Het paviljoen: er zijn dringender zaken in Brugge

Tojo Ito is mijn vijand niet, ook al antwoordde hij niet op een beleefde brief die ik hem destijds stuurde. Van het door hem ontworpen paviljoen heb ik al in 2000 gezegd dat ik niet tegen het gebouw was, wel tegen de plek waar men het wilde neerzetten. Ik deed zelfs een voorstel voor een alternatieve inplanting. Sceptici probeerde men toen over de streep te trekken door te verzekeren dat dit symbool van het ‘modernisme’ in Brugge een tijdelijk bouwwerk was en trouwens volledig door sponsors zou betaald worden. Van die sponsoring is nog altijd de eerste frank niet binnen en de kost van 1 miljoen euro viel volledig ten laste van het budget van Brugge 2002, waardoor een aantal andere interessante initiatieven niet werden ondersteund. Nadat de initiatiefnemers hun troetelkind aan zijn lot overlieten, pleiten ze nu laattijdig voor het behoud ervan. Ze hebben blijkbaar aan Ito verzekerd dat ‘het publiek’ de kant van zijn paviljoen kiest. Dat ‘publiek’ behelst dan alvast de tien man die aan een manifestatie bij het paviljoen deelnamen. Terecht vindt het stadsbestuur dat het behoud niet de afspraak was, dat vijf jaar al behoorlijk langer is dan aanvankelijk voorzien en dat de stadskas niet moet worden aangesproken om restauratie- of aanpassingswerken aan dit paviljoen te bekostigen.

Eigenlijk was ik niet van plan me in dit debat te mengen, want dit is mijn strijd niet. Ik doe het omdat De Standaard het me vraagt. Het paviljoen is hoe dan ook geen lang leven beschoren en het verdict is al gevallen. Ik ben méér bezorgd om de toekomstige invulling van dit deel van het Burgplein dat, sinds de afbraak van de Sint-Donaaskathedraal een probleemgeval is. In de jaren negentien zestig heeft men er een onnozel kantoorgebouw langs gebouwd en hiervoor een tiende-eeuws Romaans donjon gesloopt. In de jaren negentien tachtig heeft men, ondanks luid protest, een hotel laten bouwen boven de essentiële grondvesten van de kathedraal. En in diezelfde tijd werd een bovengrondse gereserveerde parking aangelegd ten behoeve van burgemeester en schepenen. Het paviljoen van Tojo Ito kwam zich daar, als zoveelste aanslag op die plek, aan toevoegen.

Ik overdrijf niet met over ‘aanslag’ of zelfs ‘profanatie’ te spreken. In de week waarin het Gentse Campo Santo, terecht, meedoet aan de Monumentenstrijd, past het er aan te herinneren dat de plek waar ooit de kathedraal van Brugge stond ook een Sacrale plek is, waar omzichtig en piëteitsvol moet worden mee omgegaan. Niet alleen zijn hier ondergronds de sensationele getuigenissen bewaard van de afgebroken Sint-Donaaskerk, maar op deze plek werd Karel de Goede vermoord. Hier rusten de resten van Jan van Eyck, Joris van der Paele, de humanisten Hanneron, Carondelet, Laurinus en Juan Vivès, de arts Cornelis van Baesdorp, graaf Lodewijk van Nevers en andere telgen uit de grafelijke familie, vele burgemeesters en schepenen van Brugge en het Brugse Vrije, de bisschoppen van Brugge vanaf Pieter De Corte tot en met Jan Caîmo, honderden zoniet duizenden anderen, Bruggelingen en buitenlanders, mannen en vrouwen, prominenten en onbekenden.

Het blijft voor mij een raadsel hoe men zo aan de eerbied voor het sacrale kan voorbijgaan en zo nonchalant kan omgaan met deze met geschiedenis en drama overladen plek. Telkens ik in het verleden op deze argumenten heb gehamerd, werd dit alleen maar met een gegeneerd stilzwijgen beantwoord.

Ik hoop dat nu eindelijk meer openheid zal mogelijk zijn hierover. De aansluiting tussen het verleden en het heden kan niet voorbijgaan aan het symbolische gewicht van deze plek. Sinds de afbraak van de kathedraal is men daar al te licht overheen gegaan, vooral dan in de recente tijd. In plaats van de plek nog méér banaal of buitenissig te maken, moet een grondige discussie plaats vinden over hoe dit uitzonderlijke verleden kan geherwaardeerd worden en aan het heden en de toekomst vastgehecht. Er moet een programma op lange termijn worden uitgewerkt, zodat de herwaardering van deze plek in de volgende generaties kan gebeuren. Ik suggereerde ooit (hierin bijgetreden door Fernand Traen en anderen) dat men, gezien niets lukt, beter de kathedraal zou herbouwen, maar ik heb ondervonden dat Brugge op dat vlak Dresden niet is. Hoe dan ook, voor dit debat ben ik met veel andere Bruggelingen ter beschikking.

Tevens hoop ik dat de energie die wordt aangewend en de gastvrijheid die in kranten wordt geboden om de strijd voor een tijdelijk paviljoen aan te gaan, ook zal beschikbaar zijn voor andere, méér essentiële problemen in Brugge. Geert Van der Speeten die Tojo Ito in Parijs ging opzoeken, nodig ik uit richting Brugge te stevenen. Ik zal hem, onder meer, op minder dan honderd meter van het paviljoen een uitzonderlijk architecturaal geheel, dat van de Zeven Torren en de Casselbergh, laten zien. Die gebouwen, ouder en even merkwaardig als het stadhuis, ooit beschreven als één van de Zeven wonderen van Brugge staan al jaren te verkommeren. Er is maar één weg te bewandelen om de aanzienlijk scheef gegroeide toestand recht te zetten en dat is dat de stad Brugge zelf, met financiële steun van Gewest en Provincie, de eigendommen verwerft en de restauratie realiseert. Deze dringende aanpak kan één van de grote realisaties worden van de huidige bestuursperiode. Hierop zullen burgemeester en schepenen worden afgerekend, niet op het efemere paviljoen van Tojo Ito.

Andries Van den Abeele
De auteur is voorzitter van de vzw Marcus Gerards.

 

www.andriesvandenabeele.net