Wonderen bij de Arme Klaren Coletienen in Brugge

In de voetsporen van de heilige Coleta

In de abdij van de Arme Klaren in Brugge, gesticht in 1479, leefden de zusters Coletienen permanent in de wondere wereld van de mirakels. Hun vast geloof in het hiernamaals zorgde ervoor dat niets hen onmogelijk leek op het vlak van buitenaardse, met name hemelse contacten. Integendeel, in hun leefwereld waren die heel gewoon. In dit opzicht waren ze natuurlijk niet uitzonderlijk maar in overeenstemming met de gehele samenleving.

De levensverhalen van hun stichteres en idool, de heilige Coleta (1381-1447), net zoals die van de heilige Franciscus van Assisi (1182-1226) en van de heilige Clara (1194-1253), die ze allen goed kenden, stonden bol van de mirakels. Wat Coleta betrof, begon het al tijdens haar kinder- en jeugdjaren. Bijzondere gebeurtenissen kleurden het jonge leven van dit meisje, wiens ouders, naar men zegde, bij haar geboorte de zeventig voorbij waren. Vervolgens gaven haar kloosterstichtingen aanleiding tot talrijke wonderlijke voorvallen. Enkele voorbeelden: in Hesdin kwam vijfhonderd gouden ecu uit de hemel gevallen; in Poligny, Puy en Hesdin werd drinkbaar water gevonden waar voordien geen grondwater te bespeuren was; in Auxonne bleef de graanvoorraad ongewijzigd, ook al werd er van afgenomen om aan anderen te geven; tijdens een periode van hongersnood in de Languedoc kwam een in het wit geklede onbekende man een zak met broden afgeven bij de Coletienen; een wijnvat die een zuster per ongeluk had laten leeglopen, werd weer helemaal gevuld bevonden; in Auxonne en in Hesdin was een stuk stof te kort om er een mantel van te maken en na gebeden van Coleta vond men dat het aanzienlijk verlengd was. Coleta bewerkstelligde talrijke genezingen en in het proces voor haar heiligverklaring werden vijf gevallen weerhouden van doden die door haar weer tot leven waren gewekt. Daarbij kwam nog dat ze vaak in extase geraakte, soms dagen na elkaar, terwijl zich ook paramystieke fenomenen voordeden zoals levitatie, welriekende uitwasemingen, helderziendheid en profetische gaven. Na haar dood werden tientallen mirakels en genezingen aan haar toegeschreven. Alles werd zorgvuldig opgetekend door haar biechtvader, Pieter de Vaulx, genaamd Petrus à Vallibus[1]. In de zeventiende eeuw werd zijn verhaal in één van de eerste volumes van de Acta Sanctorum van de Bollandisten gepubliceerd.

Men hoefde zich maar hieraan en aan veel gelijkaardige verhalen te spiegelen om het normaal te vinden dat ook in eigen midden wonderen gebeurden. Telkens zich een ongewoon of  bovennatuurlijk voorval voordeed, werd het opgetekend in het Memoriaalboek dat de bijzondere gebeurtenissen binnen het klooster registreerde. De hierbij gebruikte woordenschat was er één die enthousiast geloof uitdrukte in wat gebeurd was. Er is slechts af en toe een zeker scepticisme te bespeuren bij de religieuze die een voorval optekende. Zo werd soms vermeld dat men niet zelf het wonderlijke feit had meegemaakt, maar dat men steunde op de mededelingen van wijze en oude zusters die vroegere verhalen overleverden. Voor het wonder vermeld onder L, dat in Engeland zuster Mattheeuws overkwam, begon de schrijfster het relaas met de woorden ‘On raconte que’ en plaatste ze op het einde van het verhaal een uitroepingsteken en drie puntjes. Toen was men al midden de negentiende eeuw en het blinde geloof was niet meer wat het geweest was.

De wondere gebeurtenissen, voornamelijk visioenen, verschijningen en levitatie kwamen vooral voor bij kloosterzusters van wie de strenge naleving van de regel, de zelfkastijding en verstervingen, evenals de uiterst grote godsvrucht, nederigheid, naastenliefde, enz., werden geprezen. Een niet onbelangrijk aantal onder hen was abdis en werd derhalve verondersteld een voorbeeld te zijn voor de  medezusters[2].

De wonderen waren in de hier behandelde eeuwen natuurlijk niet weg te denken als element in het dagelijkse leven van de gelovigen, meer bepaald binnen (vrouwelijke) kloostergemeenschappen. Men beschouwde ze als de normaalste zaak van de wereld en ze werden – behalve dan door de kerkelijke overheid - weinig of niet in twijfel getrokken. Het zou interessant zijn, voor Brugge alleen al, te kunnen nagaan hoeveel en welke gelijkaardige gebeurtenissen in andere kloosters – zowel van mannen als van vrouwen - werden opgetekend en of hieruit binnen de Brugse context conclusies kunnen worden gehaald over de aard van de vroomheid en godsdienstbeleving, over het niveau van ontwikkeling en eventueel van scepticisme bij de kloosterbevolking, over het kolenbrandersgeloof of de relativering, over de invloed die de verhalen hadden zowel binnen de kloostergemeenschap als in de wijdere omgeving.

Hierna volgt de inventaris van de als wonderen ervaren gebeurtenissen,  zoals ze door de zusters Coletienen werden genoteerd. We hebben telkens vooraf identificatiegegevens vermeld, voor zoveel ze beschikbaar waren, betreffende de betrokken kloosterzuster, namelijk:

1

2

3

4

5

6

7

(1) volgnummer van intreden – (2) naam, voornaam en eventueel kloosternaam – (3) geboorteplaats en –datum – (4) datum van intrede – (5) datum van geloften – (6) overlijdensdatum – (7) eventuele bijkomende informatie[3]. In de niet concreet aan een met name genoemde persoon toe te schrijven gevallen hebben we onder (7) gewoon datum of tijdstip van de gebeurtenis gemeld.

