Juni 2006: Spektakel ‘Sprekende stenen, levende beelden’

op de Markt in Brugge

Een schandaal dat niet voor herhaling vatbaar is.

Waarschuwingen.

In maart 2006 schreef ondergetekende naar burgemeester Moenaert:

"In de krant vernam ik dat in juni aanstaande op de Markt steekspelen gehouden worden. Een dergelijk spektakel, op het belangrijkste Brugse plein is uiteraard van een andere orde dan ijssculpturen, ijspistes of popconcerten. Het raakt aan wat men het ‘historische handelsfonds’ van deze stad kan noemen. Men moet er op toezien dat dit ernstig en verantwoord gebeurt.

De twee grote steekspelen die in de 20ste eeuw werden gehouden (1907 en 1974) stonden wat het scenario betreft, onder het toezicht van erkende historici, resp. rijksarchivaris Albert van Zuylen en priester Antoon Viaene. Grote inspanningen werden geleverd om de acties, de algemene context, de kostuums, zo getrouw mogelijk te houden.

Heeft men de garantie dat dit ook het geval zal zijn voor de aanstaande uitvoeringen? Wie staat in voor het scenario, de begeleidende teksten, de kostuums, de muziek, enz? In welke mate zal een voldoende niveau van geloofwaardigheid worden bereikt? Wat als ‘steekspelen’ wordt aangekondigd, blijkt volgens wat ik kan lezen bij ‘Tinck’ een soort fantasie te zijn op de Guldensporenslag. Dit roept wel heel veel vraagtekens op. De korte inhoud die ik lees, bulkt alvast van de onwaarschijnlijke elementen, nog afgezien van het feit dat de Groeningekouter ver van Brugge ligt.

Ik zou graag van u vernemen wie van Brugse zijde over de authenticiteit, de historische betrouwbaarheid en de ernst van de voorziene ‘steekspelen’ waakt. Moest men zomaar een kwakkelig soort ‘steekspel’ toelaten, dan zou dit een vorm van bedrog zijn tegenover de betalende toeschouwers die argeloos naar een spektakel zouden komen kijken, aannemende dat dit in Brugge wel serieus zal bekeken zijn. Het zou tevens een grote blaam zijn en de geloofwaardigheid aantasten, zowel van de stad Brugge als van u zelf."

Het antwoord dat ik een hele poos nadien ontving was dat het stadsbestuur alleen maar de locatie ter beschikking stelde en geen enkel toezicht hield op wat er zou worden aangeboden. Mijn kritische vragen en argwaan, die ook door anderen werden geuit, werden hierdoor zonder meer bevestigd.

Bevindingen en bedenkingen achteraf

1.       Wat als ‘steekspelen’ werd aangekondigd en nadien als een evocatie van de Guldensporenslag, bleek geen enkele ernstige basis te hebben.

Men kan zich zelfs afvragen of bij het maken van een dergelijk ‘scenario’ iemand op zijn kop is gevallen. De Gulden Sporenslag was immers een vrijheidsstrijd, een veldslag, een oorlog en niet het clowneske gebeuren dat men er bij deze gelegenheid van gemaakt heeft.

Anderzijds waren tornooien en steekspelen altijd mondaine feesten waar ridders hun kuren toonden om de gunsten te winnen van jonkvrouwen. Dit soort "tournoi à plaisance" kwam pas in het laatste kwart van de veertiende eeuw in de gewoonten, en bestond zeker niet in de tijd van de Guldensporenslag. Dit was duidelijk bij de organisatoren het minste van hun zorgen.

2.       Toestemming vanwege de stad.

Hoe de stad Brugge ertoe kwam dit gebeuren toe te laten, zonder enige voorwaarde te stellen en zonder trouwens aan iemand advies te vragen over de inhoud en ernst van dit spektakel zal toch eens duidelijk moeten worden uitgelegd.

Het is immers bekend dat het Comité voor Initiatief, sinds een halve eeuw actief op het domein van historische Brugse evocaties, niet om raad of medewerking werd gevraagd. De bekende stoetenbouwer en organisator van de steekspelen van 1974, Tony Willems, thans voorzitter van de Culturele Raad heeft zich in ondubbelzinnige woorden van het nieuwe ‘steekspel’ gedistantieerd, des te meer omdat men het graag liet uitschijnen alsof dit initiatief in de lijn en opvolging lag van het Groot Tornooi van 1974.

