De dag dat het

Gruuthusehandschrift
verkocht werd

 

Baron François van Caloen (Koolkerke 6 oktober 1930 – Brussel 23 juli 2006) kende ik alleen van horen zeggen, via zijn neven Damien van Caloen enerzijds, Michel en Jean-Pierre della Faille d’Huysse anderzijds. Ik zag hem op afstand, in zijn jacquet, voorgaan in de rouwstoet op de uitvaarten van zijn ouders, Ernest van Caloen (1905-1995) en Thérèse Coppieters Stochove (1907-2001). Beide uitvaarten gingen door in de kleine historische kerk van Koolkerke, waar de muren bekleed zijn met rouwborden van de familie van Caloen en waar zich net voor de ingang hun grote familiekelder bevindt.

De eerste keer dat ik hem van wat naderbij leerde kennen, was op de avond van 14 september 2000. Johan Oosterman, de specialist van de vijftiende-eeuwse literatuur in Brugge, was uit Leiden gekomen om voor de Vrienden van De Biekorf een voordracht te houden onder de titel Literatuur in Brugge in de Middeleeuwen: de oorsprong van het Gruuthusehandschrift en de dood van Egidius. Tijdens het vragenuurtje maakte de op de voorste rij zittende François van Caloen zich behoorlijk boos, omdat iemand over het Gruuthusehandschrift kwam spreken, zonder hierover contact te hebben opgenomen met de eigenaars. Deze wat eigenaardige uitbarsting werd na de vergadering vriendschappelijk bijgelegd en een tevreden François trok weer naar Brussel. Met de spreker en met stadsarchivaris Noël Geirnaert ging ik het incidentje wegspoelen in de bruine kroeg die de naam ‘Lokkedieze’ draagt.

De toekomst van Ten Berghe

Niet zo lang nadien begon het echte contact. Mevrouw van Caloen, moeder van François, was op 3 augustus 2001 overleden, en het testament van haar echtgenoot Ernest, die in 1995 was overleden, kreeg nu zijn volle uitwerking.

François van Caloen belde me op en we maakten afspraak, eerst bij mij thuis, nadien in kasteel Ten Berghe. Het gesprek liep in de eerste plaats over de toekomst van dit kasteel. Hij legde me uit dat zijn vader een testament had gemaakt waarbij hij in zijn erfdeel bij precipuut het kasteel en domein Ten Berghe had gekregen, met als uitdrukkelijke bedoeling dat hij, oudste zoon, voor het verdere behoud ervan binnen de familie zou zorgen. Daarnaast had hij hem ook erfgenaam gemaakt van de inboedel van het kasteel en van de archieven en documenten, met inbegrip van het Gruuthusehandschrift en van de handschriften van Nicolaas Despars. Hierbij was blijkbaar bepaald, de ouders er zich rekenschap van gevende dat het kasteel voor de eigenaar een servituut betekende, dat, ter compensatie, de roerende goederen een ‘appeltje voor de dorst’ zouden zijn en desnoods konden worden te gelde gemaakt.

Samen bezochten we grondig het kasteel, dat indrukwekkend oogde, vooral wat betreft het kerngedeelte, dat minstens zestiende-eeuws is, met daaraan toegevoegd de neogotische uitbreiding, rond 1875 door architect J. Schadde ontworpen. Tegelijk bleek dat het onderhouden niet zo zorgvuldig was gebeurd en de bejaarde bewoners er eigenlijk Spartaans en in nogal primitieve omstandigheden van comfort hadden geleefd. Naarmate de leeftijd vorderde hadden ze zich meer en meer in slechts een paar vertrekken teruggetrokken. François was zelf al begonnen met het opknappen van de huisbewaarderwoonst in de bijgebouwen naast het kasteel, met de bedoeling er een eigen verblijf te hebben of zoniet het te verhuren. Niets van kasteel en bijgebouwen was beschermd, zodat hij er maar wat op los verbouwde, wat me niet een zo verstandige aanpak leek. Ik had toen al de Administratie monumenten en landschappen attent gemaakt op de eigendom, die hen blijkbaar niet bekend was. Miek Goossens ging op bezoek, was enthousiast, maar deelde me mee dat een procedure voor bescherming pas later zou kunnen ingezet worden, wegens andere prioriteiten.

Na mijn bezoek schreef ik een nota waarin ik vijf mogelijkheden onderzocht voor de toekomst van het kasteel, als volgt:

  1. Onderbrengen in een ‘Stichting van Caloen’, naar het voorbeeld van wat de andere tak van de familie Van Caloen in Loppem voortreffelijk had gedaan. Misschien was het zelfs mogelijk de eigendom in Koolkerke gewoon onder te brengen in de Loppemse stichting. Hierdoor zou een oplossing op de lange termijn gevonden zijn, zonder dat het kasteel bij iedere generatie opnieuw met successierechten zou worden bezwaard. Tevens zou het geheel van het roerende erfgoed (meubels, schilderijen, portretten, boeken, archief, etc.) ter plekke kunnen worden behouden en in waarde gesteld. Ik ging ook in op de mogelijkheden om op de langere termijn inkomsten te genereren die het onderhouden van kasteel en domein mogelijk maakten. Ik vermeldde: - mogelijke verhuur van de omringende groene eigendom aan de provincie of de stad Brugge, als publiek park – verhuren van de bijgebouwen voor bewoning – organiseren van seminaries, recepties, etc. in het kasteel – de verdiepingen inrichten als kamers of kleine appartementen voor korte verblijven – bezoeken organiseren van het merkwaardige geheel van kasteel en inboedel, met het ‘Gruuthusehandschrift’ als bijzondere attractie.

