KNOKKE EN DE KOUDE OORLOG

Voorname schrijvers uit Oost- en West-Europa in april 1954 bijeen aan de Belgische Oostkust.

 

Op zaterdag 3 en zondag 4 april 1954 verbleven enkele vooraanstaande letterkundigen uit binnen- en buitenland in Knokke. Ze kwamen geen lezing houden of aan een publieke manifestatie deelnemen. Er was geen pers te bespeuren en in de kranten werd over die bijeenkomst niets gemeld[1]. Wie waren zij en met welke bedoeling vertoefden ze samen aan de Belgische kust?

De ‘Koude Oorlog’

Om deze bijeenkomst te begrijpen moet men zich in de context plaatsen van de Koude Oorlog. De goede verstandhouding tussen de geallieerden, vooral het nogal naïeve vertrouwen van president F. D. Roosevelt en zijn entourage in Stalin en de Sovjets (vertrouwen dat W. S. Churchill nooit deelde), was al onmiddellijk na de Conferentie van Jalta (februari 1945) en zeker na de dood van Roosevelt (12 april 1945) aan het verkeren.

Op de Conferentie van Potsdam (juli 1945) begon het antagonisme tussen de geallieerden zich duidelijk af te tekenen. Het vermoeden werd gesterkt dat Stalin geen enkele rekening zou houden met afspraken die gemaakt waren om in de Oost-Europese landen, na democratische verkiezingen, regeringen te vormen die aan de uitslag ervan beantwoordden.

In een telegram aan Truman had Churchill het voor het eerst over een ‘ijzeren gordijn’ dat Oost-Europa van het Westen afscheidde[2]. Het nam de Amerikanen wat meer tijd om dit in te zien. Pas toen bleek dat de Sovjetunie weigerde deel te nemen aan op te richten organisaties (het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank) kregen zij argwaan. In februari-maart 1946 begonnen de Amerikanen aan een grondige herziening van hun politiek tegenover de Sovjetunie[3]. In dezelfde periode, op 5 maart 1946, hield Churchill zijn overbekende rede aan de Universiteit van Fulton: From Stettin in the Baltic to Triëste in the Adriatic, an iron curtain has descended across the Continent. De laatste daad van relatieve eensgezindheid vond in Nürenberg plaats, met name het proces dat in oktober 1946 leidde tot de veroordeling van de nazikopstukken.

De houding van de Amerikanen, in maart 1947 verwoord in wat de ‘Trumandoctrine’ werd genoemd, maakte rond die tijd als het ware een kruis over Oost-Europa dat verloren werd beschouwd voor de democratie. Daarentegen wilde men geen morzel grond meer afstaan van wat volgens de afspraken in de Westerse invloedssfeer lag. Het eerste concreet gevolg hiervan was de strijd die men aanging tegen de communisten in Griekenland en Turkije. Van toen af begon hetgeen, na een artikelenreeks van de gezaghebbende Amerikaanse columnist Walter Lippmann (1889-1974), algemeen de ‘Koude Oorlog’ werd genoemd.

In Oost-Europa werd de greep van de Sovjetunie totaal. Na meestal getrukeerde verkiezingen werd de Volksrepubliek en de ‘dictatuur van het proletariaat’ uitgeroepen in Bulgarije (september 1944), Joegoslavië (november 1945), Albanië (januari 1946), Hongarije (januari 1946, nadat de communisten bij de wetgevende verkiezingen van november 1945 amper 17% van de stemmen hadden behaald), Roemenië (november 1946), Polen (januari 1947) en Tsjecho-Slowakije (februari 1948). Voor al die landen was dit maar een bevestiging van de Sovjethegemonie die al vanaf eind 1944, begin 1945 een feit was.

De Sovjets weigerden voor zichzelf en voor de sattelietstaten aan het Marshallplan (juli 1947) deel te nemen en richtten een nieuwe Internationale op, het Kominform (september 1947). In dezelfde periode verdwenen de communisten uit de regeringen van de West-Europese landen. In België gebeurde dit in maart 1947.

De Koude Oorlog dreigde bijna een echte oorlog te worden ingevolge de Berlijnse blokkade door de Sovjets (juni 1948 tot mei 1949), waarbij voor het eerst in de gechiedenis, door het Westen een ‘luchtbrug’ werd georganiseerd teneinde de bevolking van de Amerikaanse, Britse en Franse sectoren van Berlijn te bevoorraden. De Sovjets legden uiteindelijk de duimen. In april 1949 richtten de Westerse landen een militair bondgenootschap op, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), gevolgd in 1955 (na de toetreding van West-Duitsland tot de NAVO) door het Warschaupact van de Oostbloklanden. In augustus 1949 werd de Duitse Bondsrepubliek gesticht met Bonn als hoofdstad, in oktober gevolgd door de Duitse Democratische Republiek met als hoofdstad Pankov bij Berlijn. In juni 1950 werd voor het eerst naar de wapens gegrepen: de mogendheden zowel van Oost als van West werden, eerder tegen hun zin, in de Koreaanse oorlog betrokken.

In diezelfde maand had in Berlijn de stichtingsbijeenkomst plaats van het Congres voor Culturele Vrijheid, een organisatie die gedurende bijna twintig jaar een belangrijke verzamelpunt zou zijn van intellectuelen uit het Westen, voornamelijk uit West-Europa en de Verenigde Staten, in meerderheid sociaal-democraten (in de VS ‘liberals’) die anti-communistisch waren. De voornaamste doelstelling was de strijd aan te gaan tegen alle vormen van totalitarisme en in die periode betekende dit uiteraard in de eerste plaats het stalinisme en het sovjet-communisme. Arthur Koestler, Nicolas Nabokov, Irving Kristol, Stephen Spender, Bertrand Russell, Benedetto Croce, Jacques Maritain, Salvador de Madariaga, Karl Jaspers, Isaiah Berlin, Denis de Rougemont, Ignazio Silone, Raymond Aron, Margarete Buber-Neumann, Czeslaw Milosz, François Furet, David Rousset, François Mauriac, André Gide, Albert Camus, Georges Duhamel, Carlo Schmidt, George Orwell, Upton Sinclair, John Dos Passos, John Dewey, Sidney Hook, Roger Caillois, Hannah Arendt, Heinrich Böll, Malcolm Muggeridge, Arthur Schlesinger, Boris Souvarine, dat waren enkele van de prominente namen die zich aan het Congres verbonden. Ook de rector van het Europa College in Brugge Hendrik Brugmans was één van hen. Een Belg die tot de groep behoorde was de dichter en romancier Charles Plisnier. Sommige onder deze prominente leden waren ex-trotskisten of ex-communisten, die ontgoocheld of klaarziend des te heviger tegen het sovjetimperium gekant waren. Meer algemeen kwamen de actieve leden vooral uit de linkse of centrumlinkse hoek. Uiteraard kwamen ze alleen maar voor in de Westerse landen: voor schrijvers uit de Oostbloklanden was toetreding compleet onmogelijk.

Het ‘Congres’ ontwikkelde zich tot een aanzienlijke onderneming, met afdelingen in 35 landen, die onder meer in verschillende talen een twintigtal tijdschriften publiceerde (de bekendste waren Preuves in Frankrijk, Encounter in Engeland, Tempo Presente in Italië, Quadrant in Australië en Monat in Duitsland), bestemd voor de intelligentsia in de Westerse landen. Einde de jaren zestig leek de opdracht in ruime mate volbracht en kwam er sleet op de organisatie. Tegen die tijd werden het ‘Congres’ en zijn satellietactiviteiten trouwens het voorwerp van kritiek, toen bleek dat de C.I.A. jarenlang via allerlei kanalen een aanzienlijke fondsenleverancier was geweest[4]. Het was dus tegen deze belangrijke, goed geoliede en kapitaalkrachtige machine dat hun opponenten, de sovjetgezinde intellectuelen, begin de jaren vijftig moesten optornen.

Het Pacifisme

In het Oostblok werden na 1946 de opposanten brutaal monddood gemaakt, in showprocessen opgevoerd en soms terechtgesteld. In het Westen werd de grote ommekeer die plaats vond in de door de mogendheden gevoerde politiek tegenover de Sovjetunie en het communisme, door de grote meerderheid van de bevolking gevolgd, maar door een deel ook niet. In Frankrijk en Italië behaalden de communisten steevast meer dan twintig procent van de stemmen bij wetgevende verkiezingen en vaak veel meer in gemeenten die men rode burchten ging noemen. Hun partijapparaten steunden ongenuanceerd de politiek van de Sovjetunie, wat gepaard ging met een onvoorwaardelijke verheerlijking van ‘vadertje’ Stalin, ‘le petit père des peuples’. Ook in andere West-Europese landen waren er onmiddellijk na de oorlog sterke communistische partijen, maar na 1947 zwakten ze versneld af, zowel in de Scandinavische landen als in de Benelux. In Groot-Brittannië speelden de communisten nooit een grote rol, tenzij als ‘militants’ op de extreem-linkerzijde binnen de Labourpartij. In de Verenigde Staten begon men, op basis van een wetgeving die al van voor de oorlog bestond, aan een ‘zuivering’ van de administratie en van het beroepsleven in het algemeen. Alle communisten of sympathisanten moesten worden gebrandmerkt.

