Brugge van toen en nu

De adellijke stad

Kasteel van Male (pag. ...)

In Male verbleef heel oude adel, met inbegrip van de graven van Vlaanderen nakomelingen van de legendarische ‘forestiers’

De Zeventorens (pag. ...)

Eén van de belangrijkste monumenten in Brugge, ouder dan het stadhuis, maar sinds een eeuw verwaarloosd.

Het Huis Adornes (pag. ...)

Het huis van een Brugse adellijke familie met internationale vertakkingen.

Het Paleis van de Heren van Gruuthuse (pag. ...)

De heren van Gruuthuse, ook heren van Brugge genoemd, bereikten in dit paleis het toppunt van hun macht en roem.

De Sint-Jacobskerk als adellijk mausoleum (pag. ...)

De parochiekerk van de hertogen van Bourgondië werd een schatkamer van kunstwerken en een mausoleum voor hertogelijke medewerkers

Het Hof van Gistel (pag. ...)

De heren van Gistel, rijk geworden door het heffen van de tol op inkomende goederen, hadden hier hun woonplaats in Brugge.

Huis De Lecke (pag. ...)

Nog een kasteel in volle stad, dat eeuwenlang door grote heren werd bewoond en thans al bijna honderd vijftig jaar door vlijtige leerlingen bevolkt.

Huis De Lombard (pag. ...)

Een adellijke woning, waar zelfs Willem van Oranje waarschijnlijk langs kwam.

Kasteel Rooigem (pag. ...)

Edellieden en bisschoppen waren om beurt eigenaars van dit riante buitenverblijf.

Kasteel Tillegem (pag. ...)

Een middeleeuwse burcht die het tot enkele jaren geleden uithield als adellijk woonhuis.

Kasteel Ten Berghe (pag. ...)

Van Wouter Despars tot François van Caloen: ononderbroken een familiewoonplaats.

Kasteel Tudor (pag. ...)

De laatste onder de in Brugge gebouwde statige kastelen.

Brugge en adel: nauw verbonden

Verschillende eeuwen lang was Brugge een vorstelijke residentiestad, eerst voor de graven van Vlaanderen, na hen voor de hertogen van Bourgondië. Rond de vorsten cirkelden adellijke hovelingen, telgen uit oude feodale geslachten of nieuwkomers, waarvan sommigen zich in Brugge vestigden. Tegelijk woonden hier handelaars, industriëlen en bankiers die na een paar generaties noeste arbeid een behoorlijk patrimonium hadden opgebouwd en de stap naar de adelstand zetten. Vanuit die dubbele oorsprong woonden eeuwenlang een aantal adellijke families in en rond Brugge. Ze leefden met adellijke waardigheid als heren van stand. Ze bekleedden officiële functies zoals die van burgemeester of schepen en als ze een beroep uitoefenden dan was dat vaak als advocaat, als ontvanger of als militair. Ze stonden aan het hoofd van culturele organisaties, van religieuze confréries of van ontspanningsverenigingen, ze stimuleerden de liefdadigheid en de goede werken. Voor het overige leefden ze in een wat gesloten wereld, met eigen tradities, regels en omgangsvormen, met onderlinge huwelijken en bezitsverdeling, met een aantal gedragscodes en principes die te resumeren waren als Noblesse Oblige.

Het ganse Ancien Regime door, werden Brugge en het Brugse Vrije overwegend geleid door de adel. Op het einde van de achttiende eeuw woonden een paar duizend edelen in Brugge, en zij waren de voor de hand liggende rekruten voor overheidsfuncties. De heren of hun rijke weduwen, waren meestal renteniers die hun spaarcenten bij voorkeur in onroerend goed of in aandelen en obligaties belegden. Ze leefden meestal sober, met weinig uiterlijk vertoon. Wie teveel goede sier maakte werd in eigen kringen scheef bekeken. Het belet niet dat de adel een essentiële rol vervulde in het uitzicht die de stad kreeg, doordat ze de voornaamste bouwheren leverde van opmerkelijke woonhuizen, zoals ze ook het landschap buiten de stad fatsoeneerde met het ontwikkelen van buitenverblijven. Meteen waren edellieden de voornaamste initiatiefnemers van ontginningen en bosbouw en bezaten ze van generatie op generatie talrijke hofsteden en landbouwgebieden.

Dit is zo gebleven tot ongeveer de Tweede wereldoorlog. Toen veranderde veel, ook al bleven veel edellieden nog een openbare functie uitoefenen. Tot aan de gemeentefusies van de jaren negentien zeventig hadden nog heel wat gemeenten binnen het arrondissement Brugge een edelman als burgemeester. De generaties na de Tweede wereldoorlog zijn evenwel meer gaan studeren, hebben diploma’s behaald en zijn een beroep beginnen uitoefenen. Velen zijn uit het Brugse weggetrokken, zodat thans nog maar een beperkt aantal, meestal oudere vertegenwoordigers van de traditionele adel, hier woont. Een aantal eigendommen kwam in de bouwzone te liggen en werd verkaveld. Er zijn nog nauwelijks edellieden die het vroegere patroon onderhouden om in de stad te wonen tijdens de winter en op het kasteel tijdens de zomer. Zelfs de fulltime kasteelbewoners slinken in aantal, enkele dynamische uitzonderingen niet te na gesproken. Hun kastelen worden nu vaker gebruikt als restaurant, hotel of openbaar gebouw terwijl de omliggende kasteeldomeinen drastisch verminderd zijn of in overheidshanden kwamen. Een tijdperk dat tien volle eeuwen heeft geduurd, lijkt grotendeels afgesloten.

Het kasteel van Male

Ook al bestond er in Male, buiten Brugge op de heerweg naar Gent, in de tiende of elfde eeuw al een burcht, het is pas in 1166 dat we zekerheid hebben dat de graaf van Vlaanderen Filips van den Elzas er resideerde en er oorkonden ondertekende. Na hem verbleven er Johanna en vooral Margaretha van Constantinopel, evenals Gewijde van Dampierre. Hun opvolgers maakten van Male zelfs hun lievelingsoord. Graaf Lodewijk van Nevers, die in 1346 zou sneuvelen in de slag bij Crecy, ondertekende in Male het grootste aantal oorkonden tijdens de vijfentwintig jaar dat hij het graafschap leidde. Voortaan kwamen de afgevaardigden van de steden hier bij de graaf ‘ten parlemente’. Tweemaal per jaar hield hij ‘open deur’ en ontving hij op vorstelijke wijze.

