Bruggeling Buiten Brugge

André Van Severen,

van brouwerszoon tot generaal

1830-1888

Brugse jongen wordt officier

Terwijl André-Alfred Van Severen op zondag 29 augustus 1830 in de Wulfhagestraat in Brugge geboren werd, daverde de stad van de revolutiekreten en geweerschoten. Tijdens de nacht hadden oproerlingen, een paar honderd meter verder, in de Katelijnestraat, het huis van procureur des Konings Pieter Sandelin geplunderd. Leden van de Burgerwacht waren opgerukt en hadden enkele opstandelingen neergeschoten. De ganse dag gonsde het van de geruchten over verdere plundering en stadswachten werden voor de huizen geplaatst van de meest bedreigde inwoners. Eén onder hen, stammend uit een Oudenaardse geneesherenfamilie, was de impulsieve arts Antoine Herrebaut (1794-1865)[1], die in de Steenstraat woonde en mee op de plunderaars had geschoten. We zullen zijn naam verder in ons verhaal opnieuw ontmoeten.

André Van Severen was de vijfde en laatste in het gezin, na zijn broer Karel-August (1822-1892) en zijn drie zussen, Adelaïde (°1822), Valérie (°1826) en Thérèse (°1829). Zijn vader was Karel-Jan Van Severen (1801-1842), eigenaar van de eeuwenoude brouwerij De Sleutels in de Wulfhagestraat. Hij stamde uit een familie die afkomstig was van Menen en via Izegem in Brugge was terecht gekomen, waar ze welvarend werd dankzij activiteiten als veehouder, paardenfokker en vleeshandelaar. Aangezien verschillende familieleden deze activiteit in volgende generaties verder zetten, had de vader van Karel-Jan, Karel Van Severen (1755-1823) het over een andere boeg gegooid en een brouwerij aangekocht . De moeder van André Van Severen was Adelaïde Wieland (1800-1858), dochter van August Wieland (1757-1833), een in Oostende en Westkerke welbekende en prominente inwoner van Zwitserse herkomst. Haar zuster Louise was getrouwd met dokter Constantin Rodenbach (1791-1846), die in 1830 één van de voortrekkers van de revolutie was en die als kleinzoon de schrijver Georges Rodenbach (1855-1898) zou hebben.

Toen André twaalf werd, stierf zijn vader. Een paar jaar later verkocht zijn moeder de brouwerij en ging met haar dochters in Gent wonen, waar ze haar eveneens weduwe geworden zus Louise terugvond. De oudste zoon ging zijn geluk beproeven eerst als goudzoeker in Amerika, nadien als houtzager in Noorwegen, waar hij trouwde en kinderen had die zorgden voor nakomelingen tot op vandaag[2]. André trok naar het leger. Hij moest nog achttien worden toen hij op 26 juli 1848 bij het 12de Linieregiment met de graad van korporaal een contract voor zes jaar ondertekende. Enkele maanden later werd hij sergeant. In juni 1850 stapte hij de Militaire school binnen en verliet de instelling twee jaar later met de graad van onderluitenant en een aanstelling in een regiment karabiniers. In oktober 1854 werd hij geaffecteerd bij het Derde regiment Jagers te voet en benoemd tot vleugeladjudant van luitenant-generaal Van der Linden, die het garnizoen in Mons aanvoerde.

Hij werd luitenant in augustus 1855 en bleef vleugeladjudant tot op 8 mei 1860. Die dag werd hij tot kapitein bevorderd maar werd tevens bij Koninklijk Besluit zijn ontslag uit het leger aanvaard. Hij had namelijk aan zijn oversten laten weten dat hij een aanbieding had gekregen voor een betrekking in het bedrijfsleven, zo aanlokkelijk dat hij niet kon weigeren. In de dankbrief die hij naar minister van Oorlog Pierre Chazal (1808-1892) stuurde, benadrukte Van Severen dat hij, in geval van nood, steeds ter beschikking stond om zijn land te dienen. Hij was nu dertig en begon aan een nieuwe loopbaan[3].

Moeizame toestemming tot huwen

Hoewel hij vanaf 1848 niet meer in Brugge woonde, had André Van Severen het contact met zijn geboortestad en met familieleden en vrienden onderhouden. Zo komt het dat hij kennis maakte met een Brugse jonge dame, Daphné-Elisabeth Herrebaut (1828-1890), dochter van dokter Antoine Herrebaut, en haar ten huwelijk vroeg. Ze traden op donderdag 6 november 1856 op het stadhuis van Brugge en nadien in de Sint-Walburgakerk in het huwelijk, niet zonder dat een lijdensweg hieraan was voorafgegaan.

