De gebouwen aan de Verwersdijk en de Kandelaarstraat,
als aanleiding tot nadenken over het bouwen

in de Brugse binnenstad

Ik ben een klein beetje mee verantwoordelijk voor de nieuwbouw op de Campus van het Europa College. De twee historische gebouwen van de Verwersdijk en van de Boomgaardstraat waren met elkaar verbonden door een klassengebouw dat langs de nauwe Kandelaarstraat in het begin van de negentiende eeuw werd opgetrokken, naar een ontwerp van stadsarchitect J. B. Rudd. Het ganse complex werd een twaalftal jaren geleden als monument beschermd. Op vraag van de bouwheren, die van mening waren dat ze met dit verbindingsgebouw niets konden aanvangen, ook al was het destijds met bestemming klaslokalen gebouwd, heeft de Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen de declassering gunstig geadviseerd en dat is dan ook zo door de minister beslist. Het verdere verloop was niet meer in de handen van de Commissie, die moest vaststellen dat de nieuwbouw niet helemaal beantwoordde aan wat was voorgespiegeld. Het voornaamste bezwaar dat kan worden geuit is dat, zoals zo vaak als men redenen vindt om te moeten slopen en nieuw te bouwen, het volume werd opgeblazen.

Schofferen maar…

Wat me daarbij onaangenaam heeft getroffen is dat de architect die dit ‘moderne’ gebouw heeft mogen ontwerpen, van de tribune die het Brugsch Handelsblad hem heeft geboden (31/08), gebruik heeft gemaakt om met zwaar geschut op de stad Brugge te schieten.

Als we het op onze manier verder doen dan dreigt onze stad volgens de heer Xavier De Geyter een fossiel te worden. We beschermen een ‘middeleeuws imago’ dat vooral in de 18de en 19de eeuw gefabriceerd werd. We doen aan overbescherming en dit ter wille van het toerisme. De stadsdiensten konden maar met grote moeite overtuigd worden van De Geyters’ gelijk en van de deugdelijkheid van zijn ontwerp. Over wat hij zelf heeft neergezet is hij vol lof: “De twee nieuwe gebouwen passen zich moeiteloos aan de eeuwenoude site aan”. Dat sommige van zijn vakgenoten zijn ontwerp beschrijven als ‘modern van dertig jaar geleden’ zal hem dus niet raken.

Ik vind het nogal ongehoord dat nu net de architect die zo’n gebouwen heeft mogen ontwerpen en bouwen, in de hand bijt die hem zijn broodwinning aanreikt. Had hij nog verbod gekregen, dan zou ik een zekere mate van verbittering begrijpen. Maar hij heeft zijn zin gekregen en dan moet mijnheer nog natrappen ook. Ik ben daarbij altijd verbaasd over het gemak waarmee sommigen, die hier vluchtig en tijdelijk neerstrijken, met definitieve volzinnen over onze stad uitspraken kunnen doen. Om dan maar vlug weer naar de grootstad, of naar hun riante fermette of villa in het groen terug te keren.

Wat is ‘hedendaags’ bouwen?

Daarbij hebben ze natuurlijk de mond vol over ‘hedendaags’. Maar wat is hedendaagse architectuur?

Vooreerst moet er op worden gewezen dat het merendeel van de huizen in de Brugse binnenstad aan de normen van hedendaags comfort beantwoorden en in die zin volwaardig ‘hedendaags’ zijn. Dat is voor een huis dan toch de essentie, of het nu over een pas gebouwd huis gaat, dan wel over een eeuwenoude woning die werd aangepast of zelfs over een huis in ‘namaakarchitectuur’. Een historisch pand in Brugge hoeft meestal wat comfort, isolatie, technische snufjes allerhande, niet onder te doen voor recente bouwwerken. De inwoners zijn van hun kant via de huishoudmiddelen van vandaag en de elektronische communicatiemiddelen, al evenzeer mee met hun tijd als een bewoner van ‘Silicon Valley’. We hoeven op dit gebied voor niemand onder te doen.

