College van Burgemeester en Schepenen

Stadhuis
Burg, 11
8000 BRUGGE

Brugge, 8 november 2004

 

Geacht College,

Betreft : Bouwaanvraag door Royal Center, Koningsstraat 151, 1210 Brussel tot het bouwen van hotel, restaurant, vergadercentrum en ‘welnesscentrum’ met parking op de gronden van het voormalig Prinsenhof (Brugge, Sectie D, nrs 693h, 718s en 718r).

Als vereniging die zich tot doel stelt de historische stad Brugge en zijn patrimonium te beschermen, en derhalve rechtstreekse belanghebbende, tekenen wij bezwaar aan tegen vermelde bouwaanvraag en verzoeken wij ze niet te vergunnen. Onze bezwaren hiertegen zijn de volgende :

1)      Principieel dient deze bouwaanvraag, wat betreft het hotel, te worden geweigerd. Het is nu meer dan tien jaar geleden dat het stadsbestuur, na een belangrijke en door een aanzienlijk deel van de Bruggelingen ondersteunde campagne, onder het motto ‘S.O.S. voor een leefbaar Brugge’ besliste een volledige bouwstop op te leggen voor alle nieuwe hotels in de binnenstad. De bouwstop werd voor wat betreft bestaande hotels dermate omzeild dat sindsdien al honderden hotelkamers zijn bijgekomen. Reden te meer om minstens de hand te houden aan de hotelstop voor wat betreft nieuwe hotels. Het argument om ook hieraan een mouw te passen, door voor te houden dat vroegere toezeggingen behouden blijven, is weinig steekhoudend. Het ging immers om vage beloften op nog niet ingediende bouwplannen, waarbij noch juridisch noch moreel ook maar enige verplichting door de stad werd aangegaan. Na meer dan tien jaar moet worden voorgehouden dat een redelijke termijn om een eventuele toezegging te honoreren, sindsdien méér dan ruimschoots is overschreden.

2)      Zelfs indien men in het concrete geval van het Prinsenhof zou betogen dat een toezegging werd gedaan, dan is die zeker nooit tot in het detail gegaan van wat precies werd toegezegd en kan men op basis hiervan niet voorhouden dat de stad het huidige megaproject zou hebben voor ogen gehad. Integendeel, door vorige eigenaars en ontwikkelaars werd voorgehouden dat het om een bescheiden inplanting zou gaan, waarbij voornamelijk de exclusiviteit van een luxehotel werd onderstreept. In die omstandigheden, wanneer binnen de bestaande gebouwen bvb. maximaal een vijftigtal hotelkamers zouden gevraagd zijn, is het waarschijnlijk dat we hiertegen geen al te grote bezwaren zouden geuit hebben, en in dit geval het overtreden van de door de stad afgekondigde bouwstop wel zouden veroordeeld maar niet aangevochten hebben. Het thans voorliggende ontwerp is natuurlijk van een gans andere orde.

3)      Ons eerste bouwkundig bezwaar is van archeologische aard. De plek waarop het voormalige Prinsenhof stond, heeft een aanzienlijke rol in onze geschiedenis gespeeld, als residentie en regeringszetel van de Bourgondische hertogen. De resultaten van de eerste opgravingen die onlangs werden uitgevoerd laten veronderstellen dat nog heel wat historisch belangrijke getuigen zich aldaar ondergronds bevinden. Het lijkt ons ondenkbaar dat hier zomaar alles zou worden omgewoeld en gebetonneerd in functie van een ondergrondse parkeergarage. Er moet integendeel overwogen worden de bestaande bescherming als monument van het hoofdgebouw, uit te breiden tot de ganse archeologische site.

4)      Het tweede bouwkundig bezwaar betreft de nieuwbouw. Wij stellen vast dat het hier om een méér dan volumineus supplement gaat, naast het bestaande gebouw. Het gaat om een gebouw dat wat betreft volumes, meer bepaald hoogte, de bestaande bouwverordening aanzienlijk overtreedt. Alleen daarom is het verlenen van een vergunning onmogelijk.