Zoals een militair het verplicht was, had Van Severen voor dit huwelijk de toestemming gevraagd van de legerleiding. De aanvraag was einde september naar de minister van Oorlog Leonard Greindl (1798-1875) vertrokken, met een gunstig advies vanwege generaal Van der Linden. Het verkrijgen van de toestemming leek een formaliteit en Van Severen had dan ook meteen de officiële procedure ingezet om het voorgenomen burgerlijk huwelijk op het daartoe bestemde uithangbord aan het stadhuis bekend te maken en het kerkelijke huwelijk van op de preekstoel zowel in Brugge als in Mons te laten afkondigen. Alles was gepland, de vader van de bruid en de moeder van de bruidegom hadden hun toestemming gegeven, het huwelijkscontract was gesloten, familie en vrienden waren uitgenodigd, het leek helemaal in orde.

Tot plots, donderslag bij heldere hemel, een brief van minister Greindl, gedateerd 8 oktober 1856, een weigering meedeelde. Als redenen werden opgegeven dan men hem te jong achtte (hij was 26) en dat het gerucht liep dat zijn aanstaande bruid handelsactiviteiten uitoefende die niet in overeenstemming te brengen waren met de waardigheid van een officiersvrouw. Van Severen stond dus voor het perspectief dat hij alles moest aflassen, wat zowel voor hem als voor zijn bruid en voor de beide families een schande zou betekenen die ze binnen de bourgeoisie nog vele jaren zouden meeslepen. Hij ging dan ook onmiddellijk in het verweer en vroeg audiëntie aan bij de minister. Op 20 oktober werd hij ontvangen om zijn zaak te bepleiten. Met succes blijkbaar, want op 25 oktober kwam het bericht van de toestemming die op 28 oktober door een Koninklijk Besluit werd bevestigd. Net op tijd!

Het persoonlijke dossier dat over Van Severen in de legerarchieven bewaard wordt, toont aan dat zowel de weigering als de uiteindelijke goedkeuring heel wat voeten in de aarde had. Veel vernemen we hierover in de persoonlijke brieven die burgemeester Jules Boyaval en gouverneur van West-Vlaanderen Adolphe de Vrière, beide gedateerd 11 oktober 1856, naar de minister stuurden, om hem op zijn stappen te doen terugkeren. Het is duidelijk dat Van Severen zelf, zoniet familieleden, deze gezaghebbende ‘kruiwagens’ in beweging brachten. Uit wat ze uitvoerig naar de minister schreven, kwam een heel ‘drama’ naar voor.

Daphné Herrebaut had, zo bleek, zich voordien het hof laten maken door een jonge officier genaamd Meuleman, die tot het Brugse garnizoen behoorde. Ze had bereidheid betoond om op een huwelijksaanzoek van hem in te gaan. Haar vader had dit echter gedwarsboomd, omdat de jonge man financieel niets betekende. De afgewezen rivaal was, toen ze zich met Van Severen verloofde, in woede ontstoken en had overal roddels over haar verspreid. Ze dreef handel, beweerde hij, (wat niet het geval bleek), ze was van het lichte genre en hij had ze ontmaagd. Die geruchten werden langs sluikse wegen tot bij de minister gebracht, en deden hem tot zijn weigering beslissen.

De burgemeester en vooral de gouverneur gaven een gans andere versie. Volgens hen was Daphné, net zoals haar zussen, ‘jolie et spirituelle, ayant une belle voix et un beau talent musical, rien à dire concernant caractère, tenue, conduite, au contraire femme charmante, parfaitement élevée’. Daphné had daarbij als vriendinnen, met wie ze in de ‘bonne société’ evolueerde, de gezusters Chantrell die, volgens de gouverneur ‘des modèles de réserve, de distinction et de grâce’ waren.

Vader Herrebaut kreeg er in beide brieven van langs. Zeker, hij had kwaliteiten van menselijkheid, dienstvaardigheid en liefdadigheid, hij was een gewaardeerde arts en had talrijke patiënten, zodat hij een behoorlijk fortuin had verdiend, maar hij was anderzijds zonder educatie, ongemanierd in woorden en voorkomen, onbezonnen in wat hij zegde. Zo had hij eigenlijk meegewerkt aan de roddels die over zijn dochter waren verteld, want om de ongewenste aanbidder af te schrikken had hij haar karakter en gedragingen in ongunstige termen afgeschilderd en dat was bij die Meuleman niet in dovemansoren gevallen. Hoe dan ook, beide Brugse personaliteiten drongen bij de minister hevig aan opdat hij zijn goedkeuring niet langer zou onthouden, want: ‘le mariage est affiché, la date est fixée’. De gouverneur voegde er aan toe dat aan de roddelende Meuleman best een passende straf zou worden opgelegd.

