81]. Hij werd een intimus van De Croeser en mocht kennis maken met zijn bibliotheek. Veel méér dan over het Gruuthusehandschrift, was men toen in de familie De Croeser fier op het bezit van de 16de-eeuwse handschriften van voorvader Nicolaas Despars. De Jonghe kreeg de toelating om de tekst van het magnum opus van Despars, zijn Cronycke van den lande ende graefscepe van Vlaenderen over te pennen en in 1837-42 in vier volumes te publiceren. Dit leverde hem een eervol lidmaatschap op van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde in Leiden. Ook nog in 1837 vroeg zijn vriend Ferdinand Snellaert of hij via hem toegang tot het Gruuthusehandschrift kon krijgen, handschrift dat enige bekendheid begon te krijgen in literaire middens en dat dus toen al, tien jaar voor het overlijden van de weduwe Van Borsselen, in het bezit was van De Croeser[82]. Opnieuw dus het dilemma: ofwel was al een verdeling gebeurd in 1829, na de dood van Philippe van Borsselen, ofwel kwam het Gruuthusehandschrift helemaal niet van daar maar was het al langer eigendom van de familie de Croeser.

Om het nog wat ingewikkelder te maken, de ‘vicomte’ de Croeser die in 1818 zijn naam op het handschrift plaatste, moet niet noodzakelijk naar burgemeester de Croeser hebben verwezen. Zoon Charles-Joseph was in 1818 veertig jaar, en kan dus evengoed als zijn vader het handschrift hebben aangekocht. Natuurlijk kan hij zichzelf met de – onbestaande, maar niettemin gebruikte - titel van burggraaf, pas ten vroegste na 1829 hebben aangeduid. Het blijft dus ook in dit geval een vraagteken waarom hij toen het jaar 1818 zou vermeld hebben.

Laatste decennia op Ten Berghe

Men zal toegeven dat het allemaal niet simpel ligt. Het eigenaarschap, zes eeuwen lang, van het unieke Gruuthusehandschrift is duidelijk niet zo gemakkelijk te reconstrueren. Alleen over de eigenaars vanaf omstreeks 1850 hebben we ongeveer de zekerheid dat het ging om de kasteelheren van Ten Berghe, Charles-Joseph en Charles-Marie de Croeser en vervolgens om Paul van Caloen de Basseghem, Ernest I, Ernest II en François van Caloen.

Het is ook pas laat dat men het over het Gruuthusehandschrift begon te hebben. Toen Karel Carton voor het eerst de teksten publiceerde, sprak hij alleen maar van ‘oudvlaemsche liederen’. In 1909 schreef Nelly Geerts nog over Altflämischen Lieder en over het Handschrift Rhetorijcken ende Ghebedenbouck van Mr Loys van Gruuthuse[83]. De benaming ‘Gruuthusehandschrift’ lijkt maar echt in gebruik te zijn gekomen vanaf 1940. Men gaf de naam als titel aan het postume artikel van W. De Vreese dat verscheen in 1940 (weliswaar geschreven in 1936)[84]. B. H. Erné gebruikte de naam in 1940[85] en J. F. Gessler in 1941[86].

Tijdens de anderhalve eeuw na 1850 werd het handschrift maar zelden uit de kast gehaald. Carton en Blommaert hadden het een tijdje bij zich mogen houden om de teksten over te schrijven. Meer dan een halve eeuw later mocht Lode Scharpé (1869-1935)[87] van Paul van Caloen de Basseghem het handschrift ter plekke bestuderen, met het oog op een nieuwe uitgave, waar hij echter nooit aan toe kwam. Voor alle andere aanvragen tot onderzoek verwees Paul van Caloen naar Scharpé. Bijna honderd jaar na Carton, mocht Willem De Vreese (1869-1938) de gedrukte tekst vergelijken met het origineel en de folios laten fotograferen. Ernest I van Caloen, van wie een zoon en een schoonzoon gesneuveld waren, had wel enige verdienste om gastvrijheid te verlenen aan iemand die, ook al was hij een erudiet man, dan toch als collaborateur een terdoodveroordeling bij verstek had opgelopen. Nadien werd niemand meer ontvangen en werd beleefd verwezen naar de fotografische kopieën die in een paar wetenschappelijke instellingen te vinden waren. Zelfs Klaas Heeroma trok niet naar Koolkerke voor zijn magnum opus over het handschrift, maar behielp zich met de nota’s van De Vreese. Hoogst zelden werd het handschrift uitgeleend. De laatste keren was dat voor de tentoonstellingen ‘Vlaamse kunst op perkament’ (1981) en ‘Lodewijk van Gruuthuse’ (1992), beide in Brugge. Professor Johan Oosterman genoot er dan ook terdege van toen hij, bij hoge uitzondering, op 12 november 1993 door Ernest II van Caloen werd ontvangen en gedurende enkele intense uren mocht kennis maken met het handschrift, terwijl zijn gastheer zachtjes indommelde. Korte tijd later, na de dood van Ernest, kregen veiligheidsoverwegingen de bovenhand en werd het handschrift in een bankkluis gedeponeerd.

