De familie Colens in Brugge vanaf de 18de eeuw

Een portret door Bernard Bauwens

 

Antiquair Cedric Moermans in Antwerpen heeft onlangs een portret verkocht dat van de hand is van de Brugse kunstschilder Bernard Bauwens. Het draagt, naast zijn naam, het jaartal 1773. Het schilderij (103 x 80 cm) heeft duidelijk behoord tot de portrettengalerie van het Brugse gild van chirurgijnen en dokters. De  musea van de stad Brugge bezitten vijftien van die portretten[1].

Bernard Bauwens is een bijna onbekende. Als hij al eens vermeld wordt, dan is het, in navolging van zijn tijdgenoot Pierre-François Ledoulx (1730-1807), met een verkeerde geboortedatum[2]. Hij werd immers in Brugge geboren op 17 februari 1734 en niet 1736[3]. Hij studeerde als laatbloeier aan de Brugse Kunstacademie, eerst onder de leiding van Matthias De Visch, nadien van Jan Garemyn. In 1768 werd hij tweede in de klas van het tekenen naar model[4] en in 1774 was hij primus voor het examen architectuur. In een gezapig tempo schilderde hij historische onderwerpen en portretten. Althans volgens Ledoulx in zijn Levens der Brugsche konstschilders[5], die als enig werk het portret citeert dat Bauwens maakte van burgemeester Karel-Aeneas de Croeser (1746-1828), bestemd voor de voogdengalerie van het hospitaal van de Potterie[6]. Een ander portret van zijn hand berust in het Groeningemuseum, dat van chirurgijn Franciscus Beyts (1737-1823) [7], gedateerd 1783. Nog meer portretten uit dezelfde reeks van geportretteerde chirurgijnen, als ‘anoniem’ gemarkeerd en in het bezit van het Groeningemuseum, kunnen van zijn hand zijn[8]. Dit geldt meer bepaald voor het portret van zijn vader, chirurgijn Johannes Bauwens (1701-1789). Van ‘historieschilderijen’ blijkt geen enkele bekend te zijn. Het hier behandelde portret is dus pas het derde werk dat met zekerheid op zijn naam kan worden gezet.

Bauwens was handelaar in schilderijen en ‘histoire naturelle’ (plant- en dierkunde dus) en schilderde wellicht eerder uit liefhebberij, gelet op de uiterste zeldzaamheid van door hem gesigneerd werk. Hij was herhaaldelijk bestuurslid bij de Brugse academie (gedeputeerde van de kunstenaars in 1779, assessor in 1781-84 en opnieuw in 1801)[9]. Tussen 1780 en 1805 stelde hij catalogi op voor verkopen van schilderijen en gravures, waarbij hij optrad als veilingmeester. Zo vinden we zijn naam terug bij de veiling Bucquoy in 1785[10], Jan Garemyn in 1799[11] en André Van den Bogaerde in 1803[12]. In 1796 werd zijn fortuin geschat op 5000 livres[13]. Er werd geschreven dat plaats en datum van zijn overlijden onbekend waren[14]. We kunnen integendeel melden dat de vrijgezel Bauwens in de Vlamingstraat E3-66 woonde, de hoge leeftijd van 92 jaar bereikte en stierf op 6 mei 1826. Op de overlijdensakte werd hij gemeld als ‘konstschilder, lid der Koninklijke Academie van bouw-, schilder- en beeldhouwkunst’[15]. Men was dit dus, zovele jaren nadat hij als schilder actief was geweest, niet vergeten. Daarentegen is hij thans bij de grote overzichtswerken zoals Thieme-Becker, Saur, Bénézit, enz. helemaal onbekend.

Bernard Bauwens was de zoon van meester-chirurgijn Johannes-Franciscus Bauwens, wat bijkomend uitlegt waarom het portret in kwestie bij hem werd besteld. Zijn vader, getrouwd met Isabelle van Liebeke, was chirurgijn geworden in 1724 en werd het jaar na Albert Colens deken van de chirurgijnen (het was toen al de derde keer dat hij die functie vervulde). Hij werd in 1774 uitbundig gevierd naar aanleiding van zijn gouden beroepsjubileum en hij nodigde familie, vrienden en collega’s uit op een groot feest in de lokalen van het Oudhof van de Sint-Jorisgilde.[16]  Zoon Bernard en collega Albert Colens waren er zonder twijfel bij.

Albert Colens

De naam en kwaliteiten van de door Bauwens geportretteerde man staan op de originele omlijsting van het schilderij[17] vermeld als volgt: Albertus Colens, decanus et lector, ex Pittem 1772. Hij wordt afgebeeld met de vinger wijzend naar de afbeelding van een Siamese tweeling in een boek van de bekende 17de-eeuwse gynaecoloog François Mauriceau (1637-1709). Ook op de meeste portretten in stadsbezit, staan de chirurgijnen afgebeeld met bij zich boeken over geneeskunde of geneeskundige instrumenten .

Dr. Isaac De Meyer heeft betreffende Colens enkele inlichtingen gegeven in zijn studie over Brugse artsen[18]. Albert-Jacob Colens werd op 25 juni 1731 in Pittem geboren. Hij werd in 1756 meester-chirurgijn met een diploma van de Brugse school en liet zich inschrijven als poorter van de stad Brugge, waarbij hij werd opgetekend als afkomstig uit Tielt[19]. Hij huwde datzelfde jaar met de Bruggelinge Johanna-Theresia Van der Straete (1733-1789), die wees was. Haar vader, Augustinus Van der Straete, was in 1750 overleden[20] en haar moeder Maria Follet al in 1738[21]. Het huwelijk vond plaats in Pittem en werd ingezegend door Philippus-Antonius Colens (1721-1789), de broer van de bruidegom, die er onderpastoor was. Bijna twintig jaar later werd Albert Colens in 1772 deken van de corporatie van chirurgijnen in Brugge. Het is dus zonder twijfel bij die gelegenheid dat het portret van de veertigjarige werd gemaakt. Dat ook 'lector' vermeld staat, wijst er op dat hij les gaf, ongetwijfeld aan de chirurgijnenschool in Brugge. Rechts op het portret staat een spreuk: Tempus docet et usus wat ik vertaal als Tijd en praktijk zijn onze leermeesters. Ook op andere portretten van Brugse chirurgen, niet op allemaal nochtans, staat een spreuk vermeld.[22]

Albert Colens stamde uit een familie die in de 17de-18de eeuw een rol heeft gespeeld in Pittem, in Tielt en in de kasselrij Kortrijk. In 1651 werd Frans Colens, die in 1640 in Rijsel was getrouwd met Catharina Morel, tot baljuw benoemd in Pittem. Hij kwam wellicht uit het Westkwartier (waar het huidige Franse arrondissement Duinkerken grotendeels toe behoorde) maar het kan ook uit het huidige arrondissement Douai zijn. Hij woonde in Pittem op het Kasteelgoed, waar hij overleed in 1669. Zijn tweede zoon, Philip Colens volgde hem op. Hij vervulde het ambt gedurende meer dan 50 jaar, naast ook nog andere ambten en stierf in 1721, 83 jaar oud. In 1733 werd zijn zoon, Philip Colens jr., tot baljuw benoemd. Hij overleed in Pittem in 1742 en was de vader van de Albert Colens die chirurgijn werd in Brugge[23].