Van Lodewijk van Male, de laatste heerser die uitsluitend de titel van graaf van Vlaanderen voerde, vertellen vroegere historici, - maar wat is hierin waarheid en wat legende -, dat zijn echtgenote tijdens zijn afwezigheid de neus liet afknijpen van een natuurlijke dochter van hem en dat die aan haar verwondingen overleed. Daarop zou de geweldenaar zijn gemalin in een onderaardse kerker gekluisterd hebben, waar ze omringd door waterratten, na vijftien jaar gevangenschap overleed. Een andere legende zegt dat tussen de grafelijke burcht in Brugge en het slot van Male een onderaardse gang liep.

In 1382, een jaar van onheil voor Brugge na de overwinning van het Gentse leger op het Beverhoutsveld, werd Male door de Gentenaars in brand gestoken. Margaretha van Male, net als haar vader op het kasteel geboren en ondertussen gehuwd met de Bourgondische hertog Filips de Stoute, hield er aan het her op te richten. In 1397 waren de werken voltooid. De geschiedenis van deze burcht is één van regelmatige overvallen en vernielingen. Hij lag immers onbeschermd in landelijk gebied en telkens soldaten of opstandelingen hun woede wilden koelen, vonden ze hier een makkelijke prooi.

De burcht diende al lang niet meer als vorstelijke residentie, toen koning Filips II hem in 1558 verkocht aan Juan Lopez Gallo, die tot baron van Male werd verheven. Van toen af begon de geschiedenis van het kasteel als ‘gewone’ adellijke residentie. In de achttiende eeuw treffen we er de recent geadelde François Claesman aan en in de revolutietijd graaf Carnin de Staden. Na veel wisselende bewoning werd het kasteel in 1920 aangekocht door baron en senator Charles Gillès de Pelichy. Zelfs voor zijn gezin met elf kinderen bleek dit als zomerverblijf uiteindelijk te breed bekeken. Het belet niet dat gedurende verschillende eeuwen, wat oorspronkelijk een vorstelijke residentie was, bewoond werd door leden van de plaatselijke adel. In 1953 werd de ganse eigendom, die zich weer eens in slechte staat bevond, overgedragen aan de Zusters Augustinessen van het H. Graf. Na grondige verbouwingen namen de laatste zusters van de abdij Sint-Trudo, die hun gebouwen in de Nieuwe Gentweg in Brugge verlieten, hier hun intrek en samen met zusters die uit Turnhout waren overgekomen, vormden ze de nieuwe abdij Sint-Trudo Male. Na de wereldlijke adel, een andere soort adel, die van de hoogstaande religiositeit.

De Zeven Torens

Toen de Brugse schilder Pieter Claeissins de Oude rond 1550 een schilderij maakte waarop de zeven meest bewonderde gebouwen van Brugge voorkwamen, plaatste hij het Huis met de Zeven Torren op de ereplaats. Het gebouw was toen al minstens drie eeuwen oud en stond er in zijn volle glorie.

Oorspronkelijk heette het Ten Sceipstale of Hof van Meulebeke, naar de vermoedelijke eerste bouwers. De meest waarschijnlijke bouwheer is Wouter Bonin, heer van Meulebeke die tussen 1297 en 1313 bijna onafgebroken deel uitmaakte van het Brugse stadsbestuur, vaak in de functie van burgemeester. De Bonins behoorden tot de rijk geworden handelaars, die via de Brugse Hanze de in- en uitvoer beheersten. Met de verworven rijkdom kochten ze heerlijkheden op, wat er na een paar generaties toe leidde dat ze tot de stand van de edelen gingen behoren. Dat ze hoger opklommen, diende ook uitdrukking te krijgen in de wijze waarop ze woonden. De eerder bescheiden huisvesting in houten huizen waren ze ontgroeid en ze bouwden stenen paleizen in de stad en burchten of kastelen op het platteland.

Grond bezitten op enkele tientallen meters van het stadhuis, van het paleis van de graaf van Vlaanderen en van de kathedraal, was prestigieus en het gebouw dat Wouter Bonin er optrok was dit evenzeer. De oudste gedeelten, die uit zijn tijd dateren, en dat zijn dan in de eerste plaats de indrukwekkende kelders, tonen dit duidelijk aan.

Gedurende verschillende eeuwen zou het Huis de Zeven Torens een eersteklas adres blijven. Tot in de vijftiende eeuw bleef het aan nazaten van Wouter Bonin toebehoren. In de zestiende eeuw werd het de stadswoning van baron Juan Lopez Gallo, dezelfde die toen ook het kasteel van Male aankocht. President van de Spaanse natie, was hij in zijn tijd een opmerkelijke figuur in Brugge. Zijn nakomelingen bleven eigenaar tot het einde van de zeventiende eeuw. Veel woonden ze er niet, wat niet wil zeggen dat het huis geen voorname rol meer vervulde. Enerzijds werd het ter beschikking gesteld van de grootbaljuw (vergelijkbaar met onze huidige gouverneur) en kreeg het de naam ‘Het Gouvernement’. Anderzijds werd het in 1658-61, samen met het buurhuis, de Casselberg, de tijdelijke verblijfplaats van de verbannen Engelse koning Charles II en zijn uitgebreid gevolg van armoezaaiende hovelingen.

In de tweede helft van de achttiende eeuw brachten de Engelse jezuïeten er een middelbare school en pensionaat in onder. Rond die tijd verdwenen de indrukwekkende zeven torens. Na de afschaffing van de jezuïetenorde werd het grote huis opnieuw door een adellijke familie bewoond, dat van burgemeester Jan de Peellaert. Dit bleef niet lang duren, want die zijn zoon, de door Napoleon tot graaf verheven Anselme de Peellaert deed overdreven uitgaven, wat hem de das omdeed. Hij richtte de Zeven Torens luxueus in Empirestijl in en begon aan de bouw van een kasteel in Sint-Andries, het Forreyst, dat hij waardig wilde maken van de functies die hij aan het keizerlijk hof in Parijs vervulde en waar hij hoopte Napoleon vroeg of laat te kunnen ontvangen. Na hem waren het rijke burgers die het huis bezaten, tot opnieuw een edelman, Edouard de Man, in 1835 eigenaar werd. Het is niet verwonderlijk dat hij zich het schilderij aanschafte dat Claeyssens aan de Zeven wonderen van Brugge had gewijd en waarop zijn woning zo prominent stond afgebeeld.

