De vier prefecten

van het departement van de Leie

De staatsgreep van 18 Brumaire VIII (9 november 1799) en de vervanging van het Directoire door het Consulaat, waarover men op 12 november in Brugge per koerier was ingelicht, werd algemeen met voldoening begroet[1]. Het beleid van het Directoire, gekenmerkt door fanatiek gedrag, was uitgemond in chaos en anarchie. De ‘Tweede Terreur’, ingevoerd na de staatsgreep van 18 Fructidor V (14 september 1797), bij ons bekend als de ‘Beloken Tijd’ had zich vooral toegespitst op het vervolgen van de bedienaars van de katholieke eredienst[2], op het verwijderen van religieuze symbolen uit het straatbeeld en op het verkopen en slopen van kerken en kloosters. In Brugge viel als voornaamste slachtoffer de eeuwenoude Sint-Donaaskathedraal onder de slopershamer[3]. Anderzijds kregen ex-edellieden het opnieuw lastig, zelfs als ze zich tot de revolutie hadden bekeerd. Voor het overige was het Directoire nogal corrupt en vooral onbekwaam het hoofd te bieden aan de economische moeilijkheden, de monetaire crisis en de militaire tegenslagen.

Iedereen voelde het aan dat generaal Bonaparte de sterke man zou worden en orde op zaken zou stellen. De kroniekschrijver Jozef Van Walleghem, meestal goed ingelicht en altijd een voortreffelijke barometer van de Brugse publieke opinie, drukte onmiddellijk na de staatsgreep zijn tevredenheid uit: Eenider wiert als met eene buijtengewone vruegt bevangen, voorsiende een spoedig eijnde van alle onse rampen, miserien en ellenden (...) op het vernemen dat bij de centraele administratie van ons departement eenen expressen uijt Parijs is aengekomen met versekerde maeren dat het Directorie, den raed van 500 en degone van 250 ouderlingen aldaer buijten staet van bevel gestelt is en reets naer St.-Cloud verplaest zijn en dat den generael Bounaparte gesaementlijk met Moureau zig aen 't hooft der gewaepende magt geplaest heeft[4].

Het Triumviraat, in de eerste plaats de Eerste Consul, besliste onmiddellijk ingrijpende wijzigingen door te voeren op alle bestuursniveaus[5]. Een afgevaardigde van de Consuls, Alexandre Crochon[6], voormalig lid van de Conseil des Cinq-Cents, arriveerde in Brugge op 17 december 1799 met de barge uit Gent en nam gedurende enkele dagen de feitelijke leiding van het departement op zich. Hij werd als een hoge personaliteit verwelkomd, met vlaggen en wimpels, en met kanonschoten[7]. Uit welke richting de wind waaide toonde hij aan door onmiddellijk een onbezette zetel in de voorlopig nog op post blijvende administration centrale toe te kennen aan Jacques Mazeman de Couthove uit Poperinge, ondanks het feit dat men er hem op attent maakte dat het om een ex-edelman ging[8].

Enkele weken later voerde de wet van 17 februari 1800 de functie van prefect in, die voortaan als hoogste gezagdrager elk departement zou leiden[9]. Hiervoor spiegelde men zich op de intendant die onder het Ancien Regime de koninklijke macht vertegenwoordigde in de provincies. De prefect nam de plaats in van de commissaire du Directoire, maar werd bekleed met méér gezag en aanzien en bedacht met een veel royaler wedde. (J’avais donné des traitements énormes aux préfets, herinnerde Napoleon zich op Sint-Helena). Het departement van de Leie werd onderverdeeld in vier arrondissementen met telkens aan het hoofd een onder-prefect (voorloper van de arrondissementscommissaris)[10], de in 1795 opgerichte 40 kantons die elk een aantal gemeenten in het departement van de Leie bestuurden werden opgedoekt en iedere gemeente kreeg haar apart bestuur. Naast de prefect kwam een conseil général, prefiguratie van de provincieraad en een conseil de la préfecture, opvolger van de administration centrale en prefiguratie van de bestendige deputatie. Beide organen hadden evenwel maar een beperkte bevoegdheid. De hoofdverantwoordelijkheid en de macht lagen bij de prefect, die zich in de uitvoering van zijn taken liet bijstaan door een hiërarchisch georganiseerde administratie, voor een belangrijk deel bemand met ambtenaren die vanuit Frankrijk waren geïmporteerd.

Vanaf de oprichting van het ambt van prefect (februari 1800) tot het einde van het keizerrijk (maart 1814), kende het departement van de Leie vier opeenvolgende titularissen. Over deze heren die, méér dan de provinciale of locale politici en ambtenaren de macht in handen hadden, is in Brugse of West-Vlaamse publicaties weinig terug te vinden, zowel over hun ambtsperiode bij ons, als over wie ze eigenlijk waren en wat ze voor en na hun Brugs verblijf uitrichtten. Vooral hun levensloop vooraleer ze in Brugge prefect werden, kan interessant zijn, teneinde ze beter te situeren. Ook in hun land van herkomst zal men niet veel over hen aantreffen. Deze bijdrage stelt ze in het licht.


I.

Joseph François Marie Justin

graaf DE VIRY

Prefect van het Leiedepartement

van 2 maart 1800 tot 3 februari 1804

Comte d’Empire op 26 april 1808

Joseph-François-Marie-Justin de Viry, in de wandel Justin genoemd, werd geboren in Viry (Haute-Savoie) op 1 november 1737 en overleed in Parijs op 23 oktober 1813[11]. Hij behoorde tot één van de oudste feodale geslachten uit de Savoie, de familie de Sallenove, van wie de naam voor het eerst voorkwam in 1123. Ze was zelf voortgesproten uit het geslacht Granson, vermeld vanaf het einde van de tiende eeuw. In de eerste helft van de dertiende eeuw, bij het uitsterven van de eerste naamdragers Viry, nam Willem, zoon van Hugo de Sallenove, deze naam en leen over. Sallenove-Viry werd genoemd onder de drie oudste families van het hertogdom Savoie. De wapenspreuk van de familie de Viry luidde heel toepasselijk: A virtute viri.

