De priester en revolutionair

Erasmus Van de Steene

en zijn familie

De in Brugge geboren en priester geworden Erasmus Van de Steene[1] liet zich op het einde van de 18de eeuw kennen als een actieve revolutionair. Zijn naam komt – bescheiden - voor in de voornaamste studies over de Brabantse Omwenteling (1789-90)[2], over de eerste Franse inval (1792-93)[3] en over de diaspora van de revolutionaire vluchtelingen (1793-94)[4]. Hij werd waardig bevonden van een biografische nota in de Biographie nationale[5]. Toch weet men, buiten enkele gegevens betreffende de korte periode van zijn revolutionaire activiteiten, en enige informatie over zijn periode in Menen, weinig over hem en nog minder over zijn afkomst en familiale omgeving en evenmin over zijn spoorloze verdwijning.

Ouders, gezin en activiteit

De vader van Erasmus, Jan-Baptist Van de Steene werd in 1726 of 27 geboren en gedoopt in Sint-Denijs bij Kortrijk (thans deel van de gemeente Zwevegem), in het Bisdom Doornik[6]. Zijn ouders heetten Jan-Baptist Van de Steene en Johanna Van Meirhaeghe. Hij kwam als jonge man in Brugge wonen, zoals blijkt uit het feit dat hij op 30 juli 1752 lid werd van de schuttersgilde van Sint-Sebastiaan[7].

Op 1 mei 1753 huwde hij in de Sint-Donaaskathedraal met Barbara Van Elewijt (Brussel, Kerstmis 1728 – Brugge 1 januari 1795). Op 28 april had het jonge paar een huwelijkscontract gesloten voor de Brugse notaris en procureur Boudewijn Boone, onder het verblijvingsbeding of stelsel van ‘langst leeft al’. Jan-Baptist werd hierin bijgestaan door zijn vader en door zijn broer Laurent. De aanstaande bruid werd geassisteerd door haar oom en voogd Erasmus Faulte († Brugge 17/03/1760)[8]. Deze suikeroom was ook haar huwelijksgetuige en werd de peter van hun eerste kind, dat zijn voornaam kreeg, terwijl zijn vrouw Catharina Cooremans (Zandhoven O. Vl. 1704 – Brugge 12/09/1785) de meter werd van het naar haar genoemde tweede kind. Het ligt voor de hand dat Faulte, vanwege het overlijden van de ouders Van Elewijt, de voogd van Barbara was. Later zou het koppel Van de Steene de erfgenaam zijn van de kinderloze oom en van zijn echtgenote, die de zus was van Barbara van Elewijts moeder[9]. Beroepshalve was Erasmus Faulte de huisbewaarder van het Brugse Vrije, wat inhield dat hij in het overheidsgebouw op de Burg een gereputeerd hotel-restaurant uitbaatte[10]. Barbara van Elewijt woonde praktisch zeker bij hem in, wat uitlegt waarom het huwelijk in Sint-Donaas plaats vond[11]. Misschien leerde Van de Steene bij Faulte het hotelvak en was het huwelijk daar een gevolg van.

Het gezin kreeg tien kinderen: Erasmus (°5/02/1754) - Catharina (°27/08/1755), die huwde met Pierre De Lattre uit Bourbourg - Albert (°24/01/1757) die huwde met Marianne Van der Schaeghe - Jan (7/12/1757-5/02/1796) die huwde met Theresia Raddée - Dominique (24/02/1759 – Dendermonde 1828) die huwde met Coleta Van de Wiele – Laurent (°29/12/1769) - Maria (°28/07/1762) - Coleta (°17/07/1764), die huwde met Franciscus Deweirdt uit Gent - Marianne-Caroline (°22/08/1769) – Maria-Johanna (°7/04/1772). Twee onder hen, Laurent en Maria stierven jong. De peters en meters geven enige aanduiding betreffende de vriendenkring van de ouders. Veel familie waarop ze beroep konden doen hadden ze duidelijk niet. Als meter had Erasmus Isabella-Clara de Stoop, lid van de belangrijke ondernemersfamilie. Andere namen met enige bekendheid zijn die van handelaar Jacob Tailliu, procureur Thomas Latruwe en ingenieur Sebastiaan Wynsdau. Ze situeren de vrienden van de familie binnen de gegoede middenstand van de stad.

Jan-Baptist Van de Steene werd vanaf ongeveer 1756[12] de exploitant van het Hof van Commercie of A la Cour de Commerce in het Sint-Jacobsestendeel, op het adres Sint-Jacobtraat D1-20. Dit was één van de betere herbergen of afspanningen in Brugge, gevestigd in de schaduw van de Sint-Jacobskerk, met uitgebreide stallen en koetsenbergplaats, die bereikbaar waren via de Moerstraat. Het aanzienlijke gebouw, midden de 18de eeuw grondig verbouwd, waarbij de gevels aan de mode van de tijd waren aangepast, was de eigendom en de zetel van de Camere van Negotie of Gilde van Makelaars, die de uitbating ervan verhuurde. Het was ongetwijfeld een plek waar veel contacten, al dan niet vluchtige, zowel Brugse als internationale, konden gelegd worden.

Veel lokale feesten gingen in het hotel door. Om te beginnen die van de Handelskamer zelf, of van andere verenigingen. Een uitschieter was het feest georganiseerd door de Confrérie van de H. Drievuldigheid, gevestigd in de Sint-Gilliskerk, die er in geslaagd was de Bruggeling Franciscus De Mulder in Tunesië uit slavernij vrij te kopen. Toen de jongeman op 22 april 1781 in Brugge aankwam, werd hij in het Hof van Commercie gelogeerd. Van daar werd hij met feestelijk gedruis, in zijn slavenpak en met ijzers aan de voeten, naar de Sint-Gilliskerk gebracht waar een kerkelijke plechtigheid zijn bevrijding vierde. Een blijde optocht volgde door de Brugse straten, onder grote volkstoeloop. ’s Avonds werd in het Hof van Commercie aan De Mulder, zijn ouders en familie, de leden van de confrérie en een aantal prominenten een feestmaal aangeboden[13].

Ook meer commerciële activiteiten vonden in het hotel plaats. Eén daarvan was het houden van veilingen, in de eerste plaats de verkoop van inboedels van sterfhuizen. Tussen 1764 en 1784 vonden de meeste veilingen van bibliotheken en kunstverzamelingen plaats in het Hof van Commercie. Nadien werd hiervoor het stadhuis de meest gebruikte plek en gingen geen veilingen meer door in het hotel van de Sint-Jacobstraat[14].

Heel wat aanzienlijke reizigers die Brugge aandeden stapten in dit hotel af. Het hoogtepunt bereikte Van de Steene ongetwijfeld toen keizer Jozef II op 13 en 14 mei 1781 in het Hof van Commercie kwam logeren en er zijn audiënties hield[15]. Het hotel stond al van een paar dagen voordien op stelten, want het werd als het ware ‘overgenomen’ door de dienaars van de keizer die de kamers inrichtten met de door hen meegebrachte meubilering, terwijl de keizerlijke koks de keuken inpalmden. Twee dagen lang was het in het hotel een komen en gaan van Brugse en buitenlandse bezoekers en hield de keizer bij herhaling audiënties waarop de gewone man hem kon benaderen. Van 27 tot 31 augustus van hetzelfde jaar waren de gouverneurs-generaal Albert en Marie-Christine van Saksen-Teschen in het hotel te gast[16].

De eer die met deze bezoeken aan het Hof van Commercie te beurt viel, moet ofwel in slechte aarde zijn gevallen bij jaloerse concurrenten ofwel een flauwe grappenmaker op ideeën gebracht hebben. De gouverneurs-generaal waren pas vertrokken, of Van de Steene ontving vanuit Frankrijk een brief die er officieel uitzag en die voor 15 september 1781 het bezoek aankondigde van de graaf van Artois (broer van Louis XVI en dertig jaar later, na de Restauratie van de monarchie in Frankrijk, zelf koning onder de naam Charles X). Hij verzocht om reservatie van vijf kamers, waaronder één met een schoon gestoffeerd bedde voor zichzelf en vier met dubbele bedden voor zijn gevolg. Het hotel moest alle overige gasten evacueren. In de stallen moest plaats worden gemaakt voor 15 paarden. Er moest niet op de kosten gekeken worden, want alles zou rijkelijk vergoed worden. Die 15de september was alles in het hotel in gereedheid gebracht, het garnizoen had zestien soldaten gestuurd om de wacht te houden, de straten stonden vol nieuwsgierigen vanaf de Smedenpoort tot aan de Sint-Jacobstraat. Alles tevergeefs…er daagde geen Franse prins op. Van de Steene was voor schut gezet en verloor heel wat geld aan het avontuur.[17]

Captain Mercer (1783-1868), in de lente van het jaar 1815 met zijn regiment op weg naar Waterloo, heeft een beschrijving van het hotel gegeven, weliswaar twintig jaar na de dood van Van de Steene en onder nieuwe uitbaters, maar in algemene lijnen zal het er wel niet zoveel anders hebben uitgezien. Hij vertelt: Het was het eerste grote hotel [op het Continent] dat we aandeden en we waren dus heel nieuwsgierig. We bezochten de ruime maar donkere voorhal, de bar zonder comfort, van de inkom afgescheiden door een enorme glazen wand, zo verschillend van de knusse gelagzalen in Engelse pubs, evenals het al even oncomfortabele en sombere achterliggende salon. Daarbij was het smerige voorkomen van de dienaars (mannen en jongens), gekleed in vuile katoenen kielen en met slaapmutsen op, voldoende om ons te doen schrikken. Onze aankomst, gevolgd door die van onze ordonnansen met de reiskoffers, was blijkbaar een sensatie, want het voltallige personeel, inclusief de chef, stond in de inkom om ons te verwelkomen. Vervolgens gingen we naar boven om onze slaapvertrekken te inspecteren. Het contrast met de ruime zalen beneden was groot. Vanaf het boveneinde van de trap liep een lange gang rechts en links over de ganse lengte van het gebouw. Een aantal deuren gaf toegang tot cellen die amper groot genoeg waren voor het plaatsen van een bed, een stoel en een kleine tafel. De bedden waren zonder gordijnen maar kraaknet, meubels en gerief waren zeer ordinair.