Het jaar 1908 betekende het einde van het adellijke bestaan van de Zeven Torens. De statige vertrekken werden kantoren, in de middeleeuwse overwelfde kelders werden transformatoren gebouwd en leidingen gelegd voor een telefooncentrale. Jaar na jaar ging het gebouw er op achteruit en dat is tot op vandaag nog altijd zo. Wat één van de belangrijkste monumenten van Brugge is, minstens evenwaardig aan het stadhuis, het Brugse Vrije of Gruuthuse, staat te verkommeren. De overheid blijft afwezig wanneer het er op aankomt zich te bekommeren om één van de belangrijkste monumenten van de door UNESCO op de lijst van het Werelderfgoed geplaatste stad.

Het huis van de familie Adornes

Naast de Jeruzalemkerk op de Sint-Annaparochie staat het huis van de familie Adornes. In het laatste kwart van de dertiende eeuw kwam zich een lid van dit Genuese geslacht in Brugge vestigen. Er hangen vraagtekens rond die Oppicino Adornes, die in 1307 in Brugge stierf. Wat kwam hij in Vlaanderen doen? Het verhaal luidt dat hij in dienst stond van graaf Gewijde van Dampierre. Wellicht werd hij omwille van zijn specifieke financiële kwaliteiten aangeworven. Hijzelf, zijn zoon en de verdere nazaten huwden telkens met dochters uit de vermogende Vlaamse adel en burgerij: van Akspoele, van Aartrijke, van Themseke, van der Banck, van Nieuwenhove, Braderix, Metteneye en nog andere. In de zestiende eeuw huwde een erfdochter met een Jan de la Coste, die de naam Adornes overnam.

De Brugse hogere klassen waren internationaal gericht, en de leden van de familie Adornes voelden zich bij hen dan ook helemaal thuis. Ze dreven internationale handel of waren financiers, bekleedden functies in het Brugse stadsbestuur, waren raadgever van de Bourgondische hertogen en één onder hen zelfs van de Schotse koning. Het huis, dat in zekere zin het centrum voor de familie was, werd in de jaren 1470-1480 gebouwd, wellicht op de grondvesten van een vroeger gebouw. Het lag naast de kerk die vanaf 1427 door de familie was gebouwd en die ook al de plaats van een vroeger houten kerkje had ingenomen. Deze kerk, bestemd als familiale begraafplaats, kwam er op initiatief van de gebroeders Pieter en Jacob Adornes, nadat ze voor de architecturale vormgeving inspiratie hadden opgedaan bij de kerk van het Heilig Graf, tijdens een bedevaart naar Jeruzalem. Hun nazaat Anselm, die samen met zijn zoon Jan ook op bedevaart naar Jeruzalem trok, beëindigde de werken aan de kerk en het aanpalende herenhuis. Dit huis deed wel rijk aan, maar ten opzichte van de familiale status bleef het toch eerder van bescheiden omvang. Het was trouwens niet daar dat Anselm Adornes woonde, want hij betrok een herenhuis langs de Verwersdijk, midden het Schotse kwartier. Het huis had dus eerder een representatieve functie, voorzien als het was van een ridderzaal en een privé-bibliotheek.

De Jeruzalemkerk was geen unicum. In Brugge werden, naast afzonderlijke gebedshuizen, ook heel wat kapellen bij kerken gevoegd, werden kerken opgesmukt of werden kloosters gebouwd dankzij giften van de plaatselijke vermogende adel en burgerij. Bijzonder is evenwel dat kerk en huis tot op vandaag de eigendom zijn gebleven van rechtstreekse nazaten van de bouwheren, eerst de graven de Thiennes en thans de graven de Limburg Stirum. De kerk blijft een bedehuis, het huis Adornes wordt privé bewoond, en daarnaast biedt de eigendom ruimte voor het Brugse Kantcentrum en voor een belangrijk bejaardenhuis.

Het Paleis van de heren van Gruuthuse

Eigenlijk is er maar één middeleeuwse adellijke residentie van grote omvang in Brugge blijven rechtstaan, namelijk die van de heren van Gruuthuse. Dat het er nog staat en nog in grote mate gelijkt op het uitzicht dat Marcus Gerards en Sanderus ons ervan gaven, kan een mirakel lijken. Toen de heren van Gruuthuse dit stadspaleis oprichtten had de familie een hoogtepunt bereikt, als invloedrijk gezagsdrager en als mecenas en kunstverzamelaar. Dit moest zich onvermijdelijk ook in hun woonst uitdrukken. Jan van Gruuthuse bouwde een eerste vleugel langs de Reie en Lodewijk van Gruuthuse voegde er na 1450 een hoofdgebouw aan toe, dat met een huiskapel aansloot bij de Onze-Lieve-Vrouwkerk.

Zoals zo vaak bleef de familiale macht niet duren. De nakomelingen trokken naar Frankrijk en bekommerden zich niet meer om hun Brugse residentie. In 1596 kwam de eigendom in handen van de overheid die er een Berg van Barmhartigheid of leenbank in onderbracht. Op het einde van de negentiende eeuw verwierf de stad Brugge het Gruuthusepaleis en liet het grondig – misschien iets te grondig – restaureren door architect Delacenserie, die onder meer de verdwenen gebouwen aan de straatkant (maar niet die aan de Westkant) heropbouwde. Sindsdien is Gruuthuse een stadsmuseum, dat de ambitie heeft de geest van een vijftiende-eeuws paleis voor ons op te roepen.

De Sint-Jacobskerk als adellijk mausoleum

Rond 1240 werd een deel van de Sint-Salvatorsparochie afgesplitst om er de Sint-Jacobsparochie van te maken. Er bestond toen al een kapel die aan de heilige Jacobus was gewijd en in de loop van de jaren werd die vergroot. In de periode 1460-1475 werd de kerk aanzienlijk uitgebreid tot een driebeukige tempel. De oorspronkelijke vroeggotische kerk werd er de noordelijke zijbeuk van en werd aangevuld met een grotere middenbeuk en een tweede zijbeuk.

De parochianen die voor de financiering van deze aanzienlijke werken moesten instaan waren niet talrijk, maar wel zeer vermogend. Eén van hen was hertog Karel de Stoute, die zijn residentie op honderd meter van de kerk had. Een andere was de bankier Thomasso Portinari. Van toen af werd ook deze parochiekerk een adellijk mausoleum, zoals dit het geval was voor ongeveer alle andere Brugse kerken en kapellen. Hertogen en leden van de koninklijke familie zochten er geen graf, want als ze in Brugge begraven werden, was voor hen plaats voorzien in de kathedraal Sint-Donaas of in de collegiale kerk van Onze-Lieve-Vrouw. Hooggeplaatste hovelingen vonden daarentegen hun gading in dit relatief recente kerkgebouw, dat ze met kunstwerken en rijke liturgische objecten bedachten.