Vanaf het begin van de Koude Oorlog begonnen de Sovjets, die in het Westen voor oorlogsstokers werden gehouden, met groots opgezette organisaties en campagnes die uitdrukking moesten geven aan de vredeswil van het Oostblok. Hiervoor werd in het Westen, en voornamelijk in Europa, een beroep gedaan op de communisten en op alle sympathisanten, die mee moesten opkomen tegen de door de Sovjetunie aangeklaagde oorlogszucht van de Verenigde Staten en van zijn Westerse bondgenoten.

De eerste grote manifestatie in die zin werd het in augustus 1948 in Wroklaw gehouden ‘Wereldcongres der intellectuelen voor de vrede’. In April 1949 kwam het Wereldcongres bijeen in Praag en in Parijs en stichtte het de ‘Vredesbeweging’ of ‘World Peace Council’, onder voorzitterschap van professor Frederic Joliot-Curie (Stalinprijs voor de Vrede 1950[5]). Vanaf augustus verscheen, onder toezicht van Moskou en van de Franse communisten, in vier talen het tijdschrift Les Partisans de la Paix, waarvan Renaud de Jouvenel de eerste hoofdredacteur werd. In maart 1950 volgde de ‘Oproep van Stockholm’ een grote petitiebeweging tegen kernwapens, die vooral bij jongeren succes had. De jonge Jacques Chirac tekende mee, maar ook de Belgische koningin Elisabeth. In november 1950 kwam het Wereldcongres bijeen in Warschau en in december 1952 in Wenen.

De invloed van deze activiteiten op de publieke opinie in West-Europa, meer bepaald op de linksgeoriënteerde bevolkingsgroepen, was niet te onderschatten. De Sovjets deden, vooral in het Westen maar ook in de satellietstaten, beroep op bekende intellectuelen, schrijvers, kunstenaars, professoren om op het voorplan te treden en het ‘gezicht’ te zijn van de op het getouw gezette activiteiten. In werkelijkheid werd alles nauwgezet vanuit Moskou geleid. Les diverses composantes du Mouvement de la paix et leurs réunions, étaient toutes censément dirigées par des comités composés de personnalités influentes ou célèbres des milieux artistiques et scientifiques, mais en pratique c’étaient des cadres communistes laborieux, le plus souvent installés à Prague, qui les contrôlaient[6].

Honderden intellectuelen, lid van de communistsche partij, zoals bvb. in Frankrijk Louis Aragon (Stalinprijs voor de Vrede 1956), Elsa Triolet, Claude Roy, professor Fréderic Joliot-Curie, evenals talrijke linkse sympathisanten, lieten zich op sleeptouw nemen. Grote namen in Frankrijk waren bvb. Irène Joliot-Curie, Pablo Picasso (Leninprijs voor de Vrede 1962), Paul Eluard, Fernand Leger, Julien Benda, Vercors, Gerard Philipe, Yves Montand en Simone Signoret, Madeleine Renaud en Jean-Louis Barrault, kanunnik Kir, Maurice Duverger, Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Pierre Cot (Stalinprijs voor de Vrede 1953), Yves Farge (Stalinprijs voor de Vrede 1953), Emmanuel d'Astier de la Vigerie (Stalinprijs voor de Vrede 1956), Hervé Bazin (Leninprijs voor de Vrede 1979), Emmanuel Mounier en veel anderen. Een tijdlang spanden zich zelfs de filosoof Merleau-Ponty en de socioloog Alfred Sauvy voor deze kar. Hetzelfde deed zich voor in de Verenigde Staten (met o.m. Charlie Chaplin en de zwarte zanger Paul Robeson, Stalinprijs voor de Vrede 1952), in Groot-Brittannië,met o.m. Hewlett Johnson, de ‘rode’ deken van Canterbury, (Stalinprijs voor de Vrede 1950) en Georges Bernard Shaw, in Italië met o.m. Pietro Nenni, (Stalinprijs voor de Vrede 1951), in de Scandinavische landen met o.m. Harald Laxness (Stalinprijs voor de Vrede 1949) en in mindere mate in de Duitse Bondsrepubliek, met o.m. de oud-kanselier van de Weimar-republiek Joseph Wirth (Stalinprijs voor de Vrede 1955). Ook in België kende men het fenomeen en onder de fellow travellers telde men het socialistisch parlementslid Isabelle Blume (1892-1975, Stalinprijs voor de Vrede 1953) en ook een paar ‘curés de gauche’, onder meer kanunnik Raymond Goor (1908-1996, Leninprijs voor de Vrede 1973). Als plaatselijke afdeling van de Wereldraad voor de Vrede, ontstond een ‘Belgische Unie voor de verdediging van de Vrede’, met als lid onder meer Ward Ruyslinck en Jef Turf.

Vanaf 1953 kwam de communistisch geïnspireerde Vredesbeweging stilaan in ademnood. De aanslepende oorlog in Korea, de arbeidersopstand in juni in Berlijn, de showprocessen in de Sovjetunie en de satellietstaten, ten laste zowel van tegenstanders als van communistische voormannen en van joden, het Joegoslavische schisma, de informatie die meer en meer doorsijpelde over het concentrationair regime in het Sovjetimperium, deden bij de eigen achterban vragen rijzen over de geloofwaardigheid van de vredeswil die de Sovjets afficheerden.

Dit belet niet dat veel linkse intellectuelen verder bekoord bleven door de sirenen uit Moskou en Praag en telkens opnieuw inspanningen leverden om de Sovjetpolitiek te ondersteunen en te propageren. Het is in deze optiek dat de bijeenkomst van april 1954 in Knokke plaats vond.

De ‘conferentie’ van Knokke en Antoine Allard

Op vrijdag 2 april 1954 streek een selecte groep intellectuels de gauche in Knokke neer. Ze hadden afspraak om bijeen te komen in het onlangs geopende La Réserve, hotel dat toen als één van de meest luxueuze in Europa gold. De termen ‘gauche caviar’ en ‘gauchistes de la tendance Villa Lorraine’ werden pas later uitgevonden, maar toen al schuwde men voor dergelijke bijeenkomsten het luxedecor niet. Alleen de vergaderingen zouden daar plaatsvinden, terwijl de deelnemers logeerden in het Linxhotel van de familie Van Isacker, gelegen op het einde van de Elisabethlaan. Pasen viel dat jaar op 18 april, dus twee weken nadien, zodat de bijeenkomst nog ruim buiten de voorjaarsdrukte viel. De weersomstandigheden waren wellicht niet gunstig, want Renaud de Jouvenel herinnerde zich later Knokke-le-Zoote (sic) als een assez triste station balnéaire belge[7].

Organisator was baron Antoine Allard (1907-1981)[8]. Naast zijn activiteiten als schilder en tekenaar, hield de gefortuneerde edelman zich met allerhande maatschappelijke activiteiten bezig. Kort na de oorlog was hij begonnen met een pacifistische beweging genaamd STOP WAR. Eén van zijn betrachtingen was atoomvrije zones uit te roepen, in afwachting van een volledige ban op kernwapens. Dit gaf aanleiding tot heftige polemieken in de Belgische pers. Aan Allard werd onder meer verweten dat hij zijn eerste atoomvrije zone voorzag in en rond Westkapelle…waar hij zijn buitenverblijf had.  Hij nam uiteraard ook deel aan de door de sovjets geïnspireerde vredescongressen. In 1964 werd hij medestichter van OXFAM in België en bleef er voorzitter van tot aan zijn dood. Zijn echtgenote, Elena Allard-Schott (1911-2004), die ook op de bijeenkomst in Knokke aanwezig was, bleef bij Oxfam actief tot aan haar dood.

Allard was een ‘chrétien de gauche’ die zijn inspiratie vooral zocht bij links-katholieke auteurs. Voor de communisten was hij duidelijk een compagnon de route. In zijn geschriften en onder meer in zijn boek Ferveurs (Brussel, 1960) trok hij van leer tegen de Amerikanen, tegen de NAVO en tegen de herbewapening van de Duitse Bondsrepubliek, terwijl hij de vredelievende houding roemde van de Sovjetunie, van de Chinese volksrepubliek en van de communistische wereld in het algemeen. Als hij al kritiek had op een aantal evoluties in de Sovjetunie en de satellietstaten, hield hij die binnenskamers. Hij nam deel aan allerhande bijeenkomsten in de Sovjetunie of in satellietstaten, zoals in 1952 aan een internationale economische bijeenkomst in Moskou, waar een CCDCI, Comité de Contribution au Développement du Commerce International werd opgericht[9].