De titulatuur van de Viry klonk in de tijd die aan de revolutie voorafging aldus: graaf de Viry, baron de la Perrière[12], baron de Cohendier[13], heer van Ogny[14], Archamps[15], Sauterans, etc. Zolang zijn vader leefde en de titel van graaf de Viry voerde, ging Justin door het leven als baron de la Perrière. Over zijn studiejaren hebben we, net zoals over die van zijn drie opvolgers, niets teruggevonden. Als hij zijn ouders van de ene diplomatieke post naar de andere volgde, zal hij alvast heel jong een internationale opleiding hebben genoten.

Een aristocratisch Engels huwelijk

Op 12 november 1761, net vierentwintig geworden, trad de Viry in Londen in de kapel van de ambassade van Sardinië-Piemonte in het huwelijk met Henrietta-Jane Speed (1728-1783). De jonggehuwden lieten bij die gelegenheid hun portret maken door de Franse schilder François Xavier Vispré (Besançon 1730 – Londen 1790) die naar Engeland was uitgeweken[16]. Henrietta was de dochter van Samuel Speed (1682-1731) en lady Cardonel Jones. Haar voornaam verwees naar de hertogin Henrietta van Marlborough (1681-1733). Haar vader had zijn militaire strepen en sterren verdiend op de slagvelden in Vlaanderen onder bevel van Marlborough (1650-1722), o.m. in Oudenaarde en Wynendale. 

In haar prille jeugd had Henrietta haar beide ouders verloren en haar vaders’ militaire chef, die ook zijn vriend was, veldmaarschalk Richard Temple, eerste burggraaf Cobham (1675-1749), had haar als zijn dochter geadopteerd en opgevoed op zijn landgoed, Stowe Manor House, een kasteel met koninklijke afmetingen, toen en tot op vandaag omringd door uitzonderlijke tuinen, als Elysische Velden aangelegd onder de leiding van onder meer de grote tuinarchitect Lancelot ‘Capability’ Brown (1716-1783)[17]. Cobham was rijk, was rijk getrouwd en werd nog rijker door het levenslange innen van de octrooirechten op het eiland Jersey, waar hij zelden kwam maar aanzienlijke inkomsten uit haalde. Hij was niet alleen een militair en als lid van het Lagerhuis ook een politicus, hij had in Eton en Cambridge gestudeerd en was méér intellectueel dan veel van zijn aristocratische evenknieën. Henrietta Speed kreeg van hem dan ook een uitstekende opvoeding. Ze leerde Latijn en Grieks, de brieven die ze schreef waren voortreffelijk, ze was literair onderlegd en ze toonde zich zeer geïnteresseerd in wat omging in de internationale politiek[18]. Ze had uiteraard de rijkelijk gestoffeerde bibliotheek van haar stiefvader ter beschikking.

In het prinselijk kader dat Stowe Park bood, kwamen heel wat prominente Britten bij Cobham aan huis en Henrietta kon met een aantal onder hen kennis maken. Dichters en schrijvers waren talrijk in Stowe te gast en de weerslag was hiervan te vinden in hun geschriften. Onder hen bevonden zich Daniel Defoe (1660-1731)[19], Jonathan Swift (1667-1745)[20], Samuel Boyse (1708-1749)[21], William Congreve (1670-1729)[22], Richard Glover (1712-1785)[23] en vooral de dichter en satiricus Alexander Pope (1688-1744)[24], zelf groot tuinman, die in juli 1739 op Stowe Manor, in afwezigheid van Lord Cobham, gezelschap hield aan Lady Cobham en de jonge Henrietta Speed[25]. Er was ook nog James Hammond (1710-1742), parlementslid en elegisch dichter, die stierf tijdens een verblijf in Stowe Manor. Tuinliefhebbers schreven boeken over Stowe, zoals Gilbert West (1703-1756), een neef van Richard Temple[26], Benton Seeley[27], William Gilpin (1724-1804)[28], en George Bickham (1684-1769)[29].

Architecten en tuinarchitecten waren natuurlijk ook vaak te gast, aangezien kasteel en omgeving geregeld werden uitgebreid of aangepast. De tuinen met hun veertig tempels en follies (het familiewapen van de heer des huizes droeg als toepasselijk motto: Templa quam dilecta) en met hun veelheid aan monumenten allerhande, waaronder een Chinees paviljoen[30], waren opgevat als een filosofisch en politiek manifest[31]. De uitbreidingen aan het oorspronkelijk huis werden uitgevoerd door John Vanbrugh (1664-1726), de architect van o. m. Blenheim Palace en Howard Castle. Henry Flitcroft (1697-1769) en James Gibbs (1682-1754) zetten het werk aan het kasteel verder en bouwden tevens, zoals ook hun voorganger, een aantal tempels in de tuinen, wat ook gedaan werd door William Kent (1685-1748) en door de Venetiaan Giacomo Leoni (1686-1746)[32].

Voor Cobham en zijn geestesgenoten was het zich terugtrekken op hun landgoed een politieke daad: ze wilden, onder Walpole, niets met de machthebbers in Londen meer te maken hebben. Meteen ook drukten ze hun politieke en filosofische overtuigingen uit in de aanleg van hun tuinen, en in de symbolisch geladen gebouwen die ze er in oprichtten, waarin men een zelfde sfeer aantreft als die van de Verlichting en die waaruit de vrijmetselarij ontstond. Cobham en enkele van zijn vrienden, waaronder de Prince of Wales, traden trouwens toe tot de Engelse freemasonry[33]. Hij was ook lid in zijn jonge jaren van de Kit-Cat Club, die een samentreffen was van 48 invloedrijke Whigs, sterke voorstanders van de protestantse monarchie, zoals ze was voortgesproten uit de Glorious Revolution van 1688.