De verhalen komen allen uit het Memoriaalboek van het klooster[4] en werden nooit eerder bestudeerd noch gepubliceerd. Uitzondering hierop, althans voor wat publicatie betreft, vormen de verhalen onder de nummers XXXI tot en met L hierna, die vermeld staan in de publicaties gewijd aan de abdissen Berlamont en Liebaert, anoniem uitgegeven maar geschreven door kanunnik Adolphe Duclos. Ook enkele van de oudere verhalen werden in die publicaties vermeld, evenwel niet altijd precies weergegeven zoals ze in het Memoriaalboek staan opgetekend[5].

Vijftig wonderen bij de Clarissen in Brugge

I - II

49

Anna Wachters

     

04/05/1598

 

1)      Anna Wachters had de gave van de profetie. Op een dag kwam men haar vragen te willen bidden voor een jongetje die een heelkundige bewerking moest ondergaan om  van een niersteen te worden verlost. De zuster gebood de tussenkomst uit te stellen omdat de steen ‘s anderendaags vanzelf zou afbreken. Inderdaad loste het kind ‘s anderendaags pijnloos een grote steen.

2)      Een andere keer zag ze, net als andere zusters, de Maagd Maria, vergezeld door een schare heilige maagden, langs de kloostermuur schrijden, om de ziel te komen halen van een zuster die aan de pest leed en in het pesthuisje op sterven lag.

III

           

Gebeurd in 1575

Op 1 maart 1575, Zondag van Halfvasten, brak brand uit in een huizenblok naast het klooster. De vlammen hadden kunnen overslaan, was het niet dat de H. Anna op het dak zat in een blauwe mantel, en de vlammen afweerde.

IV

58

Catherine Croquet

     

16e eeuw

abdis

Catherine Croquet had vaak een levitatie. Soms zat de duivel op de balken in het koor om haar te storen tijdens haar gebed : ze deed hem onderdanig zijn en vertrekken. Eens achtervolgde ze de duivel tot in het achterste pand van het klooster. Haar medezusters hoorden haar met hem vechten en hoorden hem zeggen dat hij haar nederigheid niet kon verdragen. Ze verjoeg hem.

V

78

Isabeau de Hoorne

 

1574

1575

1625

51 jaar kloosterlinge – abdis

Vaak was Isabeau van Hoorne volledig verzonken in gebed, zonder te beseffen wat met haar of rondom haar gebeurde. Tijdens haar doodstrijd ontwaakte ze en bezwoer ze haar medezusters de Heer trouw te dienen, omwille van de vele mooie dingen die ze in een visioen gehoord en gezien had.

VI

82

Claire De Meester

     

Ca 1630

 

Zuster Clara De Meester had een grote devotie voor een Christus aan het kruis, die in een kleine kapel stond. Op een dag werd ze door de Christus aangesproken, die haar allerhande geheimen openbaarde. Het hoofd was gemaakt met gesloten mond en ogen, maar na deze verschijning bleven mond en ogen half geopend[6].

VII

84

Isabeau (Elisabeth) van den Broucke

 

1585

1586

1643

59 jaar kloosterlinge

Zuster Elisabeth van den Broucke had een verschijning van de Zaligmaker, die haar beloofde dat ze voortaan alles zou bekomen wat zij vroeg. Anderzijds had ze herhaaldelijk levitatie. Dit gebeurde vaak in de keuken, terwijl ze aan de afwas bezig was. Engelen kwamen haar dan bij de afwas helpen.

VIII

90

Marie Butge

 

1586

1587

04/02/1624

38 jaar kloosterlinge

Toen zuster Butge overleed, hoorden haar medezusters engelen zingen, die kwamen om haar ziel te begeleiden naar de hemelse glorie. Na haar dood bleef haar lichaam bewaard alsof ze nog leefde.

IX

95

Anne Reinaert

 

1591

1592

14/12/1642

51 jaar kloosterlinge –  abdis

Tijdens het uitreiken van de Communie was een hostie op de grond gevallen. Niemand had het bemerkt. Anna Reinaert was toen kosteres en een engel verscheen haar en wees haar naar de hostie op de grond.

X

103

Martina de Crits

 

1605

1606

12/02/1647

42 jaar kloosterlinge –  abdis

Toen zuster Martina portierster was, moest ze eens tijdens een sermoen de kerk verlaten omdat aan de poort was gebeld. Toen ze terugkeerde had ze een beeldschoon kindje naast zich. Later gevraagd wie dit was, antwoordde ze dat het heilig kind Jezus haar had vergezeld.

XI

           

 Gebeurd in 1649

Op 1 mei 1649 onstond een hevige brand op de kolenzolder. De buren kwamen spontaan aangelopen om te blussen, zonder dat men een noodsignaal had uitgegalmd. Ze deden de waterput open in de tuin, en die liep plots overvloedig vol water, bleef tot aan de rand gevuld zolang de bluswerken duurden en zakte achteraf weer tot op zijn gewoon peil.

XII

120

Marie Le Gillon

 

1623

1624

17/05/1658

35 jaar kloosterlinge

Marie le Gillon had een visioen van de Zaligmaker, vastgebonden aan een kolom, die haar moed insprak in haar lijden. Op een dag zagen haar medezusters haar met het hoofd omgeven door zonnestralen terwijl ze in gebed verzonken was. Vanuit de hemel  werd ze drie dagen voordien verwittigd over dag en uur van haar overlijden.