Daarnaast waren er ook anderen, binnen en buiten de stadsdiensten, die negatieve klanken lieten horen. Geen daarvan kreeg gehoor.

De organisator bleek een firma uit Leuven te zijn, die regelmatig spektakels organiseert in het kasteel van Horst (onlangs nog over Suske en Wiske). Het gaat om een commerciële activiteit, eigendom van een heer Claes, eerste schepen van de gemeente Holsbeek bij Leuven en leider van een evenementenbureau. Men zegt in de wandelgangen dat hij bevriend is geraakt met zijn partijgenote Hilde Decleer, schepen voor toerisme van Brugge en dat zij het dossier aan goedkeuring heeft geholpen.

3.       De uitwerking:

Aldus beschrijft het een Bruggeling die ging kijken:

"Er waren in totaal een 20-tal uitvoerders, allemaal Engelsen, geen vrouwen, slechts 6 paarden, een te kleine arena (tornooiveld), de commentaar was in het Engels met daarnaast een erbarmelijke Nederlandse vertaling.

Jan Breydel en Pieter de Coninck speelden mee. Pieter De Coninck kwam opgereden met een volle pint bier in de hand en speelde voor de rest van de avond de dronkaard, de clown. Dit is natuurlijk op geen enkel historisch gegeven gebaseerd en is zonder meer kwetsend voor alle Bruggelingen, die Breydel en De Coninck in ere houden.

Breydel en De Coninck waren trouwens ambachtslieden die met het voetvolk meevochten. Ze op een paard zetten en met een lans doen vechten is complete onzin.

Voortdurend wilde men de mensen amuseren met grappen en grollen, maar ze waren flauw.

Het enige positieve punt was dat de ruiters goed en behendig waren

Een andere Bruggeling beschrijft het als volgt:"

Het 'steekspel' was inderdaad geen opvolger van dat van 1974. Het was gewoon amusement zonder enige historische diepgang, voor de grote massa. Het had meer mee van een sportevenement met wat goedkope humor en kostuums uit een Hollywoodachtige enscenering van de Middeleeuwen. Hier en daar deed het denken aan catchwedstrijden op Eurosport.

Je kon het een leuke avond vinden (het weer hielp mee), als je maar je verstand op nul zette en genoot van de bijtende humor van het Brugse publiek (niet van de dronken Pieter de Coninck als obligate 'comic relief' of de even obligate nar). De sfeer zat er soms in bij het publiek, omdat het werd voorgesteld als een wedstrijd Flandern-Frankreich.

Kortom: de sport was soms goed; en voor de rest bood de show vooral aanleiding tot spot vanwege het publiek die de avond maakte. Historisch had het niets om het lijf, maar dan ook niets.

Het stadsbestuur moet onze markt voor zo iets niet lenen."

4) De onverbiddelijke negatieve punten zijn talrijk.

a.       Ten onrechte werd in de publiciteit verwezen naar de vorige steekspelen, meer bepaald naar die van 1974. Dit was misleidend en had moeten verboden worden.

Voor het Groot Tornooi van Brugge van 1974 werd het thema bepaald door historicus Antoon Viaene, namelijk de herleving van een tornooi uit 1393 dat op de Markt werd gehouden tussen de heren van Gruuthuse en van Gistel. Viaene bleef samen met de scenarioschrijver Tony Willems waken over de historische juistheid van het geheel en van alle onderdelen.

Er waren toen ook een twintigtal Engelse stuntmannen die de ridderrollen vervulden, maar daarnaast waren er 450 figuranten (Bruggelingen), meer dan 100 paarden, live-muziek (4 muziekensembles o.a. de ensembles Patrick Peire en Florian Heyerick) , meertalige live-presentators (o.a. Guido Depraetere), versiering aan de gebouwen rondom (die een essentiële rol in het geheel vervulden), kostuums die ontworpen waren door Arno Brys. Het scenario voorzag niet alleen in riddergevechten, maar ook in een schutterstornooi tussen handboog en kruisboog, in middeleeuwse dansen, circus- en volksanimatie, in valkeniers, in entrees van 4 stoeten, in een praalwagen, in de 18-meter hoge leeuwenvlag aan het Belfort, enz.

