De wijk Sint-Jozef in Brugge.

(Biekorf 2004, blz. 155)

De wijk of parochie Sint-Jozef (Brugge) is in ruime mate een terra ignota waarover tot hiertoe weinig is gepubliceerd, minst van al over de sociale woonwijken van na de Tweede wereldoorlog. Jaak A. Rau heeft in zijn fotoboek Koolkerke – Sint-Jozef een aanzet gegeven door de eerste ontwikkeling te beschrijven van dit einde 19de eeuw bij Brugge aangehechte gebied, dat vroeger tot de gemeente Koolkerke behoorde, circa 400 ha groot was en toen een paar honderd inwoners telde.

Op het territorium gelegen achter het Fort Lapin (baan gelegen langs de ringvaart, tussen Dampoort en Warandebrug) en begrensd door de Dudzeelse steenweg en de Koolkerkse steenweg, werden enkele straten getrokken. Eerst kwam er de Graaf de Mûelenaerelaan (1907), gedeeltelijk in vervanging van de Bloemen(dale)straat, thans Koetelwijk. Na de Eerste wereldoorlog kwamen daar nog bij: Rontsaertbekestraat (1925), Pannebekestraat en Ter Looigemweg (1928), Sint-Jozefplein en –straat (1931). Er werd regelmatig gebouwd, zodat rond 1930 de wijk al een 2.000 inwoners telde. In 1931 werd een zelfstandige parochie opgericht met eigen kerk, die in 1937 werd ingewijd. Ze werd toegewijd aan Sint-Jozef, naam die meteen werd gegeven aan de ganse wijk, tot dan eerder bekend als ‘Achter ’t Fort Lapin’. Met eigen lagere scholen en een parochiezaal en met een toenemend aantal lokale handelszaken, begon deze perifere stadswijk stilaan zijn eigen leven te leiden. Tijdens de oorlog zou hij tweemaal worden opgeschrikt. De eerste maal toen op 8 juni 1942 bommen vielen op de huizen van het Fort Lapin met zes dodelijke slachtoffers tot gevolg en de tweede maal toen op de gronden achter de Pannebekestraat op 19 juni 1944 een brandend geallieerd vliegtuig neerstortte.

Er was in 1934-1935 een verdere uitbreiding geweest door de aanleg van de Dokwerkersstraat, de Korendragersstraat en de extralange Jacob Van Maerlantstraat. Negentig arbeidershuizen werden in de genoemde straten nog voor WOII voltooid, terwijl na de oorlog door de Brugse maatschappij voor goedkope woningen intensief werd verder gebouwd. Een aantal onder de gebouwde huizen kon, naar de toenmalige normen, als ‘ruim’ worden bestempeld en was bestemd voor grote gezinnen. Vanuit de volkswijken van de Brugse binnenstad (Sint-Gillis, Sint-Anna, H.-Magdalena, West-Brugge) verhuisden vooral jonge gezinnen naar wat een typische arbeiderswijk werd. Die families heetten in de beginjaren o.m. Van Hauter, Floreal, Van Moeffaert, Respaillie, De Wasch, Delannoit, Peere, Haeyen (met Clubvoetballer Roland Haeyen), Vosté, Rosseeuw (waarvan één van de dochters, Simonne, trouwde met het Brugse ‘zangidool’ Ricky Morvan), Craeye, De Poorter, Biccler, Zutterman, etc. Het ging vaak om gezinnen met talrijke kinderen. De naam ‘Vleesblok’, die spontaan ontstond en daarnaar verwees, sloeg dus op een beperkt en precies omlijnd gedeelte van Sint-Jozef, met name de Jacob Van Maerlantstraat en een paar aanpalende straten. Ook de inwoners van het oorspronkelijke Sint-Jozef, het deel gelegen ten zuiden van de kerk, verwezen onder die naam naar de meer recente straten. De kinderrijkdom was nochtans niet tot dit deel van de wijk beperkt. In het meer ‘burgerlijk’ gedeelte woonden bvb. de houthandelaars Van Acker met respectievelijk 9 en 10 kinderen, melkhandelaar De Vos met negen dochters en het gezin Laloo met dertien kinderen, waaronder een Boudewijn (geboren in 1953, thans schepen van de stad Brugge), die ter plekke het bezoek kreeg van zijn peter, koning Boudewijn.