Er moet anderzijds toch eens duidelijkheid komen over wat men in Brugge en met Brugge wil. Is het de bedoeling dat elke nieuwbouw een visueel aspect krijgt dat het ‘hedendaags’ maakt? Ik stel vast dat zelfs binnen de Dienst Monumentenzorg van de stad Brugge soms in die zin actie wordt gevoerd. Eigenaars die een eenvoudige woning met een puntgevel willen bouwen, ondervinden soms veel moeite om hun plannen goedgekeurd te krijgen. Het begijnhofachtige ‘Clarenhof’ werd door sommigen als een ‘verschrikking’ gezien, terwijl de appartementen op het Pandreitje de hemel werden in geprezen.

De historische binnenstad is in overwegende mate een harmonisch gegroeide eenheid. Het is die eenheid die, met zijn trouwens grote verscheidenheid, zowel mensen aanspreekt die er graag wonen, als vele bezoekers die er enkele uren tot enkele dagen komen doorbrengen. De stad is immers uitgegroeid tot een voorbeeld die men van heinde en verre wil komen bekijken, trouwens niet altijd zonder ongemakken voor de bewoners. Wie in zo’n harmonisch gegroeid geheel niet graag woont of werkt, heeft alle vrijheid om zich in eender welke andere stad of dorp te gaan vestigen. Dat geeft hem nog niet de vrijheid om aan anderen te misgunnen dat ze graag in een architecturaal prestigieuze omgeving wonen. Over het bewaren van deze eenheid, dragen zowel de overheid als de vele particuliere eigenaars, bijzondere verantwoordelijkheid. Het gaat om dezelfde verantwoordelijkheid die men overal elders aantreft, in historische Beierse steden en dorpen, in Italiaanse kunststeden, in Franse ‘villes d’art’, enz. Vroegere eeuwen hebben op een aantal plekken een bepaalde en duidelijke stempel gedrukt en zowel bewoners als bezoekers ondervinden er de schoonheid en ondergaan er de charmes van. Het hoort niet dat men die belevingstroeven weggooit omdat enkele voorbijgaande modes daar willen aan tornen en er zich willen in tussen wringen. Er is in de wijde wereld ruimte genoeg om met nieuwigheden (die niet altijd verbeteringen zijn) te experimenteren.

Het is natuurlijk onvermijdelijk dat sommige gebouwen in historische omgevingen om een of andere reden geheel of gedeeltelijk moeten verdwijnen en vervangen worden. Men hoeft slopen alvast niet aan te moedigen: het is maar uitzonderlijk dat een oud gebouw niet kan worden aangepast. Iedere verdwijning slaat een wonde die niet of maar heel traag geheeld wordt. In vele, zoniet de meeste gevallen, geeft men bij sloping toe aan speculatieve doeleinden. Als men wil nieuw bouwen dan is het heel vaak omdat men het volume groter wil maken en dus meer opbrengst wil verwezenlijken. Dergelijke doeleinden zijn in een historische stad niet op hun plaats.

Nieuwbouw, hoe?

Als men dan toch nieuw bouwt in een historische stad, hoe moet dat dan? Een eerste mogelijkheid is dat men het afgebroken gebouw gewoon weer opbouwt. De technische middelen, zoals fotogrammetrische opmeting, zijn hiervoor ter beschikking. In vele landen en historische steden heeft men hiermee geen probleem, zelfs niet voor grote monumenten. De Onze-Lieve-Vrouwekerk in Dresden is er het meest recente en schitterende voorbeeld van. In Amsterdam schrikt men er niet voor terug om een mooi grachtenhuis dat ineenzakt gewoon te herbouwen (‘monument tijdelijk afwezig’ noemt men dat daar). Een andere mogelijkheid is dat men in een harmoniserende of zelfs nabootsende stijl bouwt. Dat is wat men in Brugge eeuwenlang heeft gedaan. Namaak  zal u zeggen? Ja en neen, niet naar mijn gevoel als het gebeurt volgens de regels van de kunst. Soms was het zo geslaagd en in harmonie met de omgeving (bvb. het Bonifaciusbrugje en het huis ernaast in Groeninge) dat het resultaat niet meer uit het stedelijke landschap is weg te denken.