XIII

126

Marie Cobrysse

Brugge

20/10/

1610

1627

1628

1661

34 jaar kloosterlinge

Marie Cobrysse had visioenen waarin ze de Zaligmaker geketend zag staan voor Pilatus, alsook op de verschillende andere plaatsen waarop het Passieverhaal zich had voltrokken.

XIV

138

Catherine Wauckier

 

1648

1649

09/11/1679

32 jaar kloosterlinge - abdis

Catherine Françoise Wauckier bracht op een nacht een uur in gebed door voor de Metten en vroeg aan God haar los te trekken van alle aardse dingen. Toen de biechtvader, pater Fulgentius, een paar dagen later naar het klooster kwam, deelde hij haar mee dat hij op zelfde dag en uur in gebed was geweest en God hem had meegedeeld waar zuster Wauckier op dat zelfde ogenblik voor aan het bidden was.

XV

141

Françoise Areselle

 

1657

1658

16/05/1672

14 jaar kloosterlinge

Op haar sterfbed verklaarde zuster Areselle dat een proces dat de kloostergemeenschap had aangespannen in Rome, gewonnen was. Een paar dagen later kwam de wereldlijke vader Cobrysse[7] melden dat het proces gewonnen was, en was hij hoogst verwonderd dat iets wat hij dacht alleen en nog maar pas vernomen te hebben, al dagen voordien aan een kloosterzuster bekend was.

XVI

?

?

       

Gebeurd in 1674

Een oude zuster die last had aan de knieën en meestal bleef rechtstaan tijdens de Vespers, zag plots uit een onlangs geplaatst schilderij met het Ecce Homo, dat boven in de kapel hing[8], evenveel stralen komen als er religieuzen aanwezig waren. Die stralen werden verlengd door rode draden die tot aan de mond van elke zuster liepen. Sommige draden waren strak gespannen bij wie aandachtig aan het bidden waren maar waren slap bij wie minder vurig was. Vooral de draad naar de verstrooide novice Martina Fervacque of Vervaeke hing slap. Na de dienst werd ze door de oude religieuze berispt en beterde ze haar leven. Later werd ze abdis en tot in haar oude dag vertelde ze zelf het verhaal, totdat ze stierf op 11 augustus 1731.

XVII

           

Gebeurd in 1700

Onder abdis Anna van Vyve waren de zusters zo arm dat ze zich geen was voor de kaarsen meer konden aanschaffen. In een andere stad was er een onbekende man die in zijn testament een som geld had gelegateerd voor het armste klooster van Brugge om daarmee was te kopen. Een Bruggeling was testamentuitvoerder en hij wees de Clarissen aan als begunstigden.

XVIII

           

Gebeurd in 1709

In een periode van hongersnood vielen de zusters zonder brood en de buitenzusters slaagden er niet in er al bedelend op te halen. Plots stond een onbekende fijn uitgedoste edelman voor de deur en zijn knecht droeg een grote korf met versgebakken broden. Nadat beiden vertrokken waren en nooit meer terugkwamen, veronderstelden de zusters dat ze hemelse gezanten waren geweest. Nadien hadden de zusters nooit meer brood tekort[9].

XIX

           

Gebeurd in 1713

Een grote droogte teisterde de streek sedert maanden. Gebeden en bedevaarten hielpen niet. De Brugse heer de Schietere de Lophem[10], die weinig sympathie had voor de Arme Klaren, verloor zijn geduld en koelde zijn woede op hen. Hij beval de zusters - beter bekend door hun gebeden voor zonnig weer dan voor het afsmeken van regen - dat ze maar eens zeer hard en overtuigend moesten gaan bidden. Als het niet vlug begon te regenen zou hij overal rondvertellen dat het hun schuld was! Abdis de Tollenaere trok toen met alle zusters naar de kapel om vurig en devoot om regen te bidden. Over de middag overtrok plots de heldere hemel en viel de regen bij bakken. Edelman de Lophem was onder de indruk. Hij ging dit overal rondbazuinen en werd voortaan weldoener van de Arme Klaren.

XX

           

Gebeurd in 1723

Het grote dak van het dormitorium moest dringend hersteld worden. Terwijl de werken aan gang waren, regende het niet. Na een paar maanden begon de droogte erg zwaar te wegen. De bisschop schreef gebeden voor teneinde regen te bekomen. Maar sommige van zijn priesters maanden hem aan de dakwerken bij de zusters te ondersteunen en te bespoedigen, want zolang die niet klaar waren zou het niet regenen, lachten ze. De bisschop hielp, het dak was weldra volledig hersteld, en direct begonnen de regenvlagen.

XXI

203

Pieternelle van Maele

(Bernardine)

 

19/

05/

1737

20/

05/

1738

02/07/1751

 

Zuster Bernardine onderging gedurende een tweetal jaren (1738-1739) talrijke convulsies, wellicht ook epilepsie. Ze had ook veel last met haar benen, wat haar het lopen erg bemoeilijkte. Daarbij werd ze om de zoveel weken zo hees dat ze geen woord kon uiten. Door de aanhoudende en hevige convulsies werd ze lam vanaf de heupen. Toen geneesheer en chirurgijn zegden dat ze niets meer voor haar konden doen, begon ze een octave van gebeden gericht tot de heilige Coleta: vanaf de vierde dag was de kwaal van stuiptrekkingen volledig verdwenen; toen begon ze aan een tweede octaaf en de derde dag waren ook haar benen genezen

XXII

           

Ongedateerd 17-18e E.

Het wonder met de zakdoek

Een zuster lag in stervensnood in de infirmerie. Ze zocht de zakdoek die ze in bed bij zich had en toen ze die niet vond, vroeg ze aan de zuster verpleegster die te gaan halen in de tuin voor het Mariabeeld waar ze zoveel devotie voor had en waar ze zich had naar begeven. De verpleegster dacht dat de zuster aan het ijlen was, omdat ze veel te ziek was om het bed te hebben kunnen verlaten. Toch vond ze die zakdoek bij het Mariabeeld.