Albert Colens en zijn echtgenote hadden tussen 1756 en 1774 zeven kinderen[24]. Hij overleed in Brugge op 8 maart 1779, amper 47 jaar oud. Zijn echtgenote volgde hem op 24 augustus 1789.[25] Er rijzen hierbij een paar vraagtekens. Het eerste is dat hun zoon Joseph niet voorkomt in de doopakten van de stad Brugge. Het is nochtans zeker dat hij rond 1768-69 geboren is[26]. Wellicht zag hij buiten Brugge het levenslicht. Het tweede is de afwezigheid van een staat van goed bij het overlijden van de vader, nochtans een onvermijdelijke procedureakte, gelet op de minderjarige kinderen. Bezat Colens totaal niets?  De onverwachte dood van een jonge huisvader betekende onvermijdelijk een zware klap en misschien had hij nog geen spaarcenten verzameld. Toch lijkt deze afwezigheid vreemd[27]. Er werd in 1790 wel een staat van goed opgemaakt na het overlijden van de weduwe, met daarin de precieze opsomming van de ervende kinderen. De nalatenschap was uiterst bescheiden, met slechts 52 pond baten en 34 pond lasten. Netto bleef er dus onder de vijf kinderen slechts 16 ponden te verdelen. Voogden waren bij die gelegenheid Philippe, de oudste zoon en de oom, edelsmid Pieter De Thieu – Van der Straete (1725-1794).[28]

Gelukkig voor hen werden de kinderen rond dezelfde tijd erfgenamen van hun tante Maria-Theresia Colens (†1787) en van hun heeroom Philip Colens (†1789), beiden in Ruiselede overleden. Als oudste zoon trok Philippe Colens zich deze erfenissen aan, wat niet zonder problemen ging, want een neef Van der Beke vocht het testament aan dat de kinderen Colens tot de enige erfgenamen maakte en het lijkt er op dat hij inderdaad zijn deel kreeg toegewezen[29]. Priester Colens bezat eigendommen, alle in Ruiselede: een grote tweewoonst in het dorp en heel wat landbouw- en bosgrond, waarvan een deel verhuurd was aan de zusters van het klooster bekend onder de naam ‘Spinhuys’[30]. Alles werd verkocht en de opbrengst bedroeg nagenoeg duizend pond, geen fortuin maar toch een niet onaardig bedrag voor de erfgenamen. Philippe Colens kon alvast een hele reeks voorschotten aanzuiveren van vroegere betalingen en meteen nieuwe betalingen uitvoeren ten behoeve van de twee jongste broers die nog onder zijn hoede stonden.[31]

Philippe Colens en zijn nageslacht

De oudste zoon van Albert Colens was dus Philippe Colens (Brugge 16/12/1756 - 8/01/1828). Hij behaalde in 1777 in de school voor medici in Brugge zijn diploma van meester-chirurgijn en vestigde zich in Oedelem, waar hij een reputatie van uitstekende dokter verwierf, vooral tijdens de epidemie van rodeloop in 1794[32]. Hij speelde er ook een zekere politieke rol tijdens de revolutiejaren. Zo werd hij op 31 januari 1793, tijdens de kortstondige Eerste Franse overheersing, voorlopige vertegenwoordiger voor het Brugse Vrije[33]. Op 22 januari 1795 werd hij tot raadslid benoemd van de stad Brugge. Het ging om het eerste stadsbestuur dat door de Fransen werd aangesteld, na hun tweede inval van juni 1794. Het bestuur van het Brugse Vrije was afgeschaft en de stad Brugge werd aanzienlijk uitgebreid met een hele reeks omringende gemeenten, tot en met Torhout en Blankenberge. Uit Oedelem kwamen twee raadsleden: Pieter-Livinus Carton[34] en Philippe Colens[35]. In maart 1796 koos men voor meer traditionele gemeentegrenzen en Oedelem werd een afzonderlijke gemeente. Colens verdween dan ook uit de Brugse politiek[36].

De korte politieke intermezzi verhinderden niet dat hij een behoorlijk patrimonium opbouwde en nogal wat eigendommen in en om Oedelem verwierf[37]. Ze hinderden ook zijn dokterspraktijk niet, die hij tot in 1815 verder zette. Toen plaatste hij er een punt achter en kwam weer in Brugge wonen, waar hij in de geneeskundige middens actief bleef. In 1826-27 was hij voorzitter van de in 1815 opgerichte Société médico-chirurgicale de Bruges. In 1827 werd zijn gouden doktersjubileum gevierd[38] en enkele maanden later overleed hij in zijn woning Freren Fonteinstraat B15-23. Zijn echtgenote Anna-Maria De Vliegher was al een aantal jaren voordien overleden[39].

Philippe Colens had een zoon die voor arts studeerde, maar jong stierf. Een andere zoon, Jean-Baptiste Colens (°Oedelem 1793) was controleur (‘visiteur’ werd hij genoemd) van de Douane. Nog een zoon, Pieter-Leopold Colens (Oedelem 1791- Brugge 1864), werd notaris in Sijsele (van 1817 tot 1820) en in Brugge (van 1820 tot 1859), waar hij zich vestigde op het adres Freren Fonteinstraat. Hij was getrouwd met een nicht, Virginie Colens (1803-1871) uit Gent en ze hadden twee zonen en twee dochters. Hun zoon Philippe-Charles Colens (20/12/1832-14/01/1894), getrouwd met Marie De Brouwer (1839-1906), volgde hem op als notaris in Brugge (van 1859 tot 1894) en was gevestigd eerst in de Ridderstraat en vanaf 1868 Mallebergplaats 6[40]. Hij werd op zijn beurt opgevolgd (van 1895 tot 1950) door zijn zoon Philippe Colens (30/04/1870-29/03/1950), getrouwd met Maria Viaene. Een notariële traditie die zich over bijna anderhalve eeuw uitstrekte en die eindigde bij gebrek aan mannelijke opvolgers[41]. De notarissen Colens waren ongetwijfeld voorbeeldig in hun ambt en in hun levenswandel, zonder nochtans een markante rol te vervullen in het maatschappelijke leven in Brugge.