Daarop ging de captain de historische stad bezoeken: de Markt, het stadhuis, de Onze-Lieve-Vrouwkerk en de vesten. Hij vervolgde: Moe van het wandelen door de straten, liep ik terug naar mijn hotel waar, tot mijn verrassing, een uitstekende maaltijd werd geserveerd. De bediening was bijzonder goed en de dienaars, die zich netjes hadden opgekleed, waren actief en voorkomend. Eén van hen, een jongeman van ongeveer vijftien, was van een zo perfecte schoonheid dat hij de algemene bewondering opwekte. Op de tafel kwam ook nog een schoonheid van een geheel andere aard te voorschijn, namelijk die van een oude echte cognac. Dat was me nu toch wel een eersteklas likeur. Ieder van ons kocht er ter plekke wat voorraad van om mee te nemen en heel tevreden over het Hotel de Commerce gingen we naar bed[18].

Van de Steene was ook uitbater, samen met een paar vennoten, van enkele postkoetsen. Hij verzorgde de verbinding per koets met Menen en met Oostende. In 1783 nam hij er ook de dienst op Kortrijk bij. Tot dat jaar was het verkeer tussen die steden vrij van lasten. Voortaan zou er een officiële verbinding zijn en de steden Brugge en Kortrijk schreven een openbare aanbesteding uit voor het verpachten van het rijden met de publique voiture ofte diligentie. Met 151 ponden per jaar deed Van de Steene het hoogste bod. Hij was blijkbaar zelf verbaasd van zijn durf waaraen niemand zich sekerlijck hadde verwaght en besefte dat hij een risico aanging sonder ondervindinghe hoe veel deselve conde renderen[19]. Omwille van die tweede activiteit werd hij, op de akte van boedelbeschrijving na zijn dood, niet vermeld als ‘herbergier’ maar als ‘postmeester’. Op het erf achter het hotel was heel wat ruimte. De stallen strekten zich uit links en rechts van een grote binnenplaats. Rechts was dat langs de Moerstraat en liep het gebouw tot aan het Godericxconvent dat op de hoek lag van de Geerwynstraat. Koetsen en paarden zowel van de postdienst als van de hotelklanten vonden daar onderdak en verzorging[20].

Overlijden en nalatenschap

Drie en zestig geworden en na zes en dertig jaar huwelijk, overleed Jan-Baptist Van de Steene, op 17 februari 1789. De kroniekschrijver Jozef Van Walleghem, die aan de Eiermarkt woonde, schreef in zijn dagboek: Op den 17 februari is d'heer Van de[r] Steene, hostelier in 't Hof van Commercie subitelijk overleden, want den zelven nog desen morgen het vleesch nodig voor de taefel in 't Vleeschhuis gekogt hebbende, heeft zig thuiskomende op eenen stoel geset, zig zeggende niet wel te bevinden. Nauwelijcks hadde hij dees woorden uijtgesproken of viel van den stoel in eene apoplexie en zonder nog bij zig zelven te komen, stierf hij in den tijdt van eene halve ure naer alleen den H. Olie ontfangen te hebben en zonder eenige andere geestelijcke of tijdelijcke hulpe, hoe groote moeite men ook aenwendede, te konnen toegebragt worden[21]. Van Walleghem woonde op een paar honderd meter van het Hof van Commercie en kende ongetwijfeld de uitbater, zodat dit plotse overlijden hem trof en hij er de details van optekende.

De erfgenamen waren de weduwe en de acht nog in leven zijnde kinderen. Ze waren waarschijnlijk allen het ouderlijke huis ontgroeid, met uitzondering van Marianne-Caroline en van Maria, 17 jaar, voor wie twee voogden moesten worden aangesteld. Het werden haar oudste broer Erasmus en Andries Reijniers, sinds 1780 onderpastoor van de Sint-Jacobparochie[22]. Er moest ook een boedelbeschrijving gemaakt worden die aan de wezenkamer diende te worden voorgelegd. Het is dankzij deze ‘staat van goed’ dat we de materiële welstand van de overledene kunnen nagaan[23].

Vooreerst bezat hij twee eigendommen, geërfd van oom en tante Erasmus Faulte - Cooremans. Het ging om een woonhuis in de Geerwynstraat en om de helft van het huis ‘Den gouden schildt’ in de Hoogstraat[24]. Beide werden verhuurd, wat logisch lijkt omdat het gezin Van de Steene ongetwijfeld in of naast het hotel woonde.

Met betrekking tot het hotel werd in de boedelbeschrijving melding gemaakt van vele duizenden flessen wijn en likeur. Het is wat eigenaardig dat niets werd gemeld over andere eetwaren, noch over meubels of bekleding: boedelbeschrijvingen stellen ons soms voor raadsels. Een mogelijke uitleg zou kunnen zijn dat de inboedel aan de Kamer van Koophandel toebehoorde, of zoniet dat er niet veel waarde werd aan gehecht (zie de beschrijving door Mercer) en dat alles begrepen was in de 968 gulden ‘catheylen’ of huisraad. De andere activa van enig belang betroffen koetsen, paarden, hooi, stro en haver. Ook stonden nog klanten in het krijt voor 1672 gulden, terwijl niet minder dan voor 7369 gulden dubieuze schulden in de boeken stond. Rekening houdende met de juwelen van de weduwe (1973 gulden), met kontante penningen (730 gulden) en andere activa, bedroeg het batig saldo, na aftrek van lasten, 19.000 gulden of ongeveer 3.300 ponden, een niet onaardig bedrag, ook al moet men ermee rekening houden dat de inning van de circa 1000 pond dubieuze schulden problematisch was. De helft van het saldo ging naar de weduwe, de andere helft werd verdeeld onder de kinderen.

Op te merken valt dat vijf onder hen al onder de vorm van een lening een voorschot op hun erfdeel hadden gekregen: Erasmus (1061 gulden), Catharina (1260 gulden), Albert (5448 gulden), Dominicus (300 gulden) en Coleta (168 gulden). Daarnaast was ook, sinds 1777, een hypotheek gevestigd op de twee eigendommen, als ‘titel clericael’ of wijdingstitel die volgens het canonieke recht noodzakelijk was als waarborg dat Erasmus over de nodige middelen beschikte om, eenmaal priester gewijd, in zijn levensonderhoud te voorzien.

Na het overlijden van Jan-Baptist Van de Steene zette de weduwe de zaken verder, geholpen en weldra opgevolgd door haar zoon Jan. Er moet iets ongunstig zijn gebeurd, want na de dood op 1 januari 1795 van Barbara van Elewijt, die toen niet meer in het hotel woonde, verzaakten de kinderen aan de nalatenschap en lieten die over aan de schuldeisers[25]. Men dient zich te herinneren dat het Hof van Commercie eigendom was van de Kamer van Koophandel, die net als alle instellingen van het Ancien Regime werd afgeschaft en zijn activa geconfisqueerd zag. In die lokalen kwamen officiële instellingen zich vestigen en slechts een beperkt gedeelte functioneerde nog verder als hotel. Die hotelfunctie bleef toch nog min of meer in handen van de familie. Zoon Jan was zijn moeder opgevolgd, maar precies een jaar na haar, overleed ook hij. Hij was amper veertig. In het bevolkingsregister verscheen een nieuwe naam als herbergier, die van Jean Van Houcke en van zijn twintig jaar oudere echtgenote Thérèse Raddée. Zij was de weduwe van Jan Van de Steene jr. Het is best mogelijk dat het wat ongewone koppel de uitbater bleef totdat het Hof van Commercie als nationaal goed werd verkocht en in 1802 de eigendom werd van het echtpaar Charles Dumortier en Jeannette Depauw.[26] 

Erasmus Van de Steene

Erasmus Van de Steene was de oudste zoon van het echtpaar Van de Steene – Van Elewyt. Over zijn prille jaren en het genoten onderwijs is niets bekend. Zijn enige biograaf, advocaat Ernest Jordens, zegt dat hij ‘de bonnes études d’humanités’ deed, zonder verdere uitleg. Als hij in Brugge de lessen volgde, dan kan dit bij de Augustijnen of bij de Jezuïeten geweest zijn, of eventueel zelfs in de kapittelschool van Sint-Donaas, drie scholen die zich op korte afstand van het Hof van Commercie bevonden. Hij kan ook buiten Brugge op een of ander internaat zijn humaniora hebben volbracht. Vanaf 1771, hij was toen zeventien, begon hij in Leuven de studies in de Artes, om in 1775 tot meester te promoveren. Onder de vrienden die hij zich in Leuven maakte, bevond zich de Gentenaar Jacques-Guillaume Meyer (1756-1805). De twee zouden elkaar tijdens de revoluties terugvinden[27].

In 1776 promoveerde Erasmus tot baccalaureus in de theologie[28], ontving hij de tonsuur en legde de eed van trouw af aan de pauselijke constituties en richtlijnen. Jordens zegt het niet, maar het is waarschijnlijk dat hij nog verder theologie studeerde, alvorens in een periode die zich uitstrekt van 1777 tot 1779 tot priester te worden gewijd. Het zou wel interessant zijn te kunnen weten wat zijn gevoelens waren toen in het ouderlijke hotel op 20 april 1779 de boeken, de priestergewaden en andere roerende goederen werden verkocht die toebehoorden aan pastoor de Hoorne van de Sint-Donaaskathedraal, door een kerkelijke rechtbank tot 20 jaar opsluiting veroordeeld[29].

