De monarchie in België

 

Vertrekpunten voor argumentatie

Bijeenkomst waarin ik pannellid was, samen met Geert Lambert en Bart De Wever (beiden tegenstander van de monarchie en separatist) en moderator Paul Van den Driessche.

Om een aantal redenen ben ik een beredeneerd voorstander van de monarchie, meer bepaald van de constitutionele monarchie die we bij ons kennen.

Ik doe dit vooreerst op basis van de vaststelling dat het om een oude staatsvorm gaat, die we al ongeveer vijftienhonderd jaar kennen en die, op cruciale momenten, zoals in 1815 of in 1830, maar ook nog tijdens latere crisissen, heeft stand gehouden. Ook op vandaag geeft hij duidelijk aan een grote meerderheid van onze bevolking voldoening.

Mijn tweede argument is dat in tijden van onzekerheid en verwarring, de bevolking en dan vooral de eenvoudige man en vrouw hunkeren naar houvast, naar symbolen, naar gezagvolle figuren. Dit komt op cruciale momenten tot uiting. De laatste in de rij is de ontknoping van de Dutroux-affaire geweest, waarbij de tussenkomsten van de koning een helende en samenbrengende rol speelden. Dat kan een koning, als ‘vader des vaderlands’ beter dan een politicus, zelfs als het om een verkozen president gaat.

Mijn derde argument is dat een klein land zoals het onze, in de wijde wereld gediend wordt in zijn herkenbaarheid, in zijn gezag en invloed, in zijn commerciële relaties, door een koningshuis dat in de ganse wereld bekend is, en ons land op de kaart zet méér dan om het even welke andere instelling of naam.

Mijn vierde argument is van binnenlandse aard. Het is duidelijk dat wie het bestaan van België als land voorstaat, ook bij voorkeur zal pleiten voor het behoud van de monarchie, die een bindmiddel is tussen de verschillende gemeenschappen, zowel  voor de Vlamingen, de Franstaligen als de Duitstaligen, zonder hierbij de allochtonen en de recente Belgen te vergeten.

Ik weet natuurlijk dat er tegenargumenten zijn, onder meer wat betreft het democratische gehalte van de monarchie en meer bepaald de erfelijkheid van de troon. Ook hierover heb ik argumenten die ik in het voordeel van de monarchie wil uiteenzetten.

Het debat dreigt natuurlijk enigszins beïnvloed te worden door vertrekpunten die niets met de monarchie te maken hebben. Mijn achtbare opponerende debaters staan bekend als voorstanders van het separatisme en van een onafhankelijk Vlaanderen. Het is niet duidelijk of ze voor Vlaanderen nog een monarchie zouden verkiezen, maar dat horen we dan nog wel. De afwijzing van de monarchie, waar ze in minderheidskringen tot uiting komt, is alvast vaak een gevolg van het feit dat men dit bindmiddel van de Belgische eenheid wil doen verdwijnen, omdat het als een hinderpaal voor het gewenste  separatisme wordt beschouwd.


Democratie

Er bestaan niet zoveel echt democratische landen op de wereld en onder hen zijn dan nog grote verschillen vast te stellen.

De definitie van democratie is: Staatsvorm waarbij het volk geregeerd wordt door gekozenen uit eigen gelederen.

Een nog betere definitie lijkt me die te zijn waarin men vooropstelt dat het volk soeverein is. Dit kan evengoed in een republiek als in een koninkrijk het geval zijn.

In ieder geval is een democratie onmogelijk, zonder de vrijheid van meningsuiting.

Vanuit het oogpunt van het kiesrecht, lijkt me de toestand waarbij elke burger over één gelijke stem beschikt, de meest democratische. Die wordt het dichtst benaderd in Nederland, waar het ganse koninkrijk één kiesdistrict uitmaakt en al wie het wil, een lijst kan opstellen, waarop hij, als hij een honderdduizend stemmen behaalt, één van de 150 zetels in de Tweede Kamer wegkaapt. Omdat nu eenmaal niets volmaakt is, blijkt dat de integrale democratische kieswet ook nadelen vertoont, die voor de democratie nadelig kunnen zijn. De voornaamste is dat veel verschillende inzichten kunnen leiden tot een versnippering van partijen en derhalve nog moeilijk een coherent beleid kan worden gevoerd, gelet op de vele compromissen die moeten gesloten worden. Een dergelijke vorm van democratie vraagt een tamelijke rijpheid en een overeenstemming bij een groot deel van de bevolking over de essentiële doelstellingen.

Omdat dit niet altijd haalbaar blijkt, zijn er veel andere systemen ingevoerd, die in mindere of meerdere mate op het meerderheidsprincipe in hoofde van de kiezer berusten. De grootste democratie, de Verenigde Staten, huldigt dit systeem. Het volstaat dat je één stem méér hebt dan de anderen en je haalt het, zelfs als je ver beneden de 50 % van de kiesgerechtigden zit.