Baron Allard deelde zijn overtuigingen met koningin Elisabeth (1876-1965). De communistische sympathieën van de bejaarde koningin-moeder waren bekend. Zij stoorde zich niet aan wat de grote meerderheid en meer bepaald de Belgische regeringen over het Sovjetblok dacht en trok bij herhaling op reis achter het IJzer Gordijn. In 1955 reisde ze naar Warschau en in 1958 naar Moskou. Dit kon nog op rekening van haar artistieke belangstelling geplaatst worden aangezien ze er het Concours Chopin voor piano en het Festival Tschaikovsky ging bijwonen. De volgende reizen kregen evenwel een uitgesproken politieke kleur. In 1959 bezocht ze Joegoslavië (ook Israël) en in 1961 de Sovjetunie en de Volksrepubliek China. Telkens werd ze door de hoogste politieke leiders ontvangen. Op haar manier was de koningin voor de communisten een formidabele compagnon de route. Die reizen en in ieder geval de twee laatste, werden door Allard georganiseerd. Hij reisde mee met de koningin en zorgde ervoor dat alle deuren voor haar open gingen.

Was de bijeenkomst in Knokke een initiatief van Allard zelf of werd hij hiervoor vanuit de Vredesbeweging aangemoedigd of er zelfs om verzocht? We zullen het wellicht nooit weten. Hoe dan ook, wat naar buitenuit voor een bijeenkomst van letterkundigen kon doorgaan, had in werkelijkheid tot doel nieuwe impulsen te geven aan de betrokkenheid van de linkse intellectuelen binnen de door de Sovjets geleide vredesbeweging. Als we Vercors mogen geloven was Allard de initiatiefnemer: Le baron Allard, industriel de bonne volonté s’il en est, qui sacrifie tout le temps libre que lui laissent ses affaires pour lutter pour la paix, a organisé avec le soutien de la reine Elisabeth et le concours pour la France d’Elsa Triolet, une rencontre d’écrivains de l’Est comme de l’Ouest.

De deelnemers.

Ook al mislukten de pogingen om schrijvers behorende tot het gematigde centrum (François Mauriac, Thomas Mann) tot deelname te overtuigen, slaagde Allard er alvast in een illuster gezelschap van communistiscgezinde opiniemakers bijeen te brengen. We bekijken ze hierna, per nationaliteit, van wat naderbij.

De DDR

Bertolt Brecht (1898-1956) stond in 1954 op het hoogtepunt van zijn internationale roem. Samen met zijn vrouw Hélène Weigel (1900-1971) dirigeerde hij in Oost-Berlijn het Berliner Ensemble en zowat over de ganse wereld werd zijn werk[10], o.m. de Driestuiversopera en Moeder Courage opgevoerd. Einde 1953, als dank voor zijn steun aan het DDR-regime  tijdens de arbeidersopstand van 17 juni, werd hij ondervoorzitter van de Duitse Kunstacademie en kreeg hij de beschikking over het compleet gerestaureerd Theater Schiffbauerdamm voor zijn gezelschap en over een mooi herenhuis als privé-woonst. Kort daarop verleende Moskou hem de Stalinprijs voor de  Vrede.

In een aantal Westerse middens was hij door zijn steun aan het sterk gedevalueerde Ulbrichtregime uitermate controversieel geworden en het waren dan ook alleen maar communisten of fellow travellers zoals Allard die bereid waren met hem aan tafel te zitten. De uitnodiging die einde februari naar Brecht werd gestuurd, was niet alleen door Allard, maar ook door Vivier en Hubaux ondertekend. Om aan de bijeenkomst te kunnen deelnemen werd hem pas op 30 maart 1954 door de Belgische Missie in Berlijn een ‘laissez passer tenant lieu de visa’ overhandigd die slechts van 1 tot 6 april geldig was[11]. Brecht nam een slaapwagon van Berlijn naar Brussel. Van daar spoorde hij naar Brugge, waar hij een kort bezoek aan bracht. Hij vermeldt het in zijn dagboek voor de eerste helft van 1954: Ich sah die Marktplatz von Brügge. Van daar trok hij naar Knokke[12].

Anna Seghers (Mainz 1900 - Oost-Berlijn 1980), geboren Netty Reiling en gehuwd met de Hongaarse socioloog Lazlo Radvanyi, was een uiterstlinkse kunsthistorica en romanschrijfster die in 1933 nazi-Duitsland ontvluchtte en na verblijven in Frankrijk en Mexico, in 1947 naar de DDR terugkeerde om er tot aan haar dood één van de intellectuele supporters van het meest orthodoxe communistisch regime te blijven. Haar in 1948 gepubliceerde roman Sovjetmenschen, leverde haar in 1951 de Stalinprijs voor de Vrede op. Tot aan haar dood bleef ze een trouwe steun voor de ‘hardliners’ in de DDR en was gedurende vele jaren voorzitter van de Oostduitse schrijversbond. Ook zij reisde naar Knokke via Brussel, waar ze werd verwelkomd door de socialiste en fellow traveller Isabelle Blume, die het jaar voordien eveneens de Stalinprijs had gekregen[13]. Seghers was bij de organisatie van de bijeenkomst betrokken, want ze had minstens naar Thomas Mann en misschien ook naar anderen een uitnodiging tot deelname gestuurd. Mann sloeg de uitnodiging vriendelijk af, laattijdig trouwens, want Seghers vond zijn brief pas nadat ze van Knokke was teruggekeerd[14].

Bulgarije

Georgi Karaslavov (1904-1980) was vanaf de jaren vijftig directeur van het Nationaal Theater in Sofia. Daarnaast was hij de auteur van romans met een sociaal-realistische inslag. Het spreekt vanzelf dat hij, als secretaris-generaal van de schrijversbond en lid van het Centraal comité van de communistische partij, een trouw communist was.

Frankrijk

Elsa Triolet (Moskou 1896 - St Arnould 1970), geboren Elza Kagan was een volbloed communiste. In haar jeugd was ze de vriendin van de revolutionaire dichter Vladimir Majakovsky (1893-1930). In 1918 huwde ze met de Franse officier André Triolet, die ze  drie jaar later verliet. Ze vestigde zich in Frankrijk, schreef voortaan in het Frans en kreeg de eerste naoorlogse Goncourtprijs. Samen met haar tweede echtgenoot, de schrijver Louis Aragon (1897-1982), Leninprijs voor de Vrede 1957, bleef ze door dik en dun trouw aan de Franse communistische partij en aan het Sovjetrussisch regime, ook al leverde ze na 1956 binnenskamers kritiek[15]. Volgens A. Cohen-Solal in haar Sartrebiografie, was het op uitnodiging van Elsa Triolet dat Sartre aan de bijeenkomst in Knokke deelnam[16]. Het was blijkbaar zij die de Franse deelnemers had aangezocht.

Jean-Paul Sartre (1905-1980) was ongetwijfeld dé vedette van de bijeenkomst. Hij werd niet alleen erkend als de grote filosoof van het existentialisme met zijn boeken L'être et le néant (1943) en L'existentialisme est un humanisme (1946), maar was een gevierd auteur en dramaturg (La nausée, Les mouches, Huis Clos, Le mur, La putain respectueuse). Daarbij was hij een Parijse personaliteit, samen met zijn vriendin Simonne de Beauvoir (1908-1986) zeer aanwezig in de cafés van Saint-Germain des Prés en in de politieke meetings van de Rive Gauche. Volgens zijn biografe Annie Cohen-Solal was zijn deelname aan de bijeenkomst van Knokke een nieuwe etappe voor zijn banden met het communisme: Il mit donc un pied dans le réseau des écrivains communistes et procommunistes, s’inséra dans le Mouvement de la Paix, et puis ce fut l’engrenage: happé, avalé, sollicité, incapable de refuser invitations, propositions et autres. L’engrenage communiste fonctionna par exemple ainsi: Elsa Triolet l’invita à Knokke-le-Zoute où il rencontra Simonov (Annie Cohen verwart hier met Fedine), qui l’invita à Moscou, où…, etc[17].

Sartre werd voortaan de meest bekende en invloedrijke onder de Franse compagnons de route. Kort na zijn verblijf in Knokke, en als gevolg ervan, ondernam hij een reis door de Sovjetunie en verklaarde zonder verpinken bij zijn terugkeer: Le citoyen soviétique jouit d’une totale liberté de critiquer le système. En ook: Vers 1960, avant 1966, si la France continue à stagner, le niveau de vie moyen en U.R.S.S. sera de 30 à 40 % supérieur au nôtre. Het is voornamelijk in de periode 1952-1956 dat hij het dichtst bij de communisten aansloot, zonder evenwel partijlid te worden. Zijn tegenstanders gaven hem de naam van ‘ultra-bolcheviek’[18]. Na 1956 stelde hij zich wat onafhankelijker op, maar brak pas met de communisten in 1968, om zich van dan af te vermeien in zijn maoïstische en castristische sympathieën.