Iedere vergelijking tussen dit prestigieus Brugs ondernemen en het flauwe afkooksel dat thans werd geserveerd is dan ook onmogelijk en had moeten worden verboden. Er bestaat geen twijfel dat heel wat mensen zich lieten misleiden en zich achteraf bekocht voelen.

b.       Het organiseren van een dergelijk spektakel op de Markt van Brugge is alleen maar te rechtvaardigen als het ook een eerbetoon is aan de historische omgeving, die in het geheel een essentiële rol te vervullen heeft. Voor de steekspelen van 1907 en 1974 was dit telkens op uitmuntende wijze het geval.

Het spektakel dat thans werd opgevoerd was daar de antipode van. Een beperkte arena werd aangelegd, bijna volledig omsloten door tribunes, dus afgezonderd van de historische omgeving. Het ware veel beter geweest, als men dan toch toestemming hiertoe wilde geven, dat dit zou plaats gevonden hebben bvb. op het Zand of het Stationsplein, of misschien nog beter op een weide buiten de stad.

Men begrijpt natuurlijk wel dat de organisatoren ‘gebruik’ wilden maken van het weergaloze Marktplein als locatie. Maar uiteindelijk hebben ze er alleen maar het adres van gebruikt (misbruikt eigenlijk) en de luisterrijke omgeving ongemoeid gelaten.

c.       Een toeschouwer zegt: Daar waar tornooien altijd bij klaarlichte dag werden gehouden, deed men drie uitvoeringen ‘s nachts (start om 22.30 uur) en slechts één overdag. Het spektakel ging gepaard met veel rook en vuur (gastoortsen), met opgenomen muziek en met opgenomen applaus. Een enorme videowall stond achter het standbeeld van Breydel en de Coninck, waarop soms geprojecteerd werd (en het Brugs decorum aan de kant gezet).. "

d.   Als men de reacties van diegenen hoort die zich lieten beet nemen, dan liegen die er niet om. Enkele reacties die we onmiddellijk na het spektakel opvingen:

  • "Het is een schande dat zoiets in Brugge wordt opgevoerd"
  • "Als ze in Brugge zo verder doen..."
  • "Het is boereleute"
  • "Het is iets voor kinderen van 8 tot 10 jaar"
  • "Hoe is het mogelijk dat ze zoiets durven"
  • "Ik beklaag mijn geld"
  • "De volksheld Pieter De Coninck als een zatlap opvoeren, net onder het standbeeld dat hem hulde brengt, hoe durven ze?"
  • Mensen die 30 euro hadden betaald, waren erg misnoegd toen ze vernamen dat ter elfder ure, toen de opkomst niet aan de verwachtingen beantwoordde, tickets tegen veel lagere prijs werden aangeboden.
  • Relatief weinig Bruggelingen lieten zich ‘vangen’, zodat het vooral toeristen en bezoekers zijn die het gelag betalen. Zij zullen onvermijdelijk overal de boodschap doorgeven dat onze stad op gebied van historische evocaties niet meer te betrouwen is.
  • De reacties in de pers liegen er niet om. Steekspelentornooi heeft veel weg van een klucht (Het Laatste Nieuws) – Steekspel op Markt stelt teleur (Het Nieuwsblad). De artikels onder deze titels laten geen spaander van het opzet meer over.
  • Er zijn verder ook de reacties van de horeca op de Markt, die negatief zijn.

5) De algemene conclusie is duidelijk:

  • Hier werd op een onverantwoorde manier ‘platte commercie’ bedreven. Er werd gesold met onze geschiedenis. Het is een aanfluiting van wat men in het historische Brugge mag verwachten. Dit is Brugge onwaardig.
  • Een goede reputatie verlies je vlugger dan dat je ze weer opbouwt. De organisatoren van de Reiefeesten, van de Gouden-Boomstoet, van de H. Bloedprocessie, van Blindekensprocessie hebben werk voor de boeg om de faam van Brugge als stad van gewaardeerde historische evocaties te herstellen.
  • Dat het stadsbestuur zich tot zoiets heeft willen lenen, is onvoorstelbaar en geeft blijk van grote naïviteit, slordigheid en onkunde. Omdat er lang op voorhand op de risico’s werd gewezen en dit werd weggeveegd, is het ook een blijk van koppigheid en eigenwaan. Binnen normale politieke verhoudingen zouden, voor zo veel onbekwaamheid en lichtzinnigheid, koppen moeten rollen.
  • In elk geval moet van dit stadsbestuur het duidelijk signaal komen: ‘Dit was een vergissing. Geen tweede keer meer’.

Andries Van den Abeele

12 juni 2006.

www.andriesvandenabeele.net