Tijdens de twintigste eeuw kwam ook het oorlogsgevaar nabij. Kasteel Ten Berghe, bewaarplaats van het handschrift, lag gevaarlijk dicht bij de achterhaven van Brugge, doelwit van geallieerde aanvallen. Des te meer omdat zowel in 1914 als in 1940 Duitse officieren op Ten Berghe hun intrek namen en afweergeschut plaatsten. Op amper een paar km van het kasteel, richting Brugge, aan het Fort Lapin, was dit eveneens het geval, en daar legden geallieerde bommen in 1942 enkele huizen plat, waarbij heel wat inwoners omkwamen. Onder hen bevonden zich de ouders en andere familieleden van de latere Belgische minister en Europese commissaris Albert Coppé (1911-1999). Ten Berghe, met het uitgebreide archief dat er berustte, bleef gespaard.

Daar bovenop kwam nog dat het handschrift onverwacht door de Duitsers werd opgeëist en naar Berlijn werd verstuurd, waar een musicoloog de muziekannotaties van naderbij wilde onderzoeken. Ook daar overleefde het handschrift de bommenregens en kwam het ongeschonden naar Ten Berghe terug[88].

Conclusie

Ik weet het wel, hypothesen formuleren, is een gewaagde vorm van geschiedschrijving. Maar als geen enkel of weinig bewijs wordt voorgelegd voor mogelijkheden die als zekerheid werden vooropgesteld, mag men dan niet een paar andere opties op een rij zetten? Het kan op zijn minst aanmoedigen tot het aandachtiger opsporen en bestuderen van documenten, wat misschien ooit tot elementen kan leiden die in de ene of de andere richting wijzen. Het Gruuthusehandschrift heeft trouwens inspiratie gegeven voor heel wat hypothesen, van Carton, al over De Vreese tot aan Heeroma en anderen nog. Soms stelden ze zelfs, ten onrechte, die hypothesen als zekerheden voor. Waarom dan niet, althans voor wat betreft de eigenaars, er een schepje bovenop doen? Uit de kakofonie zal wellicht, vroeg of laat, harmonie tot stand komen.

Als er iets gediend kan worden door een betere kennis van de (vooral vroegste) bezitters van het handschrift, dan is het wel de interpretatie van de liederen en gedichten. Heeroma[89], Erné[90], Lemaire[91] en anderen hebben, op basis van hun door weinig of niets ondersteunde overtuiging over sommige van de teksten en de omgeving waarin ze tot stand kwamen, malle interpretaties ontwikkeld. Een betere kennis van de eigenaars, of het besef hoe weinig we eigenlijk met zekerheid over hen weten, kan alvast aanzetten tot voorzichtigheid bij het becommentariëren van de teksten.

Natuurlijk doet dit alles niets af aan de onschatbare waarde die het handschrift heeft voor onze taal en onze literatuur. Ook al weet men graag zoveel mogelijk over de geschiedenis van zo een uitzonderlijk document, en ook al is het wat irriterend dat sommige auteurs zo zelfzeker betwistbare stellingen hierover hebben geponeerd, is het alles wel beschouwd niet zo belangrijk te weten aan wie het handschrift in het verleden heeft toebehoord. Tenzij dan om een krans te vlechten ter ere van diegenen aan wie we het te danken hebben dat dit kostbare document de eeuwen heeft getrotseerd en tot ons is kunnen komen. Wat ook hierover nog in de toekomst moge ontdekt worden, het kostbare stuk zal wel altijd verder bekend blijven onder de prestigieuze naam Gruuthuse[92].