Tegen het einde van de jaren veertig werd de wijk verder uitgebreid met de Jan Frans Willemsstraat, Cornelis Everaertstraat, Landjuwelenstraat, Karel Mirystraat, Hippoliet Van Peenestraat, Tijl Uilenspiegelstraat, Vier Heemskinderenstraat en Vos Reinaertstraat. Stadsarchivaris Albert Schouteet was niet vreemd aan deze naamgeving, waartoe werd beslist op 17 september 1949. Die tweede verkaveling, die vooral begin de jaren vijftig werd volgebouwd, ook hoofdzakelijk met sociale woningen, kreeg toen de bijnaam ‘Korea’ of ‘Klein Korea’. Volgens oud-politieman Robert Buyls, geboren en getogen op Sint-Jozef, lag de kolenhandelaar Leon Vergaerde uit de Graaf de Mûelenaerelaan aan de oorsprong van die naam. In 1950-51 hadden sommige van die nieuwe straten nog geen wegverharding en waren ze tijdens regenperiodes herschapen tot een modderpoel. Als hij er dan met paard en kar moeizaam doortrok, zong hij van op de bok:

Ik papa

Gon no Korea

Holala Lala.

Einde jaren vijftig begin jaren zestig kwam de woonwijk tussen de Koolkerkse steenweg en de Noorweegse Kaai tot stand, met overwegend maar niet uitsluitend sociale woningen. Men gaf er in 1957 straatnamen aan die herinnerden aan Brugse prominenten uit de Belgische 19de-eeuwse geschiedenis (Jules Van Praet, Paul Devaux, Louis De Potter, Leon De Foere). Ook aan die wijk werd door de volksmond een eigen naam gegeven en omdat de huizen iets luxueuzer waren ontworpen, werd het ‘Monaco’.

In het verlengde van ‘Korea’, werd in de tweede helft van de jaren zestig het Gandhiplein aangelegd, evenals enkele aanpalende straten. Ze kregen in december 1968 als naam – de inspiratie leek deze keer zoek - : Lijstersstraat, Merelsstraat, Distelvinkstraat en Rozenpad. In 1970 kwamen daar nog de Bommelbekestraat, de Mezenstraat en het Duivenplein bij. De ‘fut’ was er toen uit om aan die uitbreiding ook weer een bijnaam te geven. Het ging maar gedeeltelijk meer om sociale woningen: Bommelbekestraat en omgeving werd een villawijk.

In de jaren tachtig en negentig werden nog enkele straten nabij het Gandhiplein toegevoegd, die de naam kregen van de dichters Jan van Hulst en Jan Lernout en van August Vermeylen. De volledige Sint-Jozefwijk telde in 1950 meer dan 4.000 inwoners en begin de jaren zeventig werd het maximum bereikt, met 5.200 inwoners. Sindsdien is het aantal, ondanks de uitbreidingen, stilaan gedaald.

Ik heb de wijk goed gekend in het begin van de jaren vijftig, toen ik op het Jeugdspeelplein Ter Groene Poorte tijdens de vakantie een duizendtal jongens, tussen de 3 en de 14 jaar onder mijn hoede kreeg, waaronder een honderd à honderd vijftig die dagelijks per bus van de Sint-Jozefparochie kwamen. Die volksjongens waren niet lastiger of onhandelbaarder dan die uit andere wijken van de oude binnenstad of de Brugse rand. De jonge ‘Sint-Jozefnaars’ van toen, waarvan de meesten thans elders wonen, zijn ondertussen meest allen gepensioneerd en grootvader. Ik had toen ook vaak contacten met hun ouders en met de herinnering die ik heb bewaard aan harde werkers en oppassende ouders, schrik ik toch wel even als ik lees dat ze gekend waren ‘als stevige drinkebroers, vechtersbazen en ongelikt in de omgang’. Van dit soort waren er op Sint-Jozef niet méér dan in andere volkswijken.

