De 25 dagen van Vlaanderen

De gebeurtenis : 17 april 1958

Opening van de Wereldtentoonstelling Expo 58

Het is vandaag groot feest in België, méér bepaald in Brussel, op de Heizelvlakte. Om 10 uur arriveert koning Boudewijn, omringd door de ganse koninklijke familie, het voltallige diplomatiek corps en de volledige rood-blauwe regering geleid door Achiel Van Acker. Op het Belgiëplein aangekomen, stelt de koning een symbolische vlam en een batterij waterfonteinen in werking en verklaart hij plechtig de Algemene en Universele Wereldtentoonstelling voor geopend. Boven de hoofden vliegt een formatie straaljagers die de letter B vormt, gevolgd door transportvliegtuigen die met rookpluimen de Belgische driekleur in de lucht hangen.

De eerste bezoekers staan in dichte drommen voor de toegangshekkens geduld te oefenen. Een kleurrijke Texaan heeft drie nachten voor het Atomium gekampeerd, in de hoop een ticket met het nummer 1 te bemachtigen. Overal zijn jonge dames present die in hun rode mantelpakje en met hun blauwe hoedje tot het legertje speciaal opgeleide fairhostesses behoren. Ze zijn de eerste groundhostesses ter wereld, gevormd naar het model van de airhostesses en ze hebben de opdracht België als het ‘land van de glimlach’ te vertegenwoordigen.

De laatste wereldtentoonstelling was die van New York in 1939. Tien jaar na de enorme wereldbrand kan men de volkeren weer vreedzaam bij elkaar brengen. Het kleine België is er in geslaagd de eerste naoorlogse wereldtentoonstelling binnen te halen. In mei 1953 heeft de homogene CVP-regering van Jan Van Houtte het groene licht verkregen van het Internationaal Bureau van de Tentoonstellingen en heeft ze een uitnodiging tot deelname gericht tot alle landen waarmee ze diplomatieke betrekkingen onderhoudt en tot alle internationale organisaties waar ze lid van is.

De lat is door de organisatoren hoog gelegd. Het doel is immers de balans op te maken van de wereld, opdat alle bewoners van deze aarde zouden kunnen meewerken aan het bouwen van een menswaardiger wereld.

Gedurende de vier jaren die aan de tentoonstelling zijn voorafgegaan, is België, niet alleen op de Heizel, één grote bouwwerf geweest. Vooral de wegenwerken heeft men dynamisch aangepakt, opdat de hoofdstad en de Expo vlot bereikbaar worden voor de miljoenen verwachte bezoekers. Twee beleidslieden hebben zich ingezet opdat alles tijdig klaar zou komen, de minister van openbare werken Omer Vanaudenhove en de Brusselse schepen van openbare werken Paul Vandenboeynants. Dat hierbij het oudste  deel van het historische Brussel door kaalslag wordt getroffen, is duidelijk niet hun zorg. Die Belgen moeten toch altijd zeuren, zo denken ze wellicht. Verrijst er immers voor elk oud pand dat in de binnenstad verdwijnt, niet een nieuw – in karton weliswaar – op het terrein van de Expo, waar een Breugeliaans stadje onder het motto Vrolijk België is gebouwd?

Op die 17de april zijn nog niet alle paviljoenen klaar, maar dat kan het feest niet hinderen. In totaal zijn er paviljoenen van 51 landen, van internationale organisaties en   van enkele wereldconcerns. Vele landen hebben zich ingespannen om de meest geavanceerde architectuur te laten aan bod komen. Het Amerikaans paviljoen is het grootste cirkelvormig gebouw ter wereld. Het Belgisch paviljoen van de burgerlijke bouwkunde trekt de aandacht door de indrukwekkende Pijl, een technisch stout stuk, werk van architect en beeldhouwer Jacques Moeschal. Het paviljoen van Philips is een opvallend werk van Le Corbusier en ook al is het Sovjetrussisch gebouw in ‘kolossale’ stijl gebouwd, het is één van de trekpleisters dankzij de Spoetnik die er het middelpunt van is.

Het voornaamste symbool, het Atomium, ontworpen door ingenieur André Waterkeyn, is er bijna per toeval gekomen en bedoeld als een tijdelijke constructie. Het zal evenwel zo succesvol zijn, zowel tijdens als na de Expo, dat het zal uitgroeien tot één van de universeel herkenbare symbolen van Brussel. Veertig jaar later zal men niet aarzelen een paar miljarden oude Belgische franken aan een grondige facelift te besteden.

Expo58 geeft de inventaris van alles wat de wereld te bieden heeft op het gebied van technische vooruitgang, van artistieke topprestaties, van architecturale visie. Daarnaast is alles gedaan om het de bezoekers aangenaam te maken. De befaamde tuinarchitect René Pechère heeft prachtige tuinen ontworpen, met als hoogtepunt de Vlaamse Renaissancetuin. ’s Avonds baadt alles in een sprookjesachtige verlichting. Zachte muziek weerklinkt over het ganse terrein. De treintjes voeren de bezoekers van het ene paviljoen naar het andere. Vrolijk België wordt dagelijks stormenderhand door enthousiaste bezoekers ingenomen. Tientallen restaurants en cafés zorgen voor Bourgondische gezelligheid. De organisatie is voorbeeldig te noemen.

Op 6 juli 58 wordt een Vlaamse Dag gehouden, onder het voorzitterschap van de Antwerpse provinciegouverneur Richard De Clerck. Hiermee hoopt men de gemoederen wat te bedaren, die erg gekant zijn tegen de te overwegend Franssprekende leiding van de expo, geleid door de Franstalige Georges Moens de Fernig. Manifestaties en fikse rellen zullen hieromtrent plaats vinden, georganiseerd door een Jeugdcomité dat geleid wordt door de nog onbekende student Wilfried Martens.

Wanneer de kersverse premier Gaston Eyskens op 17 oktober de deuren van Expo58 zal sluiten, zal men in België kunnen tevreden terugblikken : 45 miljoen bezoekers zullen over de vloer zijn gekomen, méér dan 200.000 per dag. De Belgen vertegenwoordigen het leeuwenaandeel van het bezoekersgetal: ze konden er maar niet genoeg van krijgen. De reputatie van het land heeft hiermee een hoogtepunt bereikt en het is niet verwonderlijk dat de jonge Europese Economische Gemeenschap die er in januari 1958 zijn hoofdkwartier voorlopig heeft gevestigd, van Brussel definitief de hoofdstad van Europa zal maken.

De periode 1951-1965

De wereld rondom ons verandert

Weinig Vlamingen en Walen zaten voor de beeldbuis ‘gekluisterd’, toen in de herfst van 1953 voor het eerste televisiebeelden werden uitgestuurd via de zendmasten  die op het Justitiepaleis in Brussel waren geplaatst. Men was net op tijd klaar om op 25 oktober voor het eerst een voetbalwedstrijd Nederland-België uit te zenden. Twee jaar later telde het land méér dan 100.000 toestellen, dure toestellen want de televisie had een communautair tintje: de Vlamingen wilden de Duitse norm van 625 lijnen volgen, de Franstaligen de Franse norm van 819 lijnen. De toestellen werden derhalve volgens beide definities gebouwd. In 1959 stonden er 400.000 TV’s in de huiskamers, in 1960  600.000 en in 1962 méér dan een miljoen, waarvan ongeveer de helft in Vlaanderen. Razend populaire uitzendingen zoals het feuilleton Schipper naast Mathilde of de quiz Honderdduizend of niets, gepresenteerd door Toni Corsari, Pros Verbruggen en Bob Van Bael, schoten als gespreksonderwerp voetbal en wielrennen voorbij. Op de werkvloer sprak men niet meer over het weer maar vroeg men: Heb je gisteren gekeken?