De bijeenkomst in Knokke was voor Sartre aanleiding om er een plezierreisje van te maken. Hij liet zich vergezellen door Simonne de Beauvoir (1908-1986) en zijn secretaris Claude Lanzmann (°1925) die toen haar minnaar was, evenals door zijn eigen  minnares van het ogenblik, de jonge Michelle Léglise, ex-echtgenote van Boris Vian[19]. De drie gingen overdag winkelen en wandelen, om dan ‘s avonds uitgebreid met Sartre en de andere deelnemers te tafelen en de overdag gevoerde discussies op een luchtiger toon te hernemen.

Vercors (1902-1991), pseudoniem van Jean Buller, zoon van een Joods-Hongaarse inwijkeling, was beroemd geworden met zijn weerstandsnovelle Le silence de la mer, in 1942 clandestien gepubliceerd door de Editions de Minuit die hij had gesticht. Vercors was het soort ‘homme de gauche’ wiens naam men graag onder ieder progressistische petitie wilde hebben. Hij was één van de meest vooraanstaande fellow travellers, tot hij in 1957 met zijn boek Pour prendre congé, een punt zette achter zijn compagnonnage met de communisten en weigerde nog verder als potiche d’honneur misbruikt te worden[20]. In Knokke was hij vergezeld van zijn tweede vrouw Rita Barisse[21]. Zij was een naar Engeland uitgeweken Duitse, met wie hij in 1952 gehuwd was en die zijn boeken naar het Engels vertaalde. Haar talenkennis maakte dat ze in Knokke als tolk en secretaris optrad.

Renaud de Jouvenel (1907-1982) was een natuurlijke zoon van de Franse politicus en minister Henry de Jouvenel des Ursins (1876-1935) bij zijn maîtresse, gravin Isabelle de Comminges, ooit de lesbische vriendin van de schrijfster Colette, de latere minnares en van 1912 tot 1925 echtgenote van de Jouvenel. ‘Le monde parisien’ op zijn best… Pas in 1920 werd Renaud door zijn moeder erkend en pas in 1928, bij zijn meerderjarigheid, door zijn vader. Hij beschouwde zich als misdeeld in vergelijking met zijn veel bekender halfbroer uit het eerste huwelijk van Henry met Claire Boas, Bertrand de Jouvenel (1903-1987). Daaraan schrijft men toe ‘l’amertume qui colora son encre’. Bertrand de Jouvenel verkeerde voor de oorlog in de middens van de Parti radical en korte tijd in de fasciserende socialistische partij van Marcel Déat (1894-1955), om na de oorlog in centrum-rechtse of centrum-linkse middens op te duiken, zodat het niet verwonderlijk is dat Renaud het elders ging zoeken, namelijk bij de communisten. Vertaler van Amerikaanse linkse literatuur (o.m. over Sacco en Vanzetti[22]), dichter, essayist, toneelschrijver, auteur van luisterspelen[23]: Renaud ontwikkelde een belangrijke activiteit, die hem evenwel geen grote bekendheid bezorgde. Net voor de oorlog had hij een platenmaatschappij opgericht onder de naam Le Chant du Monde. Vanaf 1946 hernam hij die activiteit, voornamelijk geleid door zijn eerste vrouw Arlette Louis-Dreyfus. Er kwam toen kapitaal bij die door de Franse communistische partij werd geleverd en er werden heel wat contracten afgesloten in de Sovjetunie en sommige Oost-Europese landen. Om ingewikkelde redenen werd de Jouvenel einde 1954 door de communistische partij tot ontslag uit deze onderneming gedwongen[24]. Van toen af groeide zijn vijandschap tegenover de partij en het communisme.

Renaud de Jouvenel en Elsa Triolet, die hem voor de bijeenkomst had uitgenodigd, waren goede bekenden. Samen met haar echtgenoot Louis Aragon had ze de maand augustus 1940 doorgebracht op het domein Castel Novel in Varetz bij Brive-la-Gaillarde, dat sedert 1844 aan de familie de Jouvenel toebehoorde. Na de oorlog ontmoetten ze mekaar regelmatig in het communistische vaarwater. Zijn deelname aan de bijeenkomst in Knokke schreef de Jouvenel vooral toe aan het feit dat Triolet een chauffeur zocht die haar naar Knokke kon brengen[25].

Jouvenel was, tot aan de breuk, méér dan een compagnon de route, hij was wat men noemde een agent d’influence, een crypto-communist die, zonder formeel tot de Franse KP te behoren, al haar stellingen evenals die van de Sovjetunie zonder morren accepteerde en ze als zogenaamd onafhankelijk publicist in boeken en tijdschriften ondersteunde en verspreidde. Hij maakte deel uit van de in Frankrijk talrijke groep Sovjetgezinde schrijvers. Al voor de oorlog behoorden belangrijke journalisten hiertoe, zoals bij voorbeeld André Pierre, die ook nog vele jaren na de oorlog in Le Monde schreef, en vooral Geneviève Tabouis (1892-1985)[26], invloedrijk journaliste die de bijnaam ‘l’encrier de Staline’ kreeg. Boris Souvarine (1915-1984), één van de stichters van de Franse communistische partij en vriend van Lenin, had al in de jaren twintig de illusie van het communisme ingezien en besteedde zijn ganse actieve leven aan het aan de kaak stellen ervan. In zijn tijdschrift Nouveaux Cahiers had hij bij voorbeeld een vaste rubriek die hij, naar Geneviève Tabouis de titel Tabouismes gaf, waarin hij talrijke voorbeelden citeerde van gefabriceerde informatie[27].

Jouvenel was het soort publicisten dat een rechtstreekse lijn had niet alleen met de KP maar ook met de Sovjetambassade en met die van de satellietstaten en altijd ter beschikking stond om als doorgeefluik te dienen voor het verspreiden van de officiële stellingen. Bij een aantal onder hen was het verschil tussen de status van agent d’influence en die van agent de renseignement of spion, erg dun. Ze waren ook steeds ter beschikking om allerhande valse documenten, die door de KGB gefabriceerd werden in het kader van de desinformatiestrijd, als authentiek te waarmerken en te publiceren, hierbij gebruik makend van hun status van ‘onafhankelijke’[28]. Renaud de Jouvenel behoorde tot deze groep en leende zijn pen voor de communistische, meer bepaald Sovjetrussische zaak. Zo schreef hij onder meer: Les erreurs de la France (1947), L’internationale des traitres[29] (1948) en Tito, maréchal des traitres (1950), waarvan de titels voor zichzelf spreken.

Toen hij aan de Knokse bijeenkomst deelnam, behoorde hij dus nog tot het zeer Sovjetgezinde deel van de Franse intelligentsia[30]. Veel later, van zijn illusies genezen, schreef hij hierover Confidences d’un ancien sous-marinier du parti communiste français (1980)[31]. Naast anderen, kregen in dit boek vooral Louis Aragon en Elsa Triolet de volle laag. Twee jaar later stierf de Jouvenel in Cannes en dit in eerder mysterieuze omstandigheden: zijn lijk werd pas enkele weken na zijn dood gevonden en de omstandigheden van dit overlijden bleven onopgehelderd[32].

Italië

Carlo Levi (1902-1975), arts, schilder, schrijver en journalist was zowat een Italiaanse replica van Vercors. Anti-fascistisch weerstander van het eerste uur, was ook hij met één boek, Christus hield halt bij Eboli, wereldberoemdgeworden. Hij was duidelijk een fellow traveller, zoals hij met zijn reportage over een reis door de Sovjetunie  (Il futuro ha un cuore antiquo) zou aantonen. In de jaren zestig werd hij communistisch senator. Hij was in Knokke vergezeld door zijn echtgenote.

Polen

Jaroslaw Iwaszkiewicz (1894-1980), dichter, essayist en toneelschrijver was een niet-communistische fellow traveller in de Poolse satellietstaat. Hij zetelde als onafhankelijke in het parlement, was vanaf 1953 voorzitter van de Vereniging van Poolse schrijvers en in 1968 zou hij de Leninprijs voor de Vrede ontvangen. Een typisch ‘exportproduct’ zoals men er in het Oostblok veel had: geen partijlid, maar gehoorzaam aan het regime.

De Sovjetunie

Konstantin Fedine (1892-1977) was een succesvol schrijver. In zijn psychologische romans ontwikkelde hij de problemen van de intellectueel in de revolutie[33]. Hij behoorde tot de fellow travellers binnen het Sovjetregime, was lid van de Opperste Sovjet en werd als uithangbord gebruikt. Van 1959 tot 1971 was hij eerste secretaris van de Unie van schrijvers in de Sovjetunie, (in die hoedanigheid verbood hij de publicatie van het Kankerpaviljoen van Alexander Soljenitsin) om er vervolgens voorzitter van te worden.

