S.O.S. voor een leefbaar Brugge

 

College van Burgemeester en Schepenen

Stadhuis
Burg, 11
8000 BRUGGE

Brugge, 12 maart 2005

 

Geacht College,

Betreft : Aanvraag tot het verbouwen van de historische panden Zeven Torens en Casselberg, Hoogstraat, Brugge en het bouwen van hotel met parking op hetzelfde perceel door de n.v. Groenerei Projects.

Als vereniging die zich tot doel stelt de leefbaarheid van de historische stad Brugge te bevorderen en derhalve rechtstreekse belanghebbende, tekenen wij bezwaar aan tegen de bovengemelde bouwaanvraag en verzoeken wij ze niet te vergunnen. Onze bezwaren hiertegen zijn de volgende :

1)      Principieel dient deze bouwaanvraag, wat betreft de bestemming als hotel, te worden geweigerd. Het is nu meer dan tien jaar geleden dat het stadsbestuur, na een belangrijke en door een aanzienlijk deel van de bevolking ondersteunde campagne onder het motto ‘S.O.S. voor een leefbaar Brugge,’ besliste een volledige bouwstop op te leggen voor alle nieuwe hotels in de binnenstad. Deze bouwstop werd door het huidige bestuur in een beleidsverklaring bevestigd. De redenen voor een dergelijke stop zijn duidelijk: de historische binnenstad dreigt ten prooi te vallen aan de eenzijdigheid van de hotelfunctie, wat in tegenstrijd is met een behoorlijk stedenbouwkundige beleid.

Nochtans is de stop voor wat betreft bestaande hotels dermate omzeild, dat er sindsdien al honderden hotelkamers zijn bijgekomen. Reden te meer om minstens de hand te houden aan de hotelstop voor wat betreft nieuwe hotels. Het argument om ook hieraan een mouw te passen, door voor te houden dat vroeger toegezegde oprichtingen van nieuwe hotels, behouden blijven, of zoals in het hier behandelde geval dat geen andere bestemmingen mogelijk zijn, houdt geen steek.

In een omgeving van minder dan honderd meter staan in en om de Hoogstraat zijn er al zodanig veel hotels dat men door het bijvoegen van nogmaals een groot hotel met tachtig suites en kamers (later nog met twintig uit te breiden) flink op weg is om deze wijk volledig over te leveren aan één enkele functie, wat op zichzelf een aanval betekent op een goede stedenbouwkundige aanleg.

In de bespreking vanwege de diensten vinden we trouwens in het dossier de passende argumentatie, waar geschreven wordt dat het ontworpen hotel “het begrip kleinschaligheid overschrijdt (minder dan 40 kamers), zoals gesteld in de uitzonderingscriteria van het beleid hotelstop”.

Wij putten argumenten voor onze bezwaren uit uw eigen beleidsnota 2001-2006, waarin u hebt geschreven: “Brugge moet verder uitgebouwd worden als een leefbare stad. Voor de binnenstad blijft het behoud en de versterking van de woonfunctie de belangrijkste doelstelling”. Wat betreft de hotels hebt u anderzijds als beleidsprincipe kenbaar gemaakt: “...er worden geen nieuwe grootschalige hotels meer toegelaten in de binnenstad – Nieuwe initiatieven in de rand en kleinschalige initiatieven in de binnenstad zullen zeer selectief worden onderzocht – onder kleinschalige initiatieven wordt verstaan een beperkte uitbreiding van bestaande hotels en verbouwing van panden die zich niet tot een normale woonfunctie lenen”. Het bouwen van een grootschalig hotel, waarbij het hoofdzakelijk gaat om het bouwen van volledige nieuwe constructies, beantwoordt derhalve op geen enkele manier aan uw eigen vooropgestelde beleidsvisie. We begrijpen dan ook niet waarom u het tot in de fase van de bouwaanvraag laat komen, daar waar het duidelijk moet zijn dat u niet anders kan dan deze te weigeren.