Ook op andere gebieden stond de evolutie niet stil. De transistor maakte het mogelijk, vooral aan de jeugd, de radio overal mee te dragen en weldra telde men 3 miljoen van die toestellen. Het telefoonnet werd over het ganse land automatisch. Het spoorwegennet werd gaandeweg elektrisch en in 1952 werd in Brussel de Noord-Zuidverbinding in gebruik genomen. In het huishouden deden de toestellen hun intrede, eerst wat voorzichtig, weldra bij de grote massa: de koelkast, het fornuis, de wasmachine, de droogkast, het strijkijzer en voor de man het scheerapparaat. Centrale verwarming, badkamer, lopend water: het begon allemaal door te dringen tot bij de modale burger.

Het individueel vervoer nam sterk toe. Naast de ongeveer 3 miljoen fietsen, kwamen de bromfietsen en de kleine motorrijtuigen aangereden. Vooral de auto veroverde het land: 130.000 waren het er in 1947, 300.000 in 1950, 500.000 in 1955 en bijna één miljoen in 1962. Op het land verschenen de eerste tractors en de maaidorsers. Van en naar Melsbroek vervoerde de Sabena, onze nationale trots, in 1952 400.000 passagiers en twee jaar later al méér dan een half miljoen.

Ook al was er nog heel wat werkloosheid, waaronder ‘structurele’, dit wil zeggen moeilijk op te lossen werkloosheid, toch werd de stijgende welvaart voor de grote meerderheid een feit. De vijfdagenweek werd stilaan algemeen toegepast. Sociale wetgeving vermeerderde de inspraak van het personeel in de bedrijfsvoering, via ondernemingsraden, comités voor veiligheid en hygiëne en syndicale afvaardigingen. De materiële levensomstandigheden wijzigden sneller dan in eender welke periode in het verleden.

Na de koningskwestie

Aan de koningskwestie en aan de afloop ervan had men, vooral in Vlaanderen, een kater overgehouden. Voor die ene keer dat men in een afzonderlijke raadpleging om het oordeel van het volk had gevraagd, en het zich met 57 procent van de stemmen in het voordeel van koning Leopold had uitgesproken, was het de minderheid die het pleit had gewonnen, onder de druk van straatgeweld. Dit werd als onrechtvaardig en ondemocratisch ervaren. Vlaanderen had 72 % van de stemmen aan Leopold gegeven, Brussel maar 48 % en Wallonië maar 42 %. Het was dus niet alleen de minderheid, maar het waren ‘de Walen’ die het gehaald hadden. Het is pas decennia later dat men tot het besef zou komen dat, meerderheid of niet, de conclusie van dit koningsdrama onvermijdelijk moest zijn zoals het was geweest.

In de dramatische nacht van 31 juli  op 1 augustus 1950 was beslist dat prins Boudewijn de koninklijke functie zou overnemen. Op 11 augustus ging hij voor het parlement de grondwettelijke eed afleggen. Hoe verhit de gemoederen bij sommigen bleven werd bevestigd toen in het halfrond de communistische Luikse volksvertegenwoordiger Julien Lahaut Vive la République riep. Acht dagen later werd hij in zijn huis neergeschoten. Op 17 juli 1951 deed koning Leopold definitief troonsafstand en begon Boudewijn aan zijn lange regeerperiode.

Het land werd nu vier jaar lang bestuurd door één enkele partij, de Christelijke Volkspartij (CVP) die omwille van haar steun aan koning Leopold de volstrekte meerderheid in het parlement had veroverd. Binnen die partij rommelde het nochtans aardig. Men was vooral van Vlaamse kant verbolgen over sommige partijbonzen van wie men vond dat ze onvoldoende de koning hadden gesteund en waren gezwicht voor het geweld. Nieuwe figuren traden tot de regering toe, zoals Alfred De Taeye, August De Boodt, Gerard Van den Daele en Andries Dequae. In 1952 werd Jean Van Houtte Eerste minister. Voortaan zou deze functie praktisch nog alleen door Vlamingen worden uitgeoefend.

Op internationaal vlak had het land heel wat te verwerken. Toetreding tot de NAVO, een militaire alliantie gericht tegen het sovjetblok, bracht heel wat verplichtingen met zich mee, waaronder een verlenging van de dienstplicht tot 24 maanden, die grote onvrede veroorzaakte en er toe leidde dat de duur bijna onmiddellijk op 21 maanden werd teruggebracht. De diensttijd werd de inzet van verkiezingsbeloften en zo werd hij verminderd, eerst naar 15, later naar 12 maanden. Anderzijds was een vrolijke groep Belgische vrijwilligers naar Korea vertrokken om er de Chinese en Koreaanse communisten te gaan bevechten.

De tijd stond niet stil en meer en meer besefte de modale burger, ook in Vlaanderen, dat de wereld één groot dorp aan het worden was. In talrijke landen, vooral in Azië, werd gevochten voor onafhankelijkheid. In China had een ware omwenteling plaats, toen in 1949 Mao definitief aan de macht kwam. Het land ging voortaan gebukt onder een communistisch en totalitair regime. Blanken en in de eerste plaats missionarissen werden opgepakt en vervolgens uitgewezen. Velen kwamen naar Vlaanderen terug. In 1953 ging een schok, door de wereld toen Stalin overleed. Wat méér vrijheid bracht dit in de zogenaamde ‘democratische volksrepublieken’ niet mee, zoals de arbeiders in Berlijn ondervonden toen hun grote opstand tegen het regime in Oost-Duitsland hardhandig werd neergeslagen. Een paar jaar later zou Chroesjtsjov, Stalins opvolger, de wreedheid van het stalinisme aan de kaak stellen. De hoofdacteurs op het internationale schaakbord bleven uiteraard de Amerikanen, tijdens de jaren vijftig voorgezeten door de legendarische generaal Eisenhower, in 1960 opgevolgd door de jonge en charismatische John Kennedy. Diens moord in 1963 zou door de ganse wereld schokgolven van sympathie teweegbrengen.

Naar Europese eenheid

Ook op Europees vlak gebeurde heel wat. Een primeur van Duits-Franse samenwerking, waar ook België aan meewerkte, was de oprichting van de supranationale Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Dit werd nog eens overgedaan met EURATOM, een Europees project voor de ontwikkeling van kernenergie. Nog verder ging men, toen de regeringsleiders in 1956 beslisten een economische unie tot stand te brengen tussen de zes kernlanden van het Europese vasteland, Frankrijk, Duitsland, Nederland, België, Luxemburg en Italië. Op 25 maart 1957 werd in Rome plechtig het Verdrag ondertekend waarbij de Europese Economische Gemeenschap (EEG) tot stand kwam. Dit zou het begin worden van een groeiende economische, politieke en zelfs militaire eenmaking, die een halve eeuw later nog verder doorgaat.

In 1956 had de internationale orde opnieuw hevig gedaverd. De Engelsen en de Fransen waren Egypte binnengevallen om de nationalisatie van het Kanaal van Suez ongedaan te maken, maar moesten onder druk van de Verenigde Staten al na enkele dagen de aftocht blazen. Op hetzelfde tijdstip woedde in Hongarije een hevige opstand die de Sovjets op brutale wijze kwamen neerslaan. Duizenden Hongaarse vluchtelingen vonden asiel in ons land.

