Berek of Commissie?


De kranten hebben gemeld dat de Brugse gemeenteraadsleden Paul Jonckheere en Georgina Denolf een voorstel hebben ingediend om in Brugge niet te blijven steken in ‘middeleeuws taalgebruik’. Zij hebben het gemunt op het woord ‘berek’ dat in de stad Brugge als benaming wordt gebruikt voor de vaste commissies die zijn samengesteld uit gemeenteraadsleden. Zo luidt hun voorstel en argumentatie:
“Betreft: benaming ‘Berek’
Deze benaming hebben ondergetekenden tijdens deze legislatuur steeds in vraag gesteld.
Daarom hebben wij wat opzoekingwerk verricht rond deze benaming om tot een conclusie en een voorstel te komen voor in de toekomst.

  • Enkel het bestuur van de orde van ’t Manneke uit de Mane noemt zich nog ‘berek’. Een oude benaming uit het Middelnederlands ‘recken’ wat ‘regelen’ betekent en verwant is met ‘regeren’. Het berek van ’t Manneke bestaat op vandaag nog uit 12 leden, waarvan 1 persoon woonachtig is te Brugge. Komt de naam van onze berekken uit deze hoek?
  • Bij nazicht in Van Dale stellen wij vast dat het woord ‘berek’ niet vermeld wordt, evenmin in de gloednieuwe woordenlijst van de Nederlandse taal (Groene Boekje). Met andere woorden, worden in Stad Brugge dus zitpenningen uitbetaald om deel te nemen aan iets dat niet bestaat?
  • Bij ons weten wordt deze benaming in geen enkele stad of gemeente gebruikt, daarom durven wij voorstellen wegens bovenstaande redenen het woord ‘berek’ te vervangen door het moderner woord ‘commissie’ en dit vanaf de start van de nieuwe legislatuur

Misschien vinden sommige collega’s ‘berekken’ iets wat nostalgie of traditie weerspiegelt, maar in een stad als Brugge, met een hedendaags bestuur, vinden wij dit geen argument.
Bij het openbaar maken van de commissievergaderingen, is deze benaming naar de buitenwereld duidelijker, en het geeft meteen een nieuw impuls om deze vergaderingen inhoudelijk nog meer gewicht te geven.”
Tot zover de twee raadsleden.

Ook al gaat het hier duidelijk niet om iets van levensbelang, ben ik toch zo vrij een tegengestelde klok te luiden.

Allereerst een paar rechtzettingen.

  • Naast het stadsbestuur van Brugge en de Orde van het Manneke uit de Mane, gebruikt ook het driemaandelijks tijdschrift Biekorf (gesticht door Guido Gezelle) nog steeds ‘berek’ om zijn bestuur aan te duiden. Hetzelfde geldt voor de vereniging De maten van Peegie in Roeselare, evenals voor de Gilde der erepoorters in deze stad. Ook het bestuur van de Tinekesfeesten in Heule gebruikt nog het woord. Er is zelfs nog minstens één ander gemeentebestuur dat het bij berek houdt, namelijk dat van Knokke-Heist. Deze zeven instanties vertegenwoordigen een niet onaardig aantal West-Vlamingen
  • Het woord berek is helemaal geen uitvinding van ‘t Manneke, maar is een oud Middelnederlands woord, dat al in 1295 in de Brugse annalen voorkomt : Alard Lam ende Colard Cortscoef als scepenen int berec. (Zie Vroegmiddelnederlands Woordenboek I, 448.)
  • In de periode van de vervlaamsing van de openbare besturen in het laatste kwart van de negentiende eeuw werd het woord opnieuw in gebruik genomen. Dit was een tijd van West-Vlaams taalparticularisme, waarbij geleerden zoals De Bo, Guido Gezelle en anderen zich inspanden om het West-Vlaamse taalgebruik in ere te houden en ons niet te laten overspoelen door Brabantse of Hollandse woorden en gezegden, als we er evenwaardige tegenover konden stellen.
  • De initiatiefnemers, aan wier goede bedoelingen ik overigens niet twijfel, zijn niet helemaal consequent, aangezien zij vermelden dat er ‘zitpenningen’ worden betaald ‘voor deelname aan iets wat niet bestaat’. Van Dale bestempelt ‘zitpenning’ als ‘Belgisch’ en vermeldt als correcte woord ‘presentiegeld’. Ik zal ze alvast niet bekritiseren omdat ze dit ‘Belgische’ woord verder gebruiken.

Een paar argumenten voor het behoud van het woord ‘berek’.