François maakte me opmerkzaam op het verschil in toestand. Destijds was het kasteel van Loppem de uitsluitende eigendom van baron Jean van Caloen (1884-1972) die de eigendom in een stichting van openbaar nut onderbracht. Dit was geen probleem voor de enige erfgenaam Roland van Caloen die ongehuwd bleef en een voldoende vermogen ter beschikking kreeg om onbekommerd, in Cadzand en Andorra, het aan studie gewijde leven te leiden dat hem lief was. François had er integendeel rekening mee te houden dat hij zelf niet zo rijk was en dat hij verantwoordelijkheid droeg tegenover zijn nakomelingen.

  1. De eigendom opknappen in het vooruitzicht van bewoning door François van Caloen en zijn familie. - Dit lachte François niet toe. Zeker, hij wilde de banden met Koolkerke behouden en had zijn vader opgevolgd als erevoorzitter van de Koolkerkse harmonie Vermaak na Arbeid. Hij woonde echter al een halve eeuw buiten Brugge, was sinds zijn echtscheiding vrijgezel, had voldoende aan een appartement en had zijn gewoonten en vriendenkring in Brussel. Geen vooruitzicht dus om zich permanent op het kasteel te komen vestigen, ook al werd het zijn officieel adres.

Hoe dan ook, dit zou het probleem alleen maar uitgesteld hebben, want van zijn vier kinderen was er géén van wie redelijk kon worden verwacht dat hij of zij de familietraditie van bewoning van het kasteel zou verder zetten.

  1. Het kasteel en bijgebouwen in huur geven voor privé gebruik. Ook deze mogelijkheid was misschien niet zo voor de hand liggend, want de eigenaar wilde graag een goede huurprijs en anderzijds zou de huurder ook nog heel wat kosten van onderhoud en herinrichting op zich moeten menen.

  2. Het kasteel in huur geven voor het uitbaten als gastenkamers of klein hotel. Hiervoor had zich al een belangstellende aangemeld.

  3. Verkoop aan de stad Brugge of de provincie West-Vlaanderen. In dit geval zou, om het kasteel in zijn authentieke staat te behouden, veel van het roerende patrimonium mee dienen verkocht te worden. De bestemming van het kasteel zou in dit geval nog verder te onderzoeken zijn. Alvast zouden de ongeveer 50 ha bos en groen eromheen, tot het openbare domein kunnen behoren en toegankelijk worden.

Voor de alternatieven 3 en 4 moest rekening worden gehouden met belangrijke uit te voeren investeringen. Het kasteel zou daarbij van zijn charme en authenticiteit verliezen, als meubels en familieportretten zouden verdwijnen en verdeeld zouden worden onder de erfgenamen of zelfs verkocht.

Er was natuurlijk nog een zesde mogelijkheid, die er in zou bestaan hebben de ganse eigendom gewoon te verkopen aan de meestbiedende. Maar die nam ik niet onder ogen en ik had niet de indruk dat François van Caloen in die richting dacht. Het ouderlijke testament was er alvast om hem hiervan te weerhouden.

De vijfde mogelijkheid wilde hij wel onderzoeken. Ik nam contact op met burgemeester Patrick Moenaert en bestendig afgevaardigde Dirk de Fauw en afspraak werd gemaakt op 13 januari 2002. Toen ze op die donkere winteravond kwamen aangereden, ontving François van Caloen ze minzaam, haalde een oude fles boven en leidde hen rond. De heren waren bewonderend voor wat ze zagen, maar bleven toch tamelijk afstandelijk en eerder gehaast. De conclusie was duidelijk dat ze geen vooruitzicht hadden om zich in een perspectief van aankoop verder aan deze eigendom te interesseren. Alleen deelde Dirk de Fauw me achteraf mee dat aankoop van het 50-tal ha groene gebied rond het kasteel misschien tot de mogelijkheden behoorde, gelet op de beperktheid van openbaar groen ten Noorden van Brugge. Het Gruuthusehandschrift kwam ook even ter sprake, maar geen van beide bewindslieden liet een woord van belangstelling vallen. Ook François ging er niet verder op in.

Uit dit bezoek trok hij zijn conclusies en kort daarop sloot hij een overeenkomst met de heer en mevrouw Luc Hendrickx, die zich voornamen een klein hotel in het kasteel in te richten (8 kamers) en zelf in de opgeknapte huisbewaarderwoonst gingen wonen. Ze begonnen snel aan de herstellingswerken en konden al na enkele maanden gastenkamers aanbieden. Het resultaat was heel aantrekkelijk. De comfortabele kamers richtten ze in hoofdzaak in met meubilair dat zich ter plekke bevond. Aankleding, badkamer, etc., werden met goede smaak en zonder kitsch uitgevoerd. Het was vooral bijzonder prettig dat het oudste gedeelte van het gebouw, de vestibule, de kapel en de salons, quasi onaangeroerd bleef, en de portrettengalerij intact. De sfeer was in de grootste mate ongerept gebleven.

Het openen als gastenverblijf en nog méér het verkrijgen van vergunning als klein hotel bleek, met betrekking tot sommige stadsdiensten, een echte lijdensweg te zijn. Niemand zal me verdenken van toegeeflijkheid als het op monumentenzorg aankomt, maar hier moest ik toch vaststellen dat overdreven bureaucratische eisen werden gesteld (men maakte zich druk over twee doorgangsdeuren tussen kamers, die onvermijdelijk dichtgemaakt moesten worden) en dat de eisen van de brandweer toegepast werden alsof het hier om een hotel met honderd kamers ging. François van Caloen volgde de verwikkelingen van nabij en was er uiteraard niet erg door gecharmeerd.

Een huurcontract van lange duur werd afgesloten en hiermee was alvast één probleem voor de toekomst, minstens op middellange termijn, opgelost.

Het Gruuthusehandschrift

Tijdens onze gesprekken werd een tweede probleem aangesneden, dat van de mogelijke verkoop van het Gruuthusehandschrift. François van Caloen was er zich van bewust dat het niet langer mogelijk was dit manuscript in privé-handen te bewaren. Het was niet iets wat je zomaar in je woning tussen andere boeken kon laten staan, daarvoor was het te bekend en te waardevol. Zijn vader, de goedheid zelf, op het naïeve af, was daar heel wat losser mee omgegaan. Toen in 1990 het handschrift in bruikleen werd gevraagd voor een tentoonstelling in de Brugse stadsbibliotheek, was de conservator die het ging ophalen verrast dat er nauwelijks plichtplegingen waren en hij zich niet eens hoefde te legitimeren. 