Erasmus wenste in het onderwijs te stappen en nam in 1777 deel aan het concours georganiseerd door de centrale overheid in Brussel, zonder er echter in te slagen zich in nuttige volgorde te plaatsen. Het jaar daarop lukte het hem toch en dat had hij wellicht te danken aan de steun die hij mocht ondervinden bij de voorzitter van de ‘Commission royale des études’, kanunnik de Nelis (1736-1798), voormalig bibliothecaris van de universiteit, die als kapittelheer van Doornik een speciaal oogje hield op het college in Menen, tot hij in 1785 bisschop van Antwerpen zou worden[30]. Op 30 september 1778 werd Erasmus in het Sint-Jan-de-Dopercollege in Menen tot onderprincipaal en poësisleraar benoemd[31]. Deze stad behoorde tot het bisdom Doornik en het is dus mogelijk dat het daar is dat hij de priesterwijding ontving. Hij kan ook in Leuven gewijd zijn en nadien in het bisdom Doornik geïncardineerd[32]. Poësis en rhetorica bestonden in het goed genoteerde college van Menen uit hoogstens vijf leerlingen: privé onderwijs bijna. Van de Steene ontmoette er leerlingen uit de adel en  de vermogende burgerij, hoofdzakelijk Oost- en West-Vlamingen, ook Bruggelingen. Onder zijn leerlingen bevond zich Franciscus-Thomas Corselis (Wervik 1767 – Brugge 1853) die priester werd en een belangrijke rol speelde tijdens de Hollandse tijd als deken van Brugge en na de stichting van het koninkrijk België en de heroprichting van het bisdom Brugge, als vicaris generaal.

Van de Steene kreeg de opdracht orde op zaken te stellen, omdat het in het Sint-Jan-de-Dopercollege uit de hand liep, met vermindering van het aantal leerlingen tot gevolg. Ruzies tussen principaal Nerincx en de leerkrachten, slecht eten, gebrek aan discipline, dat waren enkele van de klachten die geuit werden. Het was wellicht niet verstandig om een vierentwintigjarige met zo een taak te belasten, tegenover iemand die vanaf 1747 de school die toen op sterven na dood was tot nieuwe bloei had gebracht, al dertig jaar het schoolhoofd was en zeker al de zestig voorbij. Het liep dan ook verkeerd uit. Van de Steene wendde zich al op 8 juli 1779 tot de Koninklijke Commissie voor de Studies met klachten tegen de principaal. De voornaamste klacht was dat Nerincx hem volledig negeerde en van niets op de hoogte bracht. Daarnaast waren er een resem concrete verwijten. Een leerling die geld gestolen had werd niet gestraft, maar een andere kreeg zo een rammeling dat het bloed hem uit de oren liep, terwijl nog en andere stokslagen kreeg. Een nieuwe leerling was aanvaard zonder passend getuigschrift. Als Van de Steene een leerling strafte, dan werd dit door Nerincx kwijtgescholden. Wanneer Nerincx de school verliet, vertikte hij het om zijn onderprincipaal hierover in te lichten, zodat die de verantwoordelijkheid niet kon opnemen. Concluderend vroeg Van de Steene dat maatregelen zouden genomen worden om zijn bevoegdheden te doen eerbiedigen en het reglement te doen naleven[33].

Het antwoord van Nerincx, hierover per brief van 14 juli ondervraagd, liet niet op zich wachten en was niet mals. Van de Steene zat meer in de herberg ‘Au Chapeau Rouge’ dan op zijn kamer, schreef hij. In dit café gaf hij muziek- en zanglessen aan een jong meisje. Na bemerkingen hierover vanwege de principaal had hij er niet beter op gevonden dan voortaan de lessen op zijn collegekamer te geven, wat aanleiding gaf tot heel wat commentaar onder de leerlingen. Nerincx klaagde ook zijn drankmisbruik aan en zegde dat zelfs vader Van de Steene hierover bij hem zijn beklag had gemaakt. Wat betreft de kritiek geuit door zijn onderprincipaal weerlegde Nerincx die punt voor punt[34].

Hoe zat het eigenlijk met die klachten over de levenswandel van Van de Steene? In contrast met de beschuldigingen van Nerincx, was er het attest van goed gedrag dat door de stadmagistraat en door pastoor E. Teirlinck werd afgeleverd en waarin stond dat Van de Steene was d’un comportement sans reproche et hors de critique, exemplaire dans ses moeurs et conduite, en un mot tel qu’un vrai ecclésiastique. Dit attest dateerde van 30 juli en was dus ongetwijfeld een tegenzet vanwege Van de Steene op de repliek van Nerincx. Deze laatste liet weten dat volgens hem het attest op een misverstand berustte[35].

Het bleef echter een feit dat de oude Nerincx door het toedienen van lijfstraffen, wat hij toegaf, de reglementen ernstig had overtreden. Hij werd daarom nog voor de hervatting van de lessen, in oktober 1779, naar een andere functie geloodst, buiten Menen. In zijn plaats werd niet Van de Steene benoemd, maar die zijn collega Carrette. Erasmus was immers nog maar vijf en twintig en pas onlangs tot priester gewijd. Anderzijds aarzelde men misschien of er toch niet enige waarheid zat in de klachten van Nerincx, want de functie van onderprincipaal werd afgeschaft. Van de Steene bleef verder als leraar poësis functioneren[36].

De breuk kwam er in 1785. Ook al was het Menens college een gemeentelijke instelling, het hing contractueel af van de faculteit van de Artes in Leuven, die er het voorrecht van benoeming had. De door haar benoemde leraren werden karig bezoldigd maar er werd hen een riant vooruitzicht geboden van bevordering naar het H.-Drievuldigheidcollege in Leuven en daarna van een prebende als kanunnik of een andere goedbezoldigde klerikale functie. Een edict van de keizer doorbrak dit systeem door het afschaffen van de universitaire voorrechten. Plots werden Van de Steene en zijn collega’s geconfronteerd met het feit dat ze jaren (zeven jaar in zijn geval) voor een klein loon hadden gewerkt, maar nu de verhoopte bevordering aan hen zagen voorbijgaan. Ze stuurden een lange smeekbrief naar de overheid om toch nog volgens het vroegere systeem behandeld te worden, maar vergeefs[37]. Van de Steene probeerde dan maar een stuiver bij te verdienen door biechtvader en aalmoezenier te worden in het ziekenhuis bestuurd door de Zusters van de Communauté de la Bleuette. Hij hield dit maar een goed jaar vol[38]. De verhoudingen met Carrette verslechterden vlug. Toen die hem een paar opmerkingen had gemaakt, schold Van de Steene hem de huid vol.[39]

De Brabantse revolutie

Misnoegd en verbitterd door de nieuwe situatie die hij machteloos moest ondergaan, werd Erasmus een hevige tegenstander van het Oostenrijkse bestuur. In de loop van 1787, na een uitstap naar Kortrijk, was hij de eerste om in Menen de zwart-geel-rode kokarde van de patriotten te dragen. Hij moedigde zijn leerlingen aan om zijn voorbeeld te volgen en hij nam deel aan patriottische manifestaties. Hij verwierf zich een stevige negatieve reputatie. In een rapport noemde de baljuw van Menen hem een stokebrand en een deugniet en sprak de wens uit dat de stad voor goed van die verwarde geest zou verlost worden[40]. Voortaan deed Van de Steene steeds minder goed zijn werk. Het regende klachten, voorlopig zonder veel gevolg. Vanaf begin 1788 was hij bijna bestendig afwezig, als reden opgevende dat familiezaken hem opeisten[41].

Hij hield uiteraard wel contact met zijn familie. Zo had hij op 8 april 1782 in de Sint-Jacobskerk het huwelijk ingezegend van zijn broer Albert, op 1 mei daaropvolgende dat van zijn zus Catharina en op 30 oktober 1787 dat van zijn broer Jan[42]. Hij zal ongetwijfeld met aandacht naar de verhalen hebben geluisterd over de revolutionaire ‘patriottische’ geest die door Brugge waaide en over de talrijke manifestaties, oproeren en plunderingen die er in 1787 hadden plaatsgevonden. Terwijl hij einde oktober in Brugge verbleef, was het opnieuw heel rumoerig. Nu en dan een familiebijeenkomst bijwonen verklaarde natuurlijk zijn langdurige afwezigheden niet, waarvoor de echte reden was dat hij zich meer en meer met politieke agitatie bezig hield. Men zag weldra geen mogelijkheid meer om hem nog voor de klas te krijgen, zijn collega’s werden het beu voor hem te moeten inspringen en daarom werd zijn functie in augustus 1788 vacant verklaard.[43]

Tegen die tijd had Van de Steene al geruime tijd Menen verlaten. Hij had zich rekenschap gegeven dat zowel daar als in Brugge, in de kijker lopende ‘patriotten’ in de gevangenis terecht kwamen, ook preventief. Hij wilde hieraan ontsnappen en nam de wijk naar Zeeland. In Hulst sloot hij zich aan bij malcontente émigrés die er onder de leiding stonden van de Brabantse ‘statist’ Sagermans. Na diens vertrek werd Erasmus de bezieler van het groepje, waar ook de Menenaar Pieter Osten[44] deel van uitmaakte. Wat later trok hij naar Sluis en nam er zijn intrek bij de pastoor[45]. Kwam hij in februari 1789 naar Brugge voor de begrafenis van zijn vader? Misschien. Hij was er niet op 29 september om het huwelijk van zijn zus Coleta in te zegenen. Wel was hij enkele dagen later, op 9 oktober, aanwezig bij de formele afsluiting van de nalatenschap van zijn vader en werd hij door de griffier van de wezenkamer geacteerd als aanwezig in naam van zijn moeder. Hij ontmoette bij die gelegenheid de voorzittende schepen, Paul Marechal de Bompré en de ‘overziender van weezen’ Pieter de Peneranda de Franchimont[46].

Tegen die tijd was de revolutie volop aan de gang, zowel in Brabant als in Vlaanderen. Samen met Pieter Osten, met de Brugse oud-militair Jan-Baptist Donche en met zijn collega van Menen, priester Kestier, kon Van de Steene 70 man op de been brengen. Eerst gingen ze het Fort Sint-Donaas innemen en op 17 november 1789 vielen ze Brugge binnen en verplichtten ze het garnizoen tot overgave. Moeilijk was dat niet, want het garnizoen bestond uit een paar honderd soldaten, hoofdzakelijk jongens uit het Brugse en hun aanvoerder, kapitein Marechal de Bompré, was een Bruggeling en zoon van de schepen die Van de Steene een paar weken voordien had ontmoet: hij noch zijn troepen waren er op gevierd om hun leven te geven voor de Oostenrijkers. Twee dagen later verlieten de patriottische soldaten de stad en gingen ook het Fort Hazegras innemen. Bij die verschillende activiteiten trad Van de Steene als aalmoezenier of ‘veldpape’ op[47].