Andries Van den Abeele

Bijlage 1

Tekst in de eerste helft van de 20ste eeuw

bijgeschreven in het Gruuthusehandschrift (blz. 95r)

Ce manuscrit provient de la famille van Borssele. Passa aux van Caloen par le mariage de Marie-Constance van Borssele van der Hooghen avec Jean-Adrien van Caloen, le 10 novembre 1779. Jean-Adrien était fils de Corneille van Caloen et de Marie de Nieulant et fut bourgmestre de Bruges en 1788-92.


Leur fille Marie-Thérèse épousa en 1804 le vicomte Charles de Croeser de Berges, fils de Charles, bourgmestre de Bruges et de Anne de Carnin de Staden.

Le manuscrit suivit et prit place dans la bibliothèque du château de Ten Berghe où il se trouve encore, mais il rentra dans la famille van Caloen à la suite du mariage de Marie-Thérèse, fille des précédents avec Anselme van Caloen, baron de Basseghem, le 7 novembre 1834.

Leur fils Paul baron van Caloen de Basseghem époux d’Irma de Nève de Roden hérita en effet de Ten Berghe et de ses manuscrits à la mort de Charles-Marie vicomte de Croeser de Berges, frère de sa mère.

La propriétaire actuelle est Marguerite van Caloen de Basseghem, qui épousa son parent le baron Ernest van Caloen, fils de Charles et de Savina de Gourcy.

Quant aux Gruuthuyse ils sont éteints depuis longtemps mais nous en descendons par Barbe de le Flye, fille unique de Pierre de le Flye, (fils de Philippe de le Flye et de Marie van Peenen) et de Barbe van Doorne, qui épousa le 18 septembre 1677 François-Balthasar van Caloen.

Le grand-père Van Doorne avait épousé une des dernières van den Heede, dits de la Gruuthuyse, des vicomtes de Vyve (St Eloy), lesquels descendaient des  (seigneurs) de Gruuthuyse et portaient en souvenir de cette alliance les armes de Gruuthuyse au canton senestre de leur écu (voir Gailliard, Bruges et le Franc, supplément p. 578.)

Bijlage 2

Toegevoegde aantekeningen

op het Gruuthusehandschrift:

Blz. 1r

Ex libris
Vte de Croeser de Berges
1818

Livre d’Oraison Journalier et Rhetorijcque de Messire Loys de Bruges, seigneur de la Gruuthuijse et Ch. de la Toison d’Or l’an 1461.

Mevrouw Margriete van Borsele, d’huysvrouwe van Mr Loys van Brugge, princ[esse] van Steenhuyse.

Blz. 1v

La Xe Feste et Chapitre du Toison d’Or fust célébré et tenu en la ville de St Omer le Ij jour de May 1461 par Monseigneur Philippe Duc de Bourgogne et fusrent éslus chevaliers au lieu des chevaliers trépassés
Dom Jean, roi d’Aragon et de Navarre
Monseigneur Adolphe duc de Gueldre le Jeune
Messire Thibault, seigneur de Neufchatel
Seigneur Maselle, mareschal de Bourgogne
Messire Philippe Pot, seigneur de la Vache et de Nolay
Messire Loys de Bruges, seigneur de la Gruuthuyse, prince de Winchester
Messire Guy seigneur de Roy Neufchatel
La XIe Feste et chapitre de la Toison d’Or fut tenu par Monseig. Charles de Bourgogne en la ville de Bruges a° 1468 au mois de May.

Blz. 2r

Messire Loys de Bruges, seigneur de la Gruuthuyse, prince de Wincester, fut élu chevalier 1461 en la ville St-Omer avec Don Jean roy d’Arragon, Navarre, etc. Plus est en vous. Méér es in u. [Middenin deze tekst: wapenschild Gruuthuse met halssnoer Gulden Vlies]

Blz. 10v

Mevrouw Margriete van Borsele
Plus est en vous.
Meer es in u.
Ano 1461

Blz. 43r

Vrouwe Margriete van Borsele
Plus est en vous
Meer es in u
Ghebedt an h. Maria

Blz. 85r

Eynde
Plus est en vous
Méér es in U
JHS
Propter nomen sanctum tuum esto mihi Jesus 1462
Rhetorijcke en Ghebedenboec van Mr Loys van den Gruuthuyse, prince van Wincester, ridder van Gulden Vliese 1462 dict de Bruges ofte van Brugge, etc

Blz. 85v

Mevrouw Margriete van Borsele

Blz. 95r

Zie bijlage 1.
Publicatie: Deel I in Biekorf 2008, blz. 47-66 – Deel II in Biekorf 2008, blz. 199-214.