Gilles van Valenciennes was in 1385 de eerste hertogelijke raadsheer die zich in de Sint-Jacobskerk liet begraven. Hij werd door verschillenden gevolgd, onder meer door leden van de Bourgondische familie Humbeloot, die de hoge functie van muntmeester in Brugge uitoefenden. Het waren nochtans vooral Brugse patriciërs en edellieden die in de Sint-Jacobskerk hun laatste rustplaats zochten. Tientallen, zoniet honderden onder hen werden in de veertiende tot zestiende eeuw aldaar begraven. De namen die men op de graftomben uit die tijd terugvindt, zijn die van de grote families die de scepter zwaaiden, zoals van de Vagheviere, van Aertrijke, van der Buerse, van Bassevelde, van Themseke, van Assenede, van Messem, van der Banck, Bave, Bonin en Boonem, de Wymes, de Baenst, De Moor en Wielant.

De Brugse burgemeester, Willem Moreel, heer van Oostcleyhem, stelde op het altaar van de kapel die hij had opgericht, het beroemde drieluik van Hans Memling op, dat zich thans in het Groeningemuseum bevindt. Op het altaar van Baptista del Agnelli troonde een werk van Rogier van der Weyden en boven het hoofdaltaar hing een Kruisafneming door Hugo van der Goes. De kerk bezit thans nog een Primitief uit 1480 die de legende van de H. Lucia vertelt, een schilderij van Pieter Pourbus gewijd aan de familie van Zeger van Male, en werk van Lanceloot Blondeel, Jan Garemyn en Jacob van Oost. Wat de verdere rijke aankleding van de kerk betreft, die dankte men ook hoofdzakelijk aan de milde giften van de adellijke parochianen. Veel daarvan ging verloren toen de Geuzen de inboedel in 1578 grondig vernielden. Geen nood evenwel, de oude adel en de opklimmende nieuwe ambtsadel zorgden voor vervanging. Die nieuwe adel telde namen zoals Wynckelman, le Gillon, de Molo, de Melgar, de l’Espée, de la Villette, Lauwereyns de Diepenhede, du Chambge, d’Hanins, Damarin, etc. Ze bleven Sint-Jacob als hun kerk en mausoleum beschouwen, tot op het einde van de achttiende eeuw.

Het merkwaardige praalgraf van de familie de Gros, dat de Beeldenstorm overleefde, is het meest typische voorbeeld in deze kerk van de zelfbewuste geldingsdrang die de edellieden over de dood heen ten toon spreidden. Dit mausoleum uit de vroege Renaissance herinnert aan de edelman Ferry de Gros (gestorven in 1541) en zijn twee echtgenoten Philippine Wielant en Françoise d’Ally. Ze zijn alle drie levensgroot en liggend op het monument afgebeeld.

De kroniekschrijver Jozef van Walleghem heeft beschreven hoe een edelman na een dienst in de Sint-Jacobskerk werd ten grave gedragen. Op 3 juni 1789 overleed de oud-schepen Charles Lauwereyns de Roosendaele de Diepenhede in zijn woning in de Kuipersstraat. Nadat het stoffelijk overschot gedurende enkele uren op prachtige wijze stond opgebaard, werd het gekist en nog de avond zelf naar de Sint-Jacobskerk gedragen. Het werd een aanzienlijke stoet, met vooraan vlaggen van de verenigingen waar de overledene actief was in geweest. Talrijke kinderen van de Bogardenschool of ‘stedeballen’ droegen brandende flambeeuwen en het koor van de parochiekerk zong de passende gezangen. Achter het lijk werd het wapenschild van de familie gedragen en volgden alle edellieden van de stad samen met de schutters van de Sint-Jorisgilde. Begraven in de kerk zelf was toen sinds enkele jaren door keizer Jozef verboden. Na de dienst trok dan ook de ganse stoet onder het zingen van treurzangen tot aan de Smedenpoort. Daar namen familie en vrienden plaats in koetsen en opnieuw vergezeld door toortsdragers vertrokken ze naar Oostkamp, waar ze aan de kerk werden opgewacht door talrijke parochianen en de overledene in het familiegraf naast de kerk werd bijgezet.

Het Hof van Gistel

Ook al was Gruuthuse het aanzienlijkste onder de paleizen van de adel, het was niet het enige. Zeker in de tijd van de Bourgondiërs hadden alle voorname hovelingen, die soms ook Brugse wortels hadden, een eigen residentie die ze bewoonden, minstens telkens wanneer het hof in Brugge neerstreek. De hertogelijke familie van Kleve en Ravestein had een verblijf in de Clarastraat en een ander in de Molenmeers. Volgens de overlevering had Antoon van Bourgondië, ‘de grote bastaard’, zoon van Filips de Goede, zijn stadsverblijf in de Sint-Jorisstraat. De politicus en financier Bladelin had zijn kasteel in de Naaldenstraat. Zo zouden we kunnen doorgaan. Meestal waren die woningen voorzien van een traptoren, als uitdrukking van de waardigheid en macht van wie daar woonde.

Eén van die adellijke woonsten was het Hof van Gistel in de Naaldenstraat. De heren van Gistel, verwant met de heren van Luxemburg en met de heren van Gruuthuse, behoorden tot de rijkste van stad en streek. Net zoals Gruuthuse behoorden ze tot de ‘moderne’ adel, die zijn welvaart niet stoelde op landelijke eigendommen, maar op ‘lenen’ die in feite bestonden uit het innen van taksen. Voor de heren van Gistel ging het om de Grote en de Kleine Tol die ze hieven op alle goederen die Brugge binnenvoeren. Hun rijkdom maakte dat ze in de omgeving van de graaf van Vlaanderen, later van de hertogen van Bourgondië, een rol speelden. Die rol kwam hen soms duur te staan. Jan van Gistel sneuvelde in de slag bij Crecy (1346) en in 1415 sneuvelden in Azincourt Antoine van Gistel evenals Jan van Gistel en zijn twee zoons Jan en Lodewijk. Het was die Jan die in 1393 in een groot en memorabel toernooi de handschoen had opgenomen die hem door Jan van Gruuthuse was toegeworpen.

Degenen die het Hof van Gistel voltijds bewoonden en de zaken draaiende hielden in de naam van hun heer, leefden minder gevaarlijk en soms heel wat langer. In 1508 werd in de Sint-Jacobskerk de ‘conciërge’ van het Hof van Gistel begraven. Hij luisterde naar de naam Hugo de la Falcque en was honderd jaar geworden.