Het was toen nog de (laatste) tijd dat de meeste arbeidersjongens op hun vijftiende naar de fabriek trokken en derhalve vroeger tot volwassenheid opgroeiden dan hun leeftijdgenoten die langer school liepen. Zelfs nog voor hun veertiende verdienden ze een cent bij, o.m. door kersen te gaan sorteren in het ‘confituurfabriekje’ van Robert Troffaes dat op Sint-Jozef gevestigd was. Derhalve waren er onder de adolescenten van de wijk, ruwweg de zestien tot achttienjarigen, toen wel enkele die iets ‘wilder’ waren, totdat de legerdienst en vervolgens een echtgenote ze ‘temde’. Vader en zoons Brynckman bvb. hadden de reputatie vechtersbazen te zijn, vooral onder elkaar. ‘De Brynckmannetjies’ werden een begrip, ook al waren het in de gewone omgang, als ze niet gedronken hadden, lieve mensen. Het vechten kon trouwens ook sportief worden beoefend en zo telde de wijk verschillende boksers die enige reputatie verwierven: de gebroeders Willem, Fredo en Fernand Roelands, Louis Callebaut genaamd Cabo en Gilbert Delannoit. Ook de gezinnen Neyens, De Vos en Brysse leverden een bokser. De Brugse boksvereniging, geleid door Achiel Wymme, vond een goed deel van haar jonge leden op Sint-Jozef.

Wat men als ‘jeugdbenden’ van Sint-Jozef zou kunnen betitelen (voor zoveel het om jongeren afkomstig uit die wijk ging, wat nog verder onderzoek zou vergen) is te situeren in de jaren vijftig, ten laatste in de beginjaren zestig. Als Guillaume Michiels ooit last had van ‘die van Sint-Jozef’ moet dat toen geweest zijn, en niet twintig jaar geleden. Immers, sedert meer dan dertig jaar is, met het volwassen worden en uitzwermen van de kinderen uit de naoorlogse grote gezinnen, rust en kalmte in de wijk ingetreden. Het deed Sint-Jozefnaar André Goossens besluiten: De bevolking is verouderd, verdund en veranderd. Hij bedoelde uiteraard dat ze ouder geworden is, de bewoningsdichtheid gedaald is en de mentaliteit geëvolueerd.

Nog een kleine bemerking. Het drukbezochte volkscafé aan de kerk noemde Ter Looigem (thans: Ter Loy). Die naam had niets te maken met Sint-Elooi, maar met de straatnaam Ter Looigemweg die verwees naar een leengoed dat ongeveer op die plek lag: één van de weinige toponiemen in dit gebied, die samen met Koetelwijk, Rontsaertbeke, Pannebeke en Bommelbeke, dankzij een straatnaam in de herinnering blijft. In de jaren vijftig tot zeventig werd Ter Looigem, druk bezocht door amateursportverenigingen, uitgebaat door ‘Johnny Boy’ Van Hauter en zijn vrouw Victoire Lycke. Ook zij hadden een groot gezin.

Er bestaan een paar teksten over Sint-Jozef, maar die behandelen hoofdzakelijk de kerk, de parochie en het (christelijk) verenigingsleven. Men zal er heel weinig in terugvinden over het reilen en zeilen in de naoorlogse arbeiderswijken, die grotendeels anders waren dan de meer burgerlijke gedeelten van de parochie, ook wat politieke overtuiging betreft (‘rood’ tot ‘felrood’). Opsporen van de naoorlogse geschiedenis van deze wijk zou zeker volkskundige waarde hebben. Dit zou een goed thema kunnen zijn voor erfgoedbewaarders en volkskundigen, best te ondernemen terwijl er nog getuigen zijn die kunnen meepraten over de levendige beginjaren van deze snel gegroeide volkswijk.

Ook al ging het oorspronkelijk om ‘goedkope woningen’, werd dit stadsdeel destijds behoorlijk en ruim aangelegd, met brede straten en met heel wat speelruimte en openbaar en privé groen. Nieuwbouw evenals recente renovatie van de oorspronkelijke sociale woningen hebben er een nog rianter woonwijk van gemaakt. De namen ‘Vleesblok’, ‘Korea’ en ‘Monaco’ zijn al lang in onbruik. Alleen bewoners van toen kennen ze nog en zullen niets liever vragen dan dat ze in de vergeethoek geraken.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Biekorf, 2004)

www.andriesvandenabeele.net