Ingenieur Joseph Colens en nageslacht

Philippe-Charles Colens had nog twee andere zonen en drie dochters. Een dochter, Aline Colens (1866-1927) werd overste bij de Zusters van Sint-Vincentius à Paulo in Leuven. Joseph Colens (Brugge 1873 – Brussel 1944), trouwde in 1904 in Brugge met Gabrielle De Necker, dochter van Jules De Necker (1827-1909), voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in Brugge en van Gentile Valcke (1844-1895), dochter van de voorzitter van de rechtbank in Veurne. Ook de broer van Gabrielle, Louis De Necker, werd later voorzitter van diezelfde rechtbank. Een milieu van magistraten, maar Joseph Colens sloeg een andere richting in. Hij doorliep een loopbaan als ingenieur bij de Belgische spoorwegen en werd na de Eerste wereldoorlog en tot in 1938 secretaris generaal van het Ministerie van spoorwegen en PTT. Hij had twee zonen, Antoine en Joseph.

Antoine Colens (1908-1993) studeerde aan het Sint-Bonifaciuscollege in Brussel, waar hij tot hetzelfde jaar behoorde als Georges Remi, de latere Hergé (1907-1983). Gehuwd met de Leuvense Alberte Prins (1911-2006), werd hij advocaat en – onder invloed van zijn heeroom? - een belangrijke auteur van werken over sociaal recht, naast andere juridische onderwerpen[42]. Hij behoorde tot de Centrale politique des jeunesses catholiques, (de Franstalige tegenhanger van de ‘Jonge Wacht’, de politieke jongeren van de Katholieke partij) die in 1934 voor het eerst een groot congres hield met als thema Les jeunes et la transformation du régime. Antoine Colens was één van de rapporteurs en, wellicht gecoacht door zijn oom Louis, hield hij een referaat onder de titel Les organisations ouvrières chrétiennes et le corporatisme. Hij kwam daar in een midden terecht met een paar belangrijke politici en vooral briljante jongelui, die in de volgende jaren uiteenlopende wegen zouden bewandelen[43].

Joseph Colens (1909-1978) werd eveneens advocaat en huwde met Agnès Clerbaux (°1912), langs wie hij verwantschap kreeg met bekende Waalse families: Cloquet, Molitor, onder wie zijn schoonbroer, professor en kabinetschef van de koning André Molitor (1911-2005)[44], en Woitrin, onder wie de medestichter van Louvain-la-Neuve Michel Woitrin (°1919). Colens stapte over naar de magistratuur en beëindigende zijn carrière als advocaat-generaal. Antoine en Joseph Colens hebben respectievelijk 4 en 6 kinderen gehad, zodat er, hoofdzakelijk in het Brusselse, nog nazaten zijn van deze Pittems-Brugse familie.

De gebroeders Colens, zonen van Philippe senior, studeerden aan het Sint-Lodewijkscollege en voltooiden hun rhetorica in 1887 (Philippe), 1891 (Joseph) en 1895 (Louis). Joseph won de gouden medaille als ‘primus perpetuus’. Louis was secretaris van het caritatieve Sint-Vincentiusgenootschap (de ‘Conférences’)[45], waarvan zijn broer Philippe later ondervoorzitter voor Brugge werd. Tijdens zijn studententijd in Leuven, was Joseph Colens lid van de studentenclub ‘Moeder Brugse’[46].

Kanunnik Louis Colens, stichter ACW

De jongste zoon, Louis Colens (Brugge 1 december 1877 – Brussel 16 maart 1936), trok naar het seminarie en werd direct naar het Leo XIII college in Leuven gestuurd, waar hij in 1899 tot doctor in de filosofie promoveerde, met de latere kardinaal Albert Mercier als zijn leermeester.[47] Van 1899 tot 1901 volbracht hij zijn seminariejaren in Brugge. In 1901 werd hij, net als zijn studiegenoot Achiel Logghe (1878-1965)[48] tot priester gewijd, hij in juni, Logghe in december. Beiden trokken weer naar Leuven waar ze in het H.-Geestcollege woonden en er in 1905 promoveerden tot doctor in de theologie. Colens werd hulppriester in Torhout (1905) en onderpastoor in Oostende, op de Sint-Petrus-en-Paulus parochie (1906), waar zijn sociale bewogenheid open bloeide. Vanaf 1912 plande hij een technische school, die pas in 1922 kon worden opgericht. Ook nog in 1912 trad hij op als medestichter van het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV). In 1919 benoemd tot bestuurder-proost van de maatschappelijke werken voor het arrondissement Oostende, werd hij in 1921 de stichter, algemeen proost en feitelijke leider van het ACW-MOC, een federatie van bestaande maar heterogene arrondissementele bonden, als opvolger van de Belgische Volksbond[49]. Op het stichtingscongres van 17 juli 1921 was hij de verslaggever en de inspirerende kracht. Het doel van de nieuwe organisatie bestond erin de inspanningen van vakbonden, ziekenbonden, mannen- en vrouwenbewegingen te bundelen en ze aan te vullen met coöperatieve, educatieve en politieke belangenbehartiging. Het lag voor de hand dat Colens de geschikte man was om aan zijn ideeën gestalte te geven. Ook op het belangrijke forum van de Vlaamse sociale weken, dat sinds 1908 alle belangrijke actoren uit de christelijke sociale sector samenbracht, was hij al vlug één van de belangrijke sprekers[50].

De eerste jaren wijdde hij zich volop aan de organisatie van zijn geesteskind. Gemakkelijk was het niet, maar het lukte hem toch behoorlijk. Hij had een ongehoord gezag en de twijfelaars volgden uit schrik, schreef een tijdgenoot[51]. Gevreesd en geducht – zeer ongeduldig – veel temperament – men moest met hem afrekenen, zo typeerde hem de Bruggeling pater Jules Perquy (1870-1946)[52]. Colens werd aanzienlijk geholpen door het netwerk van voltijdse arrondissementele proosten, voor wie hij de precieze plaats binnen de organisatie had gedefinieerd[53], die zijn zienswijzen deelden (en die hij hiertoe ook opleidde) en die elk in hun arrondissement als de baas optraden[54]. Kanunnik Logghe was hiervan in Brugge het typische voorbeeld. Na een paar jaar was Colens nationaal al zo stevig gevestigd dat hij kon meewerken aan de oprichting van een Katholieke Arbeiders-Internationale. Het initiatief kwam van de Nederlandse Mgr. Hendrik Poels (1868-1948). Vanaf de eerste bijeenkomst in 1923 in Konstanz was Colens erbij en hij trok mee naar Rome om – zonder veel succes – aan de Paus goedkeuring te vragen voor de oprichting van deze Internationale en voor het principe van de vooropgestelde organisatie van de katholieke arbeidersstand. De twee volgende bijeenkomsten in 1924 en 1926 organiseerde Colens in Antwerpen. In 1928 werd de Internationale in Keulen gesticht, maar de internationale evolutie maakte dat er nooit echt veel actie van kwam[55].