François stelde zich voorzichtiger op en had het manuscript naar Brussel mee genomen en in een bankkluis gedeponeerd. Hij vond ook niet dat men van hem kon verwachten dat hij het zou schenken aan de overheid. Enerzijds hadden zijn ouders het aan hem toegewezen precies met de bedoeling dat het een compensatie zou zijn voor de last van de onroerende erfenis en anderzijds vond hij dat hij door een schenking zijn kinderen van een erfdeel zou beroofd hebben. Het onvermijdelijke vooruitzicht was dus een verkoop, maar aan wie en tegen welke prijs?

François van Caloen was een bijzonder man. In zijn jonge jaren was hij vrijwilliger geweest in het Belgische Koreabataljon. Nadien werd hij planter in Kongo, waar hij investeerde in een koffieplantage. Nog voor hij de eerste bonen kon plukken moest hij in 1961 halsoverkop met vrouw en drie zoontjes Kinyamahura in Noord-Kivu ontvluchten en strandde hij, volkomen berooid, in België. Gedurende een aantal jaren zocht hij zijn weg als projectontwikkelaar in Spanje. Verbitterd over wat hem was overkomen, werd hij nogal anti-establishment en was een paar jaar gemeenteraadslid voor het Front National in Elsene. Hij stond erg argwanend tegenover de Vlaamse gewestregering, meer bepaald sinds hij gehoord had wat men van zin was betreffende de zogenaamde ‘topstukken’ die men niet meer zou mogen exporteren. De besprekingen die aan de gang waren en die leidden tot het decreet van 15 januari 2003 over het roerend erfgoed van uitzonderlijk belang, deden hem vrezen dat, als hij nog lang wachtte of als er teveel ruchtbaarheid kwam rond het Gruuthusehandschrift, het wel eens op de lijst van niet-exporteerbare ‘topstukken’ zou kunnen terecht komen.

Dit Gruuthusehandschrift interesseerde me om méér dan één reden. ‘Egidius waer bestu bleven’ is een ‘poème fétiche’ uit mijn jeugdjaren. Ik kende het uit het hoofd. Het herinnerde me aan mijn vereerde Poësisleraar Marcel Schurmans s.j. Het hing ingekaderd tegen de wand in mijn woning. De geschiedenis en de publicatie van het handschrift door professor Klaas Heeroma, met het identificeren van de auteur van het Egidiuslied als Jan Moritoen, had ik met grote belangstelling gevolgd. Des te meer ook omdat mijn vrienden Robert Braet en Jacques Blomme rond die tijd een volkshogeschool oprichtten die ze de naam ‘Moritoen’ gaven, vereniging waar ik trouwens tot op vandaag nog altijd lid van de algemene vergadering ben. Mijn belangstelling was recent nog opgeflakkerd naar aanleiding van de studie die ik schreef over het toernooigezelschap De Witte Beer. In die tekst kon ik niet alleen sommige zaken rechtzetten over de persoon van Lodewijk van Gruuthuse, maar vooral ook over sommige teksten in het handschrift en over verkeerde interpretaties die er door Heeroma en sommige van zijn opvolgers aan waren gegeven.

Die belangstelling ging nog verder en, in gesprekken met stadsarchivaris Noël Geirnaert was ik me, met hem, beginnen afvragen of de familie Gruuthuse wel ooit eigenaar was geweest van dit manuscript, of beter gezegd van die gebundelde verzameling van manuscripten. Het was niet omdat een anonieme zeventiende-eeuwse of achttiende-eeuwse tekenaar op een paar bladzijden wat onbeholpen verwijzingen had gemaakt naar de Gruuthuses, dat dit boek, of eerder gezegd deze bundeling van katerns, ook echt aan deze familie had toebehoord. Zou nader onderzoek eventueel niet kunnen doen concluderen dat het eigenlijk de naam Despars zou moeten dragen? Immers, de vijftiende-eeuwse en zestiende-eeuwse bewoners van het kasteel Ten Berghe waren de Despars, en één van hen was de bekende burgemeester, historicus en kroniekschrijver Nicolaas Despars. Zou het zo onmogelijk zijn dat het manuscript in zijn bibliotheek zat, en vandaar via de vrouwelijke afstamming terecht was gekomen eerst bij de Marivoordes, dan bij de de Croesers en uiteindelijk bij de van Caloens, opeenvolgende erfgenamen en bewoners van Ten Berghe? Een interessante denkpiste die trouwens nog altijd niet is verlaten.

Een andere mogelijkheid bleef nog open, op basis van wat met een recente hand in het manuscript zelf door iemand van de familie van Caloen werd bijgeschreven en die vermeldt dat het handschrift aan de familie Gruuthuse had behoord en bij de familie Van Borssele was terecht gekomen.   

De discussies die François en ik toen voerden gingen natuurlijk niet in de eerste plaats over die interessante punten van geschiedenis. Wat mij betreft leek het me vooral een plicht hem te overtuigen dat het adagium ‘noblesse oblige’ maakte dat hij niet zomaar aan de meestbiedende Amerikaan of Japanner mocht verkopen, maar dichterbij een openbare instelling moest vinden die dit uitzonderlijke erfstuk van de Nederlandse cultuur en literatuur op passende wijze kon in ere houden.