Vercors herinnerde zich een gesprek met Fedine in diens datcha in 1955, het jaar na de bijeenkomst in Knokke. Fedine gaf uiting aan de vragen die hij zich stelde over het Sovjetregime. Het bleef echter bij confidentiële gesprekken met buitenlanders. Naar buiten bleef Fedine steeds een onvoorwaardelijk aanhanger van het regime[34].

Het ging dus alleszins om een prestigieus gezelschap. Deze dame en de meeste van deze heren hadden al hun biografie en hun foto in encyclopedieën en hadden een internationale reputatie. Allen stonden bekend als communisten of  als kritiekloze aanhangers van de Sovjetunie en van de communistische partij in hun land.

België

Naast de tien buitenlanders (zonder er de begeleidende dames en heren bij te rekenen) kwamen vijftien Belgen op de lijst van de genodigden voor. We laten hier Allard en de echtgenoten van Braet, Hubaux en Norge buiten beschouwing.

Mark Braet (1925-2003) was de jongste van het gezelschap en was ongetwijfeld uitgenodigd, net als Gerlo, om letterlijk als ‘oeil de Moscou’ te fungeren. Tegen die tijd had hij al enige reputatie verworven als dichter, maar vooral was hij actief in de communistische partij, waarvan hij vele jaren de minzame Brugse vlaggendrager zou zijn[35]. In 1953 was hij in Boekarest op het Wereldfestival van de democratische jeugd bekroond met een poëzieprijs.

Constant Burniaux (1892-1975), lid van de Académie royale de langue et de littérature de Belgique was een talentvol romanschrijver in een sociaal-realistische stijl[36].

Willem Elsschot (1882-1960), de auteur van Villa des Roses, Lijmen, Kaas en Tsjip behoorde tot de schrijversgroep die in België pacifistische, linkse manifesten en oproepen ondertekende[37].

Aloïs Gerlo (1915-1998) was in de jaren vijftig aan zijn belangrijke wetenschappelijke carrière begonnen. Hij was daarnaast actief in het Onafhankelijkheidsfront waarvan hij nationaal secretaris was geweest en in de Belgische communistische partij. Kortstondig was hij hoofdredacteur van De Rode Vaan en lid van het Centraal Comité van de partij. Na het befaamde anti-Stalin rapport van Chroesjtsov in 1956 nam hij ontslag. In 1954 was hij evenwel nog actief communist.

Zijn talrijke publicaties begonnen in 1939 en 1940 met de uitgave van zijn doctoraal proefschrift over Tertullianus. Docent aan de ULB vanaf 1947 werd hij gewoon hoogleraar in 1956, later aan de VUB, waarvan hij in 1969 de eerste rector werd. Latinist en groot kenner van de Renaissance, publiceerde hij talrijke onuitgegeven werken van Justus Lipsius, Marnix van Sint-Aldegonde en vooral Erasmus, van wie hij de integrale vertaling van zijn briefwisseling tot een goed einde bracht. Hij publiceerde ook talrijke studies over Charles de Coster en zijn Uilenspiegel[38]. In latere jaren nam hij een aanzienlijke zwenking tegenover zijn vroegere geestesgenoten. In 1995 schreef hij: Weinigen hebben achteraf het Sovjetsysteem en het marxisme-leninisme (en ons Belgisch collectivisme, vandaag meer dan ooit aan het bewind) met zoveel verbetenheid bekampt[39].

Franz Hellens (1881-1972), de vroeg-surrealistische dichter en auteur van romans vol mysterie en pessimisme, was in de internationale literaire middens en o.m. in de Sovjetunie wellicht nog beter bekend dan in België. Onder zijn echte naam, Frederic van Ermengem, doorliep de Franstalige Gentenaar een loopbaan als bibliothecaris van het Parlement. Tijdens de Eerste wereldoorlog woonde hij in Nice en huwde er met Maria Miloslavskaja, de minnares van de kubistische beeldhouwer Alexander Archipenko. Van toen dateerde zijn grote belangstelling voor de Russische literatuur. Hij werd bevriend met Ilja Ehrenburg (1891-1967) en met de ‘poète maudit’ Sergej Jesenine (1895-1925) en zijn veel oudere vrouw, de Amerikaanse danseres Isadora Duncan (1878-1927) en bood hen op verschillende tijdstippen onderdak in België. Samen met zijn vrouw vertaalde hij werk van hen evenals van Majakovski en van Maxim Gorki die hij in Sorrento ging bezoeken. Ook van Konstantin Fedine vertaalde hij sommige werken en dit vanaf het begin van de jaren twintig. Het was dus een oude vriendschap die Hellens en Fedine verbond[40].

Jean Hubaux (1894-1959) was een classicus, professor aan de Universiteit van Luik, auteur van talrijke werken over de klassieke oudheid. Gedurende een aantal jaren was hij directeur van het Théatre Universitaire Royal de Liège.

Achilles Mussche (1896-1974), dichter en essayist, auteur van o.m. Aan de voet van het Belfort, was socialist en voorzitter van het Vermeylenfonds (van 1945 tot 1966). Ook hij was altijd bereid pacifistische oproepen te ondertekenen[41].

Georges Norge (1898-1990), van zijn echte naam Georges Mogin was een dichter in de trant van Paul Claudel en van de surrealisten. Hij ging zich in Zuid-Frankrijk vestigen[42].

Charles-Louis Paron (1914-1986) was romanschrijver. Hij verbleef lange tijd in communistisch China. Samen met Aloïs Gerlo schreef hij een studie over De Costers' Uilenspiegel die gepubliceerd werd door de communistisch georiënteerde Librairie du monde entier[43].

Herman Van Snick (°1914), tot in 1945 advocaat in Antwerpen, ging tijdens de oorlog in het verzet en werd nadien vrederechter achtereenvolgens in Diksmuide, Veurne en Vilvoorde, wat zijn linkse trouw niet verminderde. Hij schreef talrijke dichtbundels en was een vriend van Mark Braet over wie hij een monografie schreef, gepubliceerd door de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers[44].

Robert Vivier (1894-1989) was dichter, criticus en romanschrijver. De Eerste wereldoorlog die hij in de loopgrachten doorbracht, oefende grote invloed op zijn leven en werk uit. Hij werd doctor in de Romaanse filologie en hoogleraar in Luik en aan de Sorbonne[45]. In 1950 werd hij lid van de Académie royale de langue et de littérature française de Belgique. In 1922 was hij gehuwd met de Poolse Zenitta Tazzief, geboren Kluft[46], de moeder van Haroun Tazieff (1914-1998), de bekende vulkanoloog die in de socialistische regering Mauroy in 1981 kortstondig minister werd en die Vivier’s universeel erfgenaam was.

De taalpariteit onder de Belgen was bijna volmaakt: zes Franstalige en vijf Nederlandstalige auteurs namen aan de Knokse bijeenkomst deel. Of toch niet? Gerlo schreef dat hij er als enige Vlaamse auteur aan deelnam. Mark Braet was er alleszins ook, maar die beschouwde Gerlo waarschijnlijk niet als auteur. Elsschot, Mussche en Van Snick stonden vermeld op de lijst van de genodigden maar hun naam komt niet voor bij de handtekeningen die Braet in zijn dagboek verzamelde. Evenmin bij de door Allard getekende kopjes van de aanwezigen. Gerlo had dus gelijk, deze Vlamingen bleven afwezig.

Het doel van de besprekingen

Over wat tijdens de bijeenkomst in Knokke werd besproken, zijn we tamelijk goed ingelicht, dank zij hetgeen Aloïs Gerlo, Vercors en ook de Jouvenel er over schreven in hun memoires, en wat Mark Braet in zijn levensavond aan mij en aan de Duitse historica Gesine Bey vertelde. Uit hun gelijklopend verhaal kan men opmaken dat er zowel op zaterdag 3 als op zondag 4 april druk werd vergaderd. Volgens Vercors duurde de bijeenkomst zelfs drie dagen.

Wat was de bedoeling? Schrijvers uit Oost- en West-Europa dienden te worden samengebracht, schreef Vercors, pour pallier l’absence de tout contact depuis que sévit la guerre froide et pour tenter un rapprochement en met als concreet doel de préparer et lancer un grand congrès d’écrivains des deux bords, décidés à se comprendre et à s’entendre[47]. Gerlo gaf een gelijklopende doelstelling: Het voorbereiden in beperkte kring van een grote internationale bijeenkomst van schrijvers, die moest plaats hebben in het najaar van 1954 en de redactie van een oproep die namens een initiatiefcomité gestuurd zou worden naar alle Europese PEN-clubs en aan andere verenigingen van letterkundigen[48].