Begin december 1789 was hij in Breda waar hij zich aansloot bij het Comité insurrectionnel van Van der Noot en de ‘staatsen’, dat de revolutie in de Zuidelijke Nederlanden coördineerde. Het Comité wantrouwde generaal Van der Mersch[48], de militaire bevelhebber van de opstand en organiseerde een ‘raad’ die hem moest begeleiden en controleren. Van de Steene werd er de secretaris van en kreeg de opdracht nauwgezet alles op te tekenen wat hij in de omgeving van de generaal bemerkte. Hijzelf was zeker geen vijand van de Menenaar Van der Mersch, die hem trouwens onmiddellijk ook tot zijn privé-secretaris of ‘actuaris’ aanstelde. Hij trok met hem mee naar Namen, waar hij nog even als legeraalmoezenier optrad, maar vooral samenwerkte met Vonck[49], Verlooy[50], de prins van Arenberg[51], de hertog d’Ursel[52] en generaal Van der Mersch: hij was Vonckist of ‘democraat’ geworden. Hij ging voortaan brutaal tekeer tegen Van der Noot die aan Vonck liet weten dat hij hem niet meer contacteerde uit vrees weer beledigd te worden door Van de Steene[53]. Wanneer de jonge officieren van de ‘Armée Belgique’, ontevreden over de gang van zaken, tweemaal per dag in vergadering bijeenkwamen werd hij hun secretaris. Hij was het die op 31 maart 1790 het ‘Adres’ verstuurde waarmee die officieren vanuit Namen aan de Belgische Staten in Brussel lieten weten dat ze pal achter de bekritiseerde Van der Mersch stonden. Dit bezegelde de breuk tussen de staatsen en de legerleiding[54]. Van der Mersch werd op 8 april opgepakt en in de citadel van Antwerpen opgesloten. Van de Steene was al daags voordien gearresteerd. Hij verbleef eerst in de gevangenis in Namen, vervolgens in Brussel en ten slotte in Leuven, waaruit hij pas werd bevrijd nadat de Oostenrijkers einde 1790 het land opnieuw hadden veroverd[55].

Aanhanger van de Franse revolutie

Zodra bevrijd, trok Van de Steene naar Rijsel waar hij zich aansloot bij Vonck, maar nadat een algemene amnestie was uitgeroepen en generaal Van der Mersch zich met de Oostenrijkers had verzoend, kwam hij weer naar België. In de loop van 1791 werkte hij mee aan de redactie van een Mémoire historique pour Mr Van der Mersch, die onder de naam van de oud-stafofficier van de generaal, Emmanuel-Joseph Dinne, in Rijsel werd gepubliceerd[56]. Ook zijn universiteitsvriend Jacques Meyer verleende hieraan zijn medewerking. Maar de oude generaal werd ziek en zou weldra, op 14 september 1792, in Dadizele sterven. Van de Steene nam ondertussen weer contact op met Vonck en vanaf oktober 1791 werd hij zijn medewerker. Op 10 januari 1792 was hij zijn vertegenwoordiger in Parijs op een bijeenkomst van de ‘Belges et Liégeois réfugiés’, samengeroepen door bankier Edouard de Walckiers[57]. Volgens Suzanne Tassier (heeft ze hierover teksten gevonden of was dit haar persoonlijke indruk?) waren Erasmus en zijn Brabantse compagnon J. Leunckens ‘des braves gens assez effacés et timides’[58]. Een algemeen comité werd opgericht, dat aanvankelijk bestond uit 5 Luikenaars, 3 Franchimontezen en 5 Brabanders en Vlamingen. Van de Steene was één van die vijf.

Na moeizame besprekingen hadden de samenzweerders einde maart 1792 eindelijk een gemeenschappelijk manifest klaar. Ze richtten het tot de Franse overheid, hen belovend dat ze de kosten zouden dragen (lees: dat Walckiers zou betalen) voor minstens 2000 soldaten. Hiervan kwam niets in huis. Van de Steene trok weer naar Rijsel en bracht ditmaal de belofte mee van 60.000 guldens in assignaten vanwege de Franse minister van Buitenlandse zaken, waarmee een legertje vrijwilligers zou worden op de been gebracht. Hij droeg voortaan de titel van ‘trésorier de la délégation de Lille du Comité des Belges’, maar van rekruteren kwam niet zo veel in huis. Toen de Fransen een eerste keer binnentrokken in West-Vlaanderen volgde Van de Steene met een handvol vrijwilligers. Half juli 1792 was hij, onder Franse hoede, in Wervik en kort daarop in Menen. Hij leidde ook invallen in Kortrijk en Waasten, waarbij Oostenrijks overheidsgeld werd gekaapt. Procureur generaal Maroucx vaardigde dan ook een aanhoudingsbevel uit tegen hem en zijn handlangers. Maar het Franse leger was weldra op de terugtocht en Van de Steene keerde ijlings naar Rijsel terug[59].

Hier situeert zich, binnen het al niet zo duidelijke curriculum van Erasmus Van de Steene, een helemaal duister voorval. Hij zou een aanhanger geworden zijn van de 21-jarige losbol, graaf de Bethune-Charost (1770-1794)[60], die zich had voorgenomen de koning of president te worden van een onafhankelijke Belgische staat. In Douai had hij een legertje op de been gebracht van een 600 man[61]. Liet Van de Steene zich inderdaad door hem op sleeptouw nemen? Of zag hij in hem iemand die kon meehelpen om een troepenmacht op de been te brengen en beschouwde hij zijn klein regiment als het embryo van een nationaal bevrijdingsleger? De Vonckisten, zowel als de Statisten, hadden weinig vertrouwen in Bethune-Charost, maar dat wilde daarom nog niet zeggen dat men hem niet wilde inschakelen. Als Van de Steene met hem contacten onderhield dan moet dat in de eerste helft van 1792 geweest zijn, toen hij met geld (of minstens beloften van geld) uit Parijs terugkwam.

Ook nog in juni of juli 1792 werd Erasmus weer naar Parijs gestuurd voor besprekingen met de Belgische en Luikse vluchtelingen. Tijdens zijn afwezigheid verspreidde zich in Rijsel het gerucht dat hij financiële onregelmatigheden had begaan. Procureur generaal Maroucx had vernomen dat hij met de kas van de Bethune-Charost was gaan lopen, maar dat zal dan wel op verkeerde informatie berust hebben[62]. Het geld dat Van de Steene beheerde behoorde aan de aanhangers van Vonck of aan het Comité des Belges réfugiés. Misschien hadden ‘Bethunisten’ over hem kwalijke berichten verspreid, toen hij zijn oorlogskas niet aan hen wou overmaken. Hoe dan ook, hij moest snel terugkeren om zich, met succes blijkbaar, tegen de aantijgingen te verdedigen. De verhoudingen binnen het comité, zowel in Parijs als in Rijsel, stonden gaandeweg op scherp. De mogelijkheid die Vonck uitdrukte dat hervormingen ook binnen de Oostenrijkse Nederlanden konden gebeuren, werd door de meeste van zijn aanhangers niet gevolgd. Voortaan kozen ze voor de Franse revolutie en braken definitief met Vonck, die trouwens terminaal ziek was en op 1 december 1792 overleed[63].

Eindelijk was het dan zover. Na de overwinning van generaal Dumouriez in Jemappes (6 november) op de Oostenrijkers, veroverden de Fransen de ganse Zuidelijke Nederlanden. Op 13 november 1792 waren ze in Brussel, op 15 november in Brugge en op 21 november in Gent[64]. Van de Steene kwam in Brugge aan waar hij zijn moeder, zijn broers en zussen kon bezoeken en zich inschreef als lid van het Genoodschap der Vrienden van Eendragt, Vrijheid en Gelijkheijd, samen met de (kortstondige) vertegenwoordiger van de Franse republiek, Pierre Chépy[65]. Van de Steene ondertekende op dat ogenblik nog als ‘p[res]b[yte]r’, en tevens als ‘membre du comité général révolutionnaire des Belges et Liégeois Réunis’. Hij greep echter naast een functie – gesteld dat hij die ambieerde - in de nieuwe revolutionaire besturen die werden aangesteld voor de stad en het Brugse Vrije. Bleef hij in Brugge rondhangen of pendelde hij nog wat rond? Hoe dan ook, half maart 1793 waren de Oostenrijkers daar weer en vertrok hij opnieuw in ballingschap, eerst naar Rijsel, vervolgens naar Parijs.

Vanaf begin mei zetelde hij in het Comité des Belges réfugiés, die vergaderde in Hotel Virginie, Rue St.-Honoré[66]. Op 9 augustus ondertekenden de leden een Profession de foi civique des patriotes belges réfugiés[67]. Daarvoor kwamen ze in plechtige algemene vergadering bijeen in de ‘ancien palais Cardinal’. De tekst vaarde onder meer uit tegen ‘la triple aristocratie des prêtres, des nobles et des corporations privilégiées de la Belgique’. Men mag aannemen dat Van de Steene zich tegen die tijd niet meer als lid van de clerus beschouwde. Priesters die niet bereid waren de ‘fouten’ te herroepen die ze vroeger hadden onderwezen, kregen geen toegang tot de clubs. Daarbij waren de aanhangers van Hébert, waar hij zich bij aansloot, hevig antiklerikaal en evolueerden ze naar een militant atheïsme.

Onder het veertigtal ondertekenaars van het manifest bevonden zich een paar Bruggelingen: Charles de Tilly, Joseph en Jean-Othon Van Huele. Ook de Gentse universiteitsvriend Meyer was erbij. Dit was de laatste akte van solidariteit vanwege het groepje Belgen in Parijs, dat versneld en in tegengestelde richtingen werd meegesleurd in de moordende conflicten die de Franse revolutionairen onder elkaar uitvochten. In november zat het er bovenarms op tussen de extremistische aanhangers van Hébert die voorlopig de meerderheid binnen het Belgische comité hadden en de iets meer gematigden die het hielden bij Camille Desmoulins, nochtans ook geen slappe kerel. Deze laatsten inspireerden een kritische brief die vanwege het Belgische bestuur gericht werd aan Hébert, omdat hij laatdunkend over de Belgen had gesproken.

