De Ware Volksstem,

een scherp polemisch weekblad

1872 – ca 1889

In zijn De pers te Brugge 1792-1914 (Leuven, 1961, blz. 162) vermeldde professor Romain Van Eenoo de gegevens die hij over de Brugse Zaterdagkrant De Ware Volksstem had gevonden. Hij situeerde het blad, voor wat betreft zijn politieke kleur als ‘Katholiek en Vlaamsgezind’, en vermeldde daarbij dat het geen polemieken voerde en hoofdzakelijk bestemd was voor de landelijke bevolking buiten Brugge.

Hij moest de krant situeren op basis van slechts vijf teruggevonden exemplaren : twee van 1874, en één van respectievelijk 1878, 1879 en 1889. Wij konden onlangs kennis nemen van drie opeenvolgende nummers, daterende van 25 september, 2 en 9 oktober 1875, die toelaten supplementaire gegevens aan te brengen.

De stichtingsdatum

Voortgaande op het nummer van 26 december 1874, waarop ‘13de jaargang’ stond vermeld, veronderstelde R. Van Eenoo dat de stichting te situeren was in 1862. Dit zou betekenen dat de krant was opgericht door vader Amand Delplace-Beernaert (1810-1890). We denken evenwel dat we een andere uitleg mogen vooropstellen. Vader Delplace stichtte namelijk in 1863 De Stad Brugge, een aanvulling op zijn Torhoutse nieuwsbladen. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat hij op hetzelfde tijdstip ook nog een tweede blad, met zelfde strekking en doelgroep, onder de naam De Ware Volksstem zou hebben opgericht. Over de ganse periode 1862 tot 1874 is trouwens geen enkel exemplaar van een krant met die naam bewaard gebleven.

Modest Delplace (1832-1884), die een aantal jaren bij zijn vader had gewerkt, verliet het ouderlijk bedrijf in 1869 en vestigde zich in de Geerolfstraat. Het is zeer waarschijnlijk dat hij daar De Ware Volksstem oprichtte, wellicht als concurrent met het weekblad van zijn vader. Die ‘13e jaargang’ boven het nummer van december 1874 kon verwijzen naar de stichting destijds van een hypothetische De Ware Volksstem of van de wel degelijk opgerichte De Stad Brugge en zich daar als de rechtstreekse opvolger van beschouwen (moeilijk denkbaar nochtans, want dit blad bleef verder door de vader uitgegeven), ofwel (en die uitleg heeft mijn voorkeur) was die ‘13’ een druk- of leesfout. Wellicht begon dus de derde jaargang einde 1874 en liep hij tot einde 1875, wat dan de stichting einde 1872 situeerde. Dit liep dan parallel met de stichting, door dezelfde Modest Delplace, van ’t Noorden van Brugge, waarvan de naam duidelijk aantoonde dat dit blad bestemd was voor het landelijk gebied, terwijl de Ware Volksstem dan toch eerder op de lezers binnen de stad Brugge mikte.

De strekking

De biografie van Modest Delplace bevestigt dat de hem in De Pers te Brugge toegeschreven ideologische kleur als ‘katholiek en Vlaamsgezind’, terecht was. Hij was de drukker en uitgever van de studentenverenigingen rond Amaat Vincke, Zeger Malfait en Albrecht Rodenbach, van de Vlaamsche Vlagge en Het Pennoen, van ’t Manneke van de Mane, enz. Hij drukte ook de geschriften van talrijke geestelijken, onder wie de jonge monnik Gerard van Caloen, kanunnik Adolphe Duclos en pastoor Van Haecke. In juni 1870 werd hij de drukker van het laatste nummer van ‘t Jaer 30 en van het daarop volgende ‘t Jaer 70, de kranten van Guido Gezelle. Artikels verschenen in ’t Jaer 70, werden ook gepubliceerd in De Ware Volksstem en in ’t Noorden van Brugge, onder meer het In Memoriam gewijd aan Albrecht Rodenbach (1856-1880).

Liet Delplace in zijn kranten na polemieken te voeren, zoals R. Van Eenoo het concludeerde op basis van de enkele nummers die hij kon raadplegen? Dit was misschien zo in kalme perioden, maar als de verkiezingen naderden, zoals de hier vermelde nummers aantonen, maakten de scherpe polemische toon en de campagne voor de katholieke kandidaten, het duidelijk dat dit alles behalve een braaf en neutraal blad was. Die nummers waren op het Brugse publiek gericht en niet op het platteland.