Zoals restanten van een doorgang aantonen, stond al een gebouw op deze plek in de Naaldenstraat op het einde van de dertiende eeuw. Of het al aan de Heren van Gistel toebehoorde, is niet helemaal zeker. Zoals het er nu staat, dateert het gebouw hoofdzakelijk uit de 16de eeuw, met daarbij een achttiende-eeuwse aanbouw. Het werd in de jaren negentien zeventig oordeelkundig gerestaureerd en vooral de traptoren blijft een getuigenis van de eenmaal machtige heren van Gistel.

Het Huis De Lombard

In de Langestraat, op het nummer 21, staat de Lombard, één van die aanzienlijke huizen – een kasteel in de stad – die gedurende vele eeuwen door adellijke families werden bewoond. De eerste bekende bewoners van de Lombard behoren tot de Brugse familie Honin, die waarschijnlijk van Engelse afkomst was, en zich vanaf het begin van de veertiende eeuw met internationale handel rijk speelde. De Honins behoorden al vlug tot de top van de Brugse stadsmagistraten en tot de raadgevers en medewerkers, eerst van de graven van Vlaanderen en vervolgens van de Bourgondische hertogen. Al vroeg gedroegen ze zich als edellieden en na één of twee generaties waren ze dat dan ook geworden.

In volgende eeuwen citeren we vooral grootbaljuw Philippe d’Ognies die hier in de zestiende eeuw resideerde, tijdens de moeilijke tijd van de godsdiensttwisten. Hij werd in Gent door de protestanten opgesloten, maar kwam vrij door toedoen van zijn jeugdvriend Willem van Oranje, die hem in zijn koets meenam naar Brugge. Het is niet zeker, maar waarschijnlijk, dat de prins tijdens zijn verblijf in Brugge het huis van zijn vriend bezocht.

In de zeventiende en achttiende eeuw bleef het huis de Brugse thuishaven van opeenvolgende adellijke families, de Van der Haeghens en de la Villettes. Die families hadden af en toe financiële problemen en dit had tot gevolg dat het huis onvoldoende onderhoudsbeurten kreeg en stilaan bouwvallig werd. Aannemer Eugeen Goddyn zette zich aan het werk om er in 1781 het nieuwe en majestueuze pand van te maken dat er vandaag nog staat. Hij verkocht het aan het echtpaar Charles le Gillon de Goemaringhe en Françoise van Zuylen van Nyevelt. Van toen af en tot in 1990 werd het onafgebroken bewoond door rechtstreekse afstammelingen. Eerst was dat de familie de Bie de Westvoorde, daarna de familie Janssens de Bisthoven.

Zoals over zoveel andere patriciërshuizen in Brugge kan men over dit pand en zijn bewoners sterke verhalen vertellen. Eén ervan gaat terug naar het jaar 1666. De bewoner van de Lombard was toen Louis van der Haeghen, die burgemeester van het Brugse Vrije was. Op oudejaarsavond hield de magistraat van het Vrije een bijeenkomst en plots, in volle raadkamer, haalde Van der Haghen een dolk boven en stak, om één of andere duistere reden, schepen Paul Rugeley dood. De ruwe zeden waren in het midden van de zeventiende eeuw nog levendig aanwezig!

Het Huis De Lecke

Het huis De Lecke op het Sint-Jansplein en in de Wapenmakersstraat, heeft zoals vele Brugse huizen een lange geschiedenis, met hoogten en laagten. Toen Marcus Gerards in 1562 zijn panoramische kaart van Brugge tekende, kwam de Lecke er op voor als een indrukwekkende burcht die praktisch een ganse huizenblok innam. Over dit complex werd tot hiertoe geen studie ondernomen. Dat het om een belangrijke en door voorname heren bewoonde woonst ging, daar hoeft men niet aan te twijfelen. Eén van hen is bekend, met name Pablo Cobrysse die met een Spaanse voornaam, een onwettige dochter en een behoorlijk fortuin, naar Brugge terugkeerde na zijn actieve jaren op het Iberisch schiereiland. Tot aan zijn dood in 1675 speelde hij op heel wat domeinen een vooraanstaande rol in de stad.

In de tweede helft van de achttiende eeuw was De Lecke de woning geworden van de twee kanunniken van Outryve. Naast rijk, geleerd en vroom, waren ze ook vrolijke kerels. Een politierapport meldde dat bij hen voor grof geld werd gespeeld. In 1773 kwam hun onlangs geadelde nichtje Petronilla van Outryve samen met haar kersverse en geldverspillende echtgenoot Philippe de Stappens de Harnes, een deel van het grote huis bewonen. Ze bracht er supplementaire levendigheid binnen en de wijnavonden in gezelschap van vrienden van de Sint-Jorisgilde duurden soms tot in de kleine uurtjes. Enkele jaren later ging het huis over op haar broer Jean-Jacques van Outryve de Merckem, één van de voorname kooplui en mecenassen uit die tijd. Net zoals zijn zussen, zijn broer die ook kanunnik was en zijn andere broer die de stamvader werd van alle van Outryve d’Ydewalles, was hij in 1771 als welvarende businessman in de adelstand verheven.

De laatste edelman die het huis bewoonde en er trouwens aanzienlijke verbouwingswerken aan uitvoerde was baron Auguste de ’t Serclaes. Voor deze werken deed hij beroep op de rond 1850 heel actieve Brugse architect Isidore Alleweireldt. Het ganse complex bleek evenwel te groot voor één enkele familie. Het werd niet verkaveld maar volledig als school in gebruik genomen, wat tot op vandaag is blijven voortduren.

Kasteel Rooigem

Adellijke buitenverblijven kwamen niet alleen in de vroege middeleeuwen tot stand. Ook later richtten Brugse families, na gemaakt fortuin, hun kasteel op, zelfs nadat Brugge zogenaamd in economisch verval was geraakt. De Cobrysses zijn daar een voorbeeld van. Joost Cobrysse was rijk geworden door de productie en verkoop van voorwerpen in tin en begin zeventiende eeuw werd zijn vrouw erfgename van een oude hofstede gelegen onder de jurisdictie van het Proosse in Sint-Kruis. Ze behielden de hofstede (ze staat er nog) en lieten ernaast een ‘huis van plaisance’ bouwen, met mooie parken en dreven, onderneming die door hun zoon Pablo, dezelfde die in de Lecke woonde, werd voltooid.