Op 6 november 1856 had dan toch het huwelijk plaats. Eerst het burgerlijke huwelijk, waarbij burgemeester Boyaval zelf de ceremonie voorzat. De twee getuigen van de bruid waren de echtgenoten van haar zussen, Isidore Lescarts, advocaat in Mons en Edouard Van Brabant, handelaar in Duinkerken. Voor de bruidegom traden op, zijn ‘Noorweegse’ broer Karel-August Van Severen en hun neef André Donny, echtgenoot van Anne-Françoise Van Severen. Daarop trok de stoet naar de Sint-Walburgakerk voor de kerkelijke inzegening.

Hiermee was een publieke oneer vermeden en was de laatste dochter van de onstuimige dokter getrouwd. Hij zelf bleef alleen achter in zijn woning op de Biskajersplaats A3-87, waar hij op 28 november 1865 zou overlijden.

Met zijn jonge bruid trok Van Severen weer naar Mons en betrok er een woning in de randgemeente Houdeng Aimeries. Op zijn beroepsactiviteiten was er, volgens zijn militair dossier, niets aan te merken. Of dit in zijn persoonlijk leven ook zo was, is niet zeker. Nam hij het niet te nauw met de huwelijkstrouw? Of was de echtgenote inderdaad, zoals haar afgewezen aanbidder had rondgestrooid, niet bang van een slippertje? In 1860 leek alles nog normaal. Een eerste dochter, Marie-Antoinette, was geboren op 15 juni 1859. Die geboorte vond plaats in Gent, waarschijnlijk had de aanstaande moeder haar intrek genomen bij haar schoonzusters. Op 28 december 1860 werd, in Houdeng Aimeries, Louise-Augustine geboren. Liep het huwelijk toen al mank? Het gezin vertrok naar Ougrée bij Luik, zodat de mooie betrekking die was aangeboden, waarschijnlijk in één van de Luikse grote bedrijven was. Maar op een bepaald ogenblik liet Van Severen vrouw en kinderen in de steek en vertrok uit België. De echtgenote bleef nog enkele jaren met haar dochters in Ougrée wonen, om zich vanaf 1874 weer in Brugge te vestigen.

In Mexico

Het blijft een vraagteken hoe en wanneer Van Severen, ondanks die aantrekkelijke baan in het bedrijfsleven, plots in Latijns Amerika op het toneel verscheen. De juiste datum van zijn vertrek uit België moet tussen 1861 en 1864 liggen. Volgens de traditie binnen zijn Latijns-Amerikaanse familie, reisde hij mee met de jonge keizer, aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk en diens echtgenote Charlotte, de dochter van koning Leopold I, die op 29 mei 1864 in Veracruz voet aan wal zetten. Heel wat Belgen behoorden tot de expeditie.

De meest directe medewerker van de keizer, mijningenieur Felix Eloin (1819-1888), was een vertrouweling van koning Leopold I en bracht enkele Belgische medewerkers mee[4]. De keizerin nam Belgische hofdames en personeel mee. Belgische vrijwilligers vormden een ‘Regiment keizerin Charlotte’, dat bestond uit 875 officieren en soldaten en ongeveer evenveel leden van het burgerpersoneel. De soldaten droegen speciaal voor hen ontworpen uniformen en marcheerden achter een eigen muziekkorps. Onder het bevel van de flamboyante kolonel Alfred Van der Smissen (1823-1895) zouden ze moeilijke tijden doorworstelen en velen bezweken aan allerhande ziekten of sneuvelden. Onder de gesneuvelden bevond zich kapitein Ernest Chazal, de jonge zoon van de Belgische minister van Oorlog Pierre Chazal[5]. De minister vernam pas op 26 mei 1865 het nieuws dat de zoon die hij bijzonder lief had op 11 april was gesneuveld. Dit was zes weken nadat hij in hevige parlementaire discussies was gewikkeld over het Belgisch-Mexicaans legioen en enkele dagen voor hij door het Hof van Cassatie zou worden veroordeeld omdat hij met volksvertegenwoordiger De Laet, als gevolg van deze kwestie, op 8 april een (wettelijk verboden) duel had uitgevochten[6].