2)      Ter volledigheid, vermelden we onze bezwaren van stedenbouwkundige aard.  De vooropgestelde bouwvolumes en de bouwhoogte overstijgen immers de gemeentelijke bouwverordening en de V/T verhouding overschrijdt aanzienlijk hetgeen op deze plek toelaatbaar is.

Wat de achterliggende gebouwen betreft, vermoeden we dat de meer recente onder hen (de toenmalige mentaliteit van een overheidsdienst zoals de RTT in acht nemende) zonder bouwaanvraag zijn opgericht. Er zou derhalve moeten worden nagegaan of ze niet vallen onder de noemer van een voortdurend misdrijf. In dit geval zouden ze niet als een verworven recht mogen worden beschouwd en moeten ze worden afgebroken zonder dat hiervoor aanspraak zou kunnen gemaakt worden op enig recht tot vervangende nieuwbouw.

Het moet in ieder geval uitgesloten worden dat de nu al overbelaste grondbezetting nog verder wordt verhoogd. Men voorziet immers een toename van bebouwde oppervlakte van 8.345 m² naar 9.039 m² (+ 693 m²) en van volume van 35.272 m³ naar 39.963 m³ (+ 4.691 m³). In werkelijkheid zal de vermeerdering ongetwijfeld nog méér bedragen, gezien bij dergelijke berekeningen parkings en andere utiliteiten niet worden meegerekend.

Een tweede element dat op geen enkele wijze binnen de bestaande gemeentelijke bouwreglementen is in te passen, betreft de hoogte en het volume van de nieuwbouw. Er worden vijf bouwlagen voorzien (voor één gebouw zelfs zes bouwlagen), met als gevolg dat hier een volume tot stand komt dat op aanzienlijke wijze de bestaande gebouwen, meer bepaald de historische gebouwen, overstijgt. Men heeft verwoede en vergeefse pogingen aangewend om het veel te grote aantal bouwlagen te verbergen onder een buitenissig groot dak, dat met zijn vele vensters trouwens een compleet architecturaal fiasco zal betekenen.

Het stadsbestuur en de vergunnende hogere overheid (AROHM, monumenten en landschappen) hebben alvast voorwaarden gesteld die het vergunnen van het voorliggende ontwerp onmogelijk maken. In het dossier lezen we immers: “Nieuwbouw moet beperkt van omvang blijven en zich discreet opstellen ten aanzien van het historisch patrimonium: het volume van de telefooncentrale mag geenszins overschreden worden”. (Met ‘telefooncentrale’ wordt, nemen we aan, het wit gepleisterde gebouw bedoeld, dat zich achter het huis Calis bevindt). Er wordt ook nog in de bouwvoorwaarden vermeld: “In elk geval kan en mag het bestaande volume onmogelijk overschreden worden”.

Aangezien hieraan op geen enkele wijze wordt voldaan, nemen we aan dat ook dit op zich al een doorslaggevende reden zal zijn om de bouwvergunning te weigeren.

3)      Ons derde argument is van architectonische aard. Het is uiteraard een onmogelijke taak voor een ontwerper om een passende uitdrukking te geven aan een gebouw dat hoe dan ook disproportioneel is in verhouding tot de plek waar het moet komen. Vandaar de gewrongen situatie met het reusachtige dak en het dominerende van het volume ten aanzien van de historische omgeving. Dit kan nooit goed komen.

Daarenboven toont de architecturale uitdrukking aan dat bouwen op deze plek uit den boze is. Wat als ‘hedendaagse architectuur’ wordt voorgesteld is een pompeus en ongeïnspireerd gebouw, opgetrokken in materialen en met een vormentaal die op één van de cruciale plekken van de Brugse binnenstad volkomen misplaatst zijn.

Wij zouden hierover nog verder kunnen argumenteren, maar aangezien het gebouw zoals het wordt voorgesteld, hoe dan ook niet vergunningsvatbaar is, zullen we dit in huidige termijn niet doen. We kunnen ons trouwens aansluiten bij wat in het dossier hierover door de diensten wordt aangemerkt: “bovenmaats, te uniform, te dominant in deze kwetsbare omgeving”.