Dan waren er onder de bezoekers ook nog de politici. In 1733 had eerste minister Robert Walpole (1676-1745) een deel van de Whigs tegen zich in het harnas gejaagd, waaronder Cobham, aan wie hij het bevel over de King’s Dragoon Guards  ontnam, alsook een paar jaar later de functie van Luitenant van het graafschap Buckinghamshire. Ten zeerste getroffen door deze kaakslagen, sloot Cobham aan bij de groep opponenten, die zich de ware Patriots noemden[34]. Hij werd toen een soort recruiting officer  voor talentvolle jongeren die hun weg zochten, als Cobman’s cubs bekend werden en door Walpole denigrerend de Boy Patriots werden genoemd. Onder hen waren er verschillende neven van Cobham, of die familie zouden worden, zoals William Pitt senior (1708-1778), die met een nichtje van hem huwde[35]. De groep bracht de ontgoochelde vleugel van de Whigs samen en steunde volop Frederick, de Prince of Wales (1707-1751), in zijn ruzies met zijn vader George II (1683-1760). In de Tempel van de Vriendschap die Cobham in zijn tuinen liet bouwen (1739), stonden de bustes van zijn nauwste politieke geestesgenoten. Naast die van hemzelf en van de Prince of Wales zag men er die van de lords Chesterfield (1694-1773), John Fane, graaf van Westmoreland (1682-1762), Marchmont (1675-1740), Granville-Leveson-Gower (1694-1754), Bathurst (1684-1775), Chatham alias William Pitt, Lyttelton (1709-1773) en Richard Grenville (1711-1779), zijn latere opvolger. Pas na de val van Walpole, zouden enkele leden van de groep in een brede regering functies vervullen en zelfs Cobham werd in zijn oude dag nog in eer hersteld, toen hij opnieuw aan het hoofd werd geplaatst van prestigieuze regimenten, achtereenvolgens de Horse Grenadier Guards, de 5th Dragoon Guards en de 10th Royal Hussars van generaal Gore. In zijn laatste levensjaren ondersteunde hij dan ook de regeringen van eerste minister Pelham (1696-1754).

Al die namen van personaliteiten uit diverse milieus, die bij tijd en wijle op Stowe Manor vertoefden, met inbegrip van de Prince of Wales, tonen aan in welke nogal uitzonderlijke omgeving Henrietta Speed opgroeide. Na de dood van burggraaf Cobham, die bij zijn overlijden doorging voor één van de rijkste mannen in Engeland, bleef ze de nauwste metgezel van zijn weduwe, lady Ann Cobham (ong.1695-1760), dochter van de steenrijke Londense brouwer en parlementslid Edmund Halsey (ca1670-1729)[36]. Stowe werd, in overeenstemming met het Engelse majoraatsysteem, eigendom van neef Richard Grenville, die als tweede burggraaf Cobham en als graaf Temple, tijdens de drie volgende decennia verder het kasteel en de tuinen van Stowe zou uitbreiden en verbeteren, tegelijk ook af en toe regeringsfuncties uitoefenend, iets minder dan zijn schoonbroer William Pitt (met wie hij trouwens in ruzie kwam) en dan zijn broer George Grenville (1712-1770) en later ook zijn neven William Grenville (1759-1834) en William Pitt junior (1759-1806) die allen eerste minister werden[37].

De dames Cobham en Speed, als ze niet in Londen vertoefden, bewoonden voortaan het mooie Stoke Manor House in Stoke Poges (Buckinghamshire), geërfd van Edmund Halsey. De tuinen werden ook hier door ‘Capability’ Brown heraangelegd. De ladies bleven er de vrienden en relaties van lord Cobham als hun gasten ontvangen. Lady Cobham had ook haar eigen vrienden. Eén van hen was Georg Friedrich Haendel (1685-1759) van wie ze een onvoorwaardelijke fan was, bekend omdat ze hem steeds bijviel, ook als anderen soms kritiek op zijn werk hadden[38]. Onder haar jongere vrienden bevond zich Horace Walpole (1717-1797), de zoon – maar geen vriend – van Robert Walpole, Cobhams’ politieke vijand. Hij bracht zijn vriend, de dichter Thomas Gray (1716-1771) mee, van wie de moeder in Stoke Poges woonde. Gray schreef gedichten ter ere van Stoke Manor House en van zijn bewoonsters. In die gedichten kwam Henrietta Speed voor onder de naam Melissa. Tussen haar en de dichter ontstond een platonische vriendschap. Na de dood van lady Cobham liet Gray aan zijn vriend, geneesheer Thomas Wharton (1717-1794), weten dat er gefluisterd werd dat hij had samengespannen met Henrietta opdat zij de universeel erfgename zou zijn, mits hij vervolgens met haar zou trouwen. Dit was niet méér dan een roddel, want Gray dacht er niet aan zijn vrijgezellenleven op te geven. Wel schreef hij bewonderend, zoniet wat afgunstig, over hetgeen Henrietta had geërfd: minstens 30.000 £, een huis in de stad, juwelen, buitengewoon veel Chinees en Japans porselein, etc[39]. Ook kocht ze onmiddellijk een nieuw huis aan in Londen voor £ 3.000[40].

Een jaar na het overlijden van lady Cobham was Henrietta dus met Justin de Viry getrouwd. Gray berichtte aan Wharton: My old friend Miss Speed has done what the world calls a very foolish thing. She has married the Baron de la Peyriere, son to the Sardinian minister, the Comte de Viry. He is about 28 years old (ten years younger than herself) but looks nearer 40. This is not the effect of debauchery; for he is a very sober and good-natured man, honest and no conjurer[41]. Gray had het niet helemaal juist voor, Viry was 24 en Henrietta was 33. De aanzienlijke erfenissen die ze inbracht, - haar broers waren ondertussen ongehuwd overleden, zodat ze ook de enige begunstigde was geweest van de behoorlijke nalatenschap van haar ouders -, maakten haar allicht een heel aantrekkelijke partij[42]. Het huwelijk introduceerde de ambassadeurszoon in een aantal kringen van Whigs die vroeger tot de oppositie hadden behoord, maar thans, onder George III (1738-1820), die pas op de troon zat, de dienst uitmaakten en het politieke toneel in grote mate beheersten. Bij hen was Henrietta Speed kind aan huis, ze kende velen onder hen van toen ze bij haar pleegvader woonde, zoals de Temples, de Grenvilles, de Talbots, de Stanleys en natuurlijk William Pitt. Henrietta Speed was ook bevriend met de opvolger van Marlborough aan het hoofd van het leger, Lord George Sackville (1716-1785), wiens problemen ze na de slag bij Minden (1759) op de voet volgde[43].