Colens was in 1924 de grondlegger van de Belgische Arbeiderscoöperatie en van zijn Welvaartwinkels[56] organisatie waarvan hij jarenlang directeur en voorzitter was, in 1925 van de Spaarbank der christelijke werklieden (de latere BAC of BACOB)[57] en in 1927 van de centrale van volksbakkerijen De Hoorn. Hij was ook medeoprichter in 1929 van de Volksverzekering (DVV). In 1929-31 was hij de stichter en actieve leider van de Centrale voor Volksontwikkeling (CVO), die later tot KWB werd omgevormd, en waaruit ook KAV, KAJ en VKAJ ontstonden. Vanaf 1927 liet Colens zich bijstaan door P. W. Segers (1900-1983)[58], die zijn opvolger werd[59]. Voor Wallonië werd zijn medewerker vanaf 1928 Oscar Behogne (1900-1970)[60]. Voor de behartiging van de ACW-aanwezigheid op het politieke terrein en binnen de Katholieke Partij, stelde hij Philip Van Isacker (1884-1951) tot secretaris aan[61]. In 1922 was Colens medestichter van de Sociale school in Leuven, waar hij succesvol les gaf, net zoals aan de Sociale school voor vrouwen in Brussel. Men hing aan zijn lippen, men werd voor het leven gevormd, schreef één van zijn oud-leerlingen[62]. Naast talrijke rapporten en redevoeringen naar aanleiding van congressen en bijeenkomsten van het ACW, nam hij deel aan het publieke debat met boeken, artikels[63] en letterlijk honderden bijdragen in allerlei publicaties[64]. Hij was ook de hoofdredacteur van de Gids op maatschappelijk gebied en van de Dossiers de l’action sociale catholique. Colens werd een invloedrijke personaliteit, ook op het politieke vlak, wat soms tot controverses leidde[65]. Onder meer behoorde hij tot de hevige critici van REX en Degrelle[66].

Vanaf 1922 en tot aan zijn dood was Colens de onbetwiste leider van de christelijke arbeidersbeweging in België. Op enkele jaren tijd had hij de moeizaam voortlevende Belgische Volksbond en zijn kortstondige opvolger het Algemeen Christen-democratisch Verbond achter zich gelaten en van een aantal versnipperde verenigingen, een machtige organisatie gemaakt, tevens een aantal nieuwe initiatieven eraan toevoegend. In 1929 kon hij met voldoening meedelen dat de financieel moeilijke jaren voorbij waren en de armoede waaraan wij geleden hebben tot het verleden behoort. In 1934 werd hij tot erekanunnik van de kathedraal van Brugge benoemd. Gelet op de functie die hij bekleedde was dit behoorlijk laat[67], maar bisschop Waffelaert (1847-1931) had hem deze eretitel niet gegund en bisschop Lamiroy (1883-1952), die hij tot zijn vrienden rekende, moest even een fatsoenstermijn naleven alvorens een ‘vergetelheid’ van zijn voorganger goed te maken. Op 16 maart 1936 werd kanunnik Colens, die al geruime tijd maag- en hartklachten had, dood in bed aangetroffen. Hij werd plechtig in zijn geboortestad begraven, in aanwezigheid van vele prominenten en begeleid door een stoet die vertrok van de Gilde der Ambachten in de Oude Burg. Het was de nestor van de proosten uit de arbeidersbeweging, pater en senator Georges Rutten (1875-1952) die de homilie uitsprak en hem typeerde als bezitter van twee gaven: Hij zag klaar en zijn wil was rotsvast. In Oostende werd de Stockholmstraat, zetel van de Volksbond, omgedoopt tot Kanunnik Dokter Louis Colensstraat. In 1938 werd een Kanunnik Colensfonds gesticht ter bevordering van werken van volksontwikkeling, maar het heeft de oorlogsjaren niet overleefd.

Louis Colens was in niets voorbestemd voor de rol die hij heeft gespeeld. Hij schreef het zelf in een brief aan kardinaal Mercier: Je n’y étais préparé ni par mes goûts, ni par mon milieu, ni par mes études[68]. Hij had het liefst filosofie gedoceerd in het spoor van zijn leermeester Mercier. Toch werd hij de voornaamste grondlegger van de georganiseerde christelijke arbeidersbeweging in België. Bij de aanvang stond hij tamelijk eenzaam in zijn overtuiging dat men de ‘arbeidersstand’ grondig moest organiseren, zelfstandig (hij maakte komaf met de ‘gilden’ die patroons, ambachtslieden en arbeiders groepeerden) maar in harmonie met boeren, middenstand en burgerij. Dit ging in tegen de socialistische overtuiging die voorstander was van de ‘arbeidersklasse’ en van de ‘klassenstrijd’, in radicale oppositie met de andere klassen. Anderzijds werd zijn overtuiging dat educatieve, religieuze, maatschappelijke en politieke aspecten in één enkele beweging moesten worden verenigd niet door iedereen gedeeld, minst van al door diegenen die al een zelfstandige ontwikkeling hadden gekend en afkerig waren van een overkoepelende baas. De vakbond wilde onafhankelijk blijven en op verre afstand van de politiek; de ziekenbonden werden in grote mate beheerst door de burgerij; Maria Baers (1883-1959) wilde haar vrouwenbeweging apart houden. Later kwam daar nog de discussie bij, zoniet de strijd, met de opkomende Katholieke Actie die zich, gesteund door de bisschoppen, exclusief verantwoordelijk achtte voor de opvoedende actie onder de katholieken, terwijl Colens van mening was dat de religieuze, sociale, materiële en politieke belangen van de arbeiders één en ondeelbaar waren.

Ratte Colens, zoals hij in het Sint-Lodewijkscollege werd genoemd, heeft naast zijn reputatie als architect van een groots project, als onvermoeibare werker, organisator en inspirator, de herinnering nagelaten van een olijke man en grapjas, bij wie de humor kon overslaan in sarcasme of zelfs in ongenadige satire. Dit komt duidelijk tot uiting in herinneringen die werden geschreven door mensen die hem binnen het ACW hadden gekend[69]. Al onmiddellijk na zijn dood schreef pater Perquy: De kleine kant van dingen en mensen sprongen hem onmiddellijk in het oog. Meestal guitig, maar ongenadig, kon hij er dan mee spotten en niemand bleef gevrijwaard van de uitspattingen van zijn spotlust.[70]  

Ook al komt Louis Colens veelvuldig voor in de studies die over de christelijke arbeidersbeweging zijn gepubliceerd, is het verbazend dat aan deze toch nogal formidabele personaliteit nooit een biografie is gewijd, niet eens een biografische nota in het Nationaal Biografisch Woordenboek. Het is alvast duidelijk dat zijn tijdgenoten beseften hoe belangrijk hij was geweest[71].