5)      Het derde bouwkundig bezwaar betreft de ondergrondse parkeergarage. Er dient vooreerst opgemerkt dat hier door de bouwheren een soort ‘salamitactiek’ wordt toegepast, waarbij telkens weer nieuwe toevoegingen worden gedaan. Enkele jaren geleden werd de boodschap uitgezonden dat voor hun exclusief hotel geen parking nodig was, omdat een ‘voiturier’ de luxewagens die de klanten aanvoerden, naar een elders gelegen parkeerplaats zou brengen. We zijn daar thans ver van af, met een ontwerp voor bijna 150 ondergrondse parkeerplaatsen. De steeds maar gulziger eisen van de bouwheer doen daarbij veronderstellen dat, eenmaal deze vraag binnengehaald, ze nog verdere uitbreiding zullen willen.

Om heel wat redenen is deze parkeergarage onaanvaardbaar, o.m.:

-          hij voorziet in een aantal plaatsen dat aanzienlijk de stedenbouwkundige vereisten overschrijdt, zoals die in functie van het nochtans aanzienlijke hotelproject, worden gesteld;

-          hij brengt onvermijdelijk een verkeersstroom op gang die zowel in de nauwe straten gelegen tussen Noordzandstraat en Prinsenhof als in de Moerstraat en de er naartoe leidende straten een aanzienlijke hinder zullen betekenen en een nadelige hypotheek op de bewoonbaarheid zullen leggen.

Er dient hierbij te worden opgemerkt dat, voor zoveel ons bekend, geen studie noch milieurapport werd gemaakt waarbij op objectieve wijze de impact van de te genereren verkeersstroom is onderzocht. 

6)      Het volledige voorgestelde ontwerp komt neer op een megaproject. Niet alleen wil men een aanzienlijke ondergrondse parkeergarage, niet alleen wil men een groot hotel met 100 kamers, maar daarbij wil men ook nog een restaurant, een ‘welnesscenter’ en congresaccomodatie. Men hoeft niet veel berekeningen te maken om vast te stellen dat, afgezien van de hierboven gemelde redenen, een dergelijke volumineuze inplanting niet kan aanvaard worden. We beschikken niet over de precieze gegevens om de verhouding Vloer/terreinoppervlak te meten. Indien de stadsdiensten dit even willen opmeten, zullen ze tot de vaststelling komen dat de totaal nuttige oppervlakte (parking inbegrepen) aanzienlijk hoger en zelfs onaanvaardbaar hoger zal liggen dan de 1/1 of maximaal 2/1, wat als vuistregel voor een aanvaardbare verhouding wordt aangenomen. Wat daarboven uitstijgt leidt praktisch onvermijdelijk tot de vaststelling van een te zware bezetting, die nadelig is voor de omgeving. Daarbij moet worden gevreesd, gelet op de voorgeschiedenis in dit dossier dat, eenmaal de bouwaanvraag verworven, de bouwheren nog bijkomende bouwwerken zullen nodig achten en de druk om die te vergunnen zeer groot zal zijn.

7)      Meer algemeen dient te worden opgemerkt dat de hotelstop waar destijds toe werd besloten niet zomaar een gril was, maar voortkwam uit de vaststelling dat op weinige jaren tijd een overdadige hoeveelheid hotelkamers in de Brugse binnenstad was gerealiseerd. Niet alleen werd aangenomen dat hieraan een grens is, boven dewelke de ganse hotelsector dreigt in crisis te geraken (grens die men zich trouwens nooit de moeite heeft getroost ernstig te bestuderen), maar anderzijds dreigde en dreigt een al te eenzijdige overdaad van eenzelfde functie de nodige variëteit van de mekaar aanvullende functies in de binnenstad teloor te doen gaan en dreigt vooral de bewoning steeds meer onder druk te komen, wat net het tegenovergestelde is van wat het bestuur als eerste prioriteit moet nastreven en ondersteunen.

Al deze argumenten zijn van die aard dat, na al wat hierover al zoveel jaren in Brugge is besproken en geconcludeerd, het verbazend is dat het stadsbestuur zelfs maar de mogelijkheid heeft gelaten een dergelijk megaproject bespreekbaar te maken, in plaats van de bouwheren onmiddellijk te wijzen op de onmogelijkheid ervan.

Om al deze redenen, en andere die in de loop van de procedure nog kunnen worden naar voor gebracht, verzoeken we het College van burgemeester en schepenen de gemelde bouwaanvraag te weigeren.

Wij verblijven, Geacht College,

 

Met bijzondere hoogachting,

A. Van den Abeele
voorzitter


www.andriesvandenabeele.net