[1] A. VAN DEN ABEELE, Een les in alertheid en voorkomendheid. De dag dat het Gruuthusehandschrift verkocht werd, in: De Parelduiker, 2007/1, blz. 39-49.

[2] J. BIEMANS, e. a. (red.), Manuscripten en miniaturen. Anne S. Korteweg, studies aangeboden bij haar afscheid aan de Koninklijke Bibliotheek, Walburg Pers, Zutphen, 2007.

[3] A. VAN ELSLANDER, Willem De Vreese, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, Dl. XIII, 1990;  H. D. MOMMAERTS & A. VAN EETVELDE-DE MOOR, Willem De Vreese, in: Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998.

[4] De argumentatie hiervoor luidt: de kopiisten hebben op perkamenten bladen geschreven die op dezelfde wijze zijn gelinieerd en de derde kopiist ontmoeten we in het eerste en het tweede en de vijfde in het tweede en het derde deel.

[5] K. HEEROMA, m.m.v. C. W. H. LINDENBURG, Liederen en gedichten uit het Gruuthusehandschrift, Leiden, 1966, Blz. 40-41.

[6] H. BRINKMAN en I. DE LOOS, De stadspoorten van Brugge en de datering van het handschrift, in: Gruuthusehandschrift, toelichting bij teksten en muziek. (zie: webstek Koninklijke Bibliotheek, Den Haag)

[7] H. BRINKMAN, De Brugse pelgrims in het Gruuthuse-handschrift, in: J. OOSTERMAN (red.), Stad van koopmanschap en vrede, Leuven, 2005, blz. 29.

[8] A. VAN DEN ABEELE, Het enigma van de genealogie Gruuthuse: veel vragen en enkele antwoorden, in: Vlaamse Stam, november 2007, blz. 621-629.

[9] J. REYNAERT, Laet ons voort vrolyc maken zanc. Opstellen over de lyriek in het Gruuthusehandschrift, Gent, 1999, blz. 224.

[10] A. VAN DEN ABEELE, Het ridderlijk gezelschap van de Witte Beer, Brugge, 2000, blz. 83-92.

[11] http://www.kb.nl/galerie/gruuthuse/inleidingen/index.html

[12] D. MISSIAEN en P. DE BAERE, Charles Louis Carton, Brugge, 1979.

[13] [C] C[arton], Oud-vlaemsche liederen en andere gedichten der XIVe en XVe eeuwen, Gent, [1848-1849].

[14] J. B. B. VAN PRAET, Recherches sur Louis de Bruges, seigneur de la Gruuthuyse (…), suivies de la notice des manuscrits qui lui ont appartenu et dont la plus grande partie se conserve à la bibliothèque du roi, Paris, 1831.

[15] J. W. SCHOLTE – NORDHOLT, Klaas H. Heeroma, in: Biografisch woordenboek van Nederland, Amsterdam, 1985, Deel II, 216-218.

[16]  K. HEEROMA, a. w., blz. 40-41.

[17] Jan DESCHAMPS, Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken, Leiden, 1972, blz. 126.

[18] C. LEMAIRE, De bibliotheek van Lodewijk van Gruuthuse, in: Vlaamse kunst op perkament, Brugge, 1981, blz. 230.

[19] W. DE VREESE, Het Gruuthusehandschrift, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal en Letterkunde, 1940, blz. 241-261. Zoals ik verder uiteenzet, is zelfs begin 19de eeuw niet onmogelijk.

[20] J. REYNAERT, a. w., blz. 225.

[21] Hij bedoelde ‘bewaard’, ‘ontzien’.

[22] C. LEMAIRE, a. w., blz. 241.

[23] Idem, blz. 231.

[24] Idem, blz. 232-234.

[25] Idem, blz. 234-235.

[26] Idem, blz. 242-243. Zie webstek Bibliothèque Mazarine, Manuscrit 338; M. MARTENS, Lodewijk van Gruuthuse, Brugge, 1992, blz. 169 en 171.

[27] Idem, blz. 243-244. Zie webstek British Library, Catalogue manuscripts, Add. 18798. Iemand vermeldde op het manuscript dat hij het in 1851 aankocht bij de boekhandelaar en uitgever Joseph Lilly (1804-1870), auteur van Remarks upon and analysis of ‘The life and typography of William Caxton’ (1864). Zijn verzameling werd in 1871 geveild bij Sotheby’s (Oxford Journal, Notes and Queries, 1871, blz. 295-296.) F. T. Hammond kan de man zijn die in Chalford woonde rond 1950 en in een genealogisch overzicht vermeld werd als ‘that indefatigable local historian and genealogist’.