De bouwwoede na de Tweede wereldoorlog heeft Brugge, net als andere steden, aangetast. Niet alleen werd veel gesloopt, maar ook veel onnozels gebouwd. Ongeveer geen enkele school heeft kunnen nalaten om banale klassengebouwen neer te zetten: uitgerekend de plekken waar de jeugd cultuur en beschaving moet worden bijgebracht! Ook administraties, banken en warenhuizen hebben lelijk huis gehouden, terwijl zowel particulieren als overheid (OCMW) lompe appartementsgebouwen hebben neergeploft op ongeschikte plekken. En daarvoor werd onevenredig veel bouwkundig erfgoed afgebroken, zodat we in de jaren zestig met de Vereniging Marcus Gerards en met anderen besloten dat ‘te veel echt te veel’ was.

Begin jaren zeventig werden de bakens verlegd. Niets belette dat nieuwbouw ook een eigentijdse kleur en uitzicht kreeg. De eerste gebouwen die aldus een frisse aanbreng betekenden waren de kinderbibliotheek in de Spanjaardstraat (architect Luc Dugardyn) en een flatgebouw op de hoek Gentpoortvest – Oude Gentweg (architect Eugeen Van Assche). We zijn op die weg doorgegaan en ik kan zo enkele tientallen voorbeelden aanwijzen van hedendaagse toetsen die zich met passende bescheidenheid in het stedelijke aloude weefsel hebben ingepast.

Voorwaarden voor nieuwbouw

Er werden hierbij een aantal voorwaarden gesteld, die me essentieel lijken voor het bouwen in een zo delicate omgeving als de historische binnenstad van Brugge. De eerste is dat het volume en de bouwlagen moeten harmoniseren met de omgeving: geen sprake van om er vlug een paar verdiepingen bij te ‘lappen’. Vervolgens moeten materialen worden gebruikt die harmoniseren met die omgeving. Vandaar dat aan de eeuwenoude bouwmaterialen voorrang wordt verleend, terwijl aluminium, beton, etc. maar bij homeopathische dosis worden aangewend. Ook Xavier De Geyter zegt het: ‘bij het vinden van de juiste toon zijn twee elementen van belang: textuur en schaal’. Hij is dus alvast geen aanhanger van het ‘Fuck the context’ van zijn leermeester Rem Koolhaas. Maar ook al zijn we het dus daarover wel eens, vullen we dit principe duidelijk anders in.
 
Ten derde moet de gevelwand in acht worden genomen. Dit houdt onder meer in dat in de meeste gevallen de afmetingen en de looprichtingen van deuren en vensters (zonder dan nog van storende ramen in het vlak van het dak te spreken) de harmonie en het ritme van een huizenrij niet mogen verstoren. Al te vaak ziet men bij verbouwingen hiertegen zondigen. In de stad Brugge – waar niet trouwens? - zijn ook de details belangrijk. In een gave grijs en beige geschilderde gevelwand zoals in de Ridderstraat, een helblauwe gevelbeschildering toelaten bvb., getuigt niet van goede smaak.

Ten vierde moet de ruwbouw, binnen een huizenrij, in opgaand metselwerk worden uitgevoerd en niet vervangen worden door een betonskelet die achter metselwerk wordt verstopt. De reden hiervoor is dat, in een bestaande huizenrij, zo’n rigide structuur heel nadelig is voor de ertegen aanleunende gebouwen: tot ver in het rond worden hierdoor scheuren en barsten veroorzaakt. Een voorbeeld van zo een verkeerde bouw is het ‘moderne’ appartementsgebouw langs de Spiegelrei. Hetzelfde geldt met het ondergronds gaan voor garages, waarmee, als ondoordacht gebeurt, veel ellende kan worden veroorzaakt aan bestaande gebouwen.