Joseph Colens en zijn nageslacht

Een andere zoon van het 18de-eeuwse echtpaar Albert Colens – Johanna-Theresia Van der Straete, was Joseph Colens (ca1768- Sint-Andries 1835)[72], getrouwd met de uit Aalter afkomstige Isabelle Carton (°1764). Hij werd bakker en in 1789 was hij in Knesselare gevestigd[73]. In de Franse tijd keerde hij naar Brugge terug en werd conciërge in ‘het lokaal der administratie’, wat het stadhuis of – meer waarschijnlijk - de departementale administratie, later prefectuur, betekende. Hij genoot dus duidelijk het vertrouwen van de machthebbers van het ogenblik en zal geen argwaan hebben opgewekt door op 5 september 1799 de hoogste bieder te zijn bij de openbare verkoop van de Sint-Salvatorkerk, ook niet toen hij verklaarde te zijn opgetreden in naam van kuiper Joseph Lauwers en timmerman Hubert De Clercq, van wie men mocht denken dat ze ‘de slag van hun leven’ wilden slaan, net zoals timmerman Maeyens dit voor de kathedraal had gedaan. Het bleek al vlug dat het om een complot ging, georganiseerd door de kerkmeesters, met als doel de kerk te redden van de ondergang en te behoeden voor het droevige lot dat de Sint-Donaaskathedraal te wachten stond. De kopers en hun occulte opdrachtgevers slaagden erin de betaling op de lange baan te schuiven en die was nog altijd niet uitgevoerd toen de kerk begin 1801 door de overheid voor de eredienst werd teruggegeven[74].

Van het echtpaar Colens-Carton vermelden we vier zonen. Augustin Colens (1800-1864), in 1844 getrouwd met Rosalie Van Heerswyngels, was ontvanger van de Burgerlijke godshuizen en van de Armenkamer in Brugge. Ferdinand Colens (1803-1867), getrouwd met Clémence Banckaert, was notaris in Moerkerke (van 1832 tot 1848) en nadien in Brugge (van 1848 tot 1867). Zijn schoonzoon was de bekende apotheker Richard Vande Vyvere († 1912), sinds 1862 gevestigd in Hoogstraat 39[75]. Hippolyte Colens (1806-1878), was ambtenaar eerste klas bij het bestuur van de provincie West-Vlaanderen en getrouwd met Pauline Hoys. Bij zijn overlijden woonde hij Mallebergplaats 12.

De oudste zoon, Albert Colens (Brugge 1 mei 1797- 2 juli 1882)[76] werd eerst deurwaarder en nadien pleitbezorger en advocaat en was voorzitter van het Bureau voor gratis consultaties. Hij tekende in op het ‘patriotiek banket’ dat in 1829 het eerste officiële teken was in Brugge van groeiende oppositie tegen het Hollandse regime. Hij speelde ook een actieve rol in het Brugse verenigingsleven. In 1829 werd hij lid van het schermersgilde van Sint-Michiel, waarvan hij in 1846 de secretaris werd en in 1877 de voorzitter[77]. In Sint-Andries werd een Gilde van Sint-Sebastiaan opgericht, waarmee vader Joseph (stichtend lid in 1833) en broer Hippolyte (lid en griffier in 1833) verbonden waren. Ook Albert was lid vanaf 1833 en in 1848 werd hij stadhouder of tweede in bevel na de hoofdman. Hij schonk aan de vereniging zijn portret, geschilderd door de directeur van de Brugse Kunstacademie Albert Gregorius (1774-1853)[78]. Hij was getrouwd met Louise Duthoit, dochter van Seraphin Duthoit en zo werd hij eigenaar van het laat 15de-eeuwse huis Mallebergplaats 12 en van het Empirehuis Hoogstraat 1 (hoek Burg), dat door zijn schoonvader was gebouwd[79]. Hijzelf woonde Kelkstraat 4. Het echtpaar had minstens acht kinderen.[80]

Archivaris Jules Colens

Eén van de zonen van Albert Colens-Duthoit was Jules Colens (Brugge 20 april 1840 – 17 maart 1918)[81]. In zijn jeugdjaren onderging hij een beenamputatie en moest noodgedwongen een sedentair leven leiden. Gehuwd met een Van Hollebeke, werd hij adjunct-archivaris (1868) en rijksarchivaris (1884-1907) in Brugge en publiceerde bijdragen in historische tijdschriften, eerst in La Flandre[82], daarna in de Handelingen van het genootschap voor geschiedenis.[83] Hij maakte ook de inventaris op van de archieven van de gemeente Blankenberge[84]. In 1885 publiceerde de Emulation het aanzienlijke werk van de door hem bestudeerde stadsrekening voor de interessante periode lopende van mei 1302 tot februari 1303[85].Hij speelde ook een rol door het ontdekken van fragmenten van Jacob van Maerlants’ Spieghel Historiael[86].

Colens werd secretaris van het Archeologisch Genootschap in Brugge, dat het Gruuthusemuseum stichtte. Hij maakte ook, met de hulp van stadsarchivaris Louis Gilliodts-Van Severen, een stamboom Van Vyve op, familie waar hij via zijn schoonbroer Van Meldert mee verwant was[87]. In 1907 was hij één van de raadgevers voor de historische stoet en toernooi van de Gouden Boom[88]. In de huiskring musiceerde hij en hij maakte ook enkele composities die nooit publiek werden uitgevoerd. De Koninklijke Bibliotheek bewaart van hem Immortelle science!, stances pour voix de contralto, basse ou bariton, waar hij zowel tekst als muziek voor schreef. Na zijn dood werd zijn boekenverzameling openbaar verkocht. Hierbij bleek dat hij ongeveer alles bezat wat de historisch geïnteresseerde Bruggeling van zijn tijd graag in huis had, tot en met het onlangs verschenen Bruges, histoire et souvenirs van Duclos[89].

De jarenlange inspanningen die Jules Colens leverde om het rijksarchief weg te halen uit de zolders van het Justitiepaleis en het een ruimer onderdak te verschaffen, kenden in 1896 succes toen beslist werd naar de Academiestraat te verhuizen. Dit gebeurde echter pas in 1911 en toen was hij al vier jaar gepensioneerd. Van liberale strekking, was hij de secretaris van de liberale vereniging Les Amis du Progrès (1864-1884), die een uitleenbibliotheek organiseerde[90]. Hij onderging ongetwijfeld de liberale invloed van zijn voorganger, rijksarchivaris Emiel Van den Bussche (1840-1909)[91], maar hij volgde hem niet in de vrijmetselarij. Zijn opvolger, rijksarchivaris Albert van Zuylen de Nyevelt (1870-1936) typeerde hem als ‘un vrai modèle du fonctionnaire’ en vermeldde dat hij de archieven in chaos had aangetroffen en ze systematisch gereorganiseerd en geïnventariseerd had[92].