Hijzelf was even zijn licht gaan opsteken bij zijn kameraad van het Koreabataljon, graaf Michel Didisheim, voormalig voorzitter van de Koning Boudewijnstichting. Die gaf hem weinig hoop om langs die weg iets te regelen. De stichting kon hoogstens een bijkomend bedrag aanbrengen bij wat door de overheid zou worden aangeboden. Hij ging ook zijn oor te luisteren leggen bij de Koninklijke Bibliotheek, maar ook daar vond hij blijkbaar niemand die hem met de nodige belangstelling ontving of hem verzekerde dat er ernstig te praten viel. De KB Brussel hield het bij een prijs die tamelijk ver beneden de 1 miljoen euro lag. Dit bood natuurlijk geen basis voor discussie. Informatie die ik na de bekendmaking van de verkoop kreeg van stadsbibliothecaris Ludo Vandamme bevestigde dit. Hij vernam dat er al in 2001 of 2002 contact was geweest, waarbij François van Caloen zijn financiële eisen bij herhaling had bijgesteld, tot hij het bedrag van 100 miljoen BEF vooropstelde. De afwijzende houding van de ‘Albertina’ bleek ook na de aankondiging van de verkoop, toen de instelling in een persnota bevestigde dat ze er niet aan dacht mee te werken ‘aan een systematische, kunstmatige en financiële overwaardering van het cultureel erfgoed’. Na 2002 waren geen contacten meer geweest, wat wil zeggen dat ook de KB geen verder initiatief meer nam. Ze had duidelijk ook de stadsbibliotheek van Brugge niet ingelicht, hoewel men daar de indruk heeft dat tussen beide instellingen een goede samenwerking bestaat.

Dit alles wist ik niet toen François van Caloen bij mij terecht kwam voor raad en bijstand, en het doet me nu nog beter begrijpen waarom hij dacht dat een veiling bij Christies’ of ‘Sotheby’s’ de beste te bewandelen piste was. Die lachte hem nogal toe: anonieme verkoop – geen pottenkijkers – maximale publiciteit en dus wellicht nog een heel wat hogere prijs dan hij zich aanvankelijk had voorgesteld. Als daar ook nog een negatief bericht van de KB bij kwam, dan begrijp ik des te beter zijn gedachtegang.

Hij volgde ondertussen met aandacht de verkoop van min of meer vergelijkbare stukken (ook al is het Gruuthusehandschrift natuurlijk uniek) en berichtte me dan over wat hij vernam. Zo noteerde hij de verkoop van enkele bladzijden muziekpartituur van Beethoven, door de componist zelf geannoteerd en voor 3 miljoen euro geveild. Het deed hem dromen.

Als ik hem wilde overtuigen om aan een openbare instelling te verkopen, dan dacht ik natuurlijk in de eerste plaats aan de stad Brugge. Hoe graag zou ik dit handschrift hier onder de Halletoren hebben willen behouden zien. Een dergelijk uniek stuk, daterende uit de tijd van Jan van Eyck en Filips de Goede, hier tot stand gekomen, het zou ideaal zijn geweest het ook hier te kunnen houden. Ik twijfel er niet aan, als we nog in de tijd waren geweest van Michel Van Maele, Fernand Traen en mezelf, de gevraagde som, die in de buurt van 2 of 3 miljoen euro lag, direct zou zijn toegezegd. Als het er op aan kwam oude adellijke families te charmeren, dan was Michel Van Maele een uitblinker. Hij had dit destijds aangetoond op Sint-Michiels, in zijn relaties met de families Kervyn, de Briey, Verhaegen en vooral Preudhomme d’Hailly de Nieuport. Hij kocht van hen goedkoper dan om het even wie, meestal schonken ze de gronden die voor openbaar nut bestemd waren en hij vleide ze dan met een straatnaam of iets dergelijks. In Brugge had hij dezelfde charmes aangewend bij de aankoop van de eigendom Gillès de Pelichy in Assebroek en het domein Beisbroec in Sint-Andries, aankopen die de stad tegen aantrekkelijke voorwaarden kon realiseren, zonder dat de verkopers zich bekocht voelden.

Voor de aankoop van het handschrift zouden we er zeker voor gezorgd hebben dat de nodige som maar gedeeltelijk uit de stadskas diende te komen en voor een flink zoniet het grootste deel door een gewesttoelage en door sponsoring zou zijn betaald. We zouden beseft hebben dat de aanwezigheid van dit manuscript op onze bodem, ook al werd het in een kluis bewaard en er maar zelden zou uit te voorschijn komen, een meerwaarde bood voor de aantrekkingskracht en de reputatie van onze stad. Maar die tijd is niet meer en, na een paar informatieve gesprekken, wist ik helaas dat de krachtige wil niet zou aanwezig zijn die nodig was om een dergelijke aankoop te realiseren.

François van Caloen was van mening dat zijn niet-onopgemerkte aanwezigheid op de voordracht door Oosterman, het bezoek van en het gesprek met Moenaert en de Fauw, de geluiden die ik verspreidde over de op til zijnde verkoop, voldoende moesten zijn. Of ik nog méér moest doen tegenover de stad? Maar neen, ze weten toch wat hen te doen staat, antwoordde hij me. Als het stadsbestuur een begin van belangstelling had betoond, dan was de kans tot discussie ontstaan. Het bleef echter ijzig stil van die kant. François van Caloen was niet tegen een verkoop aan Brugge, hoewel hij zich toch vragen stelde. De stad zou immers onvermijdelijk de hogere overheid inschakelen en dan kwam weer zijn vrees boven over die ‘topstukken’-affaire die hem wellicht zou verhinderen te verkopen of dan alleen maar onder de marktprijs.