In de 1911 Encyclopedia komt in de biografische nota gewijd aan Thomas Gray, een wat cryptische zin voor in verband met Henrietta Speed: but the lady escaped this mild destiny [namelijk het huwen met Gray] to become the Baroness de la Peyrire, afterwards Countess Viry, and a dangerous political intriguante. We hebben niets teruggevonden over een rol die zij als dangerous political intriguante zou gespeeld hebben. De bemerking kan evenwel niet zonder meer opzij worden geschoven, want de nota was geschreven door de kenner bij uitstek van Thomas Gray en zijn omgeving, de Trinity College professor in Cambridge, Duncan Crookes Tovey (1842-1912).

Gray stelde zich vragen over dit huwelijk. Zou ze gaan wonen in het kasteel van Viry, met zicht op het meer van Genève? Ze leek hem nochtans niet het type om te aarden in een exclusief landelijke omgeving. Verwijzend naar het pas verschenen boek van Jean-Jacques Rousseau Julie ou la nouvelle Héloïse, dat handelde over de terugkeer naar de natuur, schreef hij I do not think she will make quite a ‘Julie’ in the country. Een ander punt waar hij zich vragen over stelde was de godsdienstkwestie. De Viry was katholiek en zij anglicaan. Ja zeker, her religion she need not change, schreef hij, but she must never expect to be well received at that court [in Turijn] till she does[44].

Begin en einde van een diplomatieke loopbaan

Het huwelijk tussen Justin en Henrietta was een rechtstreeks gevolg van het feit dat de jonge de Viry met zijn ouders naar Engeland was meegetrokken. Zijn vader, François-Joseph de Viry (1707-1766) was vanaf 1738 in dienst van het koninkrijk Sardinië-Piemonte. Eerst werd hij gezant in Bern, in 1744 werd hij intendant-generaal van Sardinië en van 1750 tot 1755 was hij gevolmachtigd minister bij de Staten-Generaal van de Verenigde Provincies. Van 1755 tot 1763 was hij ambassadeur van Sardinië-Piemonte in Londen en droeg aldaar bij tot het voorbereiden van het Verdrag van Parijs dat in 1763 een einde maakte aan de Zevenjarige oorlog. De Engelse regering kende hem voor dertig jaar een annuïteit toe van 20.000 franken als dank voor zijn bemiddelingen tijdens de onderhandelingen in Fontainebleau die tot een voor Engeland uitstekend resultaat hadden geleid. Dit bedrag werd aan hem en vervolgens aan Justin de Viry tot in 1792 stipt uitbetaald[45]. In 1764 werd hij minister van Buitenlandse Zaken van Sardinië-Piemonte en in die functie overleed hij in Turijn op 23 december 1766. Zijn echtgenote, Louise-Marie de Rochette met wie hij in 1731 gehuwd was, was in 1758 in Londen overleden. François-Joseph de Viry stond in hoog aanzien. De diplomaat Louis Dutens (1730-1812), zaakgelastigde en tevens kapelaan bij de Engelse ambassade in Turijn schreef over hem: Le comte de Viry [...] était le plus extraordinaire et le plus fin politique d’Europe ou, pour mieux dire, le politique qui usait le plus de finesse[46].

In het voetspoor van zijn vader begon baron de la Perrière aan een diplomatieke loopbaan, eveneens in dienst van de koning van Sardinië-Piemonte. In 1764 werd hij gevolmachtigd minister bij de Staten-Generaal in Den Haag. Het jaar daarop werd hij benoemd tot buitengewoon gezant in Londen. Thomas Gray liet het begin maart 1766 aan zijn vriend Wharton weten: Madame de la Perrière has come over from the Hague to be Ministress at London. Hij ging het echtpaar bezoeken and they were all exceedingly glad to see me. Hij trof lady Henrietta in goede gezondheid aan, niet in gewicht toegenomen en met nogal wat rouge op haar wangen. Ze zat naast een volière met exotische vogels, een kwelende goudvink op haar arm, een kaketoe op haar schouder en twee hondjes op haar schoot. Wat hij vooral bij die gelegenheid zijdelings vernam, zonder dat ze het hem zelf met zoveel woorden vertelde, was dat this prodigious fine lady is now a Catholick[47]. Aan de druk vanuit Turijn had ze dus niet weerstaan.

In de herfst van 1769 werd de Viry tot ambassadeur in Madrid benoemd. Het nieuws van zijn aanstaande vertrek was snel bekend bij zijn Londense vrienden en relaties. Eén onder hen was de geleerde en collectioneur William Hunter (1718-1783), die naast andere activiteiten, de huisarts was van koningin Charlotte (1744-1818): een drukke bezigheid, want de echtgenote van Georges III bracht vijftien kinderen ter wereld. Vooraleer hij uit Londen vertrok bezorgde de Viry aan Hunter een traktaat dat handelde over inentingen. Tegelijk vroeg hij hem wat het juist was dat hij voor hem in Salamanca moest gaan opzoeken. Die opzoeking betrof de humanist en professor Grieks, Arias Barbaro of Arius Lusitanus (1456-1430), één van de beroemdheden van de universiteit van Salamanca[48]. De Viry deed het nodige en liet het antwoord ongeveer een jaar later with many compliments of count and countess de Viry aan Hunter geworden[49].

In 1773 volgde zijn benoeming tot ambassadeur in Versailles. In die hoedanigheid presideerde hij de ondertekening in 1773 van de huwelijksakte van de graaf van Artois (latere Karel X) en Marie-Thérèse van Savoie en in 1775 die van haar broer, de toekomstige Karel-Emmanuel IV (1751-1819) en Clotilde de France, zus van Lodewijk XVI, van de graaf van Provence (later Lodewijk XVIII, die in 1771 gehuwd was met Marie-Joséphine van Savoie) en van Karel X, wat meteen de nauwe banden tussen beide koningshuizen onderstreepte. De moeder van Lodewijk XV was trouwens ook een prinses van Savoie. De twee jonge koppels schonken elk hun portret aan de man die bij hun huwelijk de ceremonie had voorgezeten, en de graaf van Provence voegde er zijn portret en dat van zijn vrouw aan toe[50]. In 1774 ontving de Viry het diploma van doctor in de rechten van de Sorbonne. Die wat bijzondere promotie voor een man die de veertig naderde, moet ongetwijfeld te maken hebben gehad met de prinselijke huwelijken en een soort van honoris causa diploma geweest zijn[51].