Op 26 november 1793 trokken de Belgen hun afgevaardigden terug uit het Comité Central des Sociétés Populaires, een door de Hebertisten gedomineerde organisatie, die door de andere Jacobijnen ongunstig werd beoordeeld. Onmiddellijk hierop volgde een zuiveringsactie binnen de Belgische Assemblee. Dertien leden, onder wie Erasmus Van de Steene en vijf andere kopstukken, die als extremistische Montagnards, d.w.z. als Hebertisten werden beschouwd, kregen de bons. Ze beschikten echter over heel wat invloed en hadden trouwens dankzij de Hebertisten bezoldigde functies gekregen in één of ander ministerie. Van de Steene had gesolliciteerd om in de Bibliothèque nationale te mogen werken (hij kende ongetwijfeld zijn Brugse leeftijdgenoot en bibliothecaris Joseph Van Praet), maar werd in het ministerie van Binnenlandse Zaken benoemd. Vanuit de ministeries werd druk uitgeoefend om de uitgestoten leden terug in het Belgische comité op te nemen. Dit gebeurde, maar voortaan namen ze geen deel meer aan de vergaderingen.

De revolutie verslindt haar kinderen

Toen de Terreur losbrak, en groepen zoals die rond Camille Desmoulins en Jacques Hébert de een na de andere werden ontmanteld en hun leden gevangen genomen, moesten de Belgen er onvermijdelijk de weerslag van ondervinden. Op 17 maart 1794 was het ogenblik van de weerwraak aangebroken voor twee Belgische ruziestokers, Nicolas André (Oostende) en Guillaume Plubeau (Namen). Om het eigen hachje te redden bezorgden ze aan Robespierre, vanuit de gevangenis waar men ze had opgesloten, bezwarende dossiers tegen hun vroegere compagnons en, vrijgelaten, trokken ze er samen met commissaris Guibert op 20 maart op uit en arresteerden een twintigtal Belgen. Onder hen bevonden zich Erasmus Van de Steene  en Hebertistische kopstukken van het Belgisch comité, zoals Gregoire Dubosch (Watervliet), Antoine Daubremé (Brussel), Charles Van der Cruyssen (Gent), Charles d’Or (Antwerpen), Augustin La Violette (Kortrijk) en uit Brugge Charles de Tilly, Jan Van Severen, Joseph, Jean-Othon en Jacques Van Huele. Walckiers kon op het nippertje ontsnappen[68]. Van een aantal onder hen werd nadien nooit nog iets gehoord.

Van Jean-Othon Van Huele[69] en van Jan van Severen[70] weten we met quasi zekerheid dat ze, zonder enige vorm van proces, werden ter dood gebracht. Van Huele werd gewoon van op het dak van het Luxemburgpaleis naar beneden gegooid. Aangezien ook van Erasmus Van de Steene nooit nog iets werd gehoord, mag men hetzelfde veronderstellen. In die dagen eindigden een groot aantal revolutionaire prominenten onder de guillotine, na een kort verblijf in de gevangenis en een showproces. Op 24 maart werden de Hebertisten van de Club des Cordeliers, Hébert zelf, Anarchis Cloots en hun geestesgenoten terechtgesteld. Op 5 april was het de beurt aan de zogenaamde Indulgents zoals Danton, Desmoulins, Fabre d’Eglantine, Hérault de Séchelles en zoveel anderen. De ambitieuze losbol de Bethune-Charost, pas 23, besteeg op 28 april 1794 het schavot. Diezelfde dag werden ook de twee broers Robespierre, Saint-Just en talrijke anderen een kopje kleiner gemaakt.

Voor de ‘petits Belges’ vond men zelfs de inspanning van een proces en een terechtstelling te veel en werden ze gewoon gedefenestreerd of op een andere wijze, meestal midden in de nacht, omgebracht. Joseph Van Huele overleefde de opsluiting in het tot gevangenis omgevormde Luxemburgpaleis en zijn celgenoot, de Engelse filosoof Thomas Paine vertelde later hoe ze bij mirakel aan terechtstelling waren ontsnapt[71]. Erasmus Van de Steene had dit geluk niet. Hij was pas veertig toen hij verdween.

Dominicus Van de Steene

De jongste zoon in leven binnen het gezin van hotelier Van de Steene, Dominicus Johannes, werd in Brugge geboren op 24 februari 1759. Hij koos voor een artistieke activiteit en moet hieraan heel jong zijn begonnen, want toen hij veertig was schreef hij dat hij al bijna dertig jaar bezig was met de studie van kunsten en wetenschappen, meer bepaald van de teken- en schilderkunst. Hij heeft waarschijnlijk rond 1770 zijn eerste onderwijs genoten in de Brugse Kunstacademie. Dit komt overeen met de aansluiting in 1771 van vader Van de Steene bij de ‘contributeurs’ of steunende leden van de academie[72]. Dominique moet echter al tamelijk vlug naar andere oorden getrokken zijn, want hij komt niet voor op de lijst van laureaten van de Brugse Kunstacademie. Als hij er studeerde, zou het helemaal abnormaal zijn dat hij niet voor één of ander van de aangeleerde vakken een prijs zou behaald hebben. Waar hij ook zijn opleiding kreeg, hij trok nadien door Europa om zich verder te ontwikkelen[73]. Ook al hebben we hierover geen zekerheid, we mogen toch geredelijk aannemen dat hij toen ook al een eerste keer in Parijs verbleef.

De revolutietijd

Hij was nog vrijgezel en was al de dertig voorbij toen zijn vader overleed en kort daarop zijn broer Erasmus voor de revolutie koos. Of Dominicus zich tijdens de Brabantse revolutie al in hetzelfde kamp schaarde, weten we niet met zekerheid. Zijn naam komt nergens voor in Brugse lijsten of kronieken. Zou hij eventueel met zijn broer naar Frankrijk zijn getrokken na de mislukking van die revolutie? Ook bij de eerste Franse inval (november 1792 – maart 1793) is over hem niets terug te vinden. Verbleef hij al dan niet in België? Als hij in Brugge was tijdens de eerste Franse inval, zou hij normaal wel, net zoals Erasmus, lid zijn geworden van de Jacobijnse Club.

Ook na maart 1793 komt hij niet onmiddellijk te voorschijn. Op de ‘Profession de Foi’ van de Patriotes Belges Réfugiés door Erasmus in augustus 1793 samen met een veertigtal kompanen ondertekend, staat geen tweede Van de Steene vermeld. Was Dominique toen wellicht niet in Parijs, of plaatsten alleen de ‘leiders’ hun naam onder het manifest? Hij bevond er zich alvast in oktober van dat jaar, nadat hij was gevlucht ‘pour se soustraire à la persécution du despotisme autrichien’ (zoals hij enkele jaren later schreef). Hij werd ingeschreven als vluchteling en vond onderdak in de Rue Saint-Honoré[74].

Parijs verkeerde in volle revolutionaire opwinding: op 16 oktober 1793 werd koningin Marie-Antoinette geguillotineerd. De destructieve machine van de revolutie draaide op volle toeren en van alles wat gebeurde werd ijverig nota genomen en verslag opgemaakt. Men kon dus scribenten goed gebruiken. Werd hij gevorderd voor administratieve werkzaamheden waar hij geen zin in had? Feit is dat Dominique op 13 oktober een attest liet opmaken door een arts (met onleesbare handtekening) die verzekerde dat zijn gezondheid ernstig zou lijden indien hij ‘un travail assidu de cabinet et une vie sédentaire’ moest leiden. Hij had de dokter meegedeeld dat hij vroeger al dergelijke activiteit had gehad, met als gevolg ‘des attaques de nerfs et des évanouissements’. Die aanvallen zouden, op basis van wat hij in het temperament van zijn patiënt had vastgesteld, nog sterker terugkomen indien hij opnieuw kantoorwerk moest doen, zo adviseerde de welwillende arts[75].

Wellicht ontkwam Dominique hiermee aan het uitvoeren van werkzaamheden in de schoot van de extreme groep van Hebertisten, waar Erasmus en de meeste andere gevluchte Belgen bij aansloten, wat hen tijdens de Terreur duur te staan kwam. Zelf was hij blijkbaar minder bezig met politiek dan met kunst. In augustus 1793 was de Académie des Beaux-Arts in Parijs afgeschaft, onder druk van kunstenaars van meestal middelmatige reputatie die zich in een Commune des Arts hadden verenigd. In vervanging van de Académie werd de Société républicaine des Arts gesticht, een samenwerkingsverband zonder hiërarchie van kunstenaars die zich bij de revolutie hadden aangesloten en zijn bijeenkomsten hield in de ‘Laocoonzaal’ van het Louvre. Dominique Van de Steene werd als lid aanvaard onder het volgnummer 60[76].

Weer in Brugge

In de loop van het jaar 1794 was hij weer in Brugge. Normaal kan dit ten vroegste in juni of juli geweest zijn, nadat de Franse troepen de stad weer hadden ingenomen. Er bestaat nochtans een briefomslag, in Brussel gedateerd 2 maart 1794 en aan Dominique geadresseerd op het ouderlijke adres, Hotel du Commerce otel du CommerceHin Brugge[77]. Was hij toen al terug? Het is niet onmogelijk, want hij kon zich op de keizerlijke amnestie beroepen. Of was de afzender van de brief onwetend dat hij nog niet was teruggekeerd? Hij staat alvast niet vermeld op de door de Fransen opgemaakte belastingsrol voor 1794, wat niet noodzakelijk betekent dat hij toen nog niet in de stad terug was, maar toch een aanduiding is in die richting.

