Marcus Gerards vzw

Bezwaarschrift tegen het project genaamd ‘Park Katelijne’, gelegen tussen Katelijnestraat en de Vispaanstraat.

Het stadsbestuur is gevat door een aanvraag voor het bouwen van een aanzienlijk complex van gebouwen op het terrein van het vroegere klooster van de Redemptoristinnen. Het openbaar onderzoek is thans lopende

In de begeleidende nota lijken de projectontwikkelaars er van uit te gaan dat hun ontwerp beantwoordt aan de eisen die het stadsbestuur tijdens voorgaande besprekingen heeft vooropgesteld. Ofwel nemen ze hun wensen voor werkelijkheid, ofwel werden door sommige stadsbestuurders beloften gedaan die ver buiten de perken treden van wat aanvaardbaar is.

Voor zoveel ons bekend werd nooit een stedenbouwkundig attest aangevraagd, dat het stadsbestuur er zou toe genoopt hebben een precieze beslissing te nemen over wat op dit terrein mogelijk is, over de maximale verhouding bebouwde en onbebouwde oppervlakten, over de maximale verhouding bouwvolumes ten overstaan van de totale oppervlakte (V/T), over de maximum te bewaren groene ruimten, over de bestemming van terrein en gebouwen, meer bepaald van het kerkgebouw, enz.

Men heeft het dus klaarblijkelijk gehouden bij een paar mondelinge besprekingen, die volgens men uit het dossier kan opmaken, niet door formele schriftelijke conclusies werden bevestigd. Men heeft dus liever het indienen afgewacht van een volledig ontwerp, alvorens op het project in te gaan, en er zich over uit te spreken.

Dit is uiteraard niet de passende werkwijze die men in goed bestuur moet volgen. Voor deze belangrijke eigendom (méér dan 1 ha), gelegen in de historische binnenstad, had het stadsbestuur al lang geleden, en zeker sedert het te koop aanbieden ervan, een stedenbouwkundig attest, bij voorkeur zelfs een BPA moeten opmaken, zodat zowel de eigenaars (de kloostercongregatie en haar volmachthebber) als de geïnteresseerde kopers, zouden weten binnen welke grenzen een project kan worden bedacht. Afwachten totdat een ontwerp wordt ingediend, doet niet alleen veel tijd en geld verliezen, maar riskeert uit te monden op juridische steekspelen en beroepen bij de hogere overheid, waarbij het niet zeker is dat de stad zijn gelijk zou halen.

Om die redenen en teneinde in het belang van de stad een goede toekomst voor deze eigendom te garanderen, is het nog niet te laat, maar dan toch uiterst dringend, een BPA op te stellen, dat de nodige rechtsgrond verleent. Een dergelijk BPA zal dan voorwaarden opleggen die zullen verhinderen dat volledig onaanvaardbare projecten worden voorgelegd, laat staan worden goedgekeurd. De bezwaren die we hierna formuleren, zijn op dit punt naar onze mening voldoende duidelijk.

1.      De bestemming

Sinds het vroegere klooster te koop staat, had het stadsbestuur moeten overwegen en beslissen het zelf aan te kopen. Het is onbegrijpelijk dat een vooruitziend bestuur een dergelijke eigendom, in volle stad, zomaar aan de toevalligheden van geïnteresseerde projectontwikkelaars overlaat.

Het behouden van een groen gebied, in een stadsgedeelte waar nog weinig uitbreiding van openbaar groen mogelijk is, gebiedt tot verwerving door de stad. Voor zoveel ons bekend zijn er binnen de stadsdiensten studies gemaakt die de noodzaak van het behoud van deze eigendom als groen gebied bevestigen. We vermoeden dat de aankoop met een dergelijke bestemming op toelagen van de Vlaamse overheid kan beroep doen.

De bestaande gebouwen zijn daarbij een voor de hand liggende mogelijkheid voor de uitbreiding van de te eng behuisde Academie en Nijverheidsschool, die aan de overkant van de straat liggen. Gelet op de bestemming als schoolgebouw, zou dit trouwens met overheidstoelage kunnen gerealiseerd worden en hoeft men alvast niet komen aandraven met het argument van te krappe stadsfinancies.

2.      Het voorliggende project.

Het voorliggende ontwerp voorziet in een totaal van 78 appartementen, 37 ‘service flats’, een hoeveelheid (wij lezen 187) ‘woonvertrekken’ voor collectieve of toevallige gebruikers, een ‘zorgencentrum’, dit alles boven op een ondergrondse parking met vier niveaus. 