Na een zo succesvolle carrière, leek het erop dat de veertigjarige diplomaat zowel de portefeuille Buitenlandse Zaken als het eerste ministerschap van Sardinië-Piemonte mocht ambiëren. Toen liep het evenwel mis. De titularis van het ambt, Angelo Carron di San Tomaso, markies d’Aigueblanche (1718-1796), kwam in het bezit van een geheime briefwisseling tussen de Viry en Paul-Gaëtan Vuy, de hoogste ambtenaar van zijn ministerie. Hierin werd de buitenlandse politiek van de minister en zijdelings die van de koning op de korrel genomen.

Bij de rel die toen ontstond, was de onstuimige jonge graaf Vittorio Alfieri (1749-1803), de latere grote dichter en dramaturg, betrokken[52]. Tussen hem en de Viry boterde het niet. Toen Alfieri in 1772 in Madrid was geweest, had hij geweigerd, zoals de geldende zeden het voorschreven, een beleefdheidsbezoek aan ambassadeur de Viry te brengen[53]. Vanaf 1774 werden ze tegenstrevers, zoniet vijanden, naar aanleiding van een Affaire Dunant die de Turijnse sociëteit in beroering bracht. Louis Dunant, uit de Savoie, was een beschermeling van de Viry, die hem werk had bezorgd in Turijn. Daar publiceerde hij een pamflet waarin hij de draak stak met de Piemontese adel, met de ministers en zelfs met de dames van de aristocratie[54]. Ook Alfieri werd er in alles behalve vleiende bewoordingen in beschreven. Het jaar daarop publiceerde deze zijn Collascionata seconda, een repliek op  Dunant. Hij had er tevens de hand in dat bij Dunant een huiszoeking plaats vond, waarop hij werd opgepakt en zes maanden vastzat. Hoewel  Alfieri eerder tot de vernieuwers behoorde, was hij, zoals hij later in zijn memoires liet uitschijnen, een supporter van Aigueblanche.

Het incident Dunant situeerde zich kort na de troonsbestijging van Victor Amadeus III (1726-1796), signaal voor heel wat agitatie in de Turijnse politieke middens. De laatste jaren van Karel Emmanuel III (1701-1773), zijn voorganger, waren een ingedommelde tijd geweest en de jonge vorst wilde een nieuwe generatie aan de macht brengen, in regering en administratie. De ‘rat race’ was derhalve begonnen onder de edellieden en de hogere ambtenaren, teneinde zichzelf of hun familieleden zo gunstig mogelijk te plaatsen. Alfieri vestigde zich na 1773 weer in Turijn, openlijk interesse betonend voor een hoge functie. Om dezelfde reden verbleef de Viry na 1775 meer en meer in de Piemontese hoofdstad. Het is in dit klimaat van gisting en ambities, dat intriges ontstonden en schandalen aan het licht kwamen.

De kritiek van Dunant werd mee in de schoenen geschoven van zijn beschermheer de Viry. Sommigen zonnen dus op weerwraak. Toen een paar jaren later de briefwisseling Viry – Vuy in vijandige handen terecht kwam, was het uur hiervoor aangebroken. Kritiek op Aigueblanche was nochtans niet ongewoon, want hij had een stevige reputatie van onbekwaamheid en de koning wilde hoe dan ook van hem af. Vuy werd niettemin opgepakt en de Viry verbannen naar zijn landgoed in Viry. Ook al werd Aigueblanche niet lang daarna eveneens afgedankt en vervangen door politieke vrienden van de Viry, zijn terugkeer bleek niet mogelijk en zo kwam een abrupt einde aan een veelbelovende carrière. Het is wellicht hier dat zich iets voordeed dat aan Henrietta Speed de reputatie van een politieke intrigante kan hebben gegeven. Ze maakte namelijk gebruik van haar relaties aan het Engelse hof, om een tussenkomst vanwege koning George III bij de koning van Sardinië-Piemonte ten gunste van de Viry te bekomen. Niet zonder succes wellicht, want vanaf 1782 mocht hij opnieuw aan het hof van Turijn verschijnen. Tot de beleidskringen werd hij evenwel niet meer toegelaten[55].

In januari 1783[56] overleed Henrietta: ze was 54 en Justin 45. Op 15 september van hetzelfde jaar trad hij in het huwelijk met de bijna twintig jaar jongere Josephte-Marie (ook Jérômine genoemd) de Mareste de Rochefort (1755-1839), chanoinesse-comtesse van het kapittel van Neuville-en-Bresse. Het lidmaatschap van een vrouwelijk kapittel was gewoonlijk een aanwijzing van een eerder bescheiden financiële toestand, soms als gevolg van vroegtijdig overlijden van de ouders, die wat verbeterd werd dankzij een klerikale prebende. Dit tweede huwelijk was dus waarschijnlijk niet met een ‘goede partij’, maar met iemand uit de eigen regio, die voornamelijk haar jeugd inbracht, alsook een voortreffelijke stamboom want haar familie behoorde tot de oude locale adel in Savoie.

Viry bestond uit drie parochies die zich over 26 vierkante km uitstrekten, samen 32 gehuchten groepeerden en in de tweede helft van de achttiende eeuw minder dan duizend inwoners telden. Een aanzienlijk deel behoorde de heren van Viry toe en bracht jaarlijkse rechten op. In 1772 sloot Justin de Viry een overeenkomst met de inwoners van Viry en van twaalf andere gemeenten over de afschaffing van de jaarlijkse heerlijke rechten die ze hem verschuldigd waren, mits het betalen over tien jaar van een afkooprecht van 50.000 pond[57]. Van zijn verplichte terugtreding maakte de Viry gebruik om, in de periode 1775-1780, vooral onder impuls van Henrietta en met haar centen, heel wat werken uit te voeren aan zijn domein. Het kasteel van Viry bestond oorspronkelijk uit vier vierhoekige wachttorens. De familie kwam er wonen nadat in 1536 opstandelingen uit Bern het oorspronkelijk familiegoed, genaamd La Perrière, eveneens in Viry gelegen, hadden vernield. Rond 1550 werden de torens met elkaar verenigd door drie vleugels. Justin de Viry voltooide het werk, door er een vierde vleugel aan toe te voegen, die het binnenplein volledig afsloot. Hij voerde ook veel verbouwingswerken uit aan de hoevegebouwen, de dorpswasplaats, de gemeenschappelijke broodoven, het opzichtershuis en andere woningen[58]. Hij deed ook op zijn kosten een uurwerk met klok plaatsen in de toren van de parochiekerk. Van in die tijd kwam hij naar voor als de woordvoerder van de boeren in zijn gemeente. In de lente van 1792 had een Piemontese troepenmacht zich opgesteld als verdediging tegen een eventuele Franse inval. Ze gingen brutaal te keer tegenover de locale bevolking en plunderden om ter meest. De Viry ging protest aantekenen bij de intendant van de provincie en deelde hem mee dat de inwoners van zijn gemeente overtuigd waren geraakt dat ze nog beter af zouden zijn met de Fransen[59].