XXIII

           

Ongedateerd 17-18e E.

Het wonder van de olievlek

Een zuster lag dodelijk ziek in de infirmerie. Ze had een olievlek op haar habijt en dat kwam, zegde ze, omdat ze in het kloosterpand had gewandeld met Jezus, en daarbij tegen een kan met olie gestoten was. Dit kon niet juist zijn, gezien ze het bed niet had verlaten. Toch bleek een oliekan per abuis te zijn achtergelaten precies op de plek die ze vermeld had.

XXIV

           

Ongedateerd 17-18e E.

Het wonder met de vogel

Een zuster had aan haar engelbewaarder gevraagd of die haar kon verwittigen wanneer het uur van de dood was gekomen, door bemiddeling van een vogel die dicht bij haar een gezang zou aanheffen. Toen ze op haar sterfbed lag kwam een grote vogel met prachtige pluimen op de vensterbank van haar kamer zitten en gedurende drie dagen en drie nachten zong hij onophoudelijk. Toen stierf de zuster en verdween de vogel om nooit meer terug te komen. De overige zusters waren overtuigd dat die vogel de engelbewaarder zelf was.

XXV

           

Ongedateerd 17-18e E.

Het wonder met de twee paters

Een zuster was overleden en werd opgebaard in het koor. Enkele zusters die bij het dode lichaam waakten, zagen twee onbekende monniken binnenkomen, die het lichaam bewierookten en daarop weer verdwenen. De zusters waren overtuigd de heiligen Franciscus en Antonius van Padua te hebben herkend, twee heiligen die de overleden zuster haar hele leven had aanroepen.

XXVI - XXVII

           

Ongedateerd 17-18e E.

Het wonder met Sint Adriaan

1)      De novicemeesteres lag op sterven. Een novice ging bidden voor het beeld van de heilige Adriaan en bedreigde hem dat zij, met het zwaard dat hij in de hand had, zijn hoofd zou afslaan als de religieuze niet beterde. Adriaan begreep de boodschap en verscheen aan de novicemeesteres, haar lachend het verhaal doende en zeggend dat hij wel niet anders kon dan het passende gevolg te geven. ’s Anderendaags was zij weer volledig gezond.

2)      Een tijd later werd een nieuw beeld van Sint Adriaan besteld, omdat het oude volledig vermolmd was. Het oude houten beeld werd verbrand, maar bij wonder bleef het hoofd midden de vlammen ongeschonden. Het werd dan, als herinnering aan dit wonder, ingewerkt in een holte in de rug van het nieuwe beeld[11].

XXVIII

           

Ongedateerd 17-18e E.

Het wonder van de vijver

Een zuster was in de vijver gesukkeld en dreigde te verdrinken. Ze aanriep de heilige Ontkommere of Wilgefortis die haar de hand reikte en haar uit het water trok[12].

XXIX

           

Ongedateerd 17-18e E.

Het wonder met het kind Jezus

Een zuster kreeg het voorrecht om vaak, wanneer ze de Communie ontving, het levende kindje Jezus te zien. Toen beging ze enkele menselijke fouten en het kindje Jezus verscheen niet meer. Totdat ze zich gebeterd had en penitentie had gedaan.

XXX

           

Ongedateerd 17-18e E.

De apotheker

Apotheker Claesman op de Vismarkt, ‘In de Wijnsopper’ had gedurende vele jaren gratis geneesmiddelen verstrekt aan de Arme Klaren. Zijn opvolgers beslisten dit niet meer verder te doen. Daarop moesten ze vaststellen dat hun klanten, vooral de landslieden die op marktdag van buiten de stad kwamen en ook veel winkelwaren bij Claesman kochten, wegbleven. De uitbaters vreesden dat dit een straf Gods was en besloten opnieuw gratis geneesmiddelen te bezorgen aan de Clarissen. Aanstonds kwamen alle vroegere klanten terug[13].

Moeder abdis Berlamont

XXXI - XLIV

265

Julie Berlamont

(Maria Dominica)

Izegem

14/03/

1799

1825

1826

31/08/1871

abdis 1831 – stichtte 14 kloosters in België, Engeland en Frankrijk

1)      Op een nacht verscheen Maria aan de jonge zuster Maria Dominica. De H. Maagd stond boven op een altaar, riep de zuster bij haar en zegde haar dat ze door God was uitverkoren om nieuw leven in het klooster te blazen. Een paar zusters waren hiervan getuige, maar later zette zuster Maria Dominica dit visioen van zich af, zeggende dat het maar een droom was geweest, wat haar medezusters niet geloofden.

2)      De jonge zuster Maria Dominica werd bij herhaling aangevallen door duivels. Op een avond, toen ze uit haar cel kwam om naar de kapel te gaan, versperde een brandend vuurtje haar de weg. Ze wilde er langsheen lopen maar het verplaatste zich telkens mee. Toen ze boven het vuurtje heen sprong, kreeg ze een harde klap in de rug en werd tegen de deur van de tegenoverliggende cel gesmakt.

3)      Toen ze op een dag in haar cel kwam, zat een grote rat haar aan te staren. Ze poogde hem weg te jagen, maar vergeefs. Hij bleef haar fixeren. Dan ging ze maar naar de kapel om te bidden. Toen ze terugkwam was de rat verdwenen. Ze was overtuigd dat het de incarnatie van de duivel was.

4)      Op O.-L.-Vrouw-Hemelvaart 1831 kreeg ze vier volle uren een extase en zag de Maagd Maria in volle glorie.