Op 15 september 1795 trouwde hij in de Sint-Jacobskerk in Brugge met Colette- Régine Van de Wiele. Hij was toen al 36, zijn bruid was nog geen 18. Zij was in Sint-Joris bij Nieuwpoort geboren op 3 oktober 1778 als dochter van Judocus Van de Wiele en Johanna Claeys. Haar moeder was al in 1780 overleden en haar vader had zijn enig kind toevertrouwd aan zijn schoonbroer Jan Claeys, die haar voogd was. Vader en voogd waren ook al overleden, en bij gebrek aan benoeming van plaatsvervangers, stond Colette onder de voogdij van de ambtenaren bevoegd voor de voogdijkamer. Ze verkeerde blijkbaar in het ongewisse, in die tijd van onzekerheid en wisselende machthebbers, wie dat eigenlijk waren en ze vertrouwde het niet. Daarom liet ze door notaris Charles Donny een akte opstellen die haar voorgenomen huwelijk bevestigde en haar vrees uitdrukte over mogelijk verbieden, vertragen of zelfs sekwester leggen vanwege de ambtelijke voogden. Ze stelde dan ook een raadsman aan die in haar plaats kon optreden zowel voor burgerlijke als voor kerkelijke rechters. De plek waar de naam van de raadsman moest komen, staat open op de kopie van de akte die we konden inkijken, maar er is veel kans dat Dominique Van de Steene bedoeld werd. Die kon dan een advocaat of procureur aanspreken, vonnissen uitlokken en betekenen, verzet aantekenen tegenover de officiële voogden, dispensatie aanvragen wegens de leeftijd voor het kerkelijke huwelijk, enz.[78] Het was waarschijnlijk een overbodige voorzorg, want het huwelijk vond gewoon plaats. Veel familie was er blijkbaar niet beschikbaar, want de onderpastoor van de parochie, Carolus De Schepper en een zekere Augustinus Tax (of Fax) traden als getuigen op.

Een andere oom van Colette, priester Pieter Claeys, pastoor in Kruibeke, die voor de Fransen was gevlucht in juni 1794, was in de loop van 1795 in Hoorn (Noord Holland) overleden. Zijn achtergebleven goederen waren onder sekwester geplaatst door de agenten van de republiek. Het is niet duidelijk of ze werden vrijgegeven en of het jonge paar Van de Steene – Van de Wiele het bedrag van 270 ponden dat het erfde, ook werkelijk ontving[79].

Naast handelaar (welke handel?) was Dominique ook kunstschilder[80]. Hij stond op het adres ‘Geldhuysstraat’ D1-44[81] vermeld, samen met zijn jonge echtgenote en de dienstbode Jeanne Mestdag, die 30 was. Hij kwam ook voor op de lijst van de gedwongen lening in 1796, getaxeerd voor het bescheiden bedrag van 100 livres. In alle volgende belastingheffingen kwam hij niet meer voor, zodat we mogen aannemen dat hij vanaf 1796-97 uit Brugge vertrokken was.

Het meest waarschijnlijk is dat hij toen naar Brussel verhuisde, waar hij een passende betrekking ging zoeken. Hij citeert namelijk twee activiteiten in zijn uit 1799 daterende curriculum, die moeilijk op een ander tijdstip dan in de periode 1796-99 te plaatsen zijn.

In Brussel, Gent en Dendermonde

Vooreerst vermeldt hij dat hij één van de oprichters was van de Société populaire in Brussel, republikeinse vorm van kunstacademie, die pas tijdens de definitieve Franse overheersing (na 1794) tot stand kwam. Vervolgens vermeldt hij dat hij ‘administrateur des biens de l’abbaye de Forest’ was. De benedictinessen waren al in 1789 uit die abdij verdwenen maar de gebouwen, die erg beschadigd waren, werden pas vanaf 1796 als ‘bien national’ verkocht, hetzij om te worden ontmanteld en verkocht als bouwmaterialen (de kerk bvb) hetzij om er industrie (ververij, spinnerij, brouwerij) in te installeren. Beide activiteiten waren blijkbaar maar van tijdelijke aard en boden geen perspectief op een vaste baan. Had Dominique zich wellicht in de ‘Beloken Tijd’ extreem gedragen en was er, tegen de tijd dat het Directoire ten einde liep en de gematigden weer het heft in handen namen, geen plaats meer voor hem?

We treffen hem alvast op 22 Nivôse An VII (11 januari 1799) in Gent aan. Op die datum stelde hij zich bij het stadsbestuur kandidaat om tot conservator te worden benoemd van het museum van schone kunsten dat zou worden opgericht in de gebouwen van de vroegere abdij Baudelo. Hij beriep zich hierbij nogal sterk op zijn revolutionair verleden, als volgt: Il prie très humblement l’administration de bien vouloir prendre en considération que depuis près de 7 ans l’exposant souffre pour la révolution, et a fait des pertes considérables en rentes et autrement; qu’il a sacrifié son temps, ses veilles et une grande partie de sa fortune pour l’amour de sa patrie et de la vérité[82]. Was dit een wat overdreven verklaring, om in een goed blaadje te komen bij de bestuurders? Voor wat had hij tijd en nachtrust opgeofferd? Waar en hoe had hij geleden door of voor de revolutie? Wat waren die aanzienlijke verliezen die hij had geleden? Misschien hielden ze verband met de deficitaire nalatenschap, na het opdoeken van het Hof van Commercie of met de erfenis van heeroom Claeys? We zullen het wellicht nooit weten.

Van de Steene werd geen conservator. Het Museum was toen nog maar in zijn prille beginstadium. De gebouwen van de vroegere Baudelo-abdij werden hoofdzakelijk ingenomen door de pas opgerichte Ecole Centrale du département de l’Escaut. Wel werd hem in september van hetzelfde jaar toestemming gegeven met zijn gezin te gaan wonen in een bijgebouw van Baudelo. Het stadsbestuur gaf hiervoor opdracht aan de nieuwe directeur van de Kunstacademie, de beeldhouwer en tekenleraar Charles Van Poucke[83].

Van de Steene bleef er vijf jaar wonen en kwam aan de kost door het geven van privé-lessen.

Tegen de tijd dat hij Gent verliet bezorgden negen ouders van zijn leerlingen, een heel warme aanbevelingsbrief. Ze loofden in hem ‘une douceur, une patience et une exactitude à toute épreuve et une conduite des plus exemplaires’. Ze voegden er aan toe dat hij, naar hun oordeel, één van de beste tekenaars van het land was. Wat hij in het Salon de l’Exposition had getoond was het voorwerp geweest van bewondering vanwege de kenners. De ondertekenaars wensten hem dan ook verder alle succes toe[84].

In het eerste trimester van 1804 vertrok Van de Steene naar Dendermonde, waar hij leraar werd in rekenkunde, talen en tekenen. In 1811 werd hij bevorderd tot ‘premier professeur’, wat gelijkstond met de functie van directeur. Hij bleef dit waarschijnlijk tot aan zijn dood. Het gezin kreeg verschillende kinderen, onder wie twee zonen en twee dochters die de ouders overleefden. Hij overleed in Dendermonde in 1828, zijn vrouw volgde hem in 1832.

De nakomelingen

Pierre Van de Steene, de oudste zoon van Dominique Van de Steene werd in Gent geboren op 30 mei 1804 en overleed er in 1874[85]. Als jongeman werd hij leraar tekenen in Dendermonde, onder de leiding van zijn vader. Na diens dood verhuisde hij naar Gent. Op een niet nader te bepalen tijdstip trad hij in dienst bij de steendrukker Gustave Jacqmain in de Onderstraat en nadat hij zich in het lithografische werk had vervolmaakt werden beiden vennoot. Nochtans waagde hij in 1843 de sprong en richtte, samen met zijn jongere broer, op de Reep een eigen bedrijf op onder de naam Imprimerie lithographique Vande Steene frères. Het waren de gloriejaren van de lithografie en de porseleinkaart. Hij was in 1841 getrouwd met Adèle Guyard (Gent 1814-1850) die eveneens tot een familie van steendrukkers behoorde. Zijn dochter Emilie (Gent 1846-1934), de enige die hem overleefde, trouwde met drukker Louis Geirnaert (1844-1887). De drukkerij werd door hun twee zonen Georges (1880-1955) en Jules (1880-1973) nog een aantal jaren verder gezet. Zij drukten onder meer voor het Geschiedkundig genootschap in Gent en drukten ook de reeks Flandria’s novellen bibliotheek, uitgegeven door het Gentse Genootschap Plantijn, met werk van onder meer Antoon Bergmann, Jan De Laet, Karel Van de Woestyne, Domien Sleeckx, Rosalie Loveling en August Snieders.

Méér nog dan voor zijn drukkerijactiviteiten verdient Pierre Van de Steene herinnerd te worden omwille van zijn vele geschriften, waarvan niets werd gepubliceerd maar wel zorgvuldig in handschrift door zijn nazaten is bewaard. In de geest van Prudens Van Duyse, Karel Ledeganck en anderen, heeft Van de Steene heel wat proza en dichtwerk geschreven in het Nederlands. Het gaat om zes nogal uitgebreide teksten en enkele kortere gedichten. Eén van die teksten bezingt het huwelijk van prinses Marianne, dochter van Willem I, met prins Albert van Pruisen. Het huwelijk vond plaats op 14 september 1830, midden de Belgische revolte. Het jaar daarop inspireerde de Belgische onafhankelijkheid hem om een hekeldicht in drie bedrijven te wijden aan de nieuwlichterij van de nieuwe staat. Men mag daarom aannemen dat Pierre Van de Steene tot de Gentse Oranjegezinden behoorde. Vijf en twintig jaar later schreef hij echter een jubelzang voor het zilveren jubileum van koning Leopolds troonbestijging. Hij schreef ook lokale gelegenheidsgedichten: één als hulde aan de erevoorzitter van de Van Duyssekring en één op het gouden jubileum van de Gilde van schoen- en laarzenmakers in Gent. Vooral was er zijn uitgebreid dichtstuk in twaalf zangen (234 blz. handschrift) onder de titel De Scheldestranden. Het ging om dicterlijke ontboezemingen, om herinneringen aan zijn wandelingen aan de boorden van de Schelde, in de tijd dat hij in Dendermonde woonde, en om allerhande filosofische bespiegelingen. Dit werk dateert van 1830-1840.

Later zou Pierre Van de Steene zijn voornaamste werk schrijven onder de schuilnaam Pierre de Montblandin. De titel luidde Manuel du citoyen. Réflexions sur la plupart des questions d’économie sociale et politique. Deze verhandeling (250 blz. handschrift), geschreven een paar jaar voor zijn dood, geeft het geheel weer van de gedachten en overtuigingen die hij in de loop van zijn leven had opgebouwd aangaande mens en maatschappij. Dit tijdsdocument, eveneens onuitgegeven, verdient verder onderzoek en analyse.