Een eeuw later hadden de Cobrysses een aanzienlijke status bereikt en waren ze naar Brussel verhuisd om er hoge functies te bekleden. Het kasteel verkochten ze in 1720 aan de Brugse bisschop van Amsterdamse origine, Hendrik van Susteren. Hij en zijn opvolgers, meest allen van adellijke komaf, brachten er hun zomers door, totdat de laatste onder hen in 1794 door de revolutie werd verdreven. De aankoopster van dit als ‘zwart goed’ verkochte domein was Petronilla van Outryve, die we ook al in De Lecke ontmoet hebben en die zich had ontpopt tot een voorvechtster van de Franse revolutie. Toen haar erfgenamen het goed verkochten, werd Graaf Amedeus Visart de Bocarmé, burgemeester van Sint-Kruis, de nieuwe eigenaar, daarin opgevolgd door zijn gelijknamige zoon, die gedurende een halve eeuw burgemeester van Brugge zou zijn. Zijn nakomelingen, tot en met de laatste burgemeester van Sint-Kruis, Didier de Pierpont, bleven het kasteel tot op het einde van de twintigste eeuw bewonen.

Kasteel Tillegem

Tillegem op de parochie Sint-Michiels, was een aloude heerlijkheid, waarvan het ontstaan opklom tot de tijd van Karel de Grote. De Heer van Tillegem was een gezagvolle figuur, die de rechterlijke, administratieve en fiskale macht over zijn gebied uitoefende. Hiervoor beschikte hij over een volwaardig schepencollege en over verschillende medewerkers en dienaars. De eerste ons bekende heer van Tillegem, Jan, was een telg uit het oude middeleeuwse geslacht van de heren van Voormezele. In 1275 verkocht hij Tillegem aan de Brugse burgemeester Jan Hubrecht, aanzienlijk patriciër die evenwel als Leliaard in 1302 van zijn bezittingen werd beroofd. Zijn opvolger was de Brugse burgemeester Gillis van Aartrijke en gedurende de volgende eeuwen volgden nog heel wat adellijke families. We vernoemen de Schietere de Damhouder, Le Bailly de Tilleghem, de Peneranda de Franchimont en de Briey. De laatste bewoner was de schoonzoon de Briey, de kleurrijke generaal baron Georges Verhaegen en die zijn zoon René, die het kasteel een kwarteeuw geleden verkocht aan de provincie West-Vlaanderen. De provincie was daarvoor al eigenaar geworden van de bossen rondom.

Toen Tillegem begin veertiende eeuw werd gebouwd, was het, zoals het grondplan vandaag nog aantoont, een middeleeuwse burcht – vier vleugels, een toren boven de ingangspoort en vierkante hoektorens. Het werd, ongewoon voor onze streek, gebouwd in Doornikse en Brabantse natuursteen. De burcht die er oorspronkelijk had gestaan, had een kapel die naar men zegde rond 1160 door de heilige Thomas Becket was ingewijd. In de loop der eeuwen kwam het kasteel bij herhaling in handen van eigenaars die in geldnood verkeerden en zich dan ook weinig om onderhoudswerken bekommerden. Bij sommige adellijke families was de geldnood af en toe een pijnlijke realiteit.

De aanleg van de spoorweglijn in de negentiende en van snelwegen in de twintigste eeuw, op loopafstand van het domein, verminderden aanzienlijk de aantrekkelijkheid ervan en als eindbestemming, na ongeveer tien eeuwen adellijke bewoning, bleek de overdracht aan de overheid een passende oplossing.

Kasteel Ten Berghe

Toen leden van de familie Despars in de vijftiende eeuw opgang maakten in de internationale handel onder de naam ‘Compagnie Despars’, behoorden ze al tot de Brugse patriciërs, dankzij onder meer huwelijken met dochters Metteneye en Bave. De zaken floreerden, met als gevolg dat Jacob Despars in 1483-85 in de Vlamingstraat het herenhuis Ten Nieucasteele aankocht, gelegen tussen het Kraanplein en het huis de Cop. Tegelijk verwierf hij in Koolkerke het goed Ten Berghe dat behoorde aan de middeleeuwse adellijke familie van Rooden en dat al een eerste maal in een document vernoemd was in 1267.

Er bestond toen ongetwijfeld al een jachthuis of een ‘campagne’, in de zestiende eeuw door voorbijtrekkende soldaten verwoest. Op die plek bouwde Nicolaas Despars toen een klein kasteel, dat er op vandaag nog staat. Hij, die vaak burgemeester van Brugge was, kwam er wonen en schreef er veel van zijn historische werken. Wellicht dateert al uit die tijd de aanwezigheid in de kasteelbibliotheek van het beroemde ‘Gruuthusehandschrift’.

Generatie na generatie, vaak via vrouwelijke afstamming, woonden nakomelingen van Despars op het kasteel. Toen ridder Jan de Croeser, uit een Zeeuws geslacht, in 1621 de erfdochter trouwde van Eneas van Marivoorde, heer van Berghe, zou de naam de Croeser, waaraan de opvolgers ‘de Berges’ toevoegden, twee eeuwen lang met het Koolkerkse kasteel verbonden blijven. De belangrijkste onder hen was Karel-Aeneas de Croeser, die in de Franse en de Hollandse tijd een kleurrijke burgemeester van Brugge was. Twee van zijn zoons huwden met baronessen van Caloen, waarvan een dochter eveneens met een van Caloen trouwde. Zo kwam het kasteelgoed in handen van de familie van Caloen die het gedurende bijna twee volle eeuwen heeft bewoond en er tot op vandaag eigenaar van is.

Tegen het einde van de negentiende eeuw vond baron Van Caloen het kasteel te klein voor zijn groot gezin en hij liet volgens een ontwerp van architect Schadde, die het station van Brugge had gebouwd, een aanzienlijke uitbreiding in neogotische stijl aan het oorspronkelijk kasteel toevoegen. Ten Berghe staat aldus model voor een bepaalde continuïteit die een groot deel van de Brugse adel heeft gekenmerkt: honkvast in Brugge en verbonden met het van generatie op generatie overgedragen kasteeldomein. Kasteel dat om de zoveel generaties werd aangepast aan nieuwe noden en behoeften, zonder dat hierbij aan de oorspronkelijke gebouwen werd tekort gedaan.