[28] A. VANDEWALLE (ed.), Te Wapen! Heraldiek, teken van gezag en identiteit, Brugge, 2004, blz. 4, 20, 62, 63, 72.

[29] Ik geef er me rekenschap van dat dit vlugger gezegd is dan gedaan. Een kenner maakte me hierover volgende opmerkingen: “ Er zijn wel manieren om middeleeuwse verf te analyseren; maar ik weet niet waar een instelling te vinden is die PIXE- of Raman-analyses kan maken, en zo ja, of daarvoor het nodige geld gevonden zou kunnen worden, en of de KB er toestemming voor zou geven; daarbij leveren die methoden gegevens over de samenstelling van de verf, maar niet over de datering ervan. Voor datering gebruikt men de C14-methode, maar daar zijn, voor zover ik weet, ook na de moderne verfijningen nog enkele milligrammen materiaal voor nodig, en dat kan natuurlijk niet van zo'n voorwerp worden afgehaald; nog afgezien of je daarmee de ouderdom van de verf zou meten, of van de erin verwerkte materialen, en of de nauwkeurigheid groot genoeg zou zijn om een datering bv. midden XVIde E. uit te sluiten ...” Een andere specialiste schrijft: “Datering moet een combinatie zijn van historisch en technisch onderzoek.
Een stratigrafisch onderzoek van de lagen zou enig licht kunnen werpen op het feit of dit een origineel wapenschild is of een later overschilderd, maar dit is dan wel een (zeer licht) destructief onderzoek, omdat er toch een minieme hoeveelheid materie moet weggenomen worden. Misschien kunnen gespecialiseerde fotografische onderzoeken ook enig soelaas brengen.”

[30] Het gaat om de handschriften gekend onder de nummers FR 1 – 103 – 122 – 123 – 133 – 156 – 174 – 188 – 267 – 414 – 493 – 495 - 496 - 498 – 575 – 593 – 761 – 793 – 810 – 812 – 953 – 1043 – 1073 – 1175 – 1300 – 1421 – 1584 – 1589 – 1594 – 2136 – 5631 – 19525 – 20045. We danken conservator Pascal Schandel (Bibliothèque nationale, Parijs) die de gegevens voor ons heeft opgezocht.

[31] Het gaat om de nummers 5136 – 19525 en 20045.

[32] Met mijn dank aan N. Geirnaert die me op deze afwijking attent heeft gemaakt.

[33] Paul van Caloen de Basseghem had het als volgt in zijn testament bepaald: Je donne et lègue à ma fille Marguerite, épouse du baron Ernest van Caloen, le droit de reprendre sur estimation mon château de Berges avec toutes ses appendances et dépendances (…) formant le domaine de la famille van Caloen de Basseghem. En voor wat de roerende goederen betreft : Si ma fille Marguerite fait usage de cette faculté, je lui donne par préciput et hors part tous les portraits, titres, papiers, manuscrits et archives de famille se trouvant au château de Berges (Archief J. P. della Faille d’Huysse).

[34] Jean-Adrien van Caloen, vijfde van de zes kinderen van Corneille-Ghislain van Caloen (1685-1757), algemeen ontvanger van convooirechten en van Marie-Josèphe de Nieulant (1703-1780) werd op zijn 25ste raadslid van de stad Brugge en bleef dit tot hij in 1788 werd bevorderd tot burgemeester van de raadsleden, functie die hij, na de Brabantse Omwenteling, weer opnam tijdens de eerste Oostenrijkse restauratie in 1790. Tijdens de tweede en laatste Oostenrijkse restauratie was hij eerste raadslid. Hij woonde Carmersstraat F2-26. In 1796 werd zijn fortuin geraamd op 40.000 livres; in de verschillende bijzondere belastingheffingen werd hij voor eerder geringe bedragen getaxeerd.

[35] A. VIAENE, Napoleon en Marie-Louise te Brugge, Brugge, 1958, blz 87.

[36]  F. SIMON, Reacties der Bruggelingen tijdens het Voorlopig Bewind en de eerste jaren van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, 1814-1820 (onuitgegeven licentiaatthesis, RU Gent, 1965)

ooge, n° 80, akte van aanstelling)

[37] Zeeuws Archief, Middelburg (ZAM), Archief Familie van Borssele van der Hooge (AFBH), n° 80, akte van aanstelling.