In het nummer 39 (25 september 1875) werd het hoofdartikel gewijd aan de dure investeringen en uitgaven van het liberaal bestuur: de ‘Comedie’ (met zijn spektakels van ‘vuile fransche zedens’) en de ‘Patatteschoole’ (de door Boyaval en Paul Devaux aangemoedigde kostschool voor meisjes, met onderwijzeressen die door de krant beschreven werden als modepoppen à la Gatti). Hoewel het gevoerde beleid handenvol geld kostte, had de ‘kliek van Boyaval’ in de recente jaren de belastingen niet meer verder durven verhogen, omdat, zo verzekerde Delplace’s krant, sedert de vorige verkiezingen enkele actieve raadsleden van de katholieke partij scherpe controle uitoefenden en stevige oppositie voerden. Het uitvoeren van straatwerken voor het huis van oud-schepen Van Nieuwenhuyse en van enkele liberale kiezers, werd aan de kaak gesteld. Verder werd uiteraard ook veel geschreven over het faillissement van de Bank Dujardin, en over de banden die de burgemeester en andere liberale prominenten, familiaal of zakelijk, met de eigenaars van die bank hadden.

In het nummer 40 (2 oktober 1875) werd de draak gestoken met de kandidaten die door de liberalen zouden worden naar voor geschoven. Opnieuw werd er op gehamerd dat veel geld naar de schouwburg ging, terwijl de beiaard het wegens gebrek aan goede onderhoud liet afweten. Zware nieuwe belastingen werden voorspeld (onder meer op de koetsen) indien de liberalen wonnen.

In het nummer 41 (9 oktober 1975) werden opnieuw uitgebreide gegevens verstrekt over de kost aan investeringen en subsidies ten behoeve van de schouwburg. Vervolgens richtte een lang en schimpend artikel zich tegen volksvertegenwoordiger Paul Devaux, van wie werd gezegd dat hij ontslag zou nemen uit de gemeenteraad omdat hij niet wilde geassocieerd worden met de dommeriken die men als nieuwe liberale kandidaten vooropstelde. Een reeks korte artikels over uiteenlopende onderwerpen van politiek belang, toonde aan dat de electorale temperatuur in stijgende lijn ging.

Een paar weken later kon de Ware Volksstem triomferen. De katholieken hadden bij de gemeenteraadsverkiezingen van 26 oktober 1875 de volstrekte meerderheid veroverd. Burgemeester Boyaval nam ontslag en werd begin 1876 opgevolgd door volksvertegenwoordiger Amedée Visart de Bocarmé, die gedurende 54 jaar het burgemeestersambt zou uitoefenen. De katholieke meerderheid hield het tot in 1976 vol, hetzij precies een volle eeuw.

Einde van De Ware Volksstem

De stichting van De Ware Volksstem en van ’t Noorden van Brugge einde 1872 viel samen met het vertrek van Guido Gezelle uit Brugge en uit de redactie van ’t Jaer 70. Het is niet uitgesloten dat in dit blad andere geestelijken de opvolging namen (Duclos bvb.) maar het kan ook zijn dat hoofdzakelijk Delplace de drie kranten (gedeeltelijk met dezelfde teksten) volschreef. Het ontbreken van de meeste nummers van de twee eerste titels, laat niet toe een vergelijkend onderzoek met het grotendeels bewaarde ’t Jaer 70 uit te voeren.

Nadat Modest Delplace in 1883 zijn drukkerij had overgelaten aan Adolf Van Mullem, stopte die het jaar daarop met ’t Jaer 70 en droeg hij in 1889 de nieuwsbladen, De Ware Volksstem en ’t Noorden van Brugge over aan de jonge drukker Emiel Bonte. Deze had al einde 1885 de kranten van vader Amand Delplace overgenomen. In een afscheidsartikel had deze laatste toen de titels vermeld die hij aan Bonte overliet en daar was De Ware Volksstem niet bij. Uit het voorgaande kan de reden blijken: de krant was nooit van hem geweest.

De kranten van vader en zoon Delplace, die nu allemaal bij één drukker en uitgever waren ondergebracht, verdwenen nog voor de eeuwwisseling, alleen De Stad Brugge overleefde tot aan de Eerste wereldoorlog.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Biekorf)

www.andriesvandenabeele.net