Kasteel Tudor

Op het Brugse grondgebied is Tudor één van de laatste nieuwe kastelen dat nog tot stand kwam. De familie van Outryve d’Ydewalle en aangetrouwde families hadden net honderd jaar voordien het aanzienlijke domein aangekocht dat vroeger tot de abdij van Sint-Andries had behoord. De stamvader, Emmanuel-Louis van Outryve d’Ydewalle had zich vergenoegd met het bouwen van een piepklein buitenhuisje, waar hij onderdak vond wanneer hij de uitvoering van de werken van afwatering, ontginning en bebossing kwam inspecteren of er op vossenjacht ging. Zijn afstammelingen bouwden verschillende kastelen in Sint-Andries (Beisbroeck, Pereboomveld, Ter Heyde, Valkenbos, Holmstuk) maar ook in Beernem (Drie Koningen) en in Ruddervoorde (Raepenburg). Emmanuel-Louis had naast dochters maar één zoon. Het nageslacht van naamdragers was niettemin heel talrijk geworden en zo kwam het dat het aantal kastelen onvoldoende werd om aan iedereen een vaste stek te verzekeren. Op de 22 ha (later uitgebreid tot 40 ha) die eigendom werden van het echtpaar Stanislas d’Ydewalle en Cecile van der Renne de Daelenbroeck werd, kort na hun huwelijk in 1903, opnieuw een kasteel gebouwd. De ontwerper ervan was een vriend, die geen architect was, baron Henry Kervyn de Lettenhove. Hij moest rekening houden met de neogotische droom van de eigenaar en met de meer moderne verzuchtingen van diens echtgenote. De Tudorstijl, huiselijker en gezelliger dan de neogotische, bleek het goede compromis te zijn. Het echtpaar nam er zijn intrek en het aanzienlijke gebouw bleek niet te groot voor de tien kinderen die ze kregen en voor de aanzienlijke collecties van porselein, schilderijen en oude meubels die de heer des huizes aanlegde. Stanislas d’Ydewalle leefde zoals het een bemiddeld kasteelheer paste. Zijn inkomsten haalde hij uit het bosbeheer, uit de landbouw en ook uit de paardenfokkerij die hem toeliet op een renderende wijze aan een passie te voldoen. Daarnaast was hij ook bijna vijfentwintig jaar burgemeester van Sint-Andries en schreef hij interessante geschiedkundige werken over zijn gemeente .

Ook op Tudor bleek stilaan het kasteelleven niet langer mogelijk. Na het overlijden van Stanislas en zijn vrouw, bleven vier ongehuwde dochters er wonen, tot ze in 1981 het ganse domein aan de stad Brugge verkochten. Hierdoor werd de al vroeger verworven aanzienlijke eigendom Beisbroeck verder uitgebreid en staat het geheel nu volledig ten dienste van de gemeenschap.

Het einde van Tudor als adellijke verblijfplaats is kenmerkend voor de recente evolutie. Het kasteelleven lijkt alleen nog aantrekkelijk als het om niet al te grote gebouwen gaat, zoniet vliegen de onderhouds- en bewoningskosten al te zeer de pan uit. Anderzijds is het aantal leden van de adel, vroeger zo talrijk in Brugge, aanzienlijk gedaald, zodat de familietradities zijn weggeëbd. De adellijke macht was al afgebouwd op het einde van de achttiende eeuw. De adellijke invloed overleefde nog tot een goed einde in de twintigste eeuw, maar ook die is hier thans nagenoeg verdwenen. Wat overblijft zijn de talrijke stenen getuigen, die samen met de nagelaten kunstwerken, de geschiedenisverhalen en de archieven, ons een beeld geven van een maatschappijordening en een levensstijl die een onuitwisbare stempel hebben geslagen op onze stad en streek.

Kadertekst 1

De Jacht

Naar hun domein buiten de stad, waar ze tijdens de zomer verbleven, kwamen de edellieden tijdens de winter af en toe terug om er jachtpartijen te organiseren. Ook toen was het jagen aan strikte reglementen onderworpen en was het in feite een adellijk voorrecht. Tot na de Tweede wereldoorlog is de jacht een essentiële sport gebleven voor de jonge en minder jonge edellieden van Brugge.

De Brugse schepen Louis Ryelandt heeft een charmant werkje geschreven over de drijfjachten van voor de Eerste wereldoorlog. Hubert d’Ydewalle, die burgemeester was in Beernem, heeft in 1942, korte tijd voor hij door de Duitsers werd opgepakt en vermoord, een vrolijk boekje gepubliceerd onder de titel Wachtend op de opening! Hierin beschreef hij de vreugden die hij en zijn gezellen beleefden op de verschillende jachtgebieden rondom Brugge. Natuurliefhebber zoals hij was, schreef hij: Wij gaan graag op jacht voor de gezonde vreugde de natuur te beleven en te genieten van haar aantrekkelijkheid en betovering. Door de jacht krijgen we een opbeurend contact met de grond, onze grond, waar we met hart en ziel mee verbonden zijn.

Kadertekst 2

De landbouw

Ligt de oorsprong van talrijke Brugse adellijke families hetzij in de handel, hetzij in het bekleden van ambten die tot de adelstand leidden, zodra ze welstand hadden bereikt, wilden hun nazaten graag leven zoals het een edelman betaamde en dit hield in dat men in de winter in de stad resideerde en er aan het societyleven deelnam, maar in de lente met have en goed vertrok naar het buitenverblijf dat men had aangekocht of zelf had gebouwd.

Het kasteelleven was er één waar men samen met het talrijke dienstpersoneel leefde op wat om en rond het kasteel werd gekweekt of gewonnen. Natuurlijk boerde de kasteelheer niet zelf, tenzij hij financieel aan de grond zat. Hij bouwde één of meerdere hofsteden en liet die betrekken door pachters. De nauwe betrokkenheid van de adel bij de landbouw is dan ook eeuwenlang een vast gegeven geweest. In Brugge uitte die zich onder meer door de oprichting van de Landbouwers- en Eigenaarsbond, die boeren en edellieden bijeenbracht voor de gemeenschappelijke verdediging van de landbouwbelangen.

De aanzienlijke ontwikkeling van de tuinbouw, meer bepaald het kweken van laurierbomen en van bloemen en serreplanten heeft veel te danken aan de eeuwenlange actieve belangstelling van de adel, die onder meer tot uiting kwam in het genootschap van Sinte-Dorothea, later opgevolgd door de Brugse Hofbouwkundige vereniging. Veel van de talrijke hoveniers en tuinbouwers uit de negentiende eeuw, hadden de stiel op één van de vele kastelen rondom Brugge aangeleerd.