Van Severen paste uiteraard in dit Belgisch-Mexicaans plaatje, maar waar precies? Hij kan een medewerker van de keizer en van Eloin zijn geweest, hoewel we tot nu zijn naam in die omgeving niet ontmoetten. Hij kan dienst hebben genomen in het expeditieleger, maar in de lijst door Albert Duchesne gepubliceerd komt hij niet voor. Hij moet alvast bekenden gehad hebben in dit regiment, minstens de drie Brugse officieren die ongeveer zijn leeftijd hadden. Het ging om Léon Visart de Bocarmé (1837-1900)[7], de jongere broer van Amedée Visart, weldra volksvertegenwoordiger en burgemeester van Brugge. De tweede was Auguste Doudan (°1834)[8], de kleinzoon van schepen van Brugge Charles Doudan. De derde was Edouard Leys (°1841)[9] die tot een familie van hoveniers en tuinbouwers behoorde.

Ook al is er geen zekerheid, kunnen we het misschien houden bij de familietraditie die zegt dat Van Severen werd aangetrokken om spoorwegen aan te leggen. In dit geval moet hij gewerkt hebben voor de Imperial Mexican Railway Company die de enorme opdracht had aanvaard om tussen Veracruz en Mexico, een afstand van meer dan 400 km, doorheen onherbergzame gebieden een spoorweglijn te bouwen. Meer dan tienduizend arbeiders, meer dan zesduizend paarden en muilezels werden hiervoor in de jaren 1965-67 ingezet. Enkele baanvakken kwamen zelfs klaar, ondanks de onrust en revolutie die het land teisterden.

In mei 1867 was het echter gedaan met het keizerrijk, werd de jonge keizer terechtgesteld en gleed zijn naar Brussel teruggekeerde weduwe in een krankzinnigheid die haar tot aan haar dood in 1927 zou in de knel houden[10].
Het gros van het Belgische regiment scheepte in en keerde naar België terug. Sommige officieren en soldaten namen ontslag en bleven in Mexico. Enkelen, zoals kapitein Eduard Devaux, namen dienst in het republikeinse leger van Benito Juarez (1806-1872). Anderen vestigden zich als handelaar, leraar of bediende.

In Centraal Amerika

André Van Severen, nu Andres genoemd, vertrok uit Mexico en werd actief in Honduras en El Salvador, twee landen waar regelmatig revoluties plaats vonden en conservatieve generaals afwisselden met liberale generaals. Het is in de middens van de liberalen dat Van Severen te voorschijn trad.

Hij verbond er zijn lot aan dat van José Trinidad Cabañas (1805-1871), met wie hij vriendschap sloot. Deze officier, die een reputatie van integriteit en moed had, was na de executie van zijn chef, generaal en voormalig president van de kortstondige federatie van Centraal Amerika, Francisco Morazán Quesada (1792-1842), in ballingschap naar El Salvador getrokken. In 1852 was Cabañas door het parlement naar Honduras teruggeroepen en tot president verkozen, maar al in 1855 was hij afgezet en vervangen door een generaal die door het vijandige Guatemala werd ondersteund. Hij bleef zich actief inzetten voor een evolutie in liberale en democratische richting en tevens voor de eenheid onder de landen van Centraal-Amerika.

De band werd nog steviger toen Van Severen een relatie aanging met Julia Cabañas, de dochter van de generaal. Het paar ging geen formeel huwelijk aan, wat de veronderstelling versterkt dat Van Severen zijn wettige echtgenote had in de steek gelaten. Hij was zeker niet van haar gescheiden, want dit zou op de huwelijksakte in Brugge in kantschrift vermeld zijn geweest en ze was evenmin overleden. De relatie tussen Andres en Julia bleef hecht en ze hadden samen vijf kinderen, aan wie hij zijn naam gaf.

Generaal Trinidad Cabañas was getrouwd met Petronila Barrios, de zus van Gerardo Barrios (1813 -1865), een Salvadoraanse generaal, die er dezelfde ideeën op nahield. Julia was echter niet haar dochter, maar de zijne, verwekt bij een marketentster met de voornaam Hilaria. Door Cabañas erkend en door zijn echtgenote liefdevol opgevoed, werd Julia een dame met karakter, die zeer fier was op haar vader en op wat hij betekend had. Schoonbroer Barrios was president van El Salvador van 1858 tot oktober 1863. Tijdens die periode werd Cabañas zijn minister van Oorlog en daarna voorzitter van het parlement. Barrios, in 1863 afgezet en opgevolgd door Francisco Dueñas (1810-1884), werd gevangen genomen, ter dood veroordeeld en in 1865 gefusilleerd. Cabañas en Van Severen zochten hun toevlucht in Honduras.