[38] De schrijfwijze van de naam is wisselend: het is meestal Borssele, soms ook Borsele, Borselen en in Brugge gekomen werd het Borsselen; het is meestal Hooghe, maar ook soms Hooghen, Hoogen of Hooge. We houden het hier op van Borssele voor de oorspronkelijke naamdragers en op van Borsselen voor de nazaten uit de familie van der Hooghe.

[39] J. REYNAERT, a. w., blz. 226.

[40] Bij de Volkstelling van 1746 woonde Pieter van Borsselen van der Hooghe met echtgenote, twee minderjarige kinderen en vier dienstboden in het Huis Casselberg, Hoogstraat.

[41] ZAM, AFBH, n° 29, Extract uit het doopboek der katholieke kerk te Middelburg, bevattende aanteekeningen van den doop van kinderen van Pieter van Borssele van der Hooge en Theresia Constantia van der Goes en van die van Philips Joseph van Borssele van der Hooge, heer van Nieuwvliet, en Isabella Rodrigues d' Evora y Vega, 1668-1709.

[42] ZAM, AFBH, n° 30, verkoop door Philippe van Borsselen van der Hooghe van het huis Ter Hooghe aan Steven Scheyderuyt, 1713. Scheyderuyt was rijk geworden als kapitein bij de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC).

[43] J. J. GAILLIARD, a.w.; VAN DYCKE, a. w.; L. P. DE BOER, The Van der Veer family in the Netherlands, 1150 to 1660 and 1280 to 1780, New York, 1913; A. W. E. DEK, De genealogie van de heren van Borselen, Zaltbommel, 1979.

[44] ZAM, Het geslacht van Borssele, in: Toelichting bij de Tentoonstelling Van centrale kern tot kerncentrale, Middelburg, 1971

[45] Stamreeks van prinses Beatrix en haar zusters, evenals van de drie echtgenoten van de prinsessen, die allen afstammen van Wolfert (III) van Borssele, heer van Veere en Zandenburg, in: De Nederlandsche leeuw, maandblad van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde 83,  1966, blz. 133-140.

[46] De officiële naam van de Nederlandse koningin luidt: Beatrix Wilhelmina Armgard, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, Prinses van Lippe-Biesterfeld, Markiezin van Veere en Vlissingen, Gravin van Katzenellnbogen, Vianden, Diez, Spiegelberg, Buren, Leerdam en Culemborg, Burggravin van Antwerpen, Barones van Breda, Diest, Beilstein, de Stad Grave, het Land van Cuyk, IJsselstein, Cranendonck, Eindhoven, Liesveld, Herstal, Warneton, Arlay en Nozeray, Erf- en Vrijvrouwe van Ameland, Vrouwe van Borculo, Bredevoort, Lichtenvoorde, Het Loo, Geertruidenberg, Clundert, Zevenbergen, Hoge en Lage Zwaluwe, Naaldwijk, Polanen, Sint-Maartensdijk, Soest, Baarn, Ter Eem, Willemstad, Steenbergen, Montfoort, Sankt Vith, Burgenbach, Daasburg, Niervaart, Turnhout en Besançon.

[47] Het kasteel Ter Hooge (grotendeels herbouwd rond 1750) bestaat nog en is eigendom van de familiestichting Lynden Ter Hooge.

[48] F. VAN DYCKE, a. w., blz. 65.

[49] ZAM, AFBH, n° 7 en n° 143: Maximiliaan en Philips, aartshertogen van Oistenrijck, vergunnen aan Adriaen Jacobzoon, poorter van Middelburch, die van den heer van den Gruythuse zeker goed, genaamd De Hooghe, liggende op een vierde mijl van Middelburch binnen de parochie van Couwekercke, gekocht heeft, welk goed te voren behoord had aan de vrouwe van der Vere, om 's graven weg langs dit goed met boomen te beplanten, op voorwaarde dat hij en zijn erfgenamen jaarlijks vier kapoenen of 12 grooten Vl. zullen betalen in handen van den rentmeester van Bewesten Schelt.

[50] R. FRUIN, De oorsprong der familie van Borssele van der Hooghe, Middelburg, 1908.

[51] ZAM, AFBH, nrs. 54 t/m 59.