Andere zonen van het echtpaar Colens-Duthoit waren Isidore Colens (°1842), ambtenaar op het arrondissementscommissariaat van Brugge-Oostende, getrouwd met zijn verre nicht Marie-Pauline Colens (1849-1897) uit Gent en Florimond Colens, getrouwd met een Ray.

Familiewapen en familiegeschiedenis

Op het portret van Albert Colens door Bauwens, figureert een wapenschild. Dit wapen ‘azuur met drie kepers van goud’ stelt enig probleem. Het moet normaal om het familiewapen gaan want bij nazaten wordt een zegel bewaard, bestaat een ex-libris Colens en droeg advocaat-generaal Joseph Colens een zegelring, alles met dit wapen. Het wapen is in België (bij Rietstap) niet bekend, tenzij in andere kleurencombinaties. Wellicht, vooraleer in de 17de-18de-eeuw de familie Colens in Pittem neerstreek, behoorde ze in het Noorden van Frankrijk al tot de notabelen. De kleine gemeente Aubigny-du-Bac bij Douai draagt het identieke wapen ‘d’azur à trois chevrons d’or’, zodat de Pittemse familie Colens misschien van daar afkomstig was. Het blijft echter giswerk.[93]

Het opduiken van het portret van Albert Colens was de aanleiding om wat nader op zijn familie in te gaan. Opeenvolgende generaties Colens hebben een rol gespeeld in Pittem en omstreken. Hun nazaten hebben gedurende vijf generaties een niet onbelangrijke rol gespeeld in Brugge en het Brugse ommeland. De normen, waarden en tradities die binnen families benadrukt worden, zijn vaak af te lezen uit de levenslopen van de elkaar opvolgende generaties.

Families komen en gaan, fenomeen dat zich steeds opnieuw herhaalt en mee voor evolutie en vernieuwing zorgt. Ook al stichtten sommige van haar leden kinderrijke gezinnen, toch is de begaafde familie Colens niet zeer talrijk uitgegroeid en vindt men thans maar 35 vertegenwoordigers op de webstek van de Belgische familienamen. In Brugge en het oude graafschap Vlaanderen helemaal verdwenen, leeft de familie verder in Brussel en Brabant[94].

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in de Annalen van het Gentootschap voor Geschiedenis te Brugge, 2007, 414-434).