5)      Begin 1833, zwaar ziek, omringd door haar medezusters, kreeg ze plots een visioen, waarbij ze Maria in volle glorie mocht aanschouwen.

6)      Op 22 mei 1833 was de ziekte nog verder gevorderd en hadden de geneesheren (o.m. de bekende dokter en historicus De Mersseman) alle hoop opgegeven. De zusters droegen hun abdis tot bij het beeld van O. L. Vrouw in de tuin. Daar zongen ze samen het Regina Coeli, verschillende keren na elkaar. Tijdens de derde herhaling stond Maria Dominica plots recht en verklaarde dat ze genezen was. Men riep ‘mirakel’, en het beeld dragend, trok de abdis naar de kapel waar het Te Deum werd gezongen.

7)      De hierna volgende wonderen situeren zich na de dood van de abdis en werden aan haar voorspraak toegeschreven. Een huismoeder kreeg een borstvliesontsteking en werd door de geneesheren als ongeneeslijk beschouwd. Ze begon een novene voor Moeder Maria Dominica, en was de derde dag al weer te been.

8)      Een zuster Clarisse had een bronchitis, die maar niet genas. Ze begon een novene voor Moeder Maria Dominica en was op de vijfde dag al helemaal genezen.

9)      In Januari 1883 werd de overste van de zusters Jozefienen gevat door hevige hoofdpijn en moest ze bestendig overgeven. Ze verzwakte zodanig dat men haar het H. Oliesel toediende. De geneesheer verklaarde dat ze een hersenvliesontsteking had, veroorzaakt door een totale verzwakking van het gestel. De zuster bracht op haar voorhoofd een doek aan die aan zuster Maria Dominica had behoord, en de zelfde dag was een ommekeer in de ziekte merkbaar. Enkele dagen later was ze volledig genezen.

10)  Een meisje in een Vlaams dorp kreeg de kroep en was ten dode opgeschreven. De ouders legden een stukje linnen, dat aan zuster Maria Dominica had behoord, op de borst van het meisje. Onmiddellijk viel ze in een diepe slaap. Toen ze wakker werd was de ziekte geweken en weldra was ze volledig genezen.

11)  Voor een jonge man in Antwerpen die een slijmvliesontsteking had, vroeg zijn moeder een stuk linnen dat aan zuster Maria Dominica had behoord. Ze legde het op hem en ondertussen begonnen de kloosterzusters aan een novene. Op de laatste dag ervan was de jonge man volledig genezen.

12)  Dezelfde Antwerpse dame kreeg een etterende wonde aan een been en niets kon beterschap brengen. De kloosterzusters begonnen opnieuw aan een novene en stuurden een stukje serge die aan zuster Maria Dominica had behoord. Ze legde het op haar been en op de laatste dag van de novene was ze volledig genezen.

13)  Een vriendin van haar, die nog nauwelijks kon op haar benen staan, vroeg het stukje serge en begon aan een novene. Tegen het einde ervan kon ze weer normaal gaan.

14)  In 1885 lag Sophie De Sopper zwaar ziek in het Sint-Janshospitaal en de dokters gaven haar geen hoop op genezing. Een nicht van zuster Maria Dominica riep de tussenkomst van de abdis in en op een paar dagen was de zieke genezen en was de klier die haar verhinderd had te slikken, verdwenen.

XLV-XLVI

289

Johanna Vercruysse

(Marie Josèphe)

Uit-kerke

6/04/

1816

1838

1839

30/03/1872

in 1857 naar Londen voor stichting klooster en daar overleden

1)      Op een dag, toen ze het H. Sacrament aan het aanbidden was, zag ze op het altaar scènes van grove beledigingen die aan de hostie werden toegebracht. Ze verdubbelde nadien in religieuze ijver en in aanbidding van het Sacrament.

2)      Tijdens haar laatste ziekte werd ze belaagd door duivels en haar medezusters moesten constant bij haar blijven om haar te beschermen. Op Witte Donderdag was ze heel zwak en zegde de abdis haar dat ze waarschijnlijk op Goede Vrijdag zou sterven. Neen, antwoordde ze, het zal de dag daarop zijn. En zo gebeurde.

XLVII

299

Marie van Daele

(Margaretha)

Izegem

1832

1833

10/03/1842

 

Deze jonge en levenslustige religieuze bad zeer hevig opdat een jonge Bruggeling van zijn vader, die weigerde, toelating zou krijgen om jezuïet te worden. Op een nacht bad ze met grote hartstocht, waarna ze naar bed ging. Plots liet ze een schreeuw en stierf schielijk. De hiervoor vernoemde zuster Vercruysse ging ’s nachts bidden in de kapel en vroeg aan God haar een teken te geven dat haar medezuster, hoewel onverwacht zonder de H. Sacramenten te hebben ontvangen, toch in staat van genade was overleden. Plots zag ze een schitterende H. Maagd die met de ziel van zuster Margaretha ten hemel klom. Nog was zuster Vercruysse niet helemaal overtuigd en vreesde ze te hallucineren. Wanneer ze de kapel buiten kwam, leek haar evenwel het ganse klooster te schitteren als op een zonovergoten middag. Toen twijfelde ze niet meer. ’s Anderendaags kwam de jonge man meedelen dat hij eindelijk de toestemming van zijn vader had bekomen. Niemand twijfelde eraan dat zuster Margaretha voor dit resultaat haar leven had opgeofferd.

XLVIII

307

Marie Vervaeke

(Pacifique)

Tielt

1841

1842

02/04/1843

 

Nadat ze in geur van heiligheid was overleden, trad bij deze zuster de rigor mortis in. Een zuster greep haar hand vast en vroeg dat ze een teken zou geven dat ze in de hemel was aangekomen. Toen ontvouwden zich haar handen, ze werden weer flexibel en haar aangezicht werd zacht en fris.