Vercors overdreef met zijn absence de tout contact. Hijzelf en andere van de Knokse deelnemers waren vaak in contact met Oost-Europese schrijvers, reisden veel in het Oostblok, vaak in bevoorrechte omstandigheden, en namen tussen 1948 en 1954 bij herhaling deel aan congressen en bijeenkomsten, georganiseerd door de Vredesbeweging, waarop schrijvers uit Oost- en West-Europa aanwezig waren. Tenware hij bedoelde dat vanuit het Westen de niet-gepolitiseerde schrijvers en de schrijvers die actief waren in het Congres voor de culturele vrijheid, weinig contacten hadden met de schrijvers in Oost-Europa en dat men hoopte door het organiseren van zulke contacten nog meer schrijvers tot vriendschap met de communistische regimes te brengen.

Op bijeenkomsten met een duidelijke Sovjetstempel, waren alleen communisten en fellow travellers aanwezig. Het ging ook meestal niet om literaire bijeenkomsten, maar om vergaderingen met politieke doelstellingen, in het kader van de door de Sovjetunie geleide vredesbeweging die voor ontwapening en tegen kernwapens opkwam. Anderzijds waren er de bijeenkomsten van de Pen-clubs, die ook internationale contacten en met name tussen Oost en West mogelijk maakten. Wel was het juist dat de laatste bijeenkomst van de Wereldbeweging voor de Vrede in 1952 had plaats gevonden. Sedertdien verkeerde de beweging in moeilijkheden.

In Knokke wilde men een poging ondernemen om nieuwe paden te betreden. Men wilde de politiek in sourdine plaatsen, meer de literatuur benadrukken en letterkundigen samenbrengen die een veel breder spectrum vertegenwoordigden, ook niet-communistische linksen en zelfs rechtsen. Men zou zich beperken tot literaire onderwerpen (in de brede zin) en zich niet op het politieke of pacifistische terrein begeven. Daarom trouwens werd een voorstel van Brecht, een verklaring uit te geven die de heel recente ontploffing veroordeelde van de eerste waterstofbom op het eiland Bikini, door de andere deelnemers afgewezen.

Zelfs al hield men het bij literatuur, was de Knokse groep niet representatief voor het brede spectrum dat men wilde aanspreken. Uit het Oostblok waren alleen orthodoxe communisten en trouwe dienaars van het regime overgekomen. Had men uit de Sovjetunie, naast de uiterst gezagsgetrouwe Fedine, ook bijvoorbeeld Boris Pasternak (1890-1960) of Ilja Ehrenbourg (1891-1967) laten komen, dan zou dit toch al een opener karakter vertoond hebben.

Van de West-Europese deelnemers kon men hetzelfde zeggen. Het waren ofwel communisten (Triolet, Levi, Gerlo, Braet) of uitgesproken fellow travellers (Sartre, Vercors, de Jouvenel en Allard zelf). De Franstalige Belgen (Burniaux, Hellens, Norge, Paron, Vivier en Hubaux) waren nog het meest neutraal, maar namen meer als discrete toeschouwers dan als actieve participanten deel. En de Vlamingen, die ook minder uitgesproken Sovjetsympathieën koesterden (Mussche, Elsschot, Van Snick) schitterden dus gewoon door hun afwezigheid.

De groep was zich bewust van zijn eenzijdige samenstelling. Wellicht verwijzend naar het Zegemeer dat achter La Réserve lag, zegde Elsa Triolet: Si nous sommes ce groupe d’initiative, l’affaire est dans le lac (in tegenstelling met dans le sac). Opnieuw werden namen van grote schrijvers naar voor geschoven die tot patronage moesten worden bewogen: Thomas Mann (1875-1955), François Mauriac (1885-1970), Paul Vialar (1898-1996) en André Chamson (1900-1983).

De besprekingen

De deelnemers bogen zich eerst over de tekst die als uitnodiging zou verstuurd worden. Het werd geen gemakkelijke klus.

Vercors: Pendant trois jours[49] nous allons discuter, sur des pointes d’aiguilles, de la formule d’invitation. Toute formule proposée par l’un est critiquée par l’autre; celui-ci ajoute un mot qu’il dit ‘indispensable’, celui-là le refuse, un troisième le change, un quatrième le rétablit.(…) Car il s’agit pour nous de ne déplaire à personne afin qu’un Mauriac en France autant qu’un Fadeiev[50] en URSS aient l’un comme l’autre envie de participer.

Zelfde toon bij Gerlo: De tekst van de te verzenden brief werd zorgvuldig voorbereid. Ieder woord werd gewikt en gewogen om niemand af te schrikken. Elke zweem van sektarisme of eenzijdigheid moest worden vermeden. De communisten en de Rus Fedine stelden zich zeer soepel en ruimdenkend op. Vercors, Jouvenel, Brecht, Fédine en Sartre namen zeer actief deel aan de discussie.

Naast de tekst van de uitnodigingsbrief werden ook de thema’s besproken die aan het congres zouden worden voorgelegd. Sartre stelde voor: Les différences de structure sociale influencent-elles les modes d’expression?, maar dit bekoorde de andere deelnemers niet. Uiteindelijk werden de volgende thema’s weerhouden:

1. L’état actuel des échanges entre pays de structure sociale différente ne met-elle pas en danger le développement de la valeur universelle de chaque culture nationale?

2. Les conditions sociales actuelles et les créations littéraires:

a)      le poids de la société sur la création littéraire,
b)      la situation morale et matérielle de l’écrivain dans la société où il vit,
c)      rapports de l’écrivain avec son public,
d)      problèmes matériels de diffusion.

3. Les tendances littéraires (esthétisme, réalisme, etc) et les techniques littéraires.

Na een aantal uren bezig te zijn geweest, waren de deelnemers er zich van bewust dat ze nog niet ver gevorderd waren.

De materiële organisatie stond nog nergens. Gerlo schreef: Waar zou men het congres houden? Wie zou het organiseren? Met welke middelen? Een brief ondertekend door de deelnemers aan de bijeenkomst in Knokke zou niet volstaan om iets in beweging te brengen. Hij zou moeten uitgaan van representatieve schrijversbonden. Er werd als gastland aan Frankrijk gedacht of aan Italië, waar men misschien de steun van de regering kon bekomen. Fédine was van oordeel dat de aanwezige Fransen de meeste kans op slagen maakten. De Fransen zelf bleven sceptisch. Men zou het terrein verder verkennen door persoonlijke contacten[51].

Vercors gaf in zijn mémoires inderdaad lucht aan het scepticisme van de Franse deelnemers: Elsa est pessimiste: puisque nous n’avons réussi à faire venir à Knokke que si peu d’écrivains, n’espérons pas qu’il en viendra d’avantage au congrès, (dit-elle). Je suis aussi pessimiste qu’elle, mais pour la raison inverse: si à quinze nous avons mis trois jours pour tomber d’accord sur une simple formule d’invitation, que pourra-t-il sortir d’un congrès vingt fois plus nombreux? Bien plus que des défections, je prévois des palabres sans fin ni résultat. En hij besloot: Rencontre avortée. Gerlo van zijn kant schreef: Van het wereldcongres der schrijvers is nooit iets in huis gekomen. Hiermee was de kous af en werd het weekend afgesloten. De deelnemers namen evenwel geen afscheid want er wachtte hen nog een bijzondere ontmoeting.

Op theebezoek bij koningin Elisabeth

Van Knokke trokken de meeste deelnemers naar Brussel, waar ze op kasteel Stuyvenberg verwacht werden door koningin Elisabeth. Had ze haar steun aan Allard verleend voor dit initiatief, zoals Vercors schreef? Niet uitgesloten.

Aloïs Gerlo herinnerde zich dit bezoek als volgt: Baron Allard werd hartelijk bedankt, waarna hij de deelnemers die vrij waren begeleidde naar het kasteel Stuyvenberg. Daar werden wij ontvangen met een kleine receptie door een uiterst vriendelijke, witgepoederde koningin Elisabeth. Of Brecht aanwezig was, herinner ik mij niet. De Pool Iwaszkiewicz zeker: hij kende de koningin reeds van vroeger en had zelf vorstelijke allures[52].

Vercors hield er precieze herinneringen aan over: Avant de nous séparer, nous sommes tous reçus par la reine-mère Elisabeth. Tous sauf Brecht qui ne veut rien avoir à faire avec des reines. Il a eu tort: c’est une femme étonnante. Toute altesse qu’elle soit, elle a sur toutes choses les opinions les plus avancées. Sauf sur le protocole: elle nous prendra l’un après l’autre à part pour le même nombre de minutes. Pas de jaloux. Quand c’est mon tour, elle me félicite, non du ‘Silence de la mer’, dont avec finesse elle tient la réputation pour trop admise, mais de mes articles dans la presse, spécialement ceux des Lettres françaises, qu’elle suit dit-elle, avec passion. Elle en partage l’ardeur et l’inquiétude. Compare la police belge à la police française, se plaint de leurs excès: ‘C’est terrible n’est-ce-pas? On vit dans la peur’, me fait parler de ce que j’ai vu en Chine, en Union Soviétique et dit: ‘C’est notre espoir’. Je me sentirais, auprès de sa Majesté, un tantinet réactionnaire[53].