Het is duidelijk dat deze en nog veel andere internationale gebeurtenissen ook bij ons druk werden besproken en hun invloed uitoefenden op het dagelijkse leven. Zo was de oorlog in Korea de oorzaak van een sedert de oorlog niet meer gekende hamsterwoede. Op enkele dagen waren basisproducten zoals suiker en koffie uitverkocht. Het hamsteren bleek achteraf nutteloos te zijn geweest en bij sommigen duurde het jaren voor ze hun ‘stock’ hadden opgewerkt.

In het teken van de schoolstrijd

De jaren 1951-1958 werden op binnenlands vlak vooral gedomineerd door de controverses over de organisatie van het onderwijs. Sedert de eerste schoolstrijd in de negentiende eeuw, kende ons land twee concurrerende onderwijsnetten: het officiële rijksonderwijs en het katholieke vrij onderwijs. In 1950 telden die netten respectievelijk 630.000 en 900.000 leerlingen. Met de expansie die het onderwijs in de naoorlogse periode kende, werd het voor het vrij onderwijs moeilijker om nog op eigen krachten te functioneren en vooral gratis onderwijs aan te bieden aan minder gegoede gezinnen. Dankzij een hele reeks wetten zorgde minister van  Onderwijs Pierre Harmel er voor dat het katholiek onderwijs de nodige wettelijke en financiële middelen kreeg om de verwachte grote expansie aan te vatten.

Toen in 1954 de CVP haar meerderheid verloor, werd een coalitieregering van socialisten en liberalen gevormd, onder leiding van de Bruggeling Achiel Van Acker. Vier jaar lang zou hevige strijd worden gevoerd rond wat ‘de schoolkwestie’ werd genoemd. De nieuwe minister van Onderwijs, Leo Collard, werd de meest gehate politicus in België. Hij begon met een ‘heksenjacht’, waarbij 110 leraars uit het rijksonderwijs werden afgezet, omdat ze een diploma van het vrij onderwijs hadden. De toelagen voor het vrij onderwijs werden drastisch verminderd en de wetten die tijdens de vorige legislatuur waren gestemd, werden de ene na de andere ongedaan gemaakt of grondig afgezwakt.

De reactie vanwege de katholieke bevolking was hevig. Het offensief tegen de regering werd georganiseerd door het ‘Nationaal Comité voor Vrijheid en Democratie’. Locaal en nationaal vonden betogingen plaats. Op 27 februari 1955 greep in Brussel een eerste nationale protestdag plaats en op 26 maart daaropvolgend werd alle hens aan dek geroepen voor een massale bijeenkomst in Brussel. Omdat die door de burgemeester van Brussel verboden was, kon de minister van Binnenlandse zaken Piet Vermeylen doodgemoedereerd voor de radio verklaren ‘dat er geen betoging had plaats gevonden’. Dit was natuurlijk niet de ervaring van de tienduizenden die door de rijkswachtversperringen waren geraakt en in de hoofdstad een massale betoging hadden gehouden. De foto’s die ’s anderendaags in de pers verschenen logen er niet om, zodat de minister voortaan ‘Pietje de Leugenaar’ werd genoemd. Op 10 juli 1955 werd opnieuw betoogd, ditmaal met méér dan 250.000 deelnemers en een petitie met 2,2 miljoen handtekeningen werd bij de koning afgegeven. De wetten werden niettemin gestemd, de vrije scholen ondergingen een forse aderlating op het gebied van subsidies en de bisschoppen richtten daarom een fonds op genaamd ‘School en Gezin’, dat belangrijke bedragen inzamelde.

Enkele weken nadat de regering Van Acker de Expo 58 had ingehuldigd, verloor ze zwaar in de wetgevende verkiezingen van juni 1958. Haar schoolpolitiek werd haar door de kiezers zwaar aangerekend. Nu de schoolproblemen al drie kwart eeuw regelmatig onrust in de Belgische samenleving hadden veroorzaakt, werd het tijd vond men zowat aan alle kanten om een duurzame oplossing uit te werken, die aan beide zijden zou toelaten de strijdbijl te begraven.

Voor het laatst in de geschiedenis van dit land, werd een regering gevormd die homogeen uit leden van één partij, de CVP, bestond. Onder de leiding van Eerste minister Gaston Eyskens had ze één belangrijk doel, het realiseren van de schoolvrede. Na harde onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van de drie ‘nationale’ partijen werd op 20 november 1958 plechtig het ‘Schoolpact’ ondertekend, dat tot op vandaag de organisatie van het onderwijs in dit land beheerst. Iedereen kreeg ongeveer wat hij vroeg, zowel voor het rijksonderwijs als voor het vrij onderwijs, het kostte allemaal veel geld, maar de schoolvrede was bereikt.

Congo wordt onafhankelijk

Terwijl de Belgen onderling hevig kampten, bleef het ook in de rest van de wereld niet stil en onder meer niet in de kolonies van de Europese mogendheden. In Afrika kreeg één na één elk land zijn onafhankelijkheid en het was onvermijdelijk dat dit ook voor Belgisch Congo en voor de mandaatgebieden Rwanda en Burundi het geval zou zijn. Overhaast werden inspanningen geleverd om een aantal Kongolezen (de ‘évolués’ zoals men ze noemde) klaar te stomen voor deelname aan en nadien overname van de macht. Veel vlugger dan was gepland werd de onafhankelijkheid, na een begin van opstand, toegekend en werd een staat opgericht, met een grondwet, vrije verkiezingen en al het overige wat in het Westen onder democratie wordt verstaan. Op 30 juni 1960 gebeurde de plechtige machtsoverdracht. Lumumba, eerste minister van het nieuwe Congo hield, in het bijzijn van koning Boudewijn en van Belgische regeringsleden, een fel anti-Belgische rede, de onrust stak de kop op en enkele dagen later braken overal onlusten uit, met als gevolg dat de meeste kolonialen hals over kop naar België terugkeerden. Onder hen bevonden zich Johan Verminnen en Jef Geeraerts, die later hun Afrikaanse ervaringen en nostalgie, de ene in zijn liederen, de andere in zijn romans, zouden tot uitring brengen.

De ‘eenheidswet’ en de grote stakingen

Ook al had België zich, onder alle Europese landen, na de oorlog het vlugst herpakt en ook al had Expo 58 een optimistische sfeer uitgestraald, alles was geen koek en ei. De koolmijnen in Wallonië en de textielsector in Vlaanderen maakten een zware crisis door. De werkloosheid nam toe. Sluitingen van mijnen en textielbedrijven waren aanleiding tot stakingen. De regering spande zich weliswaar in, onder meer door voor het eerst de streekeconomie te stimuleren, maar dit kon pas op termijn vruchten afwerpen.

Het werd duidelijk dat ernstige ingrepen nodig waren, die inhielden dat op de overheidsuitgaven (ook in de sociale sector) zou worden bezuinigd en dat de belastingen zouden worden verhoogd. Hiervoor werd begin november 1960 een wetsvoorstel ingediend, die maatregelen voorzag op heel wat uiteenlopende domeinen van het economisch en sociaal leven en daarom als ‘eenheidswet’ werd bestempeld. De besprekingen verliepen woelig. Er werd nog enige rust bewaard tot 14 december, toen de koning met doña Fabiola di Mora y Aragon in het huwelijk trad, maar twee dagen daarop begonnen de stakingen die gedurende een volle maand het ganse economische leven zouden lamleggen in Wallonië, in de haven van Antwerpen en in sommige delen van Vlaanderen. De Christelijke vakbond weigerde aan  de ‘politieke stakingen’ deel te nemen die onder leiding van de socialistische voorman André Renard weldra revolutionaire trekken vertoonden. Niettemin werd de herstelwet op 13 januari 1961 door de Kamer gestemd. Enkele dagen later bloedde de stakingsgolf dood. De wet werd zonder meer toegepast, maar de gevolgen in de samenleving bleven nazinderen. Vooral de Vlaams-Waalse tegenstellingen flakkerden op. Renard verweet de makheid van de Vlaamse socialisten en wilde voortaan zowel in het land als binnen de socialistische vakbond een zelfstandige koers varen. Met als doel de Belgische eenheidsstaat om te vormen tot een federale staat, stichtte hij een Waalse drukkingsgroep onder de benaming ‘Mouvement populaire wallon’.