In Groot Brittannië is het net eender. De huidige Labourmeerderheid van méér dan zestig zetels in het Lagerhuis, is bekomen met slechts een goede 40 % van de uitgebrachte stemmen, en met slechts een goede 25 % van de kiesgerechtigde inwoners

België hangt ergens tussen de uitersten.

Het aantal kiesgerechtigden heeft in de loop van 175 jaar België een aanzienlijke evolutie gekend.

In 1830 waren er hoop en al een 40.000 kiezers.

Toen het enkelvoudig algemeen stemrecht voor mannen werd ingevoerd op het einde van de 19de eeuw groeide dit naar een paar miljoen en het verdubbelde toen in 1946 het vrouwenstemrecht werd ingevoerd. Meer recent is het aantal kiesgerechtigden aangegroeid door de verlaging van de drempel tot op 18 jaar en bij de volgende gemeenteverkiezingen zullen ook niet-Belgen, die hier al een tijdlang wonen, kunnen meestemmen.

Wat het kiessysteem betreft, we hebben recent heel wat wijzigingen zien intreden. Voor het Europarlement en voor de Senaat zijn er nog slechts twee kiesdistricten en voor de Kamer en het Vlaams parlement nog slechts één per provincie. Ogenschijnlijk verhoogt dit het democratisch gehalte, omdat minder verloren stemmen worden uitgebracht. Anderzijds vermeerdert het de greep van de partijleidingen op de samenstelling van de lijsten en resulteert dit in de invulling door partijgetrouwen van de verkiesbare plaatsen.

Zo ziet men dat heel veel verschillen tussen landen en veel evolutie binnen eenzelfde land kunnen worden vastgesteld, die nochtans allen als een democratie worden beschouwd en aanvaard.

Ook wat betreft de gekozenen die de macht uitoefenen, zijn er als gevolg van het kiesstelsel soms grote verschillen tussen de landen. Een meerderheidssysteem heeft als gevolg dat kleine verschuivingen in het stemgedrag tot fundamentele wijzigingen kunnen leiden: de ene partij wordt volledig van de macht verdreven ten voordele van een andere. De voor de democratie wenselijke ‘alternantie’ wordt in die gevallen beter verzekerd. In landen met evenredige vertegenwoordiging en derhalve nogal wat partijen, brengen de noodzakelijke coalities mee dat een partij en in de eerste plaats de kopstukken van die partij soms heel lang, vaak dertig, veertig jaar of meer aan de macht blijven. Dit heeft dan ook weer voordelen en nadelen.

Sommige van die democratieën zijn monarchieën, en die zijn meen ik allen in Europa gevestigd : Noorwegen, Zweden, Denemarken, Nederland, België, Verenigd Koninkrijk, Spanje. Elk van die landen heeft zich tot hiertoe goed gevoeld met deze staatsvorm en hiertegen wordt alleen door kleine republikeinse clubs geageerd. Niemand trekt de democratische kwaliteit van die landen in twijfel.


Evolutie van de monarchie.

De evolutie van een monarchie van goddelijk recht naar een constitutionele monarchie is, in alle democratische landen, voltrokken.

In geen enkel land heeft de majesteit nog een macht die hem toelaat beslissingen te nemen tegen de verkozen lichamen en evenmin kan hij beslissingen van die lichamen tegenhouden.

In België is, met dezelfde Grondwet die in 1831 werd gestemd, de plaats van de constitutionele monarch geëvolueerd, zonder dat hiervoor de grondwet moest gewijzigd worden of zelfs wetten moesten gestemd worden.

De eerste koningen hadden in de praktijk een grotere macht. Wanneer in de grondwet vermeld stond dat ‘de koning’ dit of dat kon beslissen, dan lazen ze dit als het maar even kon letterlijk. Het is nochtans een feit dat ook toen al de term ‘de Koning’ niet op de persoon van de vorst sloeg maar op de uitvoerende macht. De koning kon en kan immers niets beslissen, zonder dat hij dit samen met de regering, of met minstens één minister doet.

Hijzelf kan niets beslissen zonder de goedkeuring van de regering. Hij kan in theorie weigeren een beslissing van de regering mee te ondertekenen en dan kan ze geen uitvoering krijgen. Dit is een hoge zeldzaamheid gebleken in het verleden en is thans helemaal ondenkbaar geworden.

De laatste keer dat ‘de koning’ letterlijk is opgevat, was in 1940 toen de koning het daadwerkelijke opperbevel over het leger voerde. Men weet tot welke moeilijkheden dit heeft geleid. Ook dit is thans uitgesloten.

De federalisering heeft heel wat zaken, die thans door de deelstaten worden beslist, onttrokken zowel aan de federale regering als aan de koning. Hetzelfde geldt voor de beslissingsmacht die men afgestaan heeft aan internationale organen, in de eerste maar niet enige plaats aan de Europese Unie.