In 1871, het jaar waarin Cabañas overleed, sloot Van Severen zich aan bij de revolutionaire liberale beweging, geleid door generaal-majoor Santiago Gonzalez (1818-1887), die de Salvadoraanse president Dueñas eruit gooide en hem opvolgde tot in 1876. Samen met de generaals Luis Pérez Gomez (Salvadoraan) en Ernest de Salignac (Fransman) kreeg Van Severen de leiding van de Militaire Academie van El Salvador, gehuisvest in een architecturaal merkwaardig gebouw en bedoeld als instituut voor de officierenopleiding. Hij werd ook samen met de professor fysica Luciano Platt belast met een onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van een recente aardbeving. El Salvador was een gebied waar aardbevingen regelmatig voorkwamen, maar op 19 maart 1873 was de hoofdstad bijzonder zwaar getroffen[11].

In februari 1872 keerde Van Severen voor een korte tijd terug naar Honduras, waar president Medina de oorlog had verklaard aan El Salvador en Guatemala. Samen met de Duitser Ricardo Streber leidde hij de troepen die de inlandse benden van generaal José Maria Barahona versloegen, met als gevolg dat Medina de baan moest ruimen voor Carlos Celeo Arias (1835-1890). Van Severen werd minister van Oorlog en keerde nadien, opdracht volbracht, naar El Salvador terug.

Onder het bestuur van de volgende president van El Salvador, Rafael Zaldivar, van 1876 tot 1885, trok Van Severen zich uit het openbare leven terug, verhuisde naar de westelijke stad Santa Ana en wijdde er zich aan landbouwmetingen en aan onderwijs. Hij hield zich ook onledig met het schrijven van bijdragen voor tijdschriften en richtte de ‘Salvadoraanse Brouwerij’ op, onder de naam Handelsfirma Van Severen en Keymeulen.

Toen weer maar eens revolutie op til was, sloot Van Severen zich aan bij de Salvadoraanse revolutionairen in de westelijke zone van het land, aangevoerd door generaal Francisco Menendez (1830-1890), die Zaldivar tot ontslag dwong en president van de republiek werd van juni 1885 tot juni 1890. Als gevolg hiervan flakkerde de carrière van Andres Van Severen weer op.

Per 1 oktober 1885 werd de jury van het Nationaal pedagogisch concours vernieuwd en werd Andres Van Severen lid van deze jury. In 1886 was hij professor aan de Ingenieursfaculteit van de Universiteit van El Salvador en onderwees er hogere wiskunde, fysica, mathematica en landmeting.

Zijn laatste functie was die van commandant en bestuurder van de haven van La Libertad, van waar hij doodziek naar San Salvador werd teruggebracht, zes dagen voor hij op 9 juni 1888 om 5.30 ‘s morgens aan een hartaanval bezweek. Hij werd opgebaard in de Universidad Nacional en de begrafeniskosten werden door de regering betaald. Tijdens de plechtigheid op het algemeen kerkhof van San Salvador ontving hij de eerbetuigingen beantwoordend aan de graad van divisiegeneraal van het Salvadoraanse leger. Hij werd bijgezet op het ‘Cementerio de los Ilustres’, naast Francisco Morazán, Gerardo Barrios en andere leiders van Centraal-Amerikaanse staten.

Kort voor of na de dood van Andres Van Severen publiceerde de Nationale drukkerij van El Salvador een veertien bladzijden tellende kritische nota, waarvan hij samen met Rafael Arbizú de auteur was, gericht aan ingenieur A. J. Scherzer en met als onderwerp de spoorweglijn tussen Acajutla en Santa Ana[12].

De Latijns-Amerikaanse nakomelingen

Het koppel Van Severen – Cabañas had vijf kinderen: Andres, Alfredo, Estanislao, Adela en Julia. Met uitzondering van Alfredo, huwden ze en hadden samen minstens zestien kinderen, die op hun beurt voor heel wat nakomelingen hebben gezorgd.

Andres, de oudste zoon, had twee zoons, van wie geen nakomelingen zijn. Zijn tweelingdochters Julia en Tula Van Severen waren in het eerste kwart van de twintigste eeuw Salvadoraanse dichteressen. De jongste dochter van Van Severen senior, Julia Van Severen, trouwde met Julio Lewy, die een vooraanstaande rol speelde binnen de kleine Joodse gemeenschap van El Salvador. Hun oudste zoon, Dr. Herbert Lewy Van Severen was arts. Als student aan de Sorbonne nam hij tijdens de Tweede wereldoorlog deel aan het Franse Verzet en kreeg hiervoor de Légion d’Honneur. De tweede zoon, Dr. Mario Lewy (1904-2004) was een bekende Latijns-Amerikaanse landbouwkundige. Zijn zoon, Ricardo Lewy Soler is voorzitter van de Salvadoraanse vereniging voor sterrenkunde. Hun derde zoon, Rodolfo Lewy Van Severen, werd een bekende ingenieur in Costa Rica.