Talentelling afgeschaft

Sedert de negentiende eeuw werd om de tien jaar een uitgebreide volkstelling gehouden, waarbij iedere inwoner over een aantal zaken werd ondervraagd, zodat op basis van de antwoorden betrouwbare statistieken konden worden gemaakt. Dit was ook in 1947 gebeurd. De uitslag gaf evenwel onmiddellijk aanleiding tot Vlaamse kritiek. Het bleek immers dat de taalgrens, vooral rond Brussel en in Waals-Brabant beduidend was opgeschoven in het nadeel van het Nederlands. Men kwam tot de vaststelling dat de opgave van het Frans als voornaamste taal in een aantal gevallen was aangemoedigd door de tellers. De tegenkanting was in Vlaanderen zo hevig dat de CVP-regering de uitslag niet durfde bekend te maken en die in de laden bleef sluimeren tot minister Vermeylen ze in 1954 boven haalde.

De talentelling van 1957 gaf het startsein tot ‘grote manoeuvres’ die uiteindelijk tot de vastlegging van de taalgrens zouden leiden. Meer dan 300 gemeenten in Vlaanderen, onder wie de grote steden, weigerden aan de volkstelling medewerking te verlenen, wat ze de facto onmogelijk maakte. Uiteindelijk werd op 24 juli 1961 een wet gestemd, waarbij aan de Vlamingen voldoening werd geschonken: de volkstellingen zouden voortaan niet meer gepaard gaan met een talentelling.

Literatuur en sportprestaties

Een vanzelfsprekend Nederlands taalgebied geworden, kende Vlaanderen tijdens de naoorlogse periode een levendig intellectueel, artistiek en literair leven. Het kan nochtans niet gezegd dat de Vlaamse auteurs van die tijd een oeuvre met eeuwigheidswaarde hebben geschreven. De enige grote ster die toen rees en onmiddellijk als een veelzijdig fenomeen werd erkend, was de schilder, dichter, toneelschrijver en romancier Hugo Claus. Vanaf De Metsiers (1951) en De Hondsdagen (1952) werd hij op een eenzame hoogte verheven, die hij een halve eeuw zou blijven bezetten.

Boeken waren toen trouwens, nog méér dan nu, het voorrecht van de happy few. Dit was niet het geval met de sport, die in Vlaanderen hoog stond aangeschreven. Wielrennen bleef hierbij nog altijd toonaangevend. Stan Ockers, Raymond Impanis, Fred De Bruyne, waren koplopers in de grote klassiekers. De twee grootste vedetten waren evenwel Rik Van Steenbergen en Rik Van Looy, die beiden wereldkampioen op de weg werden, de eerste drie maal, de tweede twee maal. De zesdaagse wielerkoersen tijdens de winterperiode zorgden ervoor dat wielrennen het ganse jaar door in de belangstelling bleef. In 1965 liet een jonge generatie wielrenners van zich horen. De namen van Eddy Merckx, Patrick Sercu en Walter Godefroot traden naar voor.

Ook in het biljarten blonk men uit op wereldvlak, hoewel dit vooral de verdienste was van één enkele kampioen, Raymond Ceulemans (1963, wereldkampioen). Hij volgde hierin de voetsporen van René Vingerhoedt en René Gabriels. De belangstelling voor atletiek werd dan weer hoog gehouden dankzij de prestaties van drie topatleten, Gaston Reiff, Roger Moens en Gaston Roelants. Voor het eerst ook trad in de persoon van Mon Van den Eynde een atletiektrainer op de voorgrond, die de atleten op een doordachte, zelfs wetenschappelijke wijze op de grote kampioenschappen voorbereidde.

Voetbal bleef uiteraard de volkssport en publiekstrekker bij uitstek. Die jaren werden vooral door het overwicht van Anderlecht gekenmerkt, die vaak landskampioen werd en veelal de meeste spelers voor het nationaal elftal leverde. Paul Van Himst, Jef Jurion, na Vic Mees, Rik Coppens en Jef Mermans , waren de grote voetbalnamen. Het belangrijkste voetbalevenement was ieder jaar de match België-Holland, die even hevig werd uitgevochten als een oorlog, het bloedvergieten daar gelaten. Veel van die matchen gingen door in het stadion van ‘Den Antwerp’, de Bosuil genaamd, en omwille van de verhitte sfeer tijdens de landenderby’s tot de Hel van Deurne omgedoopt. In 1959 kende België een dieptepunt, toen de Nederlanders in Rotterdam een 9-1 zege behaalden. Zoiets was voer voor dagenlange gesprekken op de werkvloer, op de trein en op café. 

De tijdsgeest kantelt

De vrije tijd nam toe en ontspanning nam gewijzigde vormen aan. De jongeren manifesteerden zich meer en meer als afzonderlijke bevolkingsgroep, met eigen verlangens en houdingen, met een eigen geldbeugel ook. De spijkerbroek werd op korte tijd de universele kledij, voor jongens evengoed als voor meisjes. De ontspanning verlegde zich van de huiskring en de patronagezalen naar dancings en cafés. Dansen werd iets heel anders dan de brave foxtrot, tango, vals of zelfs charleston van hun voorgangers. Het jiven en twisten, de bebop en de rock-‘n-roll deden hun triomfantelijke intrede.

In de herfst van 1958 trad onverwacht een rage op, die gedurende maanden jong en oud in de ban zou houden. Twee jonge Amerikaanse ondernemers hadden een stock plastiek slangen gekocht en er hoepels van gemaakt die ze als speeltuig verkochten. Het was net of de wereld hierop had zitten wachten en in de Verenigde Staten alleen al werden 100 miljoen exemplaren op enkele maanden tijd verkocht. Het ging er niet anders aan toe bij ons en plots zag men overal, bij elke gelegenheid, jong en oud de plastiek hoepel omgorden en hem met een heupwieging rond het middel doen draaien, om ter langst en om ter vlugst. De ‘hoelahoep’ veroverde de wereld. Sedert de rage van de jojo in het begin van de jaren dertig, had men zoiets niet meer gezien.

Ook al maakten locale artiesten nog mooie carrières, met de jonge Will Tura als veelbelovende en weldra geconfirmeerde zanger, de jeugd zocht het voornamelijk bij de Engelstalige, meer bepaald Amerikaanse entertainers. De overheersende vedette van de jaren vijftig was, zonder concurrentie, Elvis Presley. Hij en andere verspreiders van de rock-‘n-roll waren een waarachtig sociaal fenomeen. In de cinemazalen werd anderzijds vol spanning gekeken naar films zoals East of Eden, met de ondertussen verongelukte James Dean die tot een icoon van de nieuwe jeugd werd verheven. In het begin van de jaren zestig ontstond dan weer een ander merkwaardig fenomeen dat als een wervelwind door de ontspanningsmuziek raasde: vier jongens uit Liverpool, onder de naam The Beatles, werden plots de idolen van miljoenen tieners. Hun vernieuwende vorm van popmuziek maakte van hen wereldvedetten die overal op bijna hysterische wijze door de jeugd werden begroet: de Beatlemania was een fenomeen dat ook bij ons zijn sporen naliet.