XLIX

312

Rosalie Cannaert

(Marie Delphine)

Hulste

1842

1843

02/01/

1848

14/12/841

naar klooster Ieper (Leuven ?) en daar overleden

Toen de plaatselijke abdis bij de stervende zuster Delphine waakte, zag ze door het venster in de donkere hemel een schitterende zon omringd door even schitterende sterren. De stervende keek eveneens naar buiten alsof ze hetzelfde schouwspel zag en overleed. De zusters waren overtuigd dat ze gezanten van God had gezien, die haar kwamen halen.

L

315

Colette Mattheeuws

(Catharina)

Maria-loop

1843

1844

1897

naar klooster Baddesley en daar overleden

Toen ze zich op een dag in de tuin bevond, vond ze de deuren die toegang gaven tot de kapel gesloten op het uur van de godsdienstige oefeningen. Ze wilde niemand storen en bleef in de tuin, ook al begon het te regenen. Ze bad tot haar Engelbewaarder, vragende dat hij in haar plaats naar het Lof zou gaan. De andere zusters zagen inderdaad hun medezuster in de kapel, maar in een zo mooie kledij dat ze er over verwonderd waren. Ze verdween zodra de dienst ten einde was. Onmiddellijk daarop werd aangebeld en voor de deur stond zuster Catharina, doornat. Toen men haar om uitleg vroeg, antwoordde ze : ‘Ik heb mijn Engelbewaarder gestuurd’.

Een hedendaagse kijk op de wonderen van toen

De besloten wereld van een kloostergemeenschap, zoals ze eeuwen heeft bestaan, doet voor ons tamelijk vreemd aan. Ook als gelovige, zelfs als kloosterling vermoed ik, heeft men thans nog nauwelijks voeling met deze wereld van talrijke signalen uit het hiernamaals, die we als een geschiedkundig gegeven uit het verleden bekijken en bestuderen. Men kan zich afvragen of zelfs in de tijden toen de hier vermelde wonderen als normaal werden beschouwd, iedereen wel helemaal overtuigd was van hun bovennatuurlijk karakter. Een aantal van de geschetste ‘wonderen’ waren immers eerder te klasseren onder de noemer bakerpraatjes, autosuggestie of inbeelding, dan dat het ging om ernstige tussenkomsten vanuit de hemel. Het is niet uitgesloten dat de kennis die men had opgedaan bij de lectuur aangaande elders voorgekomen wonderen, als inspiratiebron diende.

De vaststelling is te maken dat het eerste geregistreerde ‘wonder’ in het klooster Sinaï van de Coletienen in Brugge op het einde van de zestiende eeuw is voorgevallen, meer dan honderd jaar na de stichting. Mirakels waren niet ver af, want men wist dat de heilige Coleta veel mirakels had gedaan en dat haar lichaam na 45 jaar ongeschonden was toen het werd opgegraven. Het is dus niet helemaal uitgesloten dat bijzondere gebeurtenissen over de eerste honderd jaar in een afzonderlijk en verloren gegaan schrift werden opgetekend. De mogelijkheid hiervan is evenwel niet groot, want het Memoriaalboek bevat in meer dan honderd paragrafen vele gegevens over het klooster tijdens de eerste decennia, zodat wonderen er ook wel hun plaats zouden in gevonden hebben. Het is alvast voldoende bekend dat de hoogdagen van de mirakels zich situeren in de Contrareformatorische periode, zeventiende en achttiende eeuw[14].

Sommige van de aangehaalde feiten, meer bepaald van de visioenen, werden toegeschreven aan kloosterzusters die uitzonderlijk ascetisch leefden en in wiens verhaal hedendaagse geneesheren wellicht elementen van angstvalligheid, hysterie, onevenwichtigheid, exhibitionisme, nymfomanie of zelfverminking zouden herkennen. Er waren geen verhalen bij met enige seksuele connotatie, zoals dit in andere gepubliceerde kloosterverhalen soms het geval is. Ook het H. Sacrament en de hostie kwamen praktisch niet aan bod, hoewel de lijfelijke aanwezigheid van God zelf in het tabernakel, voorwerp van permanente verering en aanbidding, een voor de hand liggende mogelijkheid tot mirakelen bood. Anderzijds was er nauwelijks verwijzing naar negatieve ‘wonderen’, zoals bezetenheid en duiveluitdrijving, wat vaak voorkwam, vooral in de zeventiende eeuw (de Ursulinen van Loudun in 1634 en van Auxonne in 1658 bvb.[15]). In een paar gevallen werd alleen maar de aanwezigheid van de duivel vermeld. Meer algemeen moesten de tot voorbeeld gestelde religieuzen ongetwijfeld de medezusters aanmoedigen tot vervolmaking. Ook een zekere concurrentie in de betrachting van de heiligheid was, binnen de kloostergemeenschap, wellicht niet denkbeeldig.

Vijftig als wonderen geboekstaafde feiten kunnen, als ze zo op een rijtje gezet worden, talrijk lijken. Men mag hierbij evenwel niet uit het oog verliezen dat ze gespreid waren over méér dan drie eeuwen. Dit betekende dus niet méér dan gemiddeld één wonder om de zes jaar. Lag dit in de lijn van wat in andere kloosters of bedevaartsoorden in Brugge of in het Bisdom Brugge zou kunnen worden vastgesteld, indien hierover gegevens bekend waren?[16] Er waren alleszins streken waar het aantal wonderen aanzienlijk hoger lag. We hebben het dan nog niet over meer exuberante landen zoals Italië en het Iberisch schiereiland, maar bijvoorbeeld over Beieren, waar tijdens de zeventiende en achttiende eeuw alleen al in het heiligdom van Neukirchen beim Heiligen Blut 12.000 mirakels plaats vonden en in de Salvatorskerk in Bettbrunn zelfs 16.500 (hetzij respectievelijk 50 en 60 per jaar)[17]. In vergelijking hiermee komen onze Brugse Coletienen als bescheiden en nuchter naar voor!