In algemene zin moet men vaststellen dat hier een ten uiterste overdreven bouwproject wordt voorgelegd, dat de perken van het aldaar toelaatbare vele malen overschrijdt.

Het project draagt ten onrechte de naam ‘Park Katelijne’, want van groen zal weinig overblijven. Anderzijds wordt gespeculeerd op het feit dat het een ‘sociaal’ project zou zijn, een zogenaamd ‘zorgencentrum’. Dit moet dan verbergen dat het hier in feite om een doodgewoon vastgoedproject gaat, zoals zal blijken. Hierna volgen onze bezwaren.

a)      De verhouding bebouwd – onbebouwd.

Ook al zijn de becijferde gegevens die door de aanvrager bij het ontwerp zijn gevoegd niet duidelijk en zelfs tegenstrijdig, is het alvast een zekerheid dat een aanzienlijk groter deel van het terrein zal ingenomen worden door gebouwen en door de ermee samengaande verharde zones en nutsvoorzieningen. Alleen nog een klein stukje van de vroegere groene long zou bewaard blijven. Er is geen enkele reden waarom dit zou moeten worden toegelaten.

b)     De verhouding terreinoppervlakte tot het bouwvolume

Hier opnieuw zijn de meegedeelde cijfers onduidelijk of tegenstrijdig. Het ontwerp toont evenwel aan dat, gezien de uitbreiding in de hoogte van bestaande gebouwen en het bouwen van een aanzienlijke hoeveelheid nieuwe gebouwen, in beide gevallen met vijf bouwlagen, het bouwvolume en de nuttige gebouwde oppervlakte minstens 5 maal méér zal bedragen dan wat het thans is. Hiervoor bestaat evenmin een aanvaardbare argumentatie.

c) Het bestaande kloostergebouw, dat in een vierkant is gebouwd, naast de kerk, wordt ongeveer behouden maar aanzienlijk uitgebreid in de hoogte, met bijkomende bouwlagen. De tuin die er middenin ligt zal, geprangd tussen die hoogbouw, nauwelijks nog zonlicht ontvangen. Daarnaast worden twee grote appartementsgebouwen opgetrokken, de ene langs de Katelijnestraat, de andere binnen op het domein. Het gaat om gebouwen met vijf bouwlagen, wat klaarblijkelijk een overdreven hoogte en volume is, zowel in hoofde van de bestaande gemeentelijke reglementen als meer bepaald in functie van wat in de gevelontwikkeling van de Katelijnestraat aanvaardbaar is.

d) De architecturale vormgeving laat aanzienlijk te wensen over. Dit is het onvermijdelijke gevolg van de overdreven volumes. De Katelijnestraat zal ‘geteisterd’ worden door een veel te massief gebouw, waarvan de gevelwand zich eentonig over tachtig meter zal uitstrekken. Dit gebouwencomplex zal sterk in ongunstige zin afsteken bij de godshuizen (beschermde gebouwen) ter linkerzijde en bij de niet-beschermde maar waardevolle woonhuizen ter rechter zijde.

e) Van de bestaande tuin blijft nog maar weinig over. Men argumenteert alsof het behoud van het kleine lapje groen, een wonderbaarlijk geheel zal vormen. Dat is uiteraard niet het geval. Daarbij spiegelt men voor dat het ‘beperkt toegankelijk’ zou zijn voor wandelaars. Is de toegeving wellicht gedaan in de verwachting dat deze ‘tuin’ door de Groendienst van de stad Brugge zal worden onderhouden?

f) Een ander element dat onaanvaardbaar is, betreft het voorzien van een uitgebreide ondergrondse parkeergarage op niet minder dan vier niveaus. Bovengrondse gebouwen en ondergrondse parkeergarage zouden derhalve samen niet minder dan negen niveaus beslaan! Men dient enerzijds zeer kritisch te staan tegenover een dergelijk diep uitgraven, waarvan de ganse omgeving onvermijdelijk aanzienlijke schade zal ondervinden. Anderzijds zal het verkeer in de nu al zeer drukke Katelijnestraat aanzienlijk worden gestremd door het supplement aan in- en uitrijdende auto’s van deze aanzienlijke parking.

g) De bestemming van de kerk van de Redemptoristinnen blijft een vraagteken. Hierover wordt in het ontwerp met geen woord gerept. Het gaat om een interessant bouwwerk, dat eigenlijk al lang als monument had moeten beschermd zijn en in ieder geval goede bewaring en passende nieuwe bestemming verdient. De verkoop van het domein mag zeker niet worden toegestaan indien geen duidelijkheid bestaat over de toekomst en bestemming van deze kerk.

www.andriesvandenabeele.net