Ik vrees dat de Vlaamse politieke wereld zich onvoldoende rekenschap geeft van de ravage die is aangericht door het topstukkendecreet. Het principe zelf van het verhinderen van wildweg verkopen naar het buitenland van kunstwerken, valt niet te betwisten. Dit werd echter op de meest onhandige wijze aangepakt en veel kunstvoorwerpen, die trouwens nooit onder dit decreet zouden vallen, hebben geruisloos Vlaanderen verlaten, omdat de eigenaars niet voldoende waren voorgelicht en de daver op het lijf kregen. Het feit anderzijds, dat sommigen binnen de administratie van monumenten en landschappen, door een overdreven interpretatie van de Conventie van Granada, begonnen in kloosters en kastelen, ter gelegenheid van beschermingsvoorstellen, tot in de minste details en tot het onnozelste stoeltje inventarissen op te maken van voorwerpen die mee werden beschermd, betekende eveneens een heel ongunstige evolutie. Eigenaars die geen bezwaar hadden dat hun kasteelgoed zou worden beschermd, konden er helemaal niet om lachen als ook de ganse inboedel mee beschermd zou worden. Stilletjes verhuizen naar Brussel of Wallonië begon dan ook verspreiding te kennen. Gelukkig is die overdreven ijver, vanwege een paar enkelingen binnen de monumentenzorg, thans niet meer aan de orde. Een kwaad herstellen is echter soms moeilijker dan het veroorzaken. Dit geldt ook voor de perikelen rond de nalatenschap van dr. Paul Janssen en de overdracht van zijn precolumbiaanse kunstwerken in vereffening van successierechten. Niemand wist uiteindelijk nog hoe het in elkaar zat en wie verantwoordelijk was voor de klaarblijkelijke janboel, maar dat mensen zoals François van Caloen alleen maar gesterkt werden in hun argwaan en hun onwil om iets te maken te hebben met overheden op eender welk niveau in dit land, is duidelijk.

Gedane zaken nemen geen keer en de Brugse spijt achteraf is terecht, maar niet méér dan dat. Kan iemand, met de hand op het hart verzekeren dat het huidige bestuur zich zou hebben ingespannen om het manuscript aan te kopen aan de hoge (en gerechtvaardigde) prijs die onvermijdelijk was? De passiviteit die al die jaren duidelijk was, toont integendeel aan dat inspanningen in die richting nutteloos zouden geweest zijn. Ook in andere gevallen, zelfs recente (in 2001 de veiling van een handschrift met miniaturen uit de bibliotheek van Lodewijk van Gruuthuse), is gebleken dat de stad Brugge niet de hoogste bieder wilde of kon zijn. Als ik in de kranten Brugse geluiden verneem in de zin van ‘aan ons werd het handschrift nooit aangeboden’ dan moet ik de vraag stellen: ‘Wanneer hebt u uw belangstelling bij de verkoper laten blijken?’

De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag

De eerste stappen die François van Caloen had gezet, waren in de richting gegaan van de Albertina. Hij stond dus zeker niet vijandig tegenover een verkoop in eigen land, maar had geconcludeerd dat het niet zou lukken. Als de Koninklijke Bibliotheek en meer algemeen de Belgisch-Vlaamse instanties, niet de goede piste boden, wat bleef er over? Het pad van het fonds voor aankopen van kunstwerken binnen de Koning Boudewijnstichting was door de voormalige baas zelf van deze instelling als niet bewandelbaar afgedaan. Op Belgische universiteiten hoefde men niet te denken, daar zouden voor zo een aankoop nooit fondsen beschikbaar zijn. Nederlandse universiteiten misschien, zoals Leiden, Utrecht of Nijmegen, waar Frits van Oostrom, Jan Oosterman en andere kenners van het Gruuthusehandschrift huisden? Zelfs daar dacht ik niet, gelet op de krapte die alle universitaire budgetten in Europa kenmerkt, dat men de gewenste som zou op tafel leggen.

Mij leek na het overwegen van de verschillende eventuele mogelijkheden eigenlijk maar één openbare instelling ernstig in aanmerking te komen, namelijk de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Ik kende die bibliotheek door de publicaties die ze samen met de uitgeverij Waanders realiseerde en die langs daar in mijn boekenkast terecht kwamen, zoals het boek Verzamelaars en verzamelingen (1998) dat blijk gaf van hun actieve belangstelling voor privé-verzamelingen en voor het verkrijgen of verwerven ervan, als die de nationale boekenschat konden verrijken.

Ik maakte er dus werk van om François voor de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag warm te maken en weldra sloot hij zich bij mijn redenering aan. Nu moest ik er nog voor zorgen dat hij op de goede manier zou worden aangesproken, want ook al was hij niet op eer en glorie uit, hij vond het toch normaal om op de passende manier en met enige égards te worden bejegend. Het was onder meer het gebrek hieraan dat verdere contacten met de stad Brugge verhinderde. Wellicht was dit ook bij de Albertina het geval, hoewel ik dat natuurlijk niet weet. Hier was een man die persoonlijk door een burgemeester of een minister, minstens door een hoofdconservator, moest worden uitgenodigd, wilde men aantonen dat men het ernstig meende. Dus maar richting Den Haag kijken.

Ik kende niemand persoonlijk in de KB, maar ik kende wel iemand in Den Haag die raad wist, namelijk mijn jeugdvriend Stijn Verbeeck. Het geluk was met me, want hij kende toevallig goed dr. Anne S. Korteweg, de conservator van de oude handschriften in de KB. Hij introduceerde me bij haar en het eerste telefonische gesprek dat we voerden, begin maart 2003, was interessant hoewel enigszins terughoudend. Natuurlijk zegde ze, zijn we geïnteresseerd, maar ze zag toch ook een paar spoken oprijzen. Wat u met een dergelijk handschrift ook doet betoogde ze, als antwoord op mijn suggestie voor discretie, het wordt bekend waar het heen gaat. In Nederland is de wet dat wat meer dan honderd jaar oud is en minstens vijftig jaar in Nederlands bezit, het land niet uit mag alvorens het binnenlands te hebben aangeboden. Ze dacht (onterecht trouwens) dat zoiets in België ook wel zou meespelen en dat in elk geval de KB in Brussel ook geïnteresseerd zou zijn. (Wat inderdaad ook bleek, maar dan aan een ‘weggeefprijs’). Hoe dan ook, er verder over praten, wilde ze zeker. Op 7 maart 2003 mailde ik aan Stijn dat ik met haar zeer interessante contacten had gehad. Op 9 maart bevestigde ik per brief en op 11 maart per mail aan mevrouw Korteweg onze verschillende gesprekken en stuurde haar de coördinaten van de eigenaar, die voor haar toen nog een onbekende was.