Verschijningen uit de hemel, waren in het geheel van de vermelde wonderen bij de Brugse Coletienen niet talrijk. Acht maal werd een visioen van de Zaligmaker vermeld, ofwel Christus aan het kruis of op zijn lijdensweg, ofwel het Kind Jezus. Vijfmaal werd een verschijning van de Maagd Maria gemeld. Voor het overige had men éénmaal de heiligen Anna, Ontkommere, Franciscus, Antonius van Padua en Adriaan gezien, alsook een paar maal Engelbewaarders. Het valt op dat geen enkele keer een verschijning van de heilige Coleta werd gemeld, niettegenstaande de grote verering die men had voor de stichteres, van wie men verschillende relikwieën bezat[18].

De overgrote meerderheid van de wonderen had betrekking op de kloosterzusters zelf en op gebeurtenissen binnen het kloosterslot. Het bleef dus binnen de leefwereld waarin de zusters zich exclusief bewogen. Wat buiten de muren van hun abdij gebeurde, inspireerde hen niet. Grote epidemieën, oorlogen of andere rampen gaven geen aanleiding tot wonderen binnen het klooster of als gevolg van een tussenkomst vanuit het klooster. Eén uitzondering hierop was het voorval in verband met de aanhoudende droogte. Uiterst weinig dus. Wat de wonderen binnen het klooster betrof, werden tot op het einde van het Ancien Regime slechts twee gevallen gemeld van wonderbaarlijke genezing van een medezuster. Daarentegen hadden dertien voorvallen te maken met tekens of wonderen naar aanleiding van de ziekte, doodstrijd of overlijden van één van hen.

De wonderlijke gebeurtenissen die dateerden uit de negentiende eeuw, lagen nog voor een deel in de lijn van de vroegere. Zo werden in hoofde van abdis Julie Berlamont (1799-1871) gevallen vermeld van extase, verschijningen en genezing, - méér te catalogeren als wonderlijke gebeurtenissen dan wel als mirakels. Voor een ander deel ging het om feiten die echt als mirakel konden worden bestempeld, met name onverklaarbare genezingen, bekomen nadat men de inmiddels overleden abdis had aangeroepen. Julie Berlamont was zonder twijfel een aanzienlijke en krachtdadige vrouw. Vanuit de abdij in Brugge, die ze gedurende veertig jaar met vaste hand leidde, stichtte ze niet minder dan veertien nieuwe kloosters, in België, Frankrijk en Engeland. Haar medezusters hadden voor haar groot ontzag en eerbied en ze verhieven ze tot een legendarische figuur. Tijdens haar leven al werd ze als een heilige beschouwd en na haar dood werden inspanningen geleverd om voor haar de weg naar de officiële heiligheid te effenen. Daarom werden relikwieën van haar geproduceerd en werd nauwgezet nota genomen van alle wonderen of verkregen gunsten die aan haar konden worden toegeschreven. Publicaties die aan haar werden gewijd, wezen in de zelfde richting. De geleverde inspanningen zijn evenwel onvoldoende gebleken en zijn ook niet volgehouden, zodat van een verheffing op de altaren niets is in huis gekomen. De Coletienen waren te gering in aantal en te weinig invloedrijk om de moeizame en dure procedure van zaligverklaring tot een goed einde te brengen.

Over de ganse beschouwde periode heeft geen van de vermelde wonderen aanleiding gegeven tot het tot stand komen van bijzondere devoties en werd het klooster van de Coletienen geen bedevaartsoord. Het mirakelkruis, het mirakelbeeld van Adriaan en het miraculeuze Ecce Homo werden niet het voorwerp van uitgebreide verering. De relikwieën waarover het klooster beschikte, vooral die van Coleta, gaven aanleiding tot een eerder bescheiden volksverering. De Brugse Coletienen genoten voor twee devoties bekendheid. De eerste was de oplegging bij zwangere vrouwen van een sluier die behoord had aan Coleta. Het doel was een voorspoedige bevalling te bekomen[19]. De tweede was, niet in Brugge alleen trouwens, dat men gebeden aan de Coletienen vroeg teneinde bij een of andere gelegenheid mooi weer te bekomen. De aanvragers zetten hun vraag kracht bij door het bezorgen van een hoeveelheid eieren die aan de heilige Clara werden opgedragen[20].

Pas na 1850 kwam in het klooster Sinaï een begin van aanzienlijker activiteit voor bedevaarders en godvruchtige zielen tot stand, door de oprichting – de eerste in België - van een Genootschap van Onze-Lieve-Vrouw van La Salette, devotie die toen in trek kwam. De oprichting had niets met een mirakel in het klooster te maken, maar met het privé-initiatief van een weldoenster, gravin de Robiano, die een schilderij had geschonken met een afbeelding van de in1846 in La Salette verschenen Maagd Maria. Eén wonder wordt evenwel in die context vermeld. Tijdens de H. Mis in de kapel van de Arme Klaren, opgedragen op 22 september 1897, de vierde dag van een novene ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van La Salette, werd het jongetje Gustaaf Decraene van volledige verlamming genezen. Zijn karretje werd in de kapel achtergelaten[21].