Tegen het einde van het jaar 1963 deed zich een aanzienlijke wijziging voor in het straatbeeld. Plots waren geen soutanes, geen pijen en geen kappen meer te bespeuren, die tot dan toe een vertrouwd beeld waren. Voortaan droegen de priesters en monniken  een donker pak en een Romeinse boord terwijl de kloosterzusters een sober kleed droegen, al dan niet nog met een hoofddoek. Dit was het eerste zichtbare gevolg van het Tweede Vaticaans Concilie dat in 1959 door de goedmoedige paus Johannes XXIII was bijeengeroepen en dat op 11 oktober 1962 met Romeinse pracht en praal was geopend. De schokgolven die toen door de katholieke kerk en meer bepaald door een bijna homogeen katholieke regio als Vlaanderen gingen, waren aanzienlijk. Een grondig gewijzigde mentaliteit zou stilaan tot uiting komen.

De stijgende welvaart was een voornaam element in die wijziging. Ondanks de internationale crisissen, ondanks tijdelijke recessies en economische moeilijkheden, overheerste een optimistische geest. Het leek alsof niets de vooruitgang naar grotere welvaart kon stoppen. Later zou men het vaak hebben over ‘the golden sixties’, maar in de jaren vijftig en zestig was men zich al van die welvarende trend bewust.

Het thema

De burgerij

De vroege middeleeuwen hadden een simpele sociale structuur. Je had de ‘bazen’, namelijk de edellieden en je had de ‘knechten’, namelijk al de overigen, lijfeigenen, boeren, dienstknechten en –meiden. Daarnaast, als een aparte categorie, had je de geestelijken. Een middenklasse zou pas stilaan tot stand komen, naarmate handel en nijverheid zich ontwikkelden. Dit gebeurde voornamelijk in de steden, waar het leven zich organiseerde rond diegenen die door hun arbeid en vernuft de samenleving recht hielden en vooruitgang deden boeken. Een aantal schrandere en werkzame kerels staken weldra boven de massa uit. Hiervoor was het niet alleen nodig dat ze een bepaalde kennis of vaardigheid konden te koop aanbieden. Ze moesten zich ook beschermen tegen de inhaligheid van de vorst en van de oorlogvoerende adel, die op het afpakken van hun duur verdiende centen uitwaren, terwijl ze anderzijds namaak, wilde concurrentie en dumping moesten de kop indrukken.  Daarom begonnen ze zich te organiseren in genootschappen, ambachtsverenigingen, ‘gilden’ en ‘neringen’, waarvan ze de leiding onder elkaar verdeelden en waarin ze – met mondjesmaat – de leerlingen en gezellen aanvaardden, die voor de opvolging moesten zorgen.

De heren verwierven vanwege hun vorsten allerhande voorrechten die hen verder voerden op de weg van de welvaart. In de eerste plaats werd het gemeentelijk burgerschap ingevoerd, dat de breuk met het vroegere lijfeigenschap bezegelde. Vervolgens kregen die burgers, binnen de organisatie van de stad waar ze werkten, in grote mate het bestuur in handen. Wie geld verdiende en derhalve via de heffingen en taksen die hij betaalde, de vorst en zijn ruime hofhouding van niets doende of oorlogvoerende edellieden onderhield, mocht op erkenning en waardering rekenen.

De ‘derde stand’

Binnen de middeleeuwse stad ontstond aldus een ‘derde stand’, die naast de adel en de clerus een eigen machtspositie veroverde, en zich onderscheidde van het ‘grauw’, de massa van het middeleeuwse proletariaat, van waaruit de burger was opgeklommen. Stilaan kon iedere stad in Vlaanderen, groot of klein, over een behoorlijk aantal ‘burgers’ beschikken, die de ware ruggengraat van de samenleving vormden. Onder hen vond men niet alleen de industriëlen en ambachtslui, de kooplui en de bankiers, maar ook de meer intellectuele beroepen zoals de juristen, de ambtenaren, de kunstenaars en vele andere. In de belangrijke steden kwam ook een niet onbelangrijk deel buitenlandse handelaars zich bij de autochtone burgerij voegen.

De hiërarchische organisatie die in de Middeleeuwen en ook lang daarna overheerste, maakte dat binnen de burgerij weldra onderscheid werd gemaakt naar gelang de financiële reputatie van de burgers. De meest bescheiden groep vormde de ‘kleine’ burgerij, die ijverde om de ladder verder op te klimmen maar die bij tegenslagen makkelijk naar het proletariaat kon worden teruggedrongen. Boven hen was er de ‘deftige burger’, die een zeker aanzien en welstand had verworven en zich inspande om door zijn noeste arbeid, maar ook door het verstandig investeren van zijn spaarcenten, door het aanmoedigen van zijn zonen om studies aan te vatten en door het voordelig uithuwelijken van zijn dochters, voor zichzelf en voor zijn nageslacht een verdere klim op de maatschappelijke ladder te realiseren. Als hij daarin slaagde behoorde hij weldra tot de ‘hogere’ burgerij. Dit was dan de selecte en welvarende groep die zich stilaan ging gedragen alsof ze tot de adelstand behoorde. Dit deed ze des te makkelijker naarmate de zonen van de oude adellijke families op de slagvelden werden weggemaaid of deze families, vanwege hun nietsdoen, relatief arm en met schulden beladen door het leven gingen.

De betrachting van de dompelaar, als hij enige ambitie koesterde, was door te dringen tot de kleine burgerij. De ambitie van de kleine burger was op te klimmen tot de gegoede burgerij en als het even meezat tot de hogere burgerij. De leden van de hoge burgerij hadden maar één betrachting: hun burgerlijke staat achter zich laten en toe te treden tot de adelstand. Vooral vanaf de 15de eeuw opende de vorst de deuren van zijn paleizen voor knappe medewerkers van lagere komaf, die dan ook al vlug formeel de adellijke status kregen toegekend die ze zich al in het dagelijkse leven zelf hadden toegeëigend. Het ganse Ancien Régime door was de ‘derde stand’ dus in zekere mate een tussenstadium, waarbij men op enkele generaties tijd de maatschappelijke ladder besteeg, om het uiteindelijke doel te bereiken. Dat de ambitie van de ‘nieuwe rijken’ om door een adellijke titel de kroon op het werk te zetten, ook aanleiding gaf tot potsierlijke toestanden, heeft Molière in zijn ‘Burger-edelman’ meesterlijk geënsceneerd.

Burgerij in opmars

De sociale structuur zag er in Brussel in 1783, aan de vooravond van de grote omwentelingen die over Europa zouden razen, als volgt uit:

adel, burgerij, renteniers, ambtenaren, vrije beroepen, kooplui
7059
9,48 %
handelaars, vaklui, onderwijzers, kleine burgerij
9883
13,28 %
clerus
1587
2,13 %
arbeiders
20908
28,09 %
dienstpersoneel
8443
11,34 %
bedelaars
1974
2,65 %
verscheidene
2474
3,32 %
totaal meerderjarige bevolking 
52328
100,00 %
totale bevolking  
74427

In de eerste groep behoorde minstens de helft niet tot de adel, maar tot de gegoede burgerij. In die middens rekruteerde de ‘revolutie’ de meest hevige onder zijn aanhangers.