Hiermee was dus de eerste stap gezet en was François van Caloen geïntroduceerd. De eer was van beide kanten gered. De KB was door mij aangesproken en had dus niet zelf het initiatief genomen om ‘Vlaams’ erfgoed te ‘ontfutselen’. Ik heb vastgesteld dat ze dat bij de aankondiging van de aankoop onderstreept heeft. We zijn niet zelf op jacht gegaan, het werd ons aangeboden, verklaarde directeur-bibliothecaris W. Van Drimmelen. François van Caloen werd vervolgens door de KB benaderd en kon daardoor formeel zeggen dat hij was aangezocht. Men kan dit als onbelangrijk formalisme afdoen, maar in de ogen van François en met zijn opvoeding, was het dat niet. Ik wens gevraagd te worden. Iedereen tevreden dus en snel werd een afspraak gemaakt in Den Haag. Al op 12 maart 2003 schreef mevrouw Korteweg een brief aan François van Caloen.  Daarop trok ze, samen met het toenmalige hoofd van haar afdeling, de heer Theo Vermeulen op 28 maart naar Brussel en ze ontmoette François in de lobby van het Hilton hotel. Daarop werd afspraak gemaakt voor een bezoek op 15 mei in Den Haag. We zouden samen de trein nemen, maar helaas werd een dag afgesproken waarop de Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen bijeenkwam en ik moest forfait geven.

François trok dus alleen naar Den Haag, waar hij voortreffelijk werd ontvangen. Men toerde met hem door de KB en men had enkele uitzonderlijke preciosa uit de kluis gehaald om hem te tonen in welk goed gezelschap het Gruuthusehandschrift zou terecht komen. Over de middag werd hem een voortreffelijke lunch aangeboden in ‘Hotel des Indes’. Er werd over de prijs gesproken en of men toen in de KB schrok of niet, feit is dat ze hem verzekerden: Wij kopen dit stuk van u, tegen uw prijs, als u ons de tijd gunt om de nodige centen bijeen te zamelen. Ik vermoed dat men in de KB toen al een goed idee had over de verkoopwaarde. Later zou blijken dat hun onafhankelijk uitgevoerde taxatie in de buurt lag van de vraagprijs, dus buitenissig waren de verwachtingen van de eigenaar alvast niet.

François kwam opgetogen weer naar België. Details moesten nog worden besproken, maar de zaak beschouwden we beiden als beklonken. Mevrouw Korteweg kwam hem enkele keren in Brussel opzoeken om hem in te lichten over de vorderingen van de zoektocht naar de nodige financies. Toen het er begin 2005 naar uit zag dat de nodige som zou worden binnengehaald, kwamen de heer Vermeulen en mevrouw Korteweg op 27 april opnieuw naar Brussel en ditmaal keerden ze met het handschrift naar Den Haag terug. Voor hij aan een grote fietstocht naar Compostella begon, wilde François hen het handschrift in bewaring toevertrouwen. Men zou er ondertussen al de digitalisering van voorbereiden en in het grootste geheim enkele Nederlandse kenners bijeenroepen om naar hun advies te polsen. De aanwezigheid van het object ter plekke was ook nuttig om het aan sommige van de beoogde sponsors te tonen en ze definitief over de brug te krijgen. Wat bij de goede afwikkeling ongetwijfeld ook meespeelde was dat tijdens de verschillende bijeenkomsten een vertrouwensband was ontstaan met een duidelijke vriendschapscomponent. François en mevrouw Korteweg konden goed met elkaar opschieten en hij vond het aardig om met haar te mogen ‘babbelen’.

Voor de ‘petite histoire’ nog dit. Toen François van Caloen het Gruuthusehandschrift naar Den Haag liet vertrekken, was het niet de eerste keer dat het op Nederlandse bodem kwam. Eind jaren zestig, na de publicatie door Heeroma, was het naar, ik vermoed Den Haag, gestuurd om er op een tentoonstelling te figureren. Ernest van Caloen had een uitnodiging ontvangen om aanwezig te zijn bij een bezoek van koningin Juliana aan deze tentoonstelling en haar het handschrift voor te stellen. De uitnodiging veroorzaakte een kleine huiselijke rel. Echtgenote en schoonmoeder van Ernest waren zich bewust van de waarde van het handschrift maar ook van de goedigheid van de eigenaar en drongen erop aan dat hij de uitnodiging zou weigeren. Ernest, fier dit kostbare bezit aan de Nederlandse koningin te mogen voorstellen, dacht er niet aan. Schoonmoeder en echtgenote waren bevreesd dat als de koningin bijzondere belangstelling toonde, hij haar, in een opwelling van gulheid, het kostbare handschrift zou schenken.  Hoe dan ook, samen met een vriend vertrok Ernest op een vroege ochtend in zijn kleine auto naar Nederland, met in zijn oren het dreigement van zijn vrouw: ‘Als je het handschrift durft weg te geven, zet je hier geen voet meer binnen.’ Ernest had zijn hele leven elke nacht in zijn kasteel doorgebracht en wilde dat zo houden, zodat de bedreiging serieus aansloeg. Toen ’s avonds laat de autolampen in de kasteeldreef opdoemden, stonden vrouw en schoonmoeder hem op het bordes op te wachten met de vraag: ‘En… het handschrift?’ Pas toen hij hen verzekerde dat er niets aan de hand was, mocht hij het kasteel binnen. Denkende dat in Nederland adellijke titels werden verleend, zoals dit in België nog de gewoonte is, bleven de dames bij de gedachte dat als Juliana een bevordering tot graaf of burggraaf had voorgesteld, Nederland het handschrift gratis zou hebben verkregen…

Ditmaal kwamen er onvermijdelijk centen aan te pas en die moesten bijeen gezameld worden. In afwachting van de definitieve afhandeling leidde François zijn dagelijkse rentenierleven verder. Hij was naar een aantrekkelijker appartement verhuisd, hij vertoefde graag in het gezelschap van zijn bridgevrienden, hij ging vaak zijn maaltijden nemen met oude legerkameraden in de Cercle Prince Albert en hij bleef verder zijn grote hobby beoefenen, die van het fietsen. Tweemaal fietste hij naar Santiago de Compostella. Hij was ook de organisator van meerdaagse fietstochten voor een uitgebreide groep leeftijdgenoten. In het voorjaar van 2006 organiseerde hij nog een tocht door Friesland.