De Franse revolutie in de Savoie

Toen de Franse troepen in september 1792 de Savoie binnenvielen en het gebied op 27 november door de Convention bij Frankrijk werd gevoegd, was het onthaal vanwege een groot deel van de bevolking, net zoals in onze gewesten, aanvankelijk enthousiast. Ook in Viry was dit het geval. Graaf de Viry ontving de troepen op de binnenkoer van zijn kasteel en liet ze naar believen van zijn wijn drinken. Hospitalité trop abondante, zegde hij later, want de dronken soldaten waren vervolgens aan het plunderen geslagen. De Viry zette de Frygische muts op en danste mee de Carmagnole rond de vrijheidsboom. Hij zwoer zijn naam en titel af en heette voortaan ‘burger Viry’, soms nog eens ‘Deviry’[60]. Alle uitwendige tekens en symbolen van feodaliteit, adel of monarchie liet hij over het ganse grondgebied van de gemeente opsporen en wegnemen[61]. Het is duidelijk dat hij gewonnen was voor de idées nouvelles en heel tevreden was dat het Huis van Savoie, le despote sarde zoals hij de koning voortaan noemde, zijn kroonjuweel kwijt speelde. In het verslag van een gemeenteraadszitting staat vermeld qu’il avait fait sa métamorphose en homme libre[62]. Later, weliswaar in een verweerschrift waarin hij zich, gevangen genomen, van zijn beste kant moest laten zien, schreef hij dat hij al vanaf 1789 voorstander was geworden van de Revolutie, nadat hij van nabij de misbruiken en de verkwistingen aan koninklijke hoven had kunnen gadeslaan, en dat hij zich in het geheim via Genève talrijke revolutionaire drukwerken aanschafte[63]. Als edelman stond hij hierin niet alleen. Leden van de in Viry gevestigde familie Humilly de Chevilly volgden dezelfde weg. Daarentegen weken graaf de Menthon en anderen uit naar Zwitserland of Piemonte. Markies de Sales bleef ter plekke, maar als spion voor de regering in Turijn[64].

Ter vervanging van de feodale organisatie werden de bestuursorganen op Franse leest geschoeid en in de loop van de volgende jaren zou Viry hetzij een afzonderlijke gemeente zijn met aan het hoofd een maire, hetzij een kantonhoofdplaats waar dertien omliggende gemeenten bij waren aangesloten, met aan het hoofd een président de l’administration municipale. Op 7 februari 1793 werd ‘citoyen Deviry’ tijdens een marathonbijeenkomst in de parochiekerk, geopend om 9 uur en beëindigd om 19 uur, door 65 stemgerechtigde dorpsgenoten eerst tot voorzitter van de vergadering verkozen en vervolgens eenparig en bij handgeklap tot maire[65]. Het lijkt duidelijk dat hij als feodale heer van Viry een goede reputatie had bij zijn onderhorigen en dat ze zijn gezag en bestuurskwaliteiten ook in een nieuwe vorm wilden verder gezet zien.

Aanvankelijk vergaderde de gemeenteraad om de haverklap, maar die ijver was weldra bekoeld en de raadsleden waren maar wat blij te kunnen het dagelijks bestuur delegeren naar de maire en de ‘officier municipal’ (schepen) Claude Cusin. Er ontstond al vlug een machtsstrijd tussen beide, waarbij Cusin het pleit verloor. Hij wilde namelijk verhinderen dat de Viry alleen, buiten zijn aanwezigheid, de briefwisseling opende. De gemeenteraad besliste evenwel qu’ayant pleine et entière confiance dans l’intégrité, le zèle et le civisme du citoyen maire, arrête que celui-ci sera invité à suivre la même méthode que ci-devant, c’est à dire qu’il continuera à ouvrir les lettres adressées à la municipalité et y faire les réponses que sa prudence, son expérience et ses lumières lui suggèreront. Men rekende erop dat hij achteraf de raadsleden zou inlichten en ze beslisten aldus avec d’autant plus de raison que la confiance que le conseil marque au citoyen maire est très méritée[66]. De gemeenteraad duidde tevens de Viry aan als ambtenaar van de burgerlijke stand[67]. Ook toen een inwoner had rondgestrooid dat de Viry eigenlijk een verkapte aanhanger was van de Piemontese regering, werd na ondervraging van de roddelaar door de gemeenteraad plechtig beslist dat de burgemeester niets te verwijten viel en dat zijn goede intenties en zijn vastberaden patriottisme voldoende bekend waren: ses intentions sont si notoires qu’elles seront toujours à l’abri du fiel de la calomnie[68]. Als om daar nogmaals een bevestiging van te geven haalde hij de versierselen boven van het Grootkruis in de Orde van de heiligen Mauritius en Lazarus, in 1767 in Turijn aan hem uitgereikt, en overhandigde het ereteken in de gemeenteraad om naar de hogere overheid te worden gestuurd[69]. Een tijd later kwam hij ook aandragen met het volledige archief van de tienden die hij destijds geheven had op zijn verpachte eigendommen. In aanwezigheid van de raadsleden werd met deze documenten een vreugdevuur aangestoken. Dit gebeurde op 1 januari 1794[70].