 
[1] H. VLIEGHE, Groeningemuseum Catalogus schilderijen 17de en 18de eeuw, Brugge, 1994, blz. 21-39; D. MARECHAL, Vergeten verleden in het Brugse Groeningemuseum. Sporen van de kunstenaars Bernard Bauwens, Rochus Serneels, Philippe Van Houtte, en Henri Julien De Stoop, 18de-19de eeuw, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge (ASEB), 2005, blz. 147-163. De portretten kwamen in het bezit van de in 1815 opgerichte Société médico-chirurgicale de Bruges, die ze later aan de stedelijke musea schonk.
[2] Ik heb er vroeger al, in artikels over Matthias De Visch en over de gebroeders Neyts evenals in mijn boek over De Witte Beer, op gewezen dat de gegevens opgetekend door Ledoulx kritisch te bekijken zijn.
[3] Lexicon van West-Vlaamse beeldende kunstenaars, Deel 4, Brugge, 1995, blz. 43. Bauwens werd op de dag van zijn geboorte gedoopt in de Sint-Jakobskerk en had als peter Bernardus Matthys.
[4] Zijn proefstuk wordt bewaard in het Groeningemuseum, Steinmetzkabinet.
[5] Stadsarchief Brugge (SAB), handschriften, Levens der konstschilders, blz. 205.
[6] A. DE SCHIETERE DE LOPHEM, Iconographie brugeoise. II. L’Hôpital de la Potterie (suite), in: Tablettes des Flandres 8, Brugge, 1960, blz. 334-335.
[7] I. DE MEYER, Analectes médicaux ou recueil de faits qui ont rapport à l’art de guérir et qui se sont passés dans le ressort de la ville et du Franc de Bruges, Brugge, 1851, blz. 309-310 ; D. MARECHAL, a. w
[8] De handtekening van Bauwens op het portret Beyts kwam pas bij recente restauratie te voorschijn, zodat dit evengoed het geval kan zijn voor nog andere portretten uit die reeks (D. Marechal, a.w.)
[9] D. DENDOOVEN, De Brugse Academie in de achttiende eeuw, licentiaatthesis (onuitgegeven), VUB, 1994.
[10] P. DE LAEY, Boekenveilingen in Brugge, 1750-1810.Een repertorium van de gedrukte veilingcatalogi, in: ASEB, 2005, blz. 54-131.
[11] A. VAN DEN ABEELE, De kunstverzameling Jan Garemyn, in: Biekorf, 1983, blz. 41-61.
[12] A. VAN DEN ABEELE, Andries Van den Bogaerde, politiek, botanica en grootgrondbezit in Brugge en omgeving tijdens de achttiende eeuw, in: ASEB, 2002, blz. 80-124.
[13] W. BOUSSY, De gegoede stand te Brugge op het einde van de XVIIIe eeuw, licentiaatthesis (onuitgegeven), RUG, 1963.
[14] Lexicon, a. w.
[15] SAB, Overlijdensakten 1826.
[16] I. DE MEYER, Esquisses biographiques des praticiens distingués de la ville et du Franc de Bruges, depuis 1400 jusqu'à nos jours, Brugge, 1842, blz. 225-226.
[17] Van de portretten die in het Groeningemuseum zijn terecht gekomen heeft men blijkbaar de lijsten verwijderd, en werd de identificatie in de 19de eeuw op de keerzijde van de doeken aangebracht.
[18] I. DE MEYER, Esquisses, a. w., blz. 221-222.
[19] R. A. PARMENTIER, Indices op de Brugsche poortersboeken, Brugge, 1938, Tweede stuk, blz. 931,
[20] SAB, Staten van Goed, 2de reeks (SvG2), n° 11225.
[21] SAB, SvG2, n° 10280.
[22] H. VLIEGHE, a.w. Enkele van die spreuken: Aedificando ascendo (Bouwende verhef ik mij) voor Bauwens, Sedens docebat eos (Zittende gaf hij ons onderwijs) voor De Sutter, Numerum curat lupus (De Wolf geneest er vele) voor François De Wulf (een woordspeling op zijn naam en een omdraaien van de spreuk Lupus non curat numerum ovium, de wolf bekommert zich niet om het aantal schapen), Exacte et prudenter (Nauwkeurig en voorzichtig) voor Petrus Lanbiot, Ama Concordiam (Bemin de eendracht) voor Carolus Danckaert, Vincit qui patitur (Wie lijdt overwint) voor Johannes van Ockerhout, Nosce te Ipsum (Ken jezelf) voor Jacques Lanbiot.
[23] V. ARICX, Geschiedenis van Pittem, Pittem, 1951, blz. 221-222.
[24] Philippe, Augustinus (18/12/1758), Albert (26/02/1761), Johanna (6/03/1766 – 17/03/1782), Joseph (ca 1769-1835), Thérèse (18/07/1770-4/05/1773), Ferdinand (12/01/1774).
[25] SAB, SvG2, n° 13890.
[26] Zijn vermelding in de SvG2 n° 13890 neemt elke twijfel weg.
[27] Ook bij de ‘becommerde boedels’ komt hij niet voor.
[28] J.-L. MEULEMEESTER, Pieter De Thieu, in: Lexicon van West-Vlaamse beeldende kunstenaars, Deel 2, blz. 79.
[29] Beide nalatenschappen werden afgehandeld voor het bestuur in Tielt. Omdat er dispuut was en teneinde verslag uit te brengen bij de Wezenkamer in Brugge, werd dan nog een samenvattende Staat van goed en een verslag over het gerezen dispuut door Philippe Colens neergelegd.
[30] Uit dit ‘Spinhuys’ofte ‘vergaederinghe van geestelijcke dochters, houdende pensionnairen voor lesen, schrijven, spellewercken, enz’, opgericht in 1688, ontstond de Congregatie van Onze Lieve Vrouw van de VII Weeën, die nog altijd in Ruiselede is gevestigd.
[31] SAB, SvG2, n° 14056 en 16906.
[32] I. DE MEYER, Esquisses, a. w.
[33] Y. VANDEN BERGHE, Jacobijnen en traditionalisten, Brussel, 1972.
[34] Pieter-Livinus Carton, geboren in Aalter 14/06/1742, getrouwd met Maria De Kock.
[35] A. VAN DEN ABEELE, De eerste gemeenteraad van Brugge na de inlijving bij de Franse republiek, (in voorbereiding).
[36] In Oedelem zal men wellicht kunnen opzoeken indien hij daar een rol in het nieuwe gemeentebestuur speelde.
[37] Rijksarchief Brugge, Fonds Mestdagh, kaarten en plannen.
[38] I. DE MEYER, Esquisses, a. w.
[39] Er staat ‘Oostkamp’ vermeld als plaats van haar overlijden, op de overlijdensakte van Philippe Colens. Ik vraag me toch af indien hier niet ‘Oedelem’ had moeten staan.
[40] Dit prachtige herenhuis met uitzonderlijk goed bewaarde 14de-eeuwse kelder, aangekocht door de Belgische staat na het overlijden van Marie Colens (1906-1959), werd in 1987 opgeofferd aan projectontwikkeling (J. ESTHER, Het Burgplein en de Mallebergplaats. De huizen en hun bewoners in de 19de eeuw, in: H. DEWITTE (red.), De Brugse Burg, Brugge, 1991, blz. 278-281). Het gaat om één van de meest schandalige vernielingen van de voorbije decennia in Brugge
[41] Familiegegevens op basis van opzoekingen in doodsberichten, akten Burgerlijke stand, enz. De opvolgers in dit notariaat zijn: Auguste Soenen, Pierre Soenen, Steven Fieuws.
[42] A. COLENS, La nouvelle constitution en U. R. S. S, Bruxelles, 1937;  A. COLENS, Une tentative d'économie dirigée en Belgique ? Etude critique de l'arrêté royal n° 62, instituant une réglementation de la production et de la distribution, Bruxelles, 1938; A. COLENS, Les dommages aux biens par faits de guerre, Bruxelles, 1946; A. COLENS, Loi sur les baux commerciaux en vue de la protection du fonds de commerce, 30 avril 1951. Texte et commentaire, Bruxelles, 1951: A. COLENS, Le contrat d'emploi, Bruxelles, Larcier, 1957 (talrijke verbeterde uitgaven tot in 1973, nadien voortgezet door Monique Colens); A. COLENS, Le progrès. La maîtrise des moyens et le problème de la fin. Essai, Bruxelles, 1957; A. COLENS, Les sociétés de personnes à responsabilité limitée, Bruxelles, Larcier, 1960.
[43] Onder hen: de katholieke ministers Paul Crokaert en Edmond Rubbens, de PSC-voorzitter Albert Parisis, de Rexist Carlos Leruitte, de collaborateur Raymond De Becker, de genealoog Charles van Renynghe de Voxvrie, de vice-gouverneur van de Nationale Bank Franz De Voghel, enz, enz.                   