Kadertekst 3

Het mecenaat

Brugge en omliggende staan vol met gebouwen of houden herinneringen over aan stichtingen die hun bestaan te danken hebben aan de Brugse adel. Eeuwenlang waren edellieden milde schenkers bij het bouwen en stofferen van kerken en kloosters of voor het oprichten van godshuizen en andere weldadige instellingen. Tot niet zo lang geleden kon ongeveer niets tot stand komen waar men niet het beschermheerschap van een edelman voor vroeg. Dit was de ganse negentiende eeuw nog het geval. Als geld werd ingezameld om een standbeeld op te richten voor de Brugse helden Breydel en de Coninck, dan was Alfred Coppieters ’t Wallant de voorzitter van het comité. De strijd voor Brugge Zeehaven werd, naast burgers zoals Julius Sabbe, geleid door burgemeester Visart en door baron de Maere. En toen de Brugse afdeling van het Davidsfonds werd opgericht, waren baron Ruzette en senator Leo Van Ockerhout er de erevoorzitters van.

Eén van de belangrijkste sociale organisaties in Brugge, het Algemeen Christelijk Werkersverbond, met zijn vertakkingen zoals de Christelijke mutualiteiten, de vakbond ACV en andere, beter bekend als ‘De Gilde’, heeft nog steeds zijn hoofdkwartier in de gebouwen die door senator Leo Van Ockerhout werden geschonken. De familie Van Caloen richtte in een gedeelte van zijn stadstuin, in Groeninge de gebouwen op voor de Sint-Franciscus-Xaveriusvereniging, die zich met de jonge arbeiders inliet. Dezelfde familie schonk een belangrijk bebost terrein op Sint-Andries, waar de tijdens de Franse Revolutie verdwenen Sint-Andriesabdij opnieuw werd opgericht.

Kadertekst 4

De bosbouw

Indien de Brugse randgemeenten en het bredere gebied vooral ten Zuiden van Brugge nog steeds een zo uitgebreid areaal aan bossen bezit, dan is dat in grote mate aan de lokale adel te danken. Om uiteenlopende redenen (houtopbrengst, landbouwpachten, jachtgebied, gezonde omgeving) kochten edellieden woeste gebieden en maakten er enerzijds landbouwgrond, anderzijds bosgebied van.

Hetgeen vooruitziende heren zoals André Van den Bogaerde, Ange de Schietere de Caprijke, Jan van Outryve – de Merckem, Louis-Emmanuel van Outryve d’Ydewalle, Jacques de l’Espée en anderen aanlegden, is door de uitbreiding van de woongebieden in de loop van de twintigste eeuw fel gereduceerd. Gelukkig heeft de overheid tijdig ingegrepen, zoniet was weldra nog nauwelijks een boom rond de stad te bespeuren. De voornaamste overgebleven bosgebieden zijn die van het Bulskampveld in Beernem en omliggende en die van Beisbroek en omliggende in Sint-Andries. Met daarnaast nog Ryckevelde, Tillegem en een paar andere.

Ook bij het uitoefenen van overheidsfuncties, verwaarloosden de edele heren het groene beleid niet. Veel heeft Brugge te danken aan graaf Amedée Visart de Bocarmé, een halve eeuw burgemeester, die tevens voorzitter was van de Belgische Bosbouwvereniging. Hij en zijn adellijke collega’s konden in de gemeenteraad urenlang discussiëren, samen met de orchideeënkweker Gustave Vincke en de tuinbouwer Désiré Leys, over de groenaanleg in en rond de stad. Aan voorgangers van Visart danken we het Astridpark. Hijzelf is hoofdzakelijk verantwoordelijk voor de groene gordel die rondom Brugge op de ‘vesten’ werd aangelegd. Onder het voorzitterschap van Julien van Caloen de Basseghem richtte het OCMW van Brugge (toen de Burgerlijke Godshuizen) een boomkwekerij en proefstation op. Ditzelfde OCMW dat onder impuls van Visart een paar duizend ha bossen aanlegde in de Ardennen. Dit domein, genaamd ‘La Cédrogne’, blijft tot op vandaag een bron van regelmatige en soms aanzienlijke inkomsten voor het Brugse OCMW.

Kadertekst 5

De bestuurders

Voor het uitoefenen van een openbare functie heeft men, tot heel recent, vaak op edellieden beroep gedaan. Onder het Ancien Regime waren die functies exclusief aan hen voorbehouden, maar toen dit niet meer het geval was, wilde men toch graag op hen blijven beroep doen. Meestal waren die functies weinig of niet bezoldigd, zodat men moest welstellend zijn. Daarbij had men vaak liever een wat afstandelijke kasteelheer aan het hoofd, dan wel de brouwer, de notaris of de geneesheer, die wat te dicht bij de gemeentepolitiek stonden en zowel vrienden als vijanden hadden.

Zo heeft de provincie West-Vlaanderen praktisch de ganse twintigste eeuw edellieden als gouverneur gehad: baron Leon Ruzette en zijn zoon ridder Albert Ruzette, graaf Charles d’Ursel, baron Jean-Baptiste de Bethune, baron Leon Janssens de Bisthoven en baron Pierre van Outryve d’Ydewalle. Gouverneur Olivier Vanneste was een burger, maar werd, na het beëindigen van zijn mandaat, met de baronstitel in de adelstand verheven. Het voorzitterschap van de provincieraad werd ook vaak door edellieden bekleed. Na Wereldoorlog II waren dat jonkheer Jean-Baptiste de Gheldere, baron Henry d’Udekem d’Acoz en thans jonkheer Jean de Bethune.

De stad Brugge werd van 1875 tot 1924 bestuurd door graaf Amedée Visart de Bocarmé. Zijn twee opvolgers, de burgemeesters Victor Van Hoestenberghe en Pierre Vandamme die tijdens de volgende halve eeuw Brugge bestuurden, werden op het einde van hun ambtsbekleding, tot ridder gepromoveerd. Het aantal edellieden dat in de twintigste eeuw op de Brugse randgemeenten of in de bredere omgeving de burgemeesterssjerp omgordde is aanzienlijk.

In hun publieke functies botste het soms wel eens door een onvoldoende kennis van het Nederlands. Sedert de middeleeuwen is de adel, die vaak internationaal gericht was, in ruime mate verfranst, ook al was dit lokaal niet altijd het geval. In de negentiende eeuw werd ze, zoals bijna de volledige Vlaamse bovenlaag, Franstalig en de terugweg naar het Nederlands is niet makkelijk geweest. Wel waren de meeste edellieden het plaatselijk dialect machtig en dat was voor de communicatie met de gewone burger meestal voldoende. Thans spreekt de adel bij ons wel Nederlands, maar oefent nog zelden een verkozen mandaat uit...

(Tekst, grotendeels gepubliceerd in de reeks Het Brugge van toen en nu (uitgeverij Waanders), februari 2006.

www.andriesvandenabeele.net