[52] ZAM, AFBH, n° 48, huwelijkscontract Jacob van der Hooghe en Maria van Varick van 1651, is een voorbeeld van hoe achteraf aan dergelijke documenten werd geknoeid.

[53] K. HEERINGA, Gedenkschriften van Adriaan van Borssele van der Hooghe, Heer van Geldermalsen, Middelburg, 1916.

[54] In 1984 werd het scheepswrak ontdekt en in mei 1986 werden 160.000 stuks intact porselein, gebruiksvoorwerpen en goudstaven in Amsterdam door Christie’s geveild. De veiling bracht nagenoeg 20 miljoen euro op.

[55] ZAM, AFBH, nrs. 99 t/m 115.

[56] ZAM, AFBH, n° 98a, adelsbrief 1814; A. J. VAN DER AA, Biografisch woordenboek der Nederlanden, Haarlem, 1852, lemma’s van Borssele van der Hooghe.

[57] ZAM, AFBH, n° 111 en 116, stamboom.

[58] J. J. GAILLIARD, Bruges et le Franc daarentegen, heeft geen genealogisch artikel aan van Borssele van der Hooghe gewijd. 

[59] L. DEVLIEGHER, De Sint-Salvatorskathedraal te Brugge, Inventaris, Tielt, 1979, blz. 142.

[60] Deze gewoonte speelde zelfs nog mee op het einde van de twintigste eeuw, toen Ernest II Van Caloen in zijn testament de roerende goederen en het archief aanwezig op het kasteel buiten de verdeling hield en, onder bepaalde voorwaarden, aan zijn oudste zoon schonk.

[61] L. SCHEPENS, De provincieraad van West-Vlaanderen, 1836-1921, Tielt, 1976, blz. 447.

[62] M. ENGLISH, Het mirakelbeeld van Onze-Lieve-Vrouwepolder, in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis in Brugge, 1931, blz. 196-213. M. English zorgde ervoor dat het schilderij in 1926 weer in de openbaarheid kwam. In 1931 schonk baron Julien van Caloen de Basseghem het aan de Sint-Pieter-en-Pauluskerk in Middelburg terug, waar het zich nog bevindt (zie: http://www.meertens.knaw.nl/cms, gaan naar: databanken, bedevaartplaatsen in Nederland)

[63] E. REMBRY, De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge, Brugge, 1890-96, blz. 397-409.

[64] A. FRANCHOO, Varsenare en zijn rijk verleden, Deel I, Brugge, 1971, blz. 83-95.

[65] Het huis bleef een tijd onbewoond, deed enkele jaren dienst als staatsnormaalschool en werd in 1880 door Paul van Caloen verkocht en tot verschillende huizen verbouwd. (zie: E. REMBRY, a. w.)

[66] W. BAES (ed.), Van Rame tot Coupure, Brugge, 1997, blz. 148; B. BEERNAERT (ed.), Wonen , Open Monumentendagen 2007, blz. 35.

[67] Zij was de dochter van baron Victor de Nève de Roden en Euphrasie van den Hecke, eigenaars van het Goed ten Hulle in Wippelgem (Evergem), de zus van senator Emile de Nève de Roden (1840-1915), burgemeester van Waasmunster en van Alfred de Nève de Roden (van 1870 tot aan zijn dood ‘commodore’ van de Royal Belgian Sailing Club) die, in 1909, samen met zijn echtgenote slachtoffer werd van één van de eerste dodelijke treinongevallen in België, toen hun koets door een trein werd gegrepen aan een onbewaakte overweg.

[68] Bij de nalatenschap van Charles-Joseph de Croeser in 1857 ging het om bijna 500 ha gronden en huizen. (RAB, Registratie en Domeinen, Ser. 187, Brugge I.1857). In de volgende generatie was daar nog de aanzienlijke inbreng van de echtgenote Van Hoobrouck bijgekomen.

[69] B. BEERNAERT, a.w., blz. 170-177.

[70] A. OSAER, De katholieke partij in een periode van standsvertegenwoordiging. Het arrondissement Brugge, 1918-1936, onuitg. licentiaatverhandeling, Leuven, 1979.

[71] Dit kasteel, gelegen langs de baan die na WOI de naam Generaal Lemanlaan kreeg, werd na WOII door de gemeente Assebroek aangekocht en is tot op heden in gebruik als gemeentehuis.