In deze bijdrage was het niet onze bedoeling tot uitgebreide bespreking van de vermelde wonderen te komen, noch tot vergelijking met andere verhalen. Voor dit laatste bestaat, zeker in het kader van Brugge, te weinig gepubliceerde materie. Het zou de moeite lonen na te gaan of gelijkaardige wonderen werden opgetekend in de vele andere Brugse kloosters, zowel van vrouwen als van mannen en in welke mate ze eventueel buiten de kloostermuren bekendheid kregen en invloed uitoefenden.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in de Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis te Brugge, 2006, blz. 277-298)


 

[1] Petrus DE VAULX, Leven van de heylige Coleta, hervormster van het orden der heylige Clare, Gent, 1808;  DE MEYER PPP, De heilige Coleta van Corbie, van Bourgondië naar Vlaanderen, Mechelen, 1947

[2] A. VAN DEN ABEELE, De abdissen van de Arme Klaren Coletienen in Brugge, in: Biekorf, 2003, blz. 362-380.

[3] De volledige, ongepubliceerde lijst van kloosterzusters (1498 tot heden) is te vinden op www.andriesvandenabeele.cjb.net

[4] Archief Kapucijnen Vlaamse provincie, Antwerpen

[5] Vie de la Mère Marie-Dominique, dans le monde Julie Berlamont, abbesse des Pauvres-Claires-Colettines de Bruges suivie de ses lettres et de notices sur les couvents qu’elle a fondés et sur la vie de la Mère Marie-Bernardine (Rose Liebaert), Brugge, Beyaert-Defoort, 1873, 390 p
Het leven van de Eerweerde Moeder Maria-Dominica in de wereld Julie Berlamont, Abdesse der Arme-Claren Colettinen te Brugge, Brugge, Vandenberghe-Denaux, 1875, 382 p.
Vie de la Mère Marie-Dominique, dans le monde Julie Berlamont, abbesse des Pauvres-Claires-Colettines de Bruges suivie de ses lettres et de notices sur les couvents qu’elle a fondés et sur la vie de la Mère Marie-Bernardine, dans le monde Rose Liebaert, Brugge, Vandenberghe-Denaux, 1888, XXVIII-416 p.

[6] Het kruisbeeld (lengte Christus 19 cm, totale hoogte 51,7 cm) dateert van omstreeks 1300. In 1970 werd het door het klooster, samen met andere voorwerpen, aan de Stedelijke musea van Brugge verkocht. In 1981 vroeg en kreeg abdis Anna Backx het kruisbeeld terug, in verwisseling met een ander kunstwerk, geschonken door een Brugse dame. Het kruisbeeld bevindt zich thans bij de laatste zusters Clarissen van het voormalig Brugs klooster, die in de vroegere pastorie van Wezeren-Walshoutem wonen. Zie: M. GOETINCK (red.), Een venster op het leven. 1381-1981 Eeuwfeest van de H. Coleta, Brugge, 1981, blz 21 ; A. JANSSENS DE BISTHOVEN (red.), Schatten voor Brugge, Stedelijke Musea Brugge, aanwinsten 1966-1972, Brugge, 1972, blz. 58-60.

[7] A. VAN DEN ABEELE, De “geestelijke vaders en moeders” van het klooster der Arme Klaren Coletienen in Brugge, in: Biekorf, 2003, blz. 110-130.

[8] M. GOETINCK, a. w., blz. 73.

[9] Zie hetzelfde verhaal bij de heilige Coleta. Het wordt ook verteld over de heilige Pater Pio. Tijdens de Tweede wereldoorlog hadden de paters in zijn klooster zoveel brood aan de armen weggegeven, dat ze er geen meer overhielden. Toen ze zonder brood aan tafel gingen, bracht pater Pio een grote hoeveelheid stokbrood binnen, gekregen zo zegde hij, van een onbekende dame. De medebroeders waren overtuigd dat het om een wonderbare gift ging.

[10] Dit moet normaal Philippe-Charles de Schietere geweest zijn (Brugge 1686-1755), raadslid van de stad in 1713, schepen in 1717, schout in 1719.

[11] Het beeld werd door abdis Lutgart Bogaert in de jaren 1970 verkocht.

[12] Een houten beeld van deze heilige werd onder abdis Lutgart Bogaert verbrand. Deze heilige, waarvan de legende in de 15de eeuw ontstond, werd  na het Tweede Vaticaans Concilie als legendarisch van de heiligenkalender afgevoerd.

[13] A. VAN DEN ABEELE, Een wonder bij de apotheker, in : Brugge die Scone, 2004.

[14] W. GIRALDO, Duizend jaar mirakels in Vlaanderen, Brugge, 1995; G. HARLINE, De wonderen van Jezus-eik.  Mirakelverhalen uit de zeventiende eeuw, Amsterdam, 2003.

[15] B. GARNOT, Le diable au couvent, Paris, 1995 ; R. MANDROU, Possession et sorcellerie au XVIIe siècle, Paris, 1997..

[16] Een begin van antwoord in : M. THERRY, De religieuze beleving bij de leken in het 17de eeuwse bisdom Brugge (1609-1706) (Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en .Schone Kunsten van België, Brussel, 1988.

[17] P. SOERGEL, Wondrous in His Saints, Counter-Reformation Propaganda In Bavaria. University of Berkeley, California Press, 1993, blz. 103.

[18] De als relikwie bewaarde arm en rib van Coleta, zijn door de laatste zusters van het Brugse klooster geschonken aan hun medezusters in Gent.

[19] W. GIRALDO, Volksdevotie in West-Vlaanderen, Brugge, 1989, blz. 43. De sluier is nog altijd in het bezit van de laatste abdis van het voormalige klooster en er komen nog steeds zwangere vrouwen langs om de sluieroplegging te bekomen.

[20] J. GELDHOF, Dagklapper, Parochieblad Brugge, 10 november tot 1 december 1963.

[21] H. STALPAERT, Brugse devotieprenten van Onze-Lieve-Vrouw, Brugge, 1976, blz. 234.

www.andriesvandenabeele.net