Edouard Van de Steene, tweede en jongste zoon van Dominique (die 59 was bij de geboorte) en van zijn echtgenote (die 41 was), werd op 13 november 1818 in Dendermonde geboren[86]. Hij werkte korte tijd als typograaf bij zijn broer in Gent, en trok toen naar Brugge waar hij in 1837 vanaf de eerste dag aan het zetten van de Journal de Bruges meewerkte en tevens Philipp Christian Popp bijstond voor het uitgeven van de kadastrale plannen. In 1843 was hij weer in Gent om er met zijn broer de drukkerij Van de Steene Frères op te richten. Ze adverteerden voor hun activiteit met een mooie porseleinkaart van eigen maaksel. Het jaar daarop verliet hij echter de associatie, trok naar Kortrijk en stichtte er een eigen drukkerij, die na zijn dood op 11 november 1898, door een zoon werd verder gezet.

Edouard Van de Steene was de auteur van een cantate die in 1860 werd gezongen tijdens een banket in Kortrijk aangeboden aan Leopold I, en van een huldeboek naar aanleiding van de 50ste verjaardag van België[87]. Hij publiceerde ook werken van de volksschrijver Aldemar Camillo Van der Cruyssen (1836-1926). Samen met zijn zoon, Emile Vandensteene[88], die na zijn dood op 11 november 1898 de zaak verder zette, was hij ook de auteur van een curiosum: op een litho van amper 2 cm, werd de volledige Belgische grondwet afgedrukt in microscopisch kleine letters, alleen leesbaar met behulp van een reuzenvergrootglas[89]. De zoon publiceerde onder meer, begin twintigste eeuw, de reisverhalen van de jonge Robert Gillon (1884-1972), later liberaal voorzitter van de Senaat.

Epiloog

Erasmus en Dominicus Van de Steene behoren tot de talrijke bescheiden acteurs in de revolutietijd, die zowel in Brugge als elders, zich zo goed en zo kwaad als het ging aan de snel wisselende omstandigheden aanpasten. Voor Erasmus eindigde zijn revolutionaire inzet dramatisch. Dominique slaagde erin de moeilijkste jaren te doorspartelen en, terwijl hij weeklaagde over de tegenslagen die hij had gekend, toch een nieuw leven op te bouwen. De overige broers en schoonbroers hielden zich duidelijk gedeisd en traden nergens naar voor, veiligste manier om de moeilijke jaren heelhuids te doorspartelen. De jongste zus Maria werd psychiatrische patiënte en was vanaf 1822 opgenomen in het ‘dulhuis’[90].

Daar waar van Erasmus, behalve enkele herinneringen aan zijn revolutionaire activiteiten en enkele brieven in overheidsarchieven, weinig of niets meer overblijft, noch geschriften, noch nakomelingen, heeft zijn broer duidelijker sporen nagelaten. Vooreerst, een niet onbelangrijk nageslacht dat tot op vandaag herinneringen aan hem en de familie bewaart; vervolgens enkele producten van zijn artistiek talent. Zijn twee zonen hebben in Gent en in Kortrijk drukkerijen gesticht die het een paar generaties volhielden. Edouard heeft daarbij ook wat eigen werk geproduceerd. Vooral Pieter heeft heel wat literair en filosofisch werk nagelaten. Niets hiervan werd gepubliceerd en daardoor is het volkomen onbekend gebleven. Misschien zal dit ooit veranderen.

Erasmus en Dominicus Van de Steene behoren tot diegenen die, op basis van de tijdsgeest en van hun overtuigingen, soms van hun frustraties, een rol speelden, hoe bescheiden ook, tijdens de woelige revolutiejaren. Het was niet eenvoudig om als gewone burger een houding aan te nemen midden de om de haverklap wijzigende omstandigheden, moed te betonen en toch zoveel als mogelijk weg te blijven uit de gevarenzones waar ongeluk en dood op de loer lagen. Binnen de ‘grote’ geschiedenis, is de ‘microgeschiedenis’ van vele van die mensen een bron van lering en kennis[91].

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Brugs Ommeland, 2007, blz. 159-186)


 

[1] De naam wordt op verschillende manieren geschreven: Van de Steene – Van den Steene – Van der Steene – enz, en ook op verschillende wijzen gesplitst. Het is ook soms Stene met één e. We houden het hier hoofdzakelijk bij de in Brugge meest gebruikte naam voor deze familie: Van de Steene, in drie woorden.

[2] S. TASSIER, Les démocrates belges de 1789, Bruxelles, 1930.

[3] P. VERHAEGEN, La Belgique sous la domination Française 1792-1814. I La conquête 1792-1795, Brussel, 1922; S. TASSIER, Histoire de la Belgique sous l'occupation française en 1792 et 1793, Bruxelles, 1934.

[4] O. LEE, Comités et clubs des patriotes belges et liégeois, Paris, 1931.

[5] E. JORDENS, Erasme Van de Steene, in: Biographie nationale, T. XXIII, 1921-1924, col. 727-741. Zie ook: F. LELEUX, Figures révolutionnaires brugeoises. Erasme Van de Steene, Oostende, 1988.

[6] In 1780 werd een Jan Vande Steene (wellicht een neef van de Brugse Jan Vande Steene?) notaris in Sint-Denys.

[7] H. GODAR, Histoire de la gilde des archers de Saint Sébastien de la Ville de Bruges, Bruges, 1947, blz. 355.

[8] Stadsarchief Brugge, Staten van Goed, 2de reeks, n° 13843 en parochieboeken.

[9] Er was ook een mogelijkheid dat Catharina Cooremans niet de tante, maar de moeder van Barbara van Elewijt was en dat ze, weduwe geworden, met Erasmus Faulte hertrouwd was. Op de overlijdensakte van Barbara is de voornaam van haar moeder niet ingevuld. Nochtans wordt op de akte van haar huwijkscontract, Faulte wel degelijk als ‘oom’ vermeld en bij het overlijden van Catharina Cooremans noteerde de pastoor ‘vidua ex primo matrimonio Erasmi Faute’. Geen twijfel dus.

[10] A. VAN DEN ABEELE, Het stadhuis van Brugge en het Landhuis van het Brugse Vrije werden ook als hotel gebruikt, in: Biekorf, 1984, blz. 422-428.

[11] Stadsarchief Brugge, Volkstelling 1746, n° 2096. – De bewoners van het Paleis van het Vrije waren Faulte, zijn vrouw, een kind van meer dan 14 jaar (Barbara van Elewijt, mag men aannemen) en drie personeelsleden.

[12] We baseren ons op het feit dat de twee oudste kinderen op de O.L.Vrouwparochie werden gedoopt en het derde kind in januari 1757, evenals de volgende, op de Sint-Jacobparochie.

[13] J. VAN WALLEGHEM, Merckenweerdigste voorvallen 1781, f° 20-25. (handschrift, stadsarchief Brugge); E. REMBRY, De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge, Brugge, 1890-96 , blz. 205-210.

[14] P. DE LAEY, Boekenveilingen in Brugge, 1750-1810. Een repertorium van de gedrukte veilingcatalogi, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 2005, blz. 54-131.

[15] M. HUBERT, Le voyage de l’empereur Joseph dans les Pays-Bas, Bruxelles, 1900; R. COPPIETERS, Journal d’évènements divers et remarquables (1767-1797), Brugge, 1907, blz. 21-22; J. VAN WALLEGHEM, Merckenweerdigste gevallen 1781 (handschrift Stadsarchief Brugge).

[16] R. COPPIETERS, a. w., blz. 26-27; J. VAN WALLEGHEM, a. w.

[17] J. VAN WALLEGHEM, a. w.

[18] Cavalié MERCER, Journal of the Waterloo Campaign, New York, Da Capo Press, 1995, blz. 21-25 (onze vertaling); M. CORDEMANS, Van Oostende naar Waterloo: captain Mercer's tocht in het jaar 1815, Wetteren, 1951, blz. 51.

[19] Rijksarchief Brugge, Brugse Vrije, Bundels, nr. 757.

[20] L. DEVLIEGHER, De huizen te Brugge, Tielt, 1975, vermeldt de sloping van de dienstgebouwen in 1941, vervangen door het huidige woonhuis, Moerstraat 3-5. Afbeelding 519 geeft de vroegere toestand.

[21] Stadsarchief Brugge, Dagboeken Van Walleghem, Daegelijksche Gevallen, 1789, folio 74.

[22] Andries Reijniers of Reniers was in Brugge geboren en was onderpastoor van de Sint-Jacobparochie van 1780 tot 1792. Hij werd pastoor van Middelkerke, en doorheen de revolutiejaren bleef hij dit tot aan zijn dood in 1810. Zie: G. F. TANGHE, Beschrijving van Middelkerke, Roeselare, 1857, blz. 14.

[23] Stadsarchief Brugge, Staten van Goed, 2de reeks, n° 13843

[24] B. BEERNAERT, B. SCHOTTE & Werkgroep huizengeschiedenis, Van ververs, edellieden en apothekers…tot de West-Vlaamsche Elektriciteitsmaatschappij, Brugge, 1998 (onuitgegeven), blz. 124-126.

[25] Rijksarchief Brugge, Notariaat, nr 190, notaris Jan de Gheldere, deel 2, 16 ventôse Jaar VII; Archief familie Van de Velde, brief Deweirdt van 20 juli 1822.

[26] Stadsarchief Brugge, Bevolkingsregister 1790-1812, adres Sint-Jacobstraat D1-20.

[27] G. SCHRANS, Vrijmetselaars te Gent in de XVIIIde eeuw, Gent, 1997, blz. 392-395.

[28] A. SCHILLINGS, Matricule de l’Université de Louvain, Tome VIII, fin février 1734 – fin août 1776, Brussel, 1963.

[29] J. VAN WALLEGHEM, Daegelijksche gevallen 1779, fol. 197 (stadsarchief Brugge).

[30] C. PIOT, Corneille-François de Nelis (1736-1798), in : Biographie nationale, XV, col. 568-584 ; W. J. H. PRICK, C. F. de Nelis, un homme d’Eglise libéral au Siècle des Lumières, Nancy, 1942 ; Jan ROEGIERS, Nelis’ verlicht drukwerk, in : Ex Officina, Leuven, 2005.