[44] La Revue Nouvelle, septembre 2005, Dossier Molitor.
[45] J. GELDHOF, 150 jaar Sint-Lodewijkscollege te Brugge, Brugge, 1986, blz. 115 en 162.
[46] J. DE MEY & M. VAN HOONACKER, Moeder Brugse, Brugge, [1986], blz. 60.
[47] Zijn thesis in 1899 bestudeerde de Wet van Weber. (Catalogue des thèses de l’Université Catholique de Louvain.)
[48] A. OSAER, Kanunnik Achiel Logghe en de arbeidersbeweging in West-Vlaanderen, in: E. GERARD (red.), De kracht van een overtuiging. 60 jaar ACW (1921-1981), Brussel, 1981, blz. 115-141.
[49] E. GERARD (red.), a. w.; E. GERARD & J. MAMPUYS (red.), Voor kerk en werk. Opstellen over de geschiedenis van de christelijke arbeidersbeweging 1886-1986, Leuven, 1986; E. GERARD (red.), De  christelijke arbeidersbeweging in België, Leuven, 1991.
[50] L. COLENS, Psychologie van den Vlaamschen werkliedenstand in opzicht van volksontwikkeling, referaat op de 9de Vlaamse sociale week, Antwerpen 1922.
[51] S. H. SCHOLL (red.), 150 jaar katholieke arbeidersbeweging in West-Europa, 1789-1939, Brussel, 1961, blz. 89-90.
[52] J. PERQUY, Kanunnik Colens, in: De Gids op maatschappelijk gebied, februari 1936, blz. 124-129.
[53] L. COLENS, Rechtspositie van den priester bestuurder in de organisatie van den christen werkliedenstand, referaat op 12de Vlaamse Sociale week, Leuven, 1925.
[54] L. COLENS, De priesterlijke zending van de proosten in de christelijke arbeidersorganisatie voor volwassenen, Brussel 1935.
[55] L. VANDEWEYER, De Katholieke Arbeiders-Internationale. Standsorganisatie in internationaal perspectief, in: De kracht van een overtuiging, a.w., blz. 61-80.
[56] J. VAN BOUCHAUTE, Het Algemeen Christelijk Werkersverbond en de Coöperaties (1924-1935), in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 1991, blz. 129-185.
[57] E. GERARD, Van arbeiderscoöperatie tot bank. De Geschiedenis van BACOB, Tielt, 1995
[58] P. W. SEGERS, Oud Papier, Brussel, 1974. Eigenaardige vaststelling: Segers heeft het in deze memoires nauwelijks over de man die hem ‘gemaakt’ heeft. Meer zelfs: hij eindigt zijn verhaal in 1918 en neemt de draad weer op in 1927. Het lijkt alsof een volledig en essentieel hoofdstuk gewoon werd weggelaten.
[59] Kan. Antoon Brys (1891-1962), die Colens als algemeen proost opvolgde, beperkte zijn rol tot die van geestelijk raadgever. Hij werd benoemd door de bisschoppen, maar was niet de keuze van de ACW-leiding, die liever kanunnik Dondeyne had gewild.
[60] F. LORIAUX, Oscar Behogne, in: Nouvelle biograhie nationale, T. VIII,  27-29.
[61] H. DE LANNOY, Philippe-Joseph Van Isacker, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, T. XIII, Brussel, 1990, 427-434.
[62] J. VERSTRAELEN, Op nieuwe banen met het ACW : Colens, Perquy, Brys, Brussel, 1966;  [S. H. SCHOLL & F. RICHARD] (red), Zij bouwden voor morgen. Figuren uit de christelijke arbeidersbeweging, Brussel, 1966. De blz 131 en vv. over Colens zijn door J. VERSTRAELEN geschreven.
[63] L. COLENS, De vorming van leiders voor sociale werken, Leuven, 1929; L. COLENS, Het Concordaat tusschen den Heiligen Stoel en het Derde Duitsche Rijk, Brugge, 1935.
[64] Lijst der hoofdartikels, studies, nota’s en schema’s van Kan. Colens, in de “De Gids” verschenen sinds 1931, in: De Gids op maatschappelijk gebied, februari 1936, blz. 160-166.
[65] E. GERARD, Het Algemeen Christelijk Werkersverbond, omstreden standsorganisatie, in: De Gids op Maatschappelijk Gebied, 1981, blz. 291-326.
[66] L. COLENS, Ce que nous pensons de Rex, Antwerpen, 1935; L. COLENS, L’examen critique du Rexisme, Bruxelles, 1936.
[67] Achiel Logghe, nochtans ook geen grote vriend van bisschop Waffelaert, maar wel ‘incontournable’ in Brugge, werd al in 1927 erekanunnik.
[68] Archief Aartsbisdom Mechelen, Fonds Mercier, carton 29, brief Colens 1924.
[69] [S. H. SCHOLL & F. RICHARD], a. w.
[70] H. PERQUY, a. w.
[71] De Gids op maatschappelijk gebied, februari 1936, Speciaal nummer gewijd aan de nagedachtenis van Z. E. H. Kanunnik L. Colens. Met teksten door pater Rutten, pater Perquy, Maria Baers, Kanunnik Cardijn, F. Richard, enz. 
[72] SAB, Akten burgerlijke stand Sint-Andries, vermeldt dat hij de zoon was van ‘Anna Verstraete’, maar het is uit andere bronnen duidelijk dat het ging om Johanna-Theresia Van der Straete.
[73] SAB, SvG2, n° 14056.
[74] L. DEVLIEGHER, De Sint-Salvatorskerk te Brugge. Geschiedenis en architectuur, Tielt, 1981, blz. 39 en 218-227.
[75] B. BEERNAERT & B. SCHOTTE, Over de koe, het hert, de uil…zes huizen, zes verhalen, Brugge, 2000, blz. 78.
[76] Het echtpaar had al een eerste maal een zoon die Albert werd gedoopt, maar die op 30 januari 1796 overleed.
[77] SAB, Gilde van de Hallebardiers van Sint-Michiel, verslagboeken.
[78] W. MOEYAERT, Schuttersgilden te St.-Andries, Brugge, 1983.
[79] Ook deze twee huizen werden het slachtoffer van de nietsontziende sloopwoede die in de jaren 1980-90 de stad Brugge teisterde. (J. ESTHER, a.w., blz. 266-68.)
[80] Leonie (1839-1905), getrouwd met Lieven Van Meldert (1834-1893); Jules Colens – Van Hollebeke; Hélène; Florimond Colens – Ray; Adèle; Céline; Maria; Isidore Colens.
[81] J. CUVELIER, Jules Colens, in: Biographie nationale, T. XXI, col. 470-472.
[82] Bvb. Les archives de l’évêché de Bruges, in: La Flandre, 1874-75, blz. 253-258; Seigneuries et Vierschaere  ressortissant à la Salle d’Ypres, in: La Flandre, 1876, blz. 251.
[83] O. m. L'église Saint-Jean à Bruges; ses tombes polychromées. Notice historique et archéologique accompagnée de quatre planches, dont trois hors texte, Brugge, De Plancke, 1894.
[84] J. COLENS, Inventaris van de oude archieven der stad Blankenberge, Brugge, 1894
[85] J. COLENS, 1302, le compte communal de Bruges, Mai 1302 à Février 1303 (n.s.) avec une table des noms, in: ASEB, 1885, blz. 1-404.
[86] K. DE FLOU, Twee nieuwe fragmenten van den Spiegel Historiael, in: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1902, blz. 399-467; K. DE FLOU, Nieuw fragment van Maerlant's Spieghel Historiael, in: idem, 1905, blz. 41-80
[87] J. VAN VYVE, Histoire et généalogie de la famille Van Vyve, Bruxelles, 1982, blz. 23.
[88] Album souvenir des fêtes inaugurales des ports de Bruges, Brugge, 1908.
[89] Catalogue der verzameling boekwerken van het sterfhuis van wijlen Jules Colens, staetsarchivaris (…) op 3 december 1918.
[90] J. VANDAMME, Het bibliotheekwezen in Brugge voor 1920, Brugge, 1971, blz. 141 en vv.
[91] In memoriam E. Van de Bussche, in: ASEB, 1910, blz. 193.
[92] A. van ZUYLEN de NYEVELT, Jules Colens, in: ASEB, 1923, blz. 60-61.
[93]Th. LEURIDAN, Armorial du Nord. Familles et institutions, I et II, Lille, 1926 et 1930 (reprint Marseille, 1981); Th. LEURIDAN & R. RODIERE, Armorial du Nord et Table héraldique du département du Nord, Lille, 1938, n° 652 (geeft een ander wapen onder Colens: ‘d’argent au chevron de sable, accompagné de trois coquilles de même’).
[94] Met mijn dank aan Cedric Moermans, Monique Colens, Alain Colens, Jean-Luc Meulemeester, Frank Deleu, Flavie Roquet, Jan De Maeyer, Patricia Quaghebeur en Lucien Van Acker voor bijkomende informatie.
www.andriesvandenabeele.net