  • ‘Berek’ wordt door het Brugse stadsbestuur slechts voor één enkel type van vergaderingen gebruikt, namelijk voor de vaste commissies (minder dan een tiental) die een rechtstreekse emanatie en onderverdeling zijn van de gemeenteraad. Ze bestaan uitsluitend uit verkozen gemeenteraadsleden en geven aanleiding tot het uitbetalen van een presentiegeld. Als alle gemeenteraadsleden samenkomen voor een informatieve bijeenkomst of discussie, in voorbereiding op een gemeenteraadszitting, dan wordt dit ‘verenigde berekken’ genoemd.
  • Daarnaast telt de stad talrijke raden (cultuurraad, jeugdraad, sportraad, etc) en commissies (bibliotheek, stadsarchief, verkeer, stedenschoon, straatnamen, etc), waarin overwegend Brugse inwoners zitting hebben, soms ook een paar gemeenteraadsleden. Deze raden en commissies geven geen aanleiding tot het uitkeren van presentiegelden.
  • Op zich gaat het dus om een vrij marginaal en binnenskamers gebruik van het woord ‘berek’, waardoor binnen het geheel van commissies en raden de exclusief door gemeenteraadsleden bevolkte bijeenkomsten goed herkenbaar blijven.
  • Men hoeft helemaal niet nostalgisch of ouderwets te zijn om te denken dat een aantal tradities en gewoonten de moeite lonen om in ere te worden gehouden. Dit wordt in de recente jaren door de overheid meer dan ooit erkend en aangemoedigd. Erfgoedcellen, erfgoeddagen, monumentendagen, etc, zijn er het permanente bewijs van. Traditie en conservatie zijn een goed voetstuk om er een modern en hedendaags bestuur op te bouwen. Zoals alle grote landen en historische steden het aantonen is er niets mis met wat nostalgie en met het koesteren van oude tradities.
  • De historische stad Brugge heeft bijzondere redenen om een bepaald (West-Vlaams) woord in ere te houden, zelfs als ze alleen zou zijn om dat te doen. Dit geldt trouwens niet alleen voor het woord ‘berek’ maar ook voor enkele andere. Ik verwijs naar het woord ‘rei’ dat onze waterlopen aanduidt. We zouden die ook, zoals elders, gracht, lei, rui of nog anders kunnen noemen. We houden het – waarschijnlijk als enigen – bij rei, omdat dat de oorspronkelijke naam van de hoofdwaterloop was, de Reie, en we derhalve dit woord in die betekenis in het Nederlandse taalgebruik hebben binnengebracht. En zouden we, om ‘modern’ te doen ons ook niet moeten conformeren aan een meer algemeen taalgebruik door onszelf ‘Bruggenaar’ in plaats van Bruggeling te noemen ? En moet het ‘Brugsch Handelsblad’ die historische ‘ch’ dan ook maar niet uit zijn titel verwijderen? Het is dus duidelijk, meen ik, dat het ‘modern’ zijn in taalgebruik niet altijd rechtlijnig kan noch moet zijn.
  • Het feit dat een woord meer dan zeven eeuwen heeft overleefd en nog altijd in gebruik is, lijkt me een verantwoording om het in ere te houden, als oud West-Vlaams woord dat heeft stand gehouden. In plaats van er ons bij neer te leggen dat het niet meer in het algemeen taalgebruik voorkomt, zouden we eerder moeten aandringen opdat het opnieuw in de woordenboeken zou worden opgenomen, aangezien die er toch zijn om te noteren wat in de praktijk in gebruik is. Een woord dat uit de diepten van onze eigen taal komt en heeft overleefd, heeft hierop minstens evenveel recht als de talrijke Engelse neologismen die onze taal binnensluipen. Ik zie het al staan in een volgende Van Dale: ‘berek, synoniem voor commissie of bestuur, in gebruik in West-Vlaamse gemeenten en verenigingen’.
  • Het feit dat het woord opnieuw in gebruik kwam na de periode van verfransing van het ambtelijke apparaat, geeft er een bijkomende waarde en geladenheid aan. Zeker in Brugge is het in leven houden van zo’n typisch ‘Gezelliaans’ woord niet onredelijk, integendeel.
  • De argumenten voor het vervangen van het woord ‘berek’ vind ik dus niet overtuigend. Zo’n ‘Brugs’ woord, dat trouwens uitsluitend voor ‘Brugs’ gebruik wordt aangewend, voor een beperkte ‘buitenwereld’ dus, hoeft helemaal geen beletsel te zijn om een hedendaags en toekomstgericht beleid te voeren. Dat het voortaan ‘commissie’ heten in plaats van ‘berek’, ‘een nieuw impuls (zou geven) om deze vergaderingen inhoudelijk nog meer gewicht te geven’, is niets meer dan een vrome wens. Integendeel kan het behoud van traditie nu net een aanmoediging zijn om inhoudelijk volledig van deze tijd te zijn.
  • Het eventueel afschaffen van het woord ‘berek’ is op zich natuurlijk geen drama. Het zou wel een bepaalde onrustwekkende mentaliteit en denkwijze kunnen aantonen, als dit zou betekenen dat men denkt ‘modern’ te moeten zijn, door traditie en geschiedenis overboord te gooien. Andere elementen wijzen in Brugge immers in dezelfde zin, zoals de intentie om het gebruik van het stadswapen te beperken, het soms weinig verantwoord ‘moderniseren’ van processies en stoeten, het gebrek aan belangstelling en het onvoldoende leveren van inspanningen voor het bouwkundig erfgoed, het gebrek aan zorg voor de naam en reputatie van de stad (aangetoond door het recente voorbeeld van de schandalige zogenaamde ‘steekspelen’). Dit alles is natuurlijk niet op één hoop te vegen en moet ook de bestaande uitingen van eerbied voor geschiedenis en traditie niet doen vergeten, maar het toont toch aan dat een zekere waakzaamheid niet overbodig is.

Mijn conclusie ligt voor de hand. Om alle genoemde redenen moedig ik het stadsbestuur van Brugge aan om het woord ‘berek’ verder in ere houden.

Andries Van den Abeele
21 Juni 2006
(gepubliceerd in Biekorf 2006)

www.andriesvandenabeele.net