[72] Uiteindelijk ging de verhuis naar domein Zorgvliet niet door: het kasteel werd door de Duitsers vernield en niet meer herbouwd, terwijl tientallen ha bos waren gerooid.

[73] Voordien woonde het gezin op het kasteel Hof van Beieren in Koolkerke

[74] J. J. GAILLIARD, Bruges et le Franc (…), Brugge, 1846-64; F. VAN DYCKE, Recueil héraldique (…), Brugge, 1851; Annuaire de la noblesse; R. COPPIETERS ‘T WALLANT, Notices généalogiques et historiques sur quelques familles brugeoises, Brugge, [1943]; O. COOMANS de BRACHENE e. a., Etat présent de la noblesse belge, Annuaire de 2004, seconde partie, Blz. 267-280, Brussel, 2004.

[75] J. WEALE, Généalogie des familles brugeoises. Les Despars, in: La Flandre, II (1868-69); O. MUS, De Brugse compagnie Despars op het einde van de 15de eeuw, in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis in Brugge, 1964, blz. 5-118.

[76] Jonkheer de Croeser kreeg de barontitel in 1775 van keizerin Maria-Theresia en opnieuw in 1816 van koning Willem I.

[77] L. DUERLOO & P. JANSSENS, Wapenboek van de Belgische Adel, Brussel, 1992, art. De Croeser.

[79] Stadsbibliotheek Brugge, Handschrift 449. Het handschrift is in zijn totaliteit op het Internet te consulteren via de webstek “historische bronnen Brugge”

[80] J. STECHER, J. A. De Jonghe, in: Biographie nationale, T. V, 1876, 219-220; M. VERBEKE & E. SMISSAERT, Pieter Behaeghel, J. J. Goddefroy en A. De Jonghe, in: Brugs Ommeland, 1981, blz 161-165

[81] A. DEPREZ, De tael is gansch het volk, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, blz. 3046.

[82] L. VAN BIERVLIET, Aantekeningen over Karel Carton en de Vlaemsche Bibliofielen, in: Biekorf, 1986, blz. 380-394; Universiteitsbibliotheek Gent, G. 15758/8(2), Brief De Jonghe aan Snellaert 12 november 1837.

[83] N. GEERTS, Die altflämischen Lieder der Handschrift Rhetorycke ende Ghebeden-Bouck van Mher Loys van den Gruythuyse, Halle, 1909.

[84] W. DE VREESE, a.w., idem.

[85] B. H. ERNE,  Rondeel-liederen in het handschrift Gruuthuyse, in: Bundel opstellen De Vooys, 1940, blz. 133-139.

[86] J. F. GESSLER, Tekstverbeterende aantekeningen op oudvlaemsche liederen en andere gedichten in het Gruuthusehandschrift, in: De Gulden Passer, 1941, blz. 37-63.

[87] J. F. VANDERHEYDEN, Lodewijk Scharpé, in : Nationaal Biografisch Woordenboek, Dl. V, 1972, 772-777.

[88] Mondelinge mededeling door François van Caloen.

[89] K. HEEROMA, Die Blomkin van Brugche, in: Spelend met de spelgenoten, Den Haag, 1968; K. HEEROMA, Andermaal ‘Die blomkin van Brugche’, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, Leiden, 1972, blz. 216-235.

[90] B. H. ERNE, De forestier van de Witte Beer in het Gruuthusehandschrift, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, 1972, blz. 107-121.

[91] C. LEMAIRE, De bibliotheek van Gruuthuse, in: Vlaamse kunst op perkament, 1981, blz. 207-277.

[92] Met mijn dank aan dr. André Vandewalle (stadsarchivaris Brugge), dr. Noël Geirnaert (archivaris stadsarchief Brugge),  Edgard Goedleven, em. prof. dr. Raymond Van Uytven, baron Jean-Pierre della Faille d’Huysse, barons Roland, Damien en José van Caloen, dr. H. Brinkman (Huygensinstituut, Den Haag), Christian Peligry (directeur Bibliothèque Mazarine, Parijs), Marie-Pierre Laffitte (conservateur-général département des manuscrits, Bibliothèque Nationale, Parijs), Pascal Schandel (Bibliothèque nationale, Paris), Lineke Van den Bout (informatiecentrum Zeeuws Archief), dr. Anne S. Korteweg, (Koninklijke Bibliotheek Den Haag), Ludo Vandamme (stadsbibliotheek Brugge) en markies Olivier de Trazegnies.

www.andriesvandenabeele.net