[31] A. REMBRY-BARTH, Histoire de Menin, Bruges, 1881, Tome III, blz. 290 en vv.; C. BUYLAERT & P. DECUYPER, De geschiedenis van het middelbaar onderwijs (1532-1837) en van het Sint-Aloysiuscollege (1832-1982) in Menen, Menen, 1982, blz. 72-121

[32] De aanzienlijke vernieling van het bisschoppelijk archief door bombardementen in Doornik tijdens de Tweede wereldoorlog, heeft vele sporen uitgewist en het waarschijnlijk onmogelijk gemaakt hierin ooit zekerheid te krijgen.

[33] Algemeen Rijksarchief Brussel, Koninklijke Raad van het Gouvernement, Commissie der Studiën, 51B.

[34] Idem.

[35] Idem.

[36] A. REMBRY-BARTH, a. w., blz 290 en vv.

[37] Idem, blz. 293.

[38] Idem, blz. 435.

[39] C. BUYLAERT & P. DECUYPER, a. w., blz. 111.

[40] Algemeen Rijksarchief Brussel, Koninklijke Raad van het Gouvernement, Commissie der studiën, 2.385.

[41] A. REMBRY-BARTH, a. w., blz. 435.

[42] Stadsarchief Brugge, parochieboeken. Onder zijn sierlijk handteken schreef hij ‘prof. poësis”.

[43] A. REMBRY-BARTH, a. w., blz. 295.

[44] Fr. BERNAERT, Pierre-Jacques Osten (1759-1814), in: Biographie nationale, T. XVI, 1901, col. 350-351. (BN).

[45] E. JORDENS, a. w.

[46] Stadsarchief Brugge, Staten van Goed, 2de reeks, n° 13483.

[47] A. VAN DEN ABEELE, In Brugge onder de Acacia, Brugge, 1987, blz. 40; J. VAN WALLEGHEM, Merckenweerdigste voorvallen 1789, fol. 27-56.

[48] H. VANDER LINDEN, Jean-André Van der Mersch, in: Biographie nationale, T. XIV, 1897, col. 590-596; Generaal J. A. Van der Mersch (1732-1792). Een Menenaar in de Brabantse Omwenteling, Menen, 1992.

[49] S. TASSIER, Jean-François Vonck, in: Biographie Nationale, T. XXVI, 1936-1938, col. 822-833.

[50] S. TASSIER, Jean-Baptiste-Chrysostome Verlooy, in: Biographie nationale, T. XXVI, 1936-1938, col. 668-671.

[51] Th. JUSTE, Auguste, prince d’Arenberg, comte de la Marck (1753-1833), in: Biographie nationale, T. I, 1866, col. 432-435.

[52] P. VERHAEGEN, Wolfgang, duc D' Ursel (1750-1804), in: Biographie nationale, T. XXV, 1930-1932, col. 929-941.

[53] E. JORDENS, a. w.

[54] S. TASSIER, Les démocrates, a. w., blz. 346.

[55] E. JORDENS, a. w.

[56] E. J. DINNE, Mémoire historique et pièces justificatives pour M. Vander Mersch, où l'on donne les preuves de la loyauté de sa conduite, durant la révolution belgique [...], Lille, 1791, 3 vol.; G. GUILLAUME, Emmanuel Joseph Dinne (1765-1796), in : Biographie nationale, T. VI, 1878, col. 78-79.

[57] S. TASSIER, Edouard de Walckiers (1758-1837), in: Figures révolutionnaires, Brussel, 1943, blz. 17-46.

[58] Idem, blz 30.

[59] E. JORDENS, a. w.

[60] S. TASSIER, Le prince de Béthune-Charost, in: Figures révolutionnaires, Bruxelles, 1942, blz. 47-64.

[61] Y. VANDEN BERGHE, Jacobijnen en Traditionalisten. De reacties van de Bruggelingen in de Revolutietijd (1780-1794), Brussel, 1972, blz. 265.

[62] Algemeen Rijksarchief Brussel, Secretarie van Staat en Oorlog, 1961 (2), brief van Maroucx 9/07/1792.

[63] S. TASSIER, Les démocrates, a. w., blz. 444.

[64] Y. VAN DEN BERGHE, a. w., blz. 310 vermeldt dat Van de Steene tijdens de eerste Franse overheersing secretaris werd van de Jacobijnse Club in Gent. Er komt inderdaad iemand met die naam in 1792 voor als secretaris, maar met de voornaam G. Ik twijfel er aan dat het om priester Erasmus Van de Steene ging. Zie: L. FRANÇOIS, Renier Du Bosch, in: Appeltjes van het Meetjesland, 1967, blz. 111-160, zie blz. 114.

[65] R. DELACHENAL, Un agent politique sous la Révolution. Pierre Chépy, Grenoble, 1890 ; Dictionnaire de biographie française, Tome VIII, Pierre-Paul Chépy (1770-1822)

[66] O. LEE, a. w., blz. 214-215.

[67] Archives nationales, Paris, carton F7 4420, Procès verbaux de l’assemblée générale des Belges réfugiés en Copie des lettres de l’assemblée générale des Belges réfugiés.

[68] O. LEE, a. w.

[69] A. VAN DEN ABEELE, Jean-Othon Van Huele, een revolutionaire ééndagsvlieg in Brugge, in: Liber Amicorum André Vanhoutryve, Brugge, 1990, blz. 195-205.

[70] A. VAN DEN ABEELE, Jan-Baptist van Severen, een spoorloos verdwenen Bruggeling, in: Brugs Ommeland, 2002, blz. 243-249.

[71] Th. PAINE, In a French prison, 1795, schreef: The room in which I was lodged was on the ground floor and one of a long range of rooms under a gallery, and the door of it opened outward and flat against the wall; so that when it was open the inside of the door appeared outward, and the contrary when it was shut. I had three comrades, fellow-prisoners with me, Joseph Vanhuele, of Bruges, since president of the municipality of that town, Michael Robins, and Bastini, of Louvain. When persons by scores and hundreds were to be taken out of prison for the guillotine, it was always done in the night, and those who performed that office had a private mark or signal by which they knew what rooms to go to, and what number to take. We, as I have said, were four, and the door of our room was marked unobserved by us with that number in chalk; but it happened, if happening is a proper word, that the mark was put on when the door was open and flat against the wall, and thereby came on the inside when we shut it at night, and the destroying angel passed by it. A few days after this Robespierre fell, and the American ambassador arrived and reclaimed me and invited me to his house. - John KEANE, Tom Paine, A political life, London, 1995, blz. 412-444; A. VAN DEN ABEELE, De filosoof Thomas Paine en zijn Brugse vriend Joseph Van Huele, in: Brugge die Scone, 1993, n° 4.

[72] D. DENDOOVEN, De Brugse Academie in de 18de eeuw (onuitgegeven licentiaatthesis), 1985, Ledenlijst.

[73] L. VAN DE VELDE, Dominique Vande Steene, Gent, 2006 (privé uitgave), blz. 22, sollicitatiebrief waarin Dominique schrijft over zichzelf: ‘parcouru une partie de l’Europe pour s’instruire’

[74] Wellicht in het Hôtel Virginie, waar andere Belgische vluctelingen logeerden of samenkwamen.

[75] Archief Familie Van de Steene, bij Z. E. H. deken L. Van de Velde, Gent.

[76] Athanase DETOURNELLE (red.), Journal de la Société républicaine des Arts, n° 3.

[77] Archief Familie Van de Steene.

[78] L. VANDEVELDE, a. w., blz. 18.

[79] Idem, blz. 16.

[80] We zochten niet op of er verwantschap bestond met de drie opeenvolgende Brugse generaties die kunstschilder waren: notaris François Van de Steene (1736-1808), notaris François Bernard Jacques Van de Steene (1781-1849) en Auguste Van de Steene (1803-1870). Waarschijnlijk niet. Zie: Lexicon van West-Vlaamse beeldende kunstenaars, IV-129.

[81] D1-44 was een adres in de Geerwynstraat: het huis wellicht dat van oom Faulte was geërfd?

[82] L. VAN DE VELDE, a. w., blz 22.

[83] E. HOSTEN, Charles Van Poucke, sculpteur flamand 1740-1809, in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis in Brugge, 1926, blz. 341. Beeldhouwer Karel Van Poucke (1740-1808) was geboren in Diksmuide. Leerling van Hendrik Pulinx en van de Brugse academie, trok hij in 1763 naar Parijs en later naar Rome, waar hij leraar werd aan de Academie St.-Lucas, met een 'pensioen' vanwege de Oostenrijkse regering. In 1776 leverde hij persoonlijk aan de keizerin enkele werken om zich dat zelfde jaar in Gent te vestigen. Na de revolutiejaren werd hij directeur van de Gentse academie en één van de drijvende krachten achter de hervormingen ervan.

[84] L. VAN DE VELDE, a. w, blz. 28.

[85] L. VAN DE VELDE, Pierre Vande Steene, Gent, 2007 (privé-uitgave).

[86] A. BLOMME, Edouard Van de Steene (1818-1898), in: Biographie nationale, T. XXIII, 1921-1924, col. 721.

[87] 1830-1880. Ephémérides nationales belges réunies par Ed. Van de Steene, éditeur à Courtrai, suivies de la liste des membres du Congrès National et de tous les ministres qui se sont succédé dans les divers départements depuis 1830, Courtrai, Edouard Vandensteene et fils, 114 blz.

[88] In Kortrijk werd de familienaam meestal in één woord geschreven.

[89] Archief Familie Van de Velde, album Georges Geirnaert.

[90] Archief Familie Van de Velde, brief van F. Deweirdt – Van de Steene, 20 juli 1822.

[91] Ik dank Z. E. H. Deken Louis Van de Velde (Gent), achterkleinzoon van Pierre Van de Steene, die me inspireerde om deze bijdrage te schrijven. Gegevens over Dominique Van de Steene en zijn zonen, zonder referentie in voetnota, komen uit de twee studies, hierboven vermeld, die hij in eigen beheer heeft gepubliceerd voor zijn neven en nichten, op basis van het door zijn grootmoeder Emilie Van de Steene samengebrachte en door hem bewaarde familiearchief. Ik dank tevens Frank Deleu, Bernard Schotte en Jan D’Hondt voor hun informaties.

www.andriesvandenabeele.net