Indien de koningin inderdaad de woorden uitsprak die Vercors in zijn dagboek noteerde, dan kan men alleen maar vaststellen dat ze met uiterste naïviteit de communistische propaganda had ingeslikt. Zich in 1954 in België onveilig voelen omwille van les excès de la police of kunnen zeggen van de Sovjetunie en van het China van Mao c’est notre espoir was extreem. Zelfs Vercors stond er paf van!           

Dat Brecht niet deelnam aan deze ontmoeting werd ook door Mark Braet bevestigd. Brecht had hem toevertrouwd dat hij gezworen had nimmer de hand te schudden van een keizer, een koning of een koningin[54]. Hij nam derhalve onmiddellijk de trein naar Berlijn.

Knokke kreeg een staartje in Venetië

Ook al kwamen duidelijk minder impulsen (en blijkbaar minder financiële steun) vanuit de voorheen zo actieve Vredesbeweging, toch wilde men zich na de mislukte poging in Knokke nog niet gewonnen geven. Een vervolgbijeenkomst werd, hoofdzakelijk op initiatief van Vercors, in april 1956 in Venetië georganiseerd onder de hoede van de Société européenne de Culture, geleid door de specialist internationaal recht Umberto Campagnolo (1904-1976). De communistische wereld leefde toen in volle trauma na het bekend maken van het rapport Chroestjov voor het XXste Congres van de Communistische partij van de Sovjet-Unie, waarin hij de misdaden van het Stalintijdperk aan de kaak had gesteld. Ook al verloren hierdoor velen in het Westen hun vertrouwen in de Sovjet-Unie, anderen bleven trouw. Je reste fidèle à leurs luttes, besliste Vercors toen nog[55].

Van de twaalf deelnemers die in Venetië kwamen opdagen hadden er vijf aan de bijeenkomst in Knokke deelgenomen: Sartre, Iwaszkiewickz, Fédine, Levi en Vercors. Uit de Sovjet-Unie waren daar tevens: de kunsthistoricus Mikhail Alpatov (1902-1986), de dichter Alexei Surkov (1899-1983), de romancier Boris Polevoï (1908-1981) en de internationaal bekende auteur Ilja Ehrenbourg die in 1954 met De dooi, het signaal had gegeven voor een voorzichtige literaire destalinisatie.

Uit het Westen waren linkse niet-communisten aanwezig, die eerder tot de groep van het Congres voor culturele vrijheid behoorden. Naast Umberto Campagnolo, waren het de romancier en essayist Ignazio Silone (1900-1978), geboren Secondo Tranquilli, ooit stichter van de communistische partij in Italië, die hij in 1939 de rug had toegekeerd; de Engelse dichter Stephen Spender (1907-1995) die na een kortstondig vooroorlogs lidmaatschap van de Engelse communistische partij tot de critici van het Sovjetregime behoorde; de filosoof Maurice Merleau-Ponty (1908-1961) die ook al de status van compagnon de route had opgegeven en tenslotte de Zwitserse protestantse theoloog Karl Barth (1886-1968).

Ook deze bijeenkomst mondde op niets uit. Lorsqu’il faut bien en venir à la résolution finale, dont Campagnolo nous a chargés Ilja Ehrenbourg et moi, nous nous battons les flancs pour qu’elle ne révèle pas son néant absolu. (…) Sur l’essentiel, sur la ‘culture’, sur l’avenir des hommes, nous transpirons pour accoucher d’un texte nègre blanc qui déguise mal l’échec de la confrontation. Vercors troostte zich aldus: Le seul grand bénéfice de cette réunion reste qu’elle a eu lieu. C’est peu mais c’est déjà énorme. (Sans elle) le ‘rideau de fer’ eût continué indéfiniment de dresser sa muraille entre les écrivains de l’Est et de l’Ouest[56].

De goede bedoelingen van Vercors en anderen staan hier niet ter discussie, wel hun beperkt inzicht en hun naïviteit. Van een aantal onder hen zouden de ogen stilaan open gaan en de een na de ander verlieten ze al dan niet geruisloos het communistische kamp. Bij ieder belangrijke gebeurtenis (showprocessen in Moskou en in de satellietstaten, Berlijnse opstand, rapport Chroestjov, opstand in Hongarije, opstand in Polen, Praagse lente, oorlog in Afghanistan, publicaties over de Goulag, acties door dissidenten en mensenrechtenactivisten) vielen ze bij bosjes af. Het is begrijpelijk en menselijk dat ze nadien tekst en uitleg wilden geven om zich te verschonen. Bij velen bleef  de nostalgie over hun inzet voor de Grote Revolutie nazinderen en uitte zich dit onder meer door een blijvend antagonisme tegenover de Verenigde Staten.

De doorgedreven propaganda van de Sovjetunie, gekoppeld aan de sympathiserende daden en geschriften van talrijke al dan niet uitgeproken fellow travellers heeft op de samenleving in West-Europa een niet onbelangrijke invloed uitgeoefend. De eerste golf van grote manifestaties ingericht door de Vredesbeweging was voorbij, maar de intense propaganda bij de linkse intelligentsia in het Westen werd met meer discrete middelen onverminderd verder gezet. Dat men in de jaren zeventig en in het begin van de jaren tachtig honderdduizenden zoniet miljoenen welmenende betogers op straat kon krijgen om tegen de plaatsing van de Westerse kernraketten op te komen (Men herinnere zich het gevleugeld woord van Mitterrand: Les missiles sont à l’Est, les pacifistes sont à l’Ouest), zou niet mogelijk geweest zijn zonder de decennialang volgehouden propaganda vanuit het Oosten, die aan een aanzienlijk deel van de Westerse publieke opinie een slecht geweten bezorgde.

Na de val van de muur van Berlijn en de ineenstorting van het Sovjetimperium heeft dit alles een bijna onwezenlijk uitzicht gekregen en kan men zich nog nauwelijks de sfeer en de mentaliteit van de periode voordien inbeelden. Dat zoveel intelligente mensen zich op sleeptouw lieten nemen door een regime dat minstens even slecht was als dat van nazi-Duitsland, zal één van de blijvende mysteries van de twintigste eeuw blijven, waaraan nog vaak studies zullen worden gewijd.

In het begin van de jaren zeventig, nog voor de Akkoorden van Helsinki, die een eerste toegeving van de Sovjet-Unie inhielden aan de eisen van het Westen voor de eerbiediging van de mensenrechten, zegde mijn Poolse vriend Tomasz Wardynski: Sovjet-Rusland is te vergelijken met het Ottomaanse Rijk: het is een reus op lemen voeten. Eens, misschien binnenkort, misschien veel later, maar ooit zal dit rijk desintegreren. Men moet alleen verhopen dat dit gebeurt zonder dat er te veel brokken gemaakt worden. Dit was het inzicht van een jonge Poolse intellectueel, die het van binnenuit beleefde, en die al lang voor Hélène Carrère-d’Encausse en anderen het schreven, het einde van de ‘evil empire’ voorspelde. Daarom bleef hij in zijn land, ook al had hij alle gelegenheid om te emigreren. Nu leidt hij er het belangrijkste Poolse  advocatenkantoor, dat zijn naam draagt.

Op het gebied van de persoonlijke vrijheden is verbetering ingetreden. De vroegere sattellietstaten spannen zich in om min of meer goed functionerende democratieën te worden, die zo geruisloos mogelijk het verleden achter zich willen laten. In de verschillende republieken van de vroegere Sovjet-Unie daarentegen en in de eerste plaats in Rusland, biedt het moeizaam tot stand komen van een begin van democratie weinig redenen tot onmiddellijk optimisme. Er zal nog veel moeten evolueren om er een normale toestand te zien groeien.

De deelnemers aan de ‘literaire’ bijeenkomst in Knokke-Zoute zullen het alvast niet meer beleven. Ze zijn ondertussen allen ‘ad patres’.

Andries Van den Abeele

(definitieve tekst, gepubliceerd in Onder de Poldertorens, jaargang 2006, met enkele pentekeningen van de aanwezigen, gemaakt door Antoine Allard).


 

[1] Volgens de herinneringen die Mark Braet ons meedeelde, had Buitenlandse Zaken de bijeenkomst geautoriseerd, op voorwaarde dat er geen ruchtbaarheid werd aan gegeven. Hij kon deze herinnering uiteraard niet met documenten staven en Mark was in die zaken nogal romantisch.