Adela Van Severen huwde met Carlos Dueñas, zoon van Francisco Dueñas, de man die zijn voorganger Gerardo Barrios, van wie Van Severen een aanhanger was, had laten terechtstellen. Eén van de kinderen van Carlos en Adela was de in Centraal Amerika bekende historicus en jurist Dr. José Ricardo Dueñas van Severen (1914-1974). Een dochter van Ricardo, Ana Maria Dueñas (°1943) is auteur en illustrator van jeugdboeken, onder meer Goig, een bestseller waarin ze met gevoeligheid en humor het leven van een boxer beschrijft. Haar zus, Marta Dueñas – Tancred is docente Latijns-Amerikaanse literatuur en cultuur aan de London Metropolitan University.

De zoon van Andres, Estanislao Van Severen had drie kinderen. De oudste, Adela Van Severen, getrouwd met José Luis Contreras, was van 1954 tot 1958 burgemeester van Santa Tecla en de eerste Salvadoraanse vrouwelijke burgemeester. Haar zus Marta, huwde met Ernesto Daglio en haar broer, Mario Van Severen (1924-1988) was arts bij het ministerie van Volksgezondheid. Hij had twee dochters, Celina (°1957) en Julia (°1961) beiden met Amerikanen getrouwd en naar de VS uitgeweken, net zoals hun broer Mario Estanislao (°1954) die waterzuiveringingenieur is in Florida. Die zijn zoon, de piloot Mario Ernesto (°1979) is momenteel de laatste mannelijke naamdrager Van Severen.

Vandaag leven in de Midden-Amerikaanse staten en ook in de Verenigde Staten, Engeland en Frankrijk heel wat nakomelingen van Andres Van Severen, en ze hebben iets van zijn avontuurlijke geest geërfd. Zij zijn zich bewust van hun Brugse wortels, en zijn actief in uiteenlopende beroepen aan de universiteit, in geneeskunde, bankwezen, literatuur, politiek, scheikunde, technieken en landbouw.

De Belgische nakomelingen

In België zijn de nakomelingen van het echtpaar Van Severen – Herrebaut eveneens talrijk. Dochter Louise (1860-1929) huwde in 1884 in Brugge met de vijfentwintigjarige onderluitenant bij het Tweede regiment jagers te paard, (in 1919 majoor) jonkheer Maurice van Lidth de Jeude (1859-1931), lid van een onlangs geadelde Antwerpse familie. Het was naar aanleiding van dit huwelijk dat men zich, blijkbaar voor het eerst, weer ging bekommeren om de verdwenen vader. Louise was nog geen vijfentwintig en had dus de toestemming van haar ouders nodig. De goedkeuring van haar moeder stelde geen probleem, maar in de onmogelijkheid om een document voor te leggen vanwege haar vader, trok ze naar de vrederechter, die bij akte van 9 september 1884 (een maand voor het huwelijk) vaststelde dat, zoals het algemeen bekend was, André Van Severen sinds vele jaren afwezig was. De moeder, vermeld als rentenierster, was aanwezig bij het huwelijk en ondertekende als Louise van Severen – Herrebaut.

Het echtpaar van Lidth de Jeude – van Severen had twee dochters. De oudste, Henriette van Lidth de Jeude (1887-1977) huwde met Marcel Wyseur (1886-1950). Hij was achtereenvolgens advocaat en directeur van de West-Vlaamse Hypotheekkas in Brugge, nadat hij tijdens de Eerste wereldoorlog griffier van de militaire rechtbank was geweest. Wyseur woonde Geerwynstraat 17, op de hoek van de Moerstraat, die een paar honderd meter verder uitmondt rechtover de brouwerij De Sleutels. Deze boezemvriend van Michel de Ghelderode was vooral dichter en publiceerde talrijke bundels, gedichten hoofdzakelijk aan Vlaanderen en Brugge gewijd, met titels zoals La Flandre rouge, Les cloches de Flandre, La vieille Flandre, Les Beffrois au soleil, Le Zwyn en Quelques poèmes de Flandre. Hun oudste zoon Pierre Wyseur (1912-1979), die officier werd, huwde met Marie-José Vin (1912-2001). Drie van hun vier kinderen huwden en hebben thans kinderen en kleinkinderen. Hun tweede zoon, Jacques Wyseur (1918-1994) werd vrederechter en huwde met Françoise De Necker (1931-2003). Ze hadden twee gehuwde dochters die samen zes kinderen hebben.