De triomf van de burger

De groeiende welvaart, het stijgend aantal afgestudeerden, de grotere complexiteit van de maatschappij die een stijgend aantal gespecialiseerde beroepen vereiste, deed het aantal leden van de burgerij sterk toenemen. Er was geen mogelijkheid om aan allen het vooruitzicht te geven om tot de machtscentra en tot de eerste stand door te dringen. Een zelfbewuste burgerij, die op basis van zijn rijkdom en kennis ook de politieke macht wilde grijpen, ontwikkelde zich in gans Europa. Haar triomf situeert zich in de revolutieperiode, op het einde van de achttiende eeuw. Ook al namen ook heel wat edellieden en geestelijken om uiteenlopende redenen aan de revoluties deel, het waren vooral de burgers die grondige hervormingen doordrukten. De ganse negentiende eeuw mag men zonder meer de eeuw van de triomferende burgerij noemen. In de meeste landen van het continentale Europa verdwenen de voorrechten die tot dan aan de edellieden en de geestelijken waren toegekend. Bij ons werd in 1795 een definitief punt achter alle vormen van wettelijke bevoordeling gezet. Voortaan was ‘iedereen gelijk voor de wet’. Anderzijds werd de democratie als staatssysteem gehuldigd en werd de macht niet meer uitgeoefend bij de genade Gods, maar door heren die de kiezer had aangesteld. Tot op het einde van de negentiende eeuw werd het stemrecht praktisch uitsluitend door de kleine groep van welstellende burgers uitgeoefend, waartoe de adel en de clerus voortaan ook behoorden. Voor het plebs was weinig of niets veranderd en het zou nog tot aan de Eerste wereldoorlog duren vooraleer iedere onderdaan, ongeacht zijn stand, vermogen of ontwikkeling, daadwerkelijk een staatsburger werd met gelijke rechten en plichten.

Ook al bleef de invloed van de adel en van de geestelijkheid binnen de samenleving aanzienlijk – ondanks de hen ontnomen voorrechten – was het dan toch in de eerste plaats de burgerij die de ganse negentiende eeuw de leiding had. Alle functies in regering, parlement, gemeentebestuur, rechtbanken, enz, die voorheen voor een burger praktisch onbereikbaar waren, stonden nu voor hem open. Door de toenemende welvaart breidde deze middenklasse niet alleen verder uit, maar de ingewikkelder wordende samenleving bood ook een stijgend aantal carrièremogelijkheden. Wat vroeger een bescheiden beroep was, zoals dat van notaris of geneesheer kreeg méér aanzien, naarmate het inkomen steeg. Ambtenaren en leerkrachten werden belangrijker en sloten zich bij de burgerij aan. Het aantal industriëlen van formaat nam toe en zelfs de brouwer kreeg in zijn dorp de eerbetuigingen die zijn toegenomen welvaart hem bezorgden. Er onstond al snel een eigen burgerlijke cultuur, die nog steeds in zekere mate de gewoonten en levenswijzen van de adel kopieerde, maar dan toch ook originele accenten had.

Normen en waarden

Die eigen cultuur had belangrijke positieve aspecten. Het ging er in de eerste plaats om, door noeste arbeid en door spaarzaamheid aan zichzelf en zijn familie een comfortabele bestaanszekerheid te verschaffen. Met deze doelstelling voor ogen, was de burger voorstander van een samenleving die zich baseerde op vaderlandsliefde, op religieuze praktijk, op familiale verbondenheid en tradities. De burger prees de vrijheid aan, de rechtvaardigheid, in één woord alle grote menselijke waarden, zoals hij ze onder meer had neergeschreven in de Verklaring van de universele rechten van de mens. Het resultaat was aanzienlijk en de ongekende vooruitgang die de maatschappij vanaf de negentiende eeuw maakte, meer bepaald in de Westerse wereld, is hoofdzakelijk gebaseerd op de burgerlijke waarden die de samenleving beheersten en in ruime mate thans nog beheersen. Bezit was daarbij niet alleen maar egoïstisch. De rijke burger van de negentiende eeuw was vaak een weldoener en filantroop, een verlicht mecenas, een promotor van kunsten en wetenschappen. De architectuur, de schilderkunst, de literatuur, de gastronomie, de mode en klederdracht werden beheerst door de smaken en de wensen van de burgerij. De fotografie werd het burgerlijke medium ‘par excellence’, dat aan de glorievolle, de deftige, de zelfbewuste burger toeliet, zichzelf, zijn madam, zijn zonen en dochters, onder alle mogelijke vormen, alleen of in groep, te portretteren en tevens zijn statige huis in de stad, zijn buitengoed, zijn kunstbezit, zijn paarden en koetsen, op de gevoelige plaat vast te leggen en in stevige albums te verzamelen..

De rijke burgers volgden ook nog op een ander domein de voetstappen van de vroegere adel, namelijk in de liefdadigheid en het mecenaat. Scholen werden door hen gefinancierd, ziekenhuizen of rusthuizen gebouwd, publieke parken aangelegd, musea in hun rijke woningen ingericht. Citeren we Jacobus Van Caeneghem (1764-1847), die in Gent een tehuis voor blinde bejaarden financierde en Ernest Solvay (1838-1922) die de middelen verschafte om een handelsinstituut te stichten dat zijn naam kreeg en, met zijn familie, het Zeepreventorium in De Haan mogelijk maakte. Edouard Bunge (1851-1927) bekostigde in Antwerpen een ziekenhuis, het Instituut Bunge, terwijl in dezelfde stad de kunstverzamelaar Fritz Mayer Van den Bergh (1858-1901) zijn collecties publiek maakte. In Vorst schonk de Duitse handelaar Duden zijn tuin van 23 ha aan Leopold II en langs hem aan de bevolking. In dezelfde gemeente woonde de geuzebrouwer François van Haelen (1872-1939), die de mecenas werd van talrijke Brabantse fauvisten en financier van de restauratie van het kasteel van Beersel. In Sijsele bouwde het Brugse echtpaar Désiré Monthaye en Michelle Grossé (1864-1952) een sanatorium. Zo zijn er nog tientallen, zoniet honderden voorbeelden.

Niet alles rozengeur

De burgerlijke waarden hadden evenwel ook hun nadelen. Zo ontstond een bepaald conformisme, dat verstikkend kon zijn. De regels en etiquette van de adel werden ofwel overgenomen ofwel vervangen door nieuwe. Het ganse leven verliep voortaan volgens  burgerlijke voorschriften en gewoonten, die het burgerkind aanleerde en die zijn doel en laten dicteerden. De vooropgestelde principes waren anderzijds zo verheven dat niet iedereen bij machte was er aan te beantwoorden. De burgermaatschappij was dan ook in aanzienlijke mate een hypocriete bedoening, waarbij het ophouden van de ‘schone schijn’ een belangrijk gegeven was. Zo stonden de familie en de echtelijke trouw  wel bovenaan in de tabel van de waarden, maar de welig tierende prostitutie en de plaag van de venerische ziekten toonden aan dat in de praktijk menig burgerman een dubbel leven leidde. Zo waren recht en gelijkheid van kansen aanbeden waarden, terwijl de kinderarbeid, de uitbuiting van het proletariaat, de slavernij in de kolonies, er de negatie van waren. Geen wonder dat heel wat jongeren tegen het voorgekauwde leven en tegen de schijnheiligheid rebelleerden, ook al legden ze er zich vaak op latere leeftijd bij neer. Verder was er ook de dodelijke ernst die de relativering en de zin voor humor hinderde (de ‘we are not amused’ van koningin Victoria was hiervoor spreekwoordelijk), verplichtte de vrees voor het ‘qu’en dira-t-on’ tot conformistisch gedrag, terwijl anderzijds de preutsheid en de repressie van de seksualiteit overheersten. 