[2]  A. FONTAINE, Histoire de la guerre froide, Parijs, 1965-1976

[3]  G. KENNAN, Memoirs 1925-1950, New York, 1967, blz 271-297

[4]  P. COLEMAN, The Liberal Conspiracy: The Congress for Cultural Freedom and the Struggle for the Mind of Postwar Europe, New York, 1989; J.-L. PANNE, Boris Souvarine, Parijs, 1993; P. GREMION, Intelligence de l’anticommunisme : le Congrès pour la liberté de la culture à Paris : 1950-1975, Paris, Fayard, 1995; Frances Stonor SAUNDERS, Who Paid the Piper? The CIA and the Cultural Cold War, New York, 1999; U. ACKERMANN, Sündenfall der Intellektuellen. Ein Deutsch-Französischer streit von 1945 bis heute, Stuttgart, 2000; A. KOVACS, Le Congrès pour la Liberté de la Culture et la revue Preuves : une résistance intellectuelle anticommuniste en Europe (1950-1955), Genève, 2002.

[5] Vanaf 1950 werden door de Sovjetunie Stalinprijzen voor de Vrede uitgereikt. Na 1956, toen, de ‘destalinisatie’ begon, werd de prijs omgedoopt tot Leninprijs.

[6]  T. JUDT, Un passé imparfait, les intellectuels en France 1944-1956, Paris, 1992, p. 266.

[7]  R. DE JOUVENEL, Confidences d’un ancien sous-marin du P. C. F., Parijs, 1980, blz. 143.

[8]  J. ADANT, 'Un baron rouge? Les activités pacifistes d'Antoine Allard de 1945 à 1965, Brood & Rozen, 2004 - 2, blz 7-28.

[9] RENCONTRE INTERNATIONALE ECONOMIQUE DE MOSCOU, 3-12 AVRIL, Paris, Comité de Contribution au Developpement du Commerce, 1952.

[10]  J. Fuegi, The life and lies of Bertolt Brecht, London, 1994, heeft aangetoond dat een aanzienlijk deel van het onder Brechts’ naam gepubliceerd werk geschreven werd door verschillende van zijn medewerkers, die meestal ook zijn minnaressen of minnaars waren.

[11]  E. und R. SCHUMACHER, Lebens Brecht in Wort und Bild, Berlijn, 1979, blz 281; W. SIMAEY, Bertold Brecht in Brugge, in: Brugs Ommeland, 1992, blz 183-190; A. VAN DEN ABEELE, Over Bertold Brugge die al dan niet naar Brugge kwam en over een literaire bijeenkomst die er geen was, in: Brugs Ommeland, 1999, blz. 49-59.

[12] G. BEY, Das Schriftstellertreffen in Knokke het Zoute (April 1954). Ein unbekannter Ost-West-Dialog mit Bertolt Brecht und Jean-Paul Sartre, in: Peter Weiss Jahrbuch für Literatur, Kunst und Politik im 20. Jahrhundert, 9/2000; Gesine BEY & Sabine GÜNTHER, Brecht trifft Sartre. Das Schriftstellertreffen von Knokke het Zoute, tekst uitgezonden op 24 mei 2002 op Deutschlandfunk Köln.

[13] Idem.

[14] Idem.

[15] Dominique DESANTI, Les clés d’Elsa, Parijs, Ramsay, 1983.

[16] A.COHEN-SOLAL, Sartre 1905-1980, Parijs, Gallimard, 1985.

[17]  Idem, blz 450.

[18]  T. JUDT, a.w. blz 189 en 343; A. COHEN-SOLAL, a.w. blz 453-457.

[19]  S. DE BEAUVOIR, La force des choses, Parijs, 1963.

[20]  VERCORS, Les nouveaux jours, Parijs, T. III, Briand l’oublié (1942-1962), Parijs, 1984, blz 313-314; Gilles PLAZY, Vercors, écrivain malgré lui, in: Le Monde, 13 juni 1991.

[21] Zijn eerste vrouw, de actrice Hélène Vercors (°1919) had hem verlaten om te trouwen met Pierre Bourdan, weerstander en minister, die evenwel in 1948 in zee verdronk.

[22]  Howard FAST, La Passion de Sacco et Vanzetti, trad. par Renaud de Jouvenel, Paris, Les éditeurs français réunis, 1954

[23] Zo o. m. Prokofiev, Pierre et le loup, conte musical pour enfants, op 67, adaptation de Renaud de Jouvenel, raconté par Pierre Tchernia, Stadium Symphony Orchestra de New York, direction, Léopold Stokowski. 

[24] Vincent CASANOVA, Jalons pour une histoire du ‘Chant du Monde’, Institut Pierre Renouvin, 2004.

[25] R. DE JOUVENEL, a.w., blz. 143.

[26] Denis MARECHAL, Geneviève Tabouis, Parijs, 2003.

[27] Th. WOLTON, Le grand recrutement, Parijs, 1993; J.L. PANNE, a.w., blz 289; F. FURET, Le passé d’une illusion. Essai sur l’idée du communisme au XXe siècle, Parijs, 1995, blz 134-145.

[28] Th. WOLTON, Le KGB en France, Parijs, 1986, vooral blz 204 en volgende.

[29] In dit boek viel hij scherp uit tegen sommige uit het Oostblok gevluchte personen die in het Westen het anticommunisme aanwakkerden. Hijzelf en de auteur van het voorwoord, de communist André Wurmser (1899-1984), werden door enkele van die vluchtelingen voor de rechtbank gesleept en in 1952 veroordeeld. Wurmser was al in 1949 een eerste keer veroordeeld naar aanleiding van het ophefmakende proces Kravchenko. Sartre zou het idee van de gevluchte ‘reactionairen’ hebben overgenomen in zijn toneelstuk Nekrassov.

[30]  J.VERDES-LEROUX, Au service du parti. Le parti communiste, les intellectuels et la culture (1944-1956), Parijs, 1983.

[31]  J.VERDES-LEROUX, Le réveil des somnanbules. Le parti communiste, les intellectuels et la culture (1956-1985), Parijs, 1987.

[32]  Dictionnaire de biographie française, fasc. CVI, Parijs, 1992; J. VANLYNSEELE et D. GRANDO, A la découverte de leurs racines, Parijs, 1988.

[33]  E. WAEGEMANS, Geschiedenis van de russische literatuur, uitg. Daedalus, 1993.

[34]  VERCORS, a.w.

[35]  H. VAN SNICK, Levende Westvlaamse schrijvers, VWS-cahiers, NR 16; Lexicon van Westvlaamse schrijvers, deel I, Torhout, 1984, blz 26.

[36]  R. FRICKX et R.TROUSSON, Lettres françaises de Belgique, I. le roman (s.l.d. V. NACHTERGAELE et R.TROUSSON), II. la poésie (s.l.d. C.BERG et R. FRICKX), Paris-Gembloux, 1988.

[37]  R. VERVLIET, Alfons J. De Ridder, pseudoniem Willem Elsschot, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998, blz 2608; F. SMITS, Willem Elsschot, zijn leven, zijn werk en zijn betekenis als prozaïst en dichter, Antwerpen, 1942, 1952, 1976.

[38]  A. GERLO, Noch hoveling, noch gunsteling, Kapellen, 1989; R. DE SMET, Bibliografie van Alois Gerlo, in: Instrumenta Humanistica, Brussel, 1985.

[39]  Citaat uit brief van A. Gerlo van 26 juli 1995 aan de auteur.

[40]  F. HELLENS, Documents secrets (1905-1956), histoire sentimentale de mes livres et de quelques amitiés, Parijs, 1958; R. FRICKX, Franz Hellens, in: Nouvelle biographie nationale, Brussel, 1988, blz 140-160; W. COUDENYS, Franz Hellens en de Russische avant-garde, in: red. Ed. STOLS en E. WAEGEMANS, Montagne russe, belevenissen van Belgen in Rusland, uitg. EPO, 1989, blz 225-236.

[41] R. VERVLIET, Achilles Mussche, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998, blz. 2110-2112.

[42]  zie voetnota 33.

[43]  idem

[44]  Lexicon van Westvlaamse schrijvers, deel I, blz 91.

[45]  zie voetnota 33.

[46] Volgens Frédéric Lavachery, (natuurlijke) zoon van Haroun Tazieff, was ook Zenitta aanwezig op de bijeenkomst in Knokke (e-mail aan de auteur op 8 sept. 2006).

[47]  VERCORS, a.w. blz 253-254.

[48]  A. GERLO, a.w. blz 113.

[49]  Vercors heeft het over drie dagen; het is niet uitgesloten dat er al op 2 april met de besprekingen begonnen werd.

[50] die in 1956 zelfmoord pleegde.

[51]  A. GERLO, a.w. blz 114.

[52]  A. GERLO, a.w. blz 115.

[53]  VERCORS, a.w. blz 255.

[54]  Mondelinge verklaring door Mark Braet aan de auteur en aan Gesine Bey.

[55]  VERCORS, a.w., blz 288

[56]   VERCORS, a.w. blz 290 

www.andriesvandenabeele.net