Tijdens de ganse periode van zijn burgemeestershap had de Viry het druk. Er waren heel wat zaken te beredderen en, eenmaal het eerste enthousiasme geluwd, heel wat problemen op te lossen en weerstanden te overwinnen. Om maar enkele punten te vermelden: de dienstplichtigen, de uitgewekenen en hun bezittingen, de wegenis, de veestapel, de veldwachters, de burgerlijke stand, de land- en bosbouw, de prijzen van brood en wijn, de gemeenteschool, de armenzorg, de grenswacht, de assignaten. Hij moest ook, zowel ter plekke als in Carouge aanwezig zijn bij de republikeinse feesten, hoewel hij zich soms liet vervangen, vanwege de jichtaanvallen die hem regelmatig aan zijn bed kluisterden.

Eén van de belangrijkste problemen sproot voort uit de wetgevingen die het de beoefenaars van de eredienst van langsom moeilijker maakte. De Viry schijnt geen moeite te hebben gehad pastoors op de vlucht te doen slaan, kerken te sluiten, meubilair te verkopen, enz. Later, maar dat was in een verweerschrift, beroemde hij zich erop veel te hebben gedaan om de bevolking te defanatiseren, hieronder te verstaan de invloed van de clerus tegen te werken. Hij en zijn bestuur hadden zich evenwel aan de oren laten trekken alvorens de klokken in te leveren en de kerktoren van zijn spits en van zijn kruisen te ontdoen. Anderzijds, toen geen enkele priester in de gemeente meer overbleef, zorgde hij hoogstpersoonlijk voor het organiseren van ‘droge diensten’ in de parochiekerk. Vanaf januari 1794 leidde hij elke zondag een gebedsdienst in de voormiddag en zong hij de vespers in de namiddag. De gemeenteraad keurde daarop een dankbetuiging goed aan het adres van de maire, die zich met een zo onvermoeibare ijver voor de gemeente inzette.[71]

Begin januari 1794 zette een nieuwe radicalisering zich in, onder leiding van een nieuwe commissaire du département, Antoine Albitte (1760-1812), één van de hevigste revolutionairen in zijn tijd. Alle kerken werden omgedoopt tot Temple de la Raison, volledig leeggehaald, hun torenspitsen vernield en hun klokken weggesleept. Alle eigendommen van uitgeweken inwoners werden publiek verkocht. Alle vroegere edellieden werden geregistreerd en opgeroepen naar Carouge. De echtgenote van de Viry liet zich officieel onderzoeken door twee geneesheren die een verslag opstelden, op basis waarvan de gemeenteraad besliste dat ze zeer zwaar ziek was en iedere verplaatsing voor haar levensgevaarlijk was[72]. Het was toen de volle Terreurperiode. Op 30 maart 1794 meldde de Viry zich aan in de arrondissementele hoofdplaats Carouge en werd er onmiddellijk opgepakt. De beschuldiging was zijn adellijke afkomst. De gemeenteraad van Viry was hierover ten zeerste verbolgen en liet weten dat ze zonder hem niet behoorlijk kon functioneren. De steun die aan de burgemeester geboden werd was werkelijk onvoorwaardelijk als men de termen leest waarin die werd uitgedrukt: [La municipalité est] forcée d’avouer que ses facultés physiques et morales ont été frappées de paralysie dès l’instant que le citoyen Viry, lui dont la vie privée et politique honore l’homme et le citoyen; lui le plus chaud défenseur de la liberté; lui qui s’est constamment identifié aux succès de la cause des peuples; lui qui n’a jamais dévié de la carrière du patriotisme; lui qui ne s’occupait qu’à faire marcher le gouvernement révolutionnaire, qu’à faire respecter les lois, aimer la vertu; lui, enfin, qui était l’Hercule constitutionnel de ce canton et le timonier de cette commune, qui chaque jour se distinguait par des sacrifices, tant en faveur de la République que de l’humanité souffrante: oui, dès l’instant que ce vertueux républicain a été enlevé au poste de maire de cette commune, qu’il remplissait si dignement[73].

Hij bleef opgesloten in de gevangenis van Carouge tot 22 september 1794[74]. Daar schreef hij verschillende verweerschriften. Het voornaamste dateerde van 24 april 1794 en daarin gaf de Viry een uitgebreid overzicht van zijn inkomsten en uitgaven. Het was ongetwijfeld een ‘gekleurd’ verslag, waarbij zijn bezittingen en inkomsten zo bescheiden mogelijk werden voorgesteld[75]. Dit belette niet dat hij, de vele belastingen en gedwongen leningen ten spijt, nog altijd behoorlijk rijk bleef. Het feit dat hij de revolutie aanhing en niet vluchtte, maakte dat men moeilijk op zijn goederen beslag kon leggen. In een afzonderlijk verweerschrift somde hij trouwens de talrijke sommen op die hij, vanaf oktober 1792 aan de republiek en haar legers had gespendeerd[76], terwijl hij ook meldde dat hij avec plaisir vernomen had dat zowel het destijds afgesproken kapitaal als de achterstallige intresten van de afgekochte heerlijke rechten, verbeurd waren verklaard. Zoals veel anderen dankte hij zijn vrijlating en het leven aan de val van Robespierre en het einde van de Terreur, ook al lijkt het er op dat hij eerder ongewoon lang werd vastgehouden na de gebeurtenissen van einde juli 94. Tijdens zijn gevangenschap werd geen plaatsvervanger aangeduid, en de dag na zijn vrijlating vermeldde het gemeentelijk verslagboek droogweg: Le citoyen maire reprend possession de son poste[77].