In Vlaanderen kwam er nog bij dat de burgerij een keuze moest maken over de taal waarin ze zich bij voorkeur wilde uitdrukken en over de cultuur die ze zich wilde eigen maken. De kleine burgerij bleef hoofdzakelijk, zoals het proletariaat waaruit ze gesproten was, het plaatselijk dialect hanteren. Naarmate de maatschappelijke ladder werd opgeklommen en men zich méér aan de aristocratie ging spiegelen, steeg het gebruik van het Frans, de taal van de machthebbers. Vooral uit de kleine burgerij zou de beweging ontstaan die enerzijds het dialect verving door een algemene standaardtaal en anderzijds ijverde opdat dit ‘Vlaamsch’, weldra ‘Nederlands’ genoemd, de officiële landstaal zou worden, in plaats van het Frans. De ganse taalstrijd, eigenlijk de ganse Vlaamse strijd, zeker tot in de tweede helft van de twintigste eeuw, werd hoofdzakelijk door de kleine burgerij gevoerd, vooral door de priesters, de schoolmeesters, de uitoefenaars van vrije beroepen en de literatoren die in dat midden waren opgegroeid. Ze zijn in grote mate succesvol geweest en werden gaandeweg ook door de hogere bevolkingsklasse en door de arbeiders nagevolgd.

Die strijd is evenwel niet gevoerd zonder bepaalde nadelen, voortspruitende uit de onzekerheid en de complexen die heel vaak de kleine burgerij hebben gekenmerkt en die zich dan vaak uitte in schrik voor de andere, in verlangen naar een autoritair gezagdrager die als een beschermer kan optreden, in overdreven afscherming van de eigen als kwetsbaar beschouwde positie, enz. In de negentiende eeuw werd door allerhande onderzoekscommissies gezocht naar het definiëren van de problemen van de ‘kleine burgerij’ en naar oplossingen hiervoor. Niet altijd met succes, vooral niet toen de arbeiders zich sterk gingen organiseren en de groep, die stilaan de naam ‘middenstand’ kreeg, zich gekneld voelde tussen de toonaangevende en vermogende hogere burgerij enerzijds en de georganiseerde arbeidersbeweging anderzijds. De onzekerheid en de naijver hadden tot gevolg dat de fascistische bewegingen van de twintigste eeuw, ook bij ons, hoofdzakelijk bevolkt werden door de kleine burgerij, van wie men niet onterecht ooit heeft gezegd dat ze ‘de weke onderbuik van de democratie’ was.

Ook al zijn er nog heel wat klassenverschillen zichtbaar, en kan men in zekere mate nog van ‘standen’ bespreken, de gelijkschakeling van alle burgers heeft in de voorbije jaren grote vorderingen gemaakt. De voortschrijdende democratisering van het onderwijs heeft gemaakt dat een knappe jongen van bescheiden ‘stand’ het tot Eerste minister of leider van een grote onderneming of van een bank kan brengen. De prins en de arbeider dragen in hun vrije tijd dezelfde spijkerbroek. Burgerman en arbeider staan schouder aan schouder om hun favoriete voetballers aan te moedigen. Iedereen bekijkt dezelfde TV-programmas en leest grosso modo dezelfde nieuwsbladen. De sociale evoluties zijn grotendeels gelijklopend, tot welke ‘klasse’ of ‘stand’ men ook behoort. Het ideaal van ‘gelijkheid’ heeft ongetwijfeld aanzienlijke vorderingen gemaakt en de burgerij als dominerende en aparte klasse verdampt. Zoniet, zou men kunnen voorhouden, dat eigenlijk iedereen tot de burgerij is gaan behoren. 

Wat de huidige samenleving ongetwijfeld kan leren van de burgertijd en als eeuwige waarden verder kan in eer houden, zijn de noodzaak van persoonlijke verantwoordelijkheid en inzet, van ondernemingsgeest en zelfredzaamheid, van normen en morele waarden (thans wat meer omfloerst als 'ethiek’ bestempeld), van recht en onrecht. Men mag verhopen dat hiervoor, uitgedrukt met een uit Nederland afkomstige uitdrukking, het gewenste ‘maatschappelijk draagvlak’ aanwezig is.

De burgerman gezien door de dichter

Jacques Brel (1962): 

Les bourgeois c'est comme les cochons
Plus ça devient vieux plus ça devient bête
Les bourgeois c'est comme les cochons
Plus ça devient vieux plus ça devient c...

In de vertaling van Ernst van Altena luidde het:

Burgerij, mannen van het jaar nul
Vette burgerkliek, vette vieze varkens
Burgerij, tamme zwijnenspul
Al die burger is, is een ouwe l ...

Eigentijdse teksten

1.
Louis De Lentdecker:
Pavane voor een grote Dame

De uitbundige journalist Louis De Lentdecker (1924-1999) was in zijn volle fleur in het jaar van de Expo. Hij kwam er vaak en was er enthousiast over. Na afloop schreef hij een ware ode aan de Expo.

Expo 58, wereldtentoonstelling, balans van een hele wereld: ik heb u meegemaakt. Ik heb u gezien, u geroken, u gesmaakt, u bewandeld, u gevoeld, u bewonderd, u beleefd. Wij waanden u de hypermoderne, de onvergetelijke, de onvergelijkbare, de onmisbare, de rijke getuige van ons geloof in vooruitgang en techniek. Wij hebben u zien oprijzen uit de grond, dààr op de Heyzel die plots véél immenser scheen, dààr tussen héél véél groen en bomen, met uw tientallen grandioze paviljoenen die wij paleizen noemden omdat ze technisch, wetenschappelijk méér dan louter literair, bergen toekomstdromen torsten van vele landen die ons nog vreemd schenen, omdat de televisie lang niet alles en niet iedereen in onze huiskamer had gebracht. Gij waart onze grenzeloze naïviteit in het aanschouwen van de toekomst en de wereld. Ik heb u gezien in de aureool van uw modelhoeve met de onvergetelijke pijl die als een vinger naar het Atomium wees en een overwinning van de Belgische burgerlijke bouwkunst wilde zijn, van de bonte bezoekersschare van overal, van de groten der aarde, de machtigen, de koningen, de prinsessen, de sterren, de kunstenaars, de kunstenmakers, de diva’s en de politici van wie velen niet eens twee regels krijgen in de encyclopedie. Ik heb uw feesten meegemaakt, uw talloze congressen, un manifestaties, uw concerten, uw filmfestival, zelfs de Tour de France is toen onder uw poorten door vertrokken naar een nieuw avontuur. Expo 58, mijn euforie en euforie van miljoenen die naïef waren omdat we dachten dat na de Tweede wereldoorlog ons niets erger kon gebeuren, ik heb u formidabel gevonden.

2.
De kardinaal verheft zijn stem.

Toen het land grotendeels lam lag door de grote staking tegen de ‘Eenheidswet’, schoot kardinaal-aartsbisschop Ernest Van Roey uit zijn krammen. Het was ongeveer de laatste keer dat een kerkvorst zich in ons land zo openlijk in het politieke debat mengde. Maar ook de vakbonden waren toen met hun staking gericht tegen een wetsontwerp, méér politiek dan syndicaal bezig. Hierna volgt de – licht ingekorte - ‘Oproep’ van de kardinaal, die in alle kerken en openbare bidplaatsen van het land op zondag 23 december 1960 werd voorgelezen.

