Marcus Gerards v.z.w.

Brugge

 

College van Burgemeester en Schepenen

Stadhuis
Burg, 11
8000 BRUGGE

Brugge, 9 maart 2005

 

Geacht College,

Betreft : Bouwaanvraag door n. v. Minnewaterpark, Waregem tot het verbouwen en bijbouwen op een perceel gelegen Sulferbergstraat 36, kant Minnewaterpark.

Als vereniging die zich tot doel stelt de historische stad Brugge en zijn patrimonium te beschermen, en derhalve rechtstreekse belanghebbende, tekenen wij bezwaar aan tegen de bovengemelde bouwaanvraag en verzoeken wij ze niet te vergunnen. Onze bezwaren hiertegen zijn de volgende :

1)      Het voor de handliggende bezwaar is van stedenbouwkundige aard. Het lijkt ons ondenkbaar dat op dit perceel een verdubbeling van de bebouwing zou worden toegelaten, waardoor een V/T van ver boven de 2 zou worden bereikt, zelfs zonder te ondergrondse bouwgedeelten mee te rekenen. Het springt in het oog dat de gevolgen hiervan nadelig zullen zijn op de verschillende punten waar we hierna zullen op terugkomen.

2)      We hebben het vooreerst over het bestaande gebouw. Het valt onmiddellijk op dat dit gebouw nu al een aanzienlijk volume heeft, dat de andere volumes in deze straat aanzienlijk overstijgt. Dit is des te meer zichtbaar sedert het Minnewaterpark publiek is geworden en het silhouet van dit gebouw in grote mate het park domineert.

Over dit gebouw zou veel te zeggen zijn, over de manier waarop het in de jaren zestig werd gebouwd, over de afwijking om achteraan te bouwen in plaats van de normale bebouwing op de rooilijn, over de architectuur.

Met wat goede wil kan men zeggen dat het om een sober hedendaags gebouw gaat, dat ondanks zijn zwaar volume niet al te overmatig stoort in de omgeving. Maar dan is ook gezegd dat dit echt het maximum is wat die omgeving kan verdragen. Nu de vroegere bestemming, waarvoor het argument van de achteruitbouw werd gehanteerd (namelijk een bezinningstehuis) niet meer van toepassing is, kan men zich eerder afvragen of dit gebouw niet zou moeten verdwijnen en worden vervangen door een passende bebouwing langs de rooilijn. Als men zoiets niet ziet zitten, dan moet het alvast worden uitgesloten dat dit gebouw nog verder zou worden uitgebreid.

Dit nu al te volumineuze gebouw nog verder uitbreiden door er een bijkomende verdieping bovenop te bouwen, kan vanuit de gemeentelijke bouwreglementen zeker niet worden vergund. Dit punt alleen al lijkt ons voldoende om de aanvraag zonder meer te weigeren.

Wat daarbij de haren ten berge doet rijzen is de nieuwe uitdrukking die men aan de gevels, vooral kant Minnewaterpark wil geven. Het wordt een onvoorstelbare ‘batterie’ van aangebouwde zonneterrassen, waarbij de bouwpromotor zal adverteren dat men zal kunnen genieten van het blijvend vrij uitzicht op het publieke park. Het is nu al duidelijk wat de toestand zal zijn die men vanuit het park zal vaststellen: een allegaartje van terrasmeubilair en potplanten, toekijkende bewoners naar al wie door het park wandelt, eventueel zelfs was die te drogen zal hangen. Men kan het zich niet voorstellen dat het stadsbestuur aan de voorgestelde nieuwe toestand zou kunnen zijn akkoord geven. Dit is het soort gebouw en architectuur dat men waarschijnlijk zelfs in Benidorm niet meer zou willen.

Van de sobere kwaliteiten die het huidige gebouw heeft en de enige reden is waarom men het behoud ervan kan aanvaarden, zou totaal niets meer overschieten.

Om het bestaande volume maximaal te kunnen uitbuiten, voorziet men trouwens een uitbreiding met een trappenhuis.

De conclusie is dan ook dat, als men het bestaande gebouw wil behouden en tot appartementen wil verbouwen, dit enkel kan mits het behoud in zijn huidige toestand, zowel wat volumes als uitwendig uitzicht betreft.

Als de stad om onbegrijpelijke redenen de voorliggende verbouwing zou toelaten, moet ze consequent zijn en een gemene muur laten optrekken, die dit gebouw aan het zicht van en op het Minnewaterpark onttrekt.

3)      Een ander gevolg van de achteruitbouw is dat het bestaande gebouw gedeeltelijk achter huizen ligt die, zoals het hoort, op de rooilijn zijn gebouwd. Het is duidelijk dat deze inkijk langs achter de vrijdom van de bewoners schaadt en het is opvallend dat de huizen in kwestie, in vergelijking met andere huizen in dezelfde rij, het moeilijk blijken te hebben om permanente bewoning te hebben.

Dit zou op zich al een argument voor rechttrekking van een scheve toestand zijn. Men wil evenwel nog verder gaan door bovenop een inwaarts gelegen kapel nog supplementair appartementen te bouwen. Als dit zou toegelaten worden, zou de vrijdom van de daar rechtover gelegen huizen helemaal met de voeten worden getreden. Ook dit is derhalve onaanvaardbaar.

4)      Alsof dit nog niet voldoende is, wordt ook nog aan de straatkant de bouw van verschillende appartementen voorzien, met het overdreven en niet vergunbaar volume van vier bouwlagen. Dit, in supplement met wat achteraan is voorzien, is hoe dan ook een al te overdreven belasting voor het perceel. Het zou de beste oplossing zijn, langs de straatkant en op de rooilijn te bouwen, in het verlengde van de aanwezige huizen en mits slopen van het achterliggende huidige gebouw. Beide oplossingen, namelijk bouwen op de rooilijn en verder uitbreiden van het bestaande achterliggende gebouw is onaanvaardbaar.

5)      Hoezeer het ontwerp een overbelasting zal betekenen voor dit beperkte terrein, wordt bijkomend aangetoond door de wijze waarop men aan de verplichting betreffende parkeergarages wil tegemoet komen, namelijk door het bouwen van een lift die 32 wagens naar de twee onderliggende verdiepingen moet brengen (met dan nog supplementair 7 wagens bovengronds). Dit is de verkeerde weg opgaan. Men moet integendeel het aantal appartementen beperken in functie van de garages die men op een normale wijze kan inplanten. Men mag tevens niet vergeten dat zo’n installatie een flinke hinder (o.m. lawaai, evt. trillingen) zal betekenen voor de naastgelegen buur, terwijl het in- en uitrijden van die talrijke wagens, via een traag liftensysteem, een verkeershinder zal betekenen in de straat. Het is hoe dan ook een precedent dat men beter niet moet scheppen.

6)      De conclusie is duidelijk. Ook al is het op zich toe te juichen dat nieuwe woongelegenheden in de binnenstad komen, dit moet ‘met redens en manieren’ gebeuren, binnen de gemeentelijke en stedenbouwkundige regels en voorschriften en zonder toe te geven aan projectontwikkeling die, op de rug van de aantrekkelijkheid die Brugge te bieden heeft, overdreven winsten wenst te realiseren.

Om al deze redenen, en andere die in de loop van de procedure nog kunnen worden naar voor gebracht, verzoeken we het College van burgemeester en schepenen de gemelde bouwaanvraag te weigeren.

Wij verblijven, Geacht College,

 

met bijzondere hoogachting,

Andries Van den Abeele
voorzitter
56, Stijn Streuvelsstraat
8000 BRUGGE

www.andriesvandenabeele.net