De laatste loodjes

Toen kwam plots het kwade nieuws. Begin juli 2006 had ik een lunchafspraak met baron Damien van Caloen in restaurant Weinebrugge. Hij deelde me mee dat François getroffen was door een hersenbloeding en de vooruitzichten niet hoopgevend waren. Op 23 juli overleed hij en op vrijdag 28 juli vond de begrafenis plaats in Koolkerke. Hij had dus niet, zoals zijn vader en zijn moeder, de negentig kunnen bereiken.

Na afloop werd ik mee uitgenodigd naar kasteel Ten Berghe, waar de ganse familie en veel leden van de Brugse adel op de receptie en broodjesmaaltijd aanwezig waren. Ze konden er zich rekenschap van geven dat François, dankzij het echtpaar Hendrickx, goed werk had geleverd voor het opfleuren van het kasteel.

Bij die gelegenheid maakte ik kennis met de oudste zoon, Alexandre van Caloen, (°Gent, 1954) die in Waals Brabant woont en die ik uiteraard aanmoedigde om voor het Gruuthusehandschrift de bedoelingen van zijn vader ten uitvoer te brengen. Hij was goed op de hoogte van wat rond het handschrift was gebeurd, kende me door wat zijn vader hem over onze contacten had verteld en gaf me de uitstekende indruk dat hij, als er toezeggingen gedaan waren, hierop niet zou terugkomen. Hij zou natuurlijk moeten rekenen op de medewerking van zijn zus en van zijn twee broers, en dat was misschien niet vanzelfsprekend. De ene broer woont in Hong Kong, de andere in Riverside (Connecticut, USA).

Toen ik mevrouw Korteweg over het plotse overlijden informeerde, sprak ze haar droefheid en deelneming uit. Ze voegde er wel een wat bezorgde opmerking aan toe. Wij hebben na veel moeite de vraagprijs bij elkaar gebracht en het zou in alle opzichten een calamiteit zijn als de aankoop niet zou doorgaan. Ik hoop er het beste van, zo schreef ze. Ik deelde haar hoop en was dan ook nogal verrast toen ze me in oktober daaropvolgend informeerde dat de KB een dame van bij Christie’s over de vloer had gekregen die in opdracht van de erfgenamen “a fair estimate” van het handschrift kwam maken. De KB vroeg zich onvermijdelijk af of de erfgenamen overwogen om de koopovereenkomst die met François bestond, niet te honoreren en het handschrift naar de veiling wilden brengen. Het was waarschijnlijk hun recht dit eventueel te doen (ik kende de bewoordigen van de verkoopovereenkomst met François niet voldoende om er over te oordelen) en als er vooruitzicht was van een aanzienlijker opbrengst, zouden ze dit wellicht overwegen. Ik vermoed dat ze alle elementen hebben in acht genomen, met inbegrip van de hoge kosten en commissie die een veiling zouden bezwaren en dat ze uiteindelijk besloten beter af te zijn met de voorliggende verkoopovereenkomst, waarmee ze meteen de intenties van hun overleden vader eerbiedigden. Ik durf aannemen dat de wens om het woord van de vader te honoreren, inderdaad hierbij een rol heeft gespeeld.

De afloop is dus goed geweest. Op Valentijnsdag 2007, kondigde de KB met een persbericht aan dat de aankoop een feit was en vernoemde de verschillende instellingen en stichtingen die hun aandeel hadden in het bijeenbrengen van de koopsom (de Mondriaan Stichting, het VSBfonds, de BankGiro Loterij, de VandenEnde Foundation en de Vrienden van de Koninklijke Bibliotheek).

Achteraf bleek dat de aankondiging een paar weken vroeger was gebeurd dan gepland en hiervoor was er een reden waar ik ook onrechtstreeks bij betrokken was. In Brugge geven we momenteel met de Uitgeverij Waanders uit Zwolle een reeks uit onder de naam ‘Het Brugge van toen en nu’. Half januari verscheen de aflevering gewijd aan ‘Het literaire Brugge’ geschreven door Fernand Bonneure. Hierin kon het Gruuthusehandschrift niet ontbreken, en werd het door hem vermeld als ‘uniek handschrift, het enige van die tijd, dat nog bewaard wordt in Brugs privébezit’. Er moest natuurlijk een illustratie bij en aangezien er nergens een goede te vinden was, richtte Waanders zich, op mijn aanwijzing, tot de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. De verkoop was op dat ogenblik (september 2006) nog niet bezegeld, zodat mevrouw Korteweg om een toestemming van de eigenaars vroeg, wat ik prompt van Alexandre van Caloen kreeg. Terecht, maar zonder zich rekenschap te geven van de implicaties, vermeldde de eindredactie in het bijschrift als herkomst van de foto: (Koninklijke Bibliotheek Den Haag). In Brugge werd dit gelezen door de wakkere stadsarchivaris Noël Geirnaert, die er uit concludeerde dat de verkoop een feit was. Hij sprak erover op een bijeenkomst van archivarissen, waar hij méér vernam over de afgesprongen contacten met de Albertina. Eén van de aanwezigen gaf het bericht door aan journaliste Greet Op de Beeck die het naar buiten bracht. Eigenlijk wilde men in Den Haag het bericht pas op 1 maart wereldkundig maken, maar dit werd dus ijlings vervroegd. Het was duidelijk groot nieuws, in sommige middens sloeg het in als een bom.