4)      Bijkomend hebben we bezwaren tegen de voorgestelde ondergrondse parkeerruimte, die men maximaal wil bruikbaar maken door er de toegang via een lift te voorzien en door er een zogenaamde ‘valetparking’ van te maken. De stadsdiensten hebben al bij voorbaat meegedeeld dat dit een onaanvaardbare oplossing is, en ook hierdoor zal dus ongetwijfeld de aanvraag worden geweigerd.

We willen ten overvloede nog verwijzen naar de aanzienlijke overlast die een dergelijke parking zal betekenen voor de Peerdenstraat en andere aanpalende straten. Er ontbreekt in het dossier een rapport over de hinder en last die zal worden berokkend.

Zowel voor de ondergrondse parking als voor de nieuwbouw met betonskelet wordt op geen enkele wijze aangeduid hoe zal vermeden worden dat schade wordt berokkend door deze brutale constructieve ingrepen op de naastliggende historische en kwetsbare constructies.

5)      Wat betreft het cruciale element in dit dossier, namelijk de historische gebouwen, geven de plannen geen enkele geruststelling over de wijze waarop deze uiterst belangrijke monumenten zullen worden gerestaureerd en voor hun nieuwe functie zullen worden verbouwd. In het bouwdossier berust hierover geen enkele aanwijzing noch voorafgaande studie.

Het spreekt nochtans vanzelf dat de overheid in de eerste plaats hierom moet bekommerd zijn. Hoe zou ze ook maar kunnen denken aan het verlenen van een bouwvergunning, zonder dat, zoals het voor elk monument past, a fortiori voor een geklasseerd monument, een bouwhistorische studie en een gedetailleerd restauratiedossier wordt voorgelegd?

Het gaat hier immers om twee uiterst belangrijke monumenten, die van dezelfde architecturale en historische waarde zijn als bvb. het Belfort en de Hallen, het stadhuis en het Paleis van het Vrije. Het is meteen zeggen dat er eigenlijk, na méér dan honderd jaar verwaarlozing, maar één juiste oplossing bestaat, namelijk het verwerven van deze gebouwen door de overheid en het restaureren volgens alle regels van de kunst.

Als het verder zou blijken dat de verantwoordelijken van de historische stad Brugge, deze belangrijke verantwoordelijkheid willen ontwijken, dan moeten ze er minstens op toezien dat de restauratie de gebouwen in hun volle waarde herstelt. Dit moet dan, als het door een particuliere bouwheer gebeurt, wel met aanzienlijke overheidstoelagen ondersteund worden. De nieuwbouw achter de historische gebouwen is ook in deze optiek volledig uit den boze.

Als het stadsbestuur deze verantwoordelijkheid niet inziet en zich verschuilt achter makkelijk te weerleggen financiële argumenten, dan zal het ons spijten te moeten vaststellen dat dit bestuur alleen in een zo belangrijk dossier alleen lippendienst bewijst aan de monumentenzorg, en zullen we UNESCO hieromtrent waarschuwen.    

Al deze argumenten maken dat, na al wat hierover al zoveel jaren in Brugge is besproken en geconcludeerd, het verbazend is dat het stadsbestuur zelfs maar de mogelijkheid heeft gelaten een dergelijk megaproject bespreekbaar te maken, in plaats van de bouwheren onmiddellijk te wijzen op de onmogelijkheid ervan.

Om al deze redenen, en andere die in de loop van de procedure nog kunnen worden naar voor gebracht, verzoeken we het College van burgemeester en schepenen de gemelde bouwaanvraag te weigeren.

Wij verblijven, Geacht College,

                                                            met bijzondere hoogachting,

Correspondentieadres: Veldmaarschalk Fochstraat, 75, 8000 Brugge

www.andriesvandenabeele.net