Begin oktober 1794 werd een nieuwe gemeenteraad benoemd, bestaande uit 19 leden. De Viry bleef maire, ook al liet hij noteren dat zijn wankele gezondheid hem niet meer toeliet nog veel inspectiebezoeken ter plaatse uit te voeren en de adjoints hierin meer activiteit zouden moeten aan de dag leggen[78]. Toen begin november 1795 weer verkiezingen werden gehouden, ditmaal niet meer voor een gemeentebestuur maar voor het nieuwe bestuur dat het ganse kanton Viry zou gaan leiden, vernieuwden de kiezers zijn mandaat, ditmaal onder de benaming van président de l’assemblée. Hij vervulde opnieuw zijn rol op zeer actieve wijze, onder meer door het houden van spreekbeurten bij de decadefeesten, zoals die van de Jeugd, van de Dankbaarheid en de Overwinning, van de Vrijheid, van de Republiek, van de Landbouw, van de Volkssouvereiniteit[79]. Ook op de eerste dag van het republikeinse nieuwe jaar, 22 september en op de 21ste januari, herdenking van het ter dood brengen van Lodewijk XVI hield hij een redevoering[80]. De Tweede terreur onder het Directoire dwong hem opnieuw tot ontslag. Eerst was er de wet van 9 Frimaire (29 november 1797) waarbij zijn burgerrechten als Franse burger waren geschorst en hij een volledig dossier diende samen te stellen dat het bewijs leverde van zijn civisme en trouw aan de Republiek. De gemeenteraad van het kanton Viry steunde hem hierin volledig en de lange lofbetuiging die eens te meer over hem werd goedgekeurd, besloot met de bevestiging dat hij een waardige en loyale republikein was[81]. Hij moest niettemin de plaats ruimen en op 9 april 1798 zat hij de vergadering voor tijdens dewelke zijn opvolger de eed aflegde. Die opvolger was zijn premier adjoint, Marc-Antoine Albert, de locale huisarts. Die opvolging was duidelijk opgedrongen. Op 10 december van hetzelfde jaar nam hij al ontslag en besliste de gemeenteraad dat de Viry opnieuw aan het hoofd van de gemeente werd gesteld, gelet op zijn dévouement profond à la République et à la Révolution[82]. Hij bleef gans het jaar 1799 zijn gemeente leiden.

Een nieuwe loopbaan

Na 18 Brumaire sloot de Viry zich onmiddellijk bij Bonaparte aan. Toen het ambt van prefect werd bedacht, stelde hij zich kandidaat voor het département du Mont-Blanc[83]. Een benoeming in eigen streek strookte evenwel niet met de visie van Bonaparte en dit ging dus niet door. De Eerste consul wilde nochtans wel gebruik maken van het aanbod tot medewerking vanwege een niet onbelangrijke heer. Daar waar de administratie het departement Mont-Blanc voorstelde, schreef de Eerste consul eigenhandig in de marge: mettre dans la Belgique[84]. Derhalve keurde hij de aanstelling goed van de drieënzestigjarige edelman die op 2 maart 1800 aan het hoofd kwam van één van de negen departementen van de vroegere Oostenrijkse Nederlanden, dat van de Leie. Zijn benoeming vond plaats samen met die van de prefecten voor 96 andere departementen. Met de Viry werd een onderdaan uit een recent geannexeerd gebied verantwoordelijk voor een provincie die even recent bij de Republiek was gevoegd. In de loop van de maand maart bereikte het nieuws van zijn benoeming Brugge en werd in de stad verteld dat een markies uit Savooyen de eerste prefect zou worden[85].

In het licht van wat voorafgaat wordt het duidelijker waarom een eerder bejaarde edelman zich voor de wagen van Bonaparte liet spannen. Hij had namelijk een dubbele revanche te nemen. De Piemontese monarchie had hem uitgestoten, zodat niets er hem had van weerhouden aan te sluiten bij de revolutionaire beweging[86]. Anderzijds wilde hij ongetwijfeld de revolutiebladzijde omdraaien en zich opnieuw in een meer gematigde context inschrijven. Een verwijdering uit Viry, waar de herinnering nog lang zou blijven hangen van zijn verregaande engagement in revolutionaire en republikeinse richting, was waarschijnlijk verstandig. Daarbij was er ook de fascinatie die de Eerste consul op zijn tijdgenoten uitoefende en waar ook de Viry gevoelig voor was. Naar de minister van Binnenlandse zaken schreef hij onder meer: Le nom de Bonaparte (...) qui a relevé le courage de la nation, doit servir de ralliement à tous les bons Français[87]. Voor Bonaparte was het een voldoening en een politiek succes, de Viry, net zoals andere prominenten uit het Ancien régime en net zoals wijzer geworden revolutionairen, voor zich te kunnen winnen. Daarbij zag hij negatieve punten graag over het hoofd en opperde alvast geen bezwaren tegen het feit dat de Viry nog maar sinds een paar jaar Franse onderdaan was en evenmin tegen zijn talrijke Britse connecties, die hem, in de strijd tegen Groot-Brittannië, in een kustdepartement nog wel, om het in huidige termen uit te drukken, tot een security risk konden maken.

Niet alleen was zijn eerste vrouw een Engelse, was ze dochter en zuster van Engelse officieren, en had ze tot de politieke high society behoord, maar zijn oudste zoon, François-Joseph-Henry de Viry (1766-1820), na eerst soldaat in de dienst van Sardinië-Piemonte te zijn geweest, was in 1785 naar Engeland verhuisd, om er van de erfenis van zijn moeder te kunnen genieten[88]. Hij had de Engelse nationaliteit aangenomen, was adjudant geworden bij de hertog van Gloucester (1774-1834) en was van 1790 tot 1796 zelfs lid van het Lagerhuis voor het kiesdistrict Huntingdon[89]. In 1789 was hij gehuwd met Augusta Montagu (1769-1849), de minderjarige dochter van Lord John Montagu, de om verschillende redenen zeer bekende vierde graaf van Sandwich (1718-1792)[90]. Augusta was weliswaar verwekt bij zijn minnares, de zangeres Martha Ray (1742-1779)[91], maar was erkend en opgevoed als was ze een wettig kind, net als haar broers Robert (1763-1839), die admiraal werd en Basil (1770-1851)[92], gevierd advocaat, pionier van de wetgeving op faillissementen, specialist van het auteursrecht, tevens groot voorstander van de afschaffing van de doodstraf[93] en actief strijder tegen alcoholisme[94] en voor dierenbescherming[95]. Het huwelijk veroorzaakte een breuk met Justin de Viry die vond dat huwen met een onwettige dochter niet kon, ook al was haar vader een aanzienlijk personage. Een pleidooi vanwege graaf Sandwich kon de plooien niet glad strijken[96].

De parlementszetel voor Huntingdon die Henry de Viry bekleedde, was als het ware de eigendom van de