De tweede dochter, Yvonne van Lidth de Jeude (1890-1979), huwde met Henri Lienart (1881-1938). De zoons van dit echtpaar, Henry (1920-2004), Josse (°1922), Roger (1923-1995), André (°1926) en Fernand (°1928), die hun naam uitbreidden tot Lienart van Lidth de Jeude, zorgden voor achttien kinderen en een veertigtal kleinkinderen. De broers en hun nakomelingen gingen huwelijken aan met leden van de burgerij (Lamarche, Eggermont, Lawton, Verwilghen, Thiry, Schotte, Hermans, Le Jeune) of van de adel (Dumont de Chassart, de Wasseige, de Pret de Roose de Calesberg, de Jamblinne de Meux, de Robiano, de Thomaz de Bossière, Visart de Bocarmé, Orban de Xivry, de la Croix, van Doorslaer de Ten Rijen).

Josse Lienart van Lidth de Jeude (°1922) trad in het huwelijk met Marie-José d’Udekem d’Acoz (1919-2004), wat aan de familie verwantschap bezorgt - op een hele afstand weliswaar - met andere nakomelingen van de Brugse Van Severens, namelijk prinses Mathilde en haar familie[13]. Eén van de zoons van Josse, Marc Lienart van Lidth de Jeude (°1950), genoot grote populariteit in de jaren zeventig toen hij als Franse charmezanger optrad onder de naam Art Sullivan[14]. Deze achterachterkleinzoon van André Van Severen had onder meer veel succes in...Latijns Amerika. Zijn broer Roland Lienart van Lidth de Jeude, beoefent de kunstfotografie onder de naam Roland d’Acoz.

Jehan Lienart van Lidth de Jeude (°1957) is ereconsul van Gabon voor het Waalse gewest. Zijn neef Xavier (°1957), ingenieur informatica is politiek actief in Sint-Lambrechts-Woluwe en is bestuurder van KBC. Thierry Lienart (°1955) is bestuurder van de Banque de Kigali. Zij en nog andere afstammelingen doen het beroepshalve goed, voornamelijk in de informaticabranche. Ze zorgen ook voor nieuwe afstammelingen van de verre voorvader Van Severen.

Van de oudste dochter van het echtpaar Van Severen – Herrebaut, Marie-Antoinette Van Severen (1859-1943) zijn ons minder nakomelingen bekend. Ze huwde in Brugge in 1889, toen ze 29 was, met de vierendertigjarige notaris uit Oostende Henri-Louis Berghman (1854-1919). De huwelijksakte toonde aan dat de contacten met André Van Severen toch niet totaal waren verbroken, want men wist en vermeldde op de acte dat hij in juni 1888 in San Salvador was overleden. Haar moeder was nog aanwezig bij dit huwelijk: het jaar daarop zou ze overlijden. Schoonbroer Maurice van Lidth trad op als getuige, samen met schepen en volksvertegenwoordiger Alfred Ronse (1835-1914), die door zijn huwelijk met een Liebaert verwant was met de bruid. Berghman was de notaris van koning Leopold II waar het zijn vastgoedtransacties in Oostende betrof[15]. Het echtpaar kreeg twee dochters, Marie-Louise Berghman (1892-1932) die huwde met de Corsikaan Charles Michelatti (°1890) en Jeanne Berghman (1898-1923) die huwde met Albert Broquet (1887-1928). Ze hadden een dochter, Jacqueline Broquet (°1923) die huwde met een Sutter.

Slotakkoord

Daphné Van Severen-Herrebaut kon, ondanks de huwelijksproblemen, tevreden terugblikken op de tijd die ze aan de opvoeding van haar dochters had gewijd en naar de bruidschat die ze hen kon meegeven, wat resulteerde in twee voortreffelijke huwelijken.

Julia Van Severen-Cabanãs kon al even tevreden terugblikken op een spannend leven en vaststellen dat haar kinderen het goed stelden.

De broers Karel en André Van Severen, op zoek naar een opwindend leven, hadden de familiebrouwerij in de Wulfhagestraat verlaten om, de ene in het hoge Noorden, de andere in het verre Midden-Amerika een toekomst uit te bouwen. Ze lieten enkele duidelijke sporen na en hebben alvast beiden een talrijk en wijd verspreid nageslacht, dat overal over de wereld verspreid, toch zijn Brugse wortels niet is vergeten[16].