Ik ben geen partijman. Ik ben Aartsbisschop, dit is herder der zielen en leider der gewetens. In de omstandigheden die wij thans doormaken, acht ik het mijn herderlijke plicht mij te richten tot al mijn landgenoten en hun het volgende te zeggen.

Bij gelegenheid van het feest van Kerstmis wijzen wij er op dat alle daden die het nationaal leven trachten te ontredderen en de essentiële organen van de gemeenschap zoeken lam te leggen, in geweten een zwaar vergrijp betekenen, zowel omwille van de onberekenbare schade die er voor het land uit voortvloeit als om het nadeel dat zij aan alle burgers berokkenen.

Derhalve moeten de ongeldige en onredelijke stakingen die wij thans meemaken, door alle eerlijke mensen en door allen die nog de zin voor de rechtvaardigheid en het algemeen welzijn bezitten, gelaakt en veroordeeld worden.

Om hun toewijding aan hun dagelijkse taak verdienen de arbeiders, de bedienden en de ambtenaren eenieders waardering. Zij wensen namelijk niet dat er wanorde en anarchie zou heersen. Zij mogen zich niet laten meeslepen door onruststokers. Dat zij zich terug bewust worden van hun verplichtingen en hun werk zonder dralen hervatten.

Lieux de mémoire

1.
Middelheim

Voor de Antwerpenaar heeft ‘Middelheim’ vele betekenissen. Het is een laan, een kasteel, een groot ziekenhuis en een campus van de Universiteit Antwerpen. Het tweejaarlijkse Jazz Middelheim is een begrip. In de eerste plaats evenwel is ‘het’ Middelheim, een publiek park van 27 ha, dat een wereldvermaarde collectie sculpturen herbergt.

Middelheim werd voor het eerst vernoemd in 1342 en bleef tot in het begin van de twintigste eeuw de zomerresidentie van voorname Antwerpse families. In 1910 kocht het stadsbestuur het domein van de adellijke familie Le Grelle en stelde het open voor het publiek onder de naam Nachtegalenpark. Ook de aanpalende domeinen ‘De Brandt’ en ‘De Volgelzang’ werden door de stad aangekocht.

In 1950 werd in het Middelheimpark voor het eerst een internationale beeldententoonstelling georganiseerd. Het succes was aanzienlijk en toen de vermaarde beeldhouwer Ossip Zadkine zich liet ontvallen dat na het afsluiten van de expo en het verdwijnen van zoveel schoonheid, Antwerpen wat verweesd zou achterblijven, bracht dit burgemeester Lode Craeybeckx op het idee van een permanent openluchtmuseum voor beeldhouwkunst. De bedoeling was een overzicht te bieden van de moderne beeldhouwkunst binnen een natuurlijk landschappelijk kader. Het harmonisch samengaan van natuur en kunst was toen enig in Europa en het succes was dan ook groot.

Na méér dan vijftig jaar herbergt Middelheim één van de belangrijkste verzamelingen van  hedendaagse beeldhouwkunst. Er staat werk van onder meer Jean Arp, Alexander Calder, Auguste Renoir, Aristide Maillol, Henry Moore, Auguste Rodin, Marino Marini, Juan Muñoz en Ossip Zadkine. Onder de Belgische beeldhouwers zijn te vernoemen Constantin Meunier, Hilde Van Sumere, Constant Permeke, Floris en Oscar Jespers, Rik Wouters, Charles Vandenhove, Panamarenko, Vic Gentils, Luc Deleu en Jef Geys.

In totaal bezit het Middelheim bijna vijfhonderd beeldhouwwerken waarvan een tweehonderdtal permanent in openlucht wordt tentoon gesteld. Kleine of broze sculpturen staan opgesteld in het door architect Renaat Braem ontworpen paviljoen, dat in 1971 werd ingehuldigd en dat thans zijn naam draagt.

Middelheim is een typische schepping uit de jaren vijftig. Het was de tijd toen gemeentebesturen konden worden geleid door visionaire burgemeesters die verder keken dan de dagjespolitiek. Het was ook de tijd dat lokale besturen over de financiële middelen beschikten om grootse projecten te realiseren. Het was vooral een tijd van optimisme en zelfzekerheid. Het openluchtmuseum Middelheim blijft een levendige getuige van dit begenadigd tijdperk.

2.
Het Atomium

Iedereen weet dat het Atomium werd ontworpen ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling van Brussel in 1958. Het is minder bekend dat over dit kunstwerk eigenlijk maar laattijdig een beslissing werd genomen. De Expo 58 had toen al zijn logo die verwees naar het stadhuis van Brussel en op de Heizelvlakte was als sluitstuk van de Belgische paviljoenen al een bravourestuk voorzien: de tachtig meter lange pijl van de burgerlijke bouwkunde, ontworpen door Jacques Moeschal (1913-2004). ‘Als de betonboeren iets bijzonders kunnen, dan mogen we niet onderdoen’ zo oordeelden de metaalboeren. Aan ingenieur André Waterkeyn (1917-2005), een jonge ingenieur die bij de werkgeversorganisatie Fabrimetal werkte werd door de metaalindustrie om een ontwerp gevraagd.

Het werd een montage van staal en aluminium dat een element van het ijzerkristal – het natuurlijk symbool van de metaalindustrie - voorstelde dat 165 miljard keer vergroot was. Het project werd door de organisatoren van de expo aanvaard, op voorwaarde dat het volledig door de privé-sector zou worden gefinancierd en dat het op het einde van de Expo zou verdwijnen.


Het Atomium beantwoordde volledig aan de stoutmoedige geest van de tijd en aan de doelstellingen van Expo 58, die het lot van de mens wilden confronteren met de recente wetenschappelijke ontdekkingen.


De negen grote bollen van het Atomium, elk met een diameter van 18 meter, werden onderling verbonden  door buizen, geplaatst volgens de configuratie van het kubisch gecentreerd model. Het bouwwerk, volledig opgetrokken in staal en bekleed met aluminium, werd geplaatst op drie gigantische steunpijlers. Het domineerde met zijn hoogte van 102 meter de ganse Heizelvlakte.

 

De populariteit van het Atomium was de ganse tijd van de expo aanzienlijk en ging in stijgende lijn. Toen de deuren op de Heizelvlakte sloten, werd niemand bereid gevonden het kunstwerk af te breken, integendeel de stad Brussel drong aan op het behoud ervan. Gedurende méér dan veertig jaar bleef het Atomium een trekpleister voor toeristen, schoolreizen en bejaardenuitstapjes. In elkeen van de grote bollen grepen allerhande activiteiten plaats, werden tentoonstellingen georganiseerd, congressen gehouden en feestmalen opgediend, terwijl permanent werd genoten van de vergezichten die vanuit de hoogst gelegen bollen werden geboden..

Na een aantal jaren werd het evenwel duidelijk dat dit ‘tijdelijk’ gebouw stilaan aftakelde. Het dilemma ging tussen afbreken of renoveren. Ondanks de hoge te verwachten kostprijs, werd voor het tweede gekozen. Brussel is nu eenmaal wereldwijd geassocieerd geraakt met het Atomium, zoals Parijs met de Eifeltoren en Londen met Big Ben. Begin 2006 werd een schitterend vernieuwd Atomium plechtig ingehuldigd: op naar de tweeëntwintigste eeuw!

Andries Van den Abeele

(tekst voor het nummer 23 van de 25 dagen van Vlaanderen, uitgave 2004-2006 van de Uitgeverij Waanders in Zwolle).

www.andriesvandenabeele.net