Liefst geen egotrippers

Waar Brugge in ieder geval geen behoefte mag aan hebben is aan sterk modernistische en buitenmaatse gebouwen die schril afsteken bij het geheel van de stad. Ik zou het zowat vergelijken met een vijftiende-eeuws schilderij dat wordt gerestaureerd en waar aan één van de personages een gezicht à la Picasso wordt gegeven, met scheve ogen. Als we zelf andere historische steden bezoeken, dan valt opvallende nieuwbouw ons meestal tegen. Hebben we dan zoveel km afgelegd, grommelen we dan, om iets te zien wat overal ter wereld uniform wordt neergepoot? Moeten we in de Provence dezelfde bouwwerken zien als in Friesland, of in Texas, of eender waar? Moet ‘globalisatie’ ook in onze manier van bouwen en wonen toeslaan? In Italië willen we met velen nog altijd ‘Italiaanse’ steden zien, in Zwitserland verwachten we iets ‘Zwitsers’, en ga zo maar door. Als we geblinddoekt ergens zouden worden naartoe gevoerd, moeten we bij het herwinnen van het zicht zonder moeite kunnen vaststellen of we in een Engelse, Franse, Italiaanse, Spaanse, Noord-Afrikaanse of andere stad zijn. We willen alleszins Brugge tegelijk herkenbaar en aangenaam (be)leefbaar houden. De eigen architectuur, in streekeigen materialen, door de eeuwen heen gegroeid en geëvolueerd, in harmonie met het landschap en met de geschiedenis, is precies één van de rijkdommen van onze culturen en van onze eigenheid. Als we dan ook nog daarnaast de allerlaatste architecturale snufjes willen tonen, zijn er, ook in België, voldoende steden en plekken – met inbegrip van Brugge extra-muros - die zich daartoe lenen.

Ik weet wel dat dit hoogst ouderwets zal klinken in de oren van sommige architecten die er zo aan houden om zelf hun hoogsteigen expressie neer te poten in de schaduw van wat hun grote, meestal anonieme en meer bescheiden voorgangers hebben gerealiseerd. Ik stel me altijd de vraag waarom sommigen dat persé in een historische binnenstad willen doen. Er is toch genoeg ruimte er om heen? Sinds de Tweede wereldoorlog zijn er in de Brugse agglomeratie ongeveer 40.000 nieuwe gebouwen opgetrokken. Is er daar veel van dat binnenkort zal herkend worden als waardevol en te beschermen voor de toekomstige generaties? Ik vrees van niet. Op Sint-Pieters heeft men, buiten het stadscentrum, zoals het trouwens hoort, een groot hotel gebouwd. Jammer dat het een banaal gebouw is geworden, hoewel men daar alle vrijheid had om schitterende hedendaagse architectuur te bedrijven. Waarom heeft men daar en op zoveel andere plekken niet ongeremd de talenten laten woekeren die men denkt te bezitten? Anderzijds, van wat men in de recente jaren in de Brugse binnenstad heeft neergezet als ‘hedendaags’, ziet men daaronder veel dat in de architectuurtijdschriften als model kan worden voorgesteld?

Hieraan wil ik nog toevoegen dat in uitzonderlijke gevallen een gebouw in hedendaagse architectuur binnen een historische omgeving kan verantwoord zijn. Tot die gebouwen reken ik zeker het Ibishotel en Novotel niet in de Katelijnestraat. Het Concertgebouw, in de stijl en op de plek waar het ligt, stoort me niet. Ik zou er wel enkele kanttekeningen kunnen bij maken, maar dat is een ander verhaal. Zelfs over de gebouwen van Xavier De Geyter zou ik geneigd zijn geweest (behalve dan over de volumes) een vriendelijk woordje te zeggen, als hij het niet door zijn schofferende uitspraken bij me had verkorven. Onze nazaten zullen oordelen of dergelijke gebouwen uiteindelijk erin slagen met de historische stad te harmoniseren. Ik vind alvast dat andere grote gebouwen, zoals bvb. het Gerechtsgebouw of Ten Steeghere, daar veel sneller in lukken.

Andries Van den Abeele

(niet gepubliceerd – september 2007 – basistekst voor interview in Brugsch Handelsblad).

www.andriesvandenabeele.net