De evolutie die de monarchie nog verder kan ondergaan, moet dus niet bij wet gebeuren, maar zal het gevolg zijn van natuurlijke evoluties in de maatschappij.

De persoonlijke macht van de koning is in ieder geval nog verder afgeslankt bij wat ze bij het ontstaan van België was. Wat overblijft is

  • een bepaalde invloed die niet zonder belang is gezien de koning lange jaren op de troon kan blijven,
  • een moreel gezag dat zich vooral in crisistoestanden kan laten gelden,
  • een symboolfunctie, waarrond de bevolking zich, boven en buiten politieke of filosofische verschillen, zijn identiteit kan beleven,
  • een continuïteit en een traditie, die het evenwicht tot stand brengen met vernieuwing en verandering die door andere instanties worden bewerkstelligd.

Erfelijkheid

Een twistpunt wat betreft de monarchie is de erfelijkheid, die niet in overeenstemming zou zijn met de democratie.

Vooreerst moet worden opgemerkt dat in een aantal belangrijke sferen van het maatschappelijk leven, de democratie niet wordt toegepast:

  • het gezin, voornaamste basis van de maatschappij, is geen democratie
  • de meeste religies zijn dat evenmin
  • een school is geen democratie
  • het bedrijfsleven, zowel de ondernemingen als hun beroepsorganisaties worden niet volgens democratische principes bestuurd
  • hetzelfde geldt, nog méér zelfs, voor de vakbonden
  • de meeste organisaties of verenigingen zijn op een oligarchisch en niet op een democratisch model georganiseerd.

De erfelijkheid wordt op essentiële punten door de democratie niet in vraag gesteld. Het belangrijkste is dat van het familiepatrimonium dat binnen eenzelfde familie wordt geërfd, en pas naar de staat gaat als er geen wettelijke erfgenamen meer zijn. De naamgeving is eveneens erfelijk. De natuur zelf ondersteunt de erfelijkheid door de overdracht van de genen.

In de meeste politieke partijen stelt men vast dat in de praktijk een zekere erfelijkheid niet te ontkennen valt. Die is recent zelfs nog toegenomen. Heel wat zonen en dochters van politici volgen de voetstappen van hun vader en moeder die zich een naam in de politiek hebben verworven. Zeker, die opvolgers moeten nog wel verkozen worden, maar niemand zal ontkennen dat ze als het ware een ‘handelsfonds’ overnemen, en het verkozen worden en het doorstoten naar de top voor hen duidelijk makkelijker is dan voor complete nieuwkomers. Zoals men het gebald uitdrukt, ze hebben al een naam en moeten zich nog enkel een voornaam maken.

Ook de monarchie is een erfelijke toestand die door de democratie wordt aanvaard. Ze is trouwens grondig veranderd bij wat ze onder het Ancien Regime was.

Toen gold de onwrikbare wet ‘De koning is dood, leve de koning’. Toen hoefde geen enkel bestuur tussen te komen, zodat men geen seconde zonder staatshoofd bleef.

In een constitutionele monarchie is dat anders.

Vooreerst berust het koningschap, van bij zijn aanvang, op een contract tussen de vorst en de vertegenwoordigers van het volk. In België werd dit contract afgesloten tussen Leopold I en het Belgisch parlement. Dit heeft symbolisch uitdrukking gekregen in het feit dat hij niet de ‘Koning van België’ is geworden maar de ‘koning der Belgen’.

Vervolgens, bij de dood of het eventueel ontslag van de koning, wordt hij niet automatisch door de troonopvolger opgevolgd. Er ontstaat een vacuüm, dat slechts wordt opgevuld de dag dat de kandidaat-koning voor het Parlement de grondwettelijke eed komt afleggen. Bij iedere eedaflegging wordt dus in feite het democratisch tot stand gekomen contract vernieuwd.

Ten slotte, welke ook de wettelijke en grondwettelijke bepalingen mogen zijn, zal de koning niet lang op de troon blijven als er een duidelijke tegengestelde volkswil zou tot uiting komen. In 1950 kon Leopold III onmogelijk op de troon blijven, nadat hij in een volksraadpleging maar een beperkte meerderheid had behaald en in sommige provincies zelfs geen meerderheid. Ook op vandaag zou, zelfs zonder volksraadpleging, de monarchie niet lang stand houden indien gedurende een bepaalde periode uit ernstige en herhaalde opiniepeilingen zou blijken dat een grote meerderheid zich tegen haar zou keren. Dit is natuurlijk op vandaag niet het geval.

Ik besluit hieruit dat de monarchie in ons land over alle elementen beschikt om als een legitiem onderdeel van een volwaardige democratie te functioneren.

Andries Van den Abeele

(basis van mijn argumentatie op een bijeenkomst CD&V-jongeren in Gent, einde 2005)

www.andriesvandenabeele.net