Hier en daar, ook in Brugge, gingen stemmen op die ontgoocheling uitdrukten over het feit dat het manuscript niet in Vlaanderen, meer bepaald in Brugge bleef. In de Brusselse politieke kringen werd nogal heftig gereageerd. Sommige journalisten trokken scherp van leer tegen de politieke verantwoordelijken. In het Vlaamse parlement werd geïnterpelleerd. Niemand kan echter betwijfelen dat dit kostbare stuk in de KB in Den Haag een passend, waardig en veilig onderkomen heeft gevonden. Het manuscript blijft binnen onze culturele Nederlandse ruimte. Men kan dus niet echt zeggen dat het ‘naar het buitenland’ vertrokken is.

Het feit dat al vanaf 1 maart het volledige handschrift digitaal op het internet beschikbaar is, levert een bewijs te meer dat het niet alleen in een zorgvuldige maar ook in een dynamische omgeving is terecht gekomen. Zonder twijfel wordt in de komende tijd het handschrift aan grondig en vernieuwend onderzoek onderworpen. Eigenlijk is nu al honderd vijftig jaar studie verricht, niet op basis van het handschrift (zelfs Heeroma heeft het nooit gezien of bestudeerd) maar hoofdzakelijk op basis van een paar fotografische afdrukken, één in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel, één in de universiteitsbibliotheek van Nijmegen.

De gewone literatuuronderzoeker en filoloog moest zich tot hiertoe behelpen met de uitgave door Karel Carton. Van die bezige bij was bekend dat hij nogal overhaast durfde te werk gaan. Zijn medewerker, Philippe Blommaert die het grootste deel van het werk voor zijn rekening nam, was vol goede wil maar zeker geen professioneel. Twee filologen waren dan ook aan het werk geslagen om de gepubliceerde tekst met het handschrift te collationeren, met het oog op een nieuwe publicatie. De eerste om dit te doen was professor Lode Scharpé (1869-1935) die er in 1909 in slaagde, zeer waarschijnlijk dankzij de bemiddeling van de schoonzoons Ernest van Caloen of Albert Ruzette, de weigerachtige baron Paul van Caloen de Basseghem (1843-1920) tot toegang van Ten Berghe en tot studie van het handschrift te bewegen. Scharpé vond een duizendtal fouten, afwijkingen, onjuistheden en discrepanties.

Volledig onafhankelijk van Scharpé, deed de neerlandicus en mediëvist Willem De Vreese (1869-1938) dezelfde oefening nog eens over en kwam ongeveer tot hetzelfde resultaat. De Vreese had veertig jaar naar het Gruuthusehandschrift gezocht, vertelde hij, maar pas een paar jaar voor zijn dood kon hij het in de hand houden. In de jaren dertig kwam de in Nederland wonende en destijds ter dood veroordeelde collaborateur De Vreese, na de ‘uitdovingswet’ af en toe weer naar België. Heeft hij de nodige dagen of weken op Ten Berghe vertoefd om er dit omvangrijke vergelijkingswerk uit te voeren?  Het patriottisme en de verering voor de gesneuvelde oudste zoon en de gesneuvelde schoonzoon beheersten het klimaat in het Koolkerkse kasteel. Er De Vreese ontvangen was een blijk van grote tolerantie en vergevingsgezindheid, maar het bezoek zal zich wellicht niet over een langere periode hebben uitgestrekt. Heeroma was van beide studies op de hoogte en heeft wellicht het gecollationeerde exemplaar van Scharpé, maar in elk geval dat van Heeroma ter beschikking gehad. Bij gebrek aan rechtstreekse toegang tot het manuscript heeft hij hierop gewerkt, en op een fotokopie van het manuscript, om zijn publicatie te realiseren. Niets gaat boven het origineel en men mag dan ook met spanning uitkijken naar nieuwe studies.

Er is uit de verkoop de les te trekken dat het er op aankomt in België, meer bepaald in Vlaanderen, alerter te zijn. Ronkende verklaringen over het erfgoed helpen niet. Een half dozijn commissies oprichten, al evenmin. Er zullen zich ongetwijfeld nog gevallen voordoen zoals dat van het Gruuthusemanuscript. Zal men de les leren? Zal men meer assertief op zoektocht gaan naar wat men belangrijk vindt om in openbare instellingen te zien belanden? Een strategie hieromtrent uitstippelen? De nodige middelen vrijmaken? De passende stappen zetten om de particuliere eigenaars gunstig te stemmen? Er is op deze punten heel wat werk te doen.

Ook in de stad Brugge zou men moeten nadenken, zowel op het politieke als op het ambtelijke niveau, of wel alles gedaan wordt wat wenselijk is om zich in staat te stellen zaken te verwerven (of geschonken te worden) die een verrijking van het stedelijke patrimonium betekenen. Als ik, zonder aan sommige inspanningen te willen voorbij gaan, denk dat dit thans heel wat minder aanmoediging en middelen krijgt dan het in de eerste helft van de jaren zeventig het geval was, ben ik dan een ‘laudator temporis acti’?

Het is alvast een spannende episode geweest, waar ik de beste herinneringen aan overhoud. De naam van François van Caloen, van zijn voorouders en van zijn erfgenamen mogen terecht blijvend in de Nederlandse cultuurgeschiedenis bewaard en geëerd worden. De familie heeft generatieslang over één van de belangrijke stukken van ons gemeenschappelijk erfgoed gewaakt en heeft het nu aan een geschikte conservator overgedragen. Ik kon aan die overdracht op bescheiden wijze meewerken en kan erover getuigen. Opdracht volbracht, zou ik zeggen.

Andries Van den Abeele
Februari 2007
(in verkorte vorm gepubliceerd in De Parelduiker, lentenummer 2007)

 

www.andriesvandenabeele.net