Andries Van den Abeele

Brugge

(gepubliceerd in Brugs Ommeland, jaargang 2007, n° 1)


[1] Zoon van Philippe Herrebaut, chirurgijn en verloskundige (Oudenaarde 1755 – Brugge 1825)

[2] Zie onze bijdrage in Brugge die Scone, 2005.

[3] Museum van het Leger, Jubelpark, Brussel, stamblad en dossier 5577 op naam van André Van Severen.

[4] Albert DECHESNE, Edouard Joseph Félix Eloin, in: Biographie nationale, XXXVII, 1973, col. 203-212.

[5] Albert DECHESNE, L’expédition des volontaires belges au Mexique, 2 vol., Bruxelles, 1967-1968; B. DE GROOF, De Belgische vrijwilligers in Mexico (1864-1867), in: E. STOLS & R. BLEYS, Vlaanderen en Latijns-Amerika. 500 jaar confrontatie en metissage, Antwerpen, 1993.

[6] Leo TINDEMANS, Duel met de Minister, Antwerpen, 1991; Wim BOUW, Het Mexicaanse avontuur van Maximiliaan en Charlotte door Belgische ogen. Het Mexicaanse keizerrijk in de dagbladpers ( 1864-1867) Licentiaatthesis KU Leuven, 2003 (onuitgegeven).

[7] Visart die na zijn Militaire School in 1857 onderluitenant en in 1862 luitenant was geworden, droeg in het Belgisch-Mexicaans leger de graad van kapitein en, na gevechten waarvoor hij op de dagorde van het leger werd geciteerd, van majoor. Naar België teruggekeerd in maart 1867 nam hij opnieuw dienst in het Belgische leger tot in 1869. Hij was van 1870 tot aan zijn dood volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Veurne en werd ook burgemeester van Alveringem. Hij overleed in Lubbeek in 1900. De twee broers Visart zetelden dus dertig jaar lang samen in het parlement.

[8] Na zijn militaire school werd hij in 1855 onderluitenant en in 1859 luitenant. Hij werd gedegradeerd in 1863 voor onwettige afwezigheid, zodat dienst in het Mexicaanse expeditieregiment hem goed uitkwam. Hij werd als sergeant ingelijfd maar werd in Mexico opnieuw onderluitenant. Hij keerde naar België terug in oktober 1867.

[9] Beroepsonderofficier van 1857 tot 1864, trok Leys mee naar Mexico in december 1864 en werd er in 1866 gepromoveerd tot onderluitenant.

[10] David M. PLETCHER, The building of the Mexican railway, in: The Hispanic American Historical Review, 1950, p. 26-62; Erika Pani, Para mexicanizar el Segundo Imperio. El imaginario político de los imperialistas, México, Colegio de México-Instituto Mora, 2001; Robert H. DUNCAN, Maximilian and Mexico’s first steps toward the Global Market-place (1864-1866) in: Memorias del segundo congreso de historia economica, La historia economica hoy, entre la economia y la historia, Mexico, 2004.

[11] Carlos CAÑAS-DINARTE, El Salvador: cronología de una tierra danzarina, in: El Diario de Hoy, San Salvador, 2005.

[12] Contestación al informe del señor ingeniero A.J. Scherzer ... sobre los ferro-carriles de Acajutla a Santa Ana, 1888.

[13] De laatste gemeenschappelijke voorvader is Jan-Baptist Van Severen (1676-1747), overgrootvader van André Van Severen en van diens verre nicht Clémence Van Severen, van wie de familie d’Udekem afstamt.

[14] Marc en Mathilde hebben langs de d’Udekems gemeenschappelijke betovergrootouders, het echtpaar Jacques d’Udekem d’Acoz (1828-1860) en Alice de Kerckhove (1838-1877).

[15] L. RANIERI, Leopold II, urbaniste, Brussel, 1973, blz. 114 en vv.; P. LOMBAERDE, Leopold II, koning – bouwheer, Gent, 1995, blz. 79.

[16] Met mijn bijzondere dank aan Ana Maria Dueñas (California) en Xavier Lienart van Lidth de Jeude (Brussel), evenals aan Anabella Daglio van Severen (San Salvador), Mario Van Severen (Florida), Philippe Lienart van Lidth de Jeude (Nijvel), Maurice Muyshondt (San Salvador), Victor Valembois (Costa Rica) en Michel Van de Velde (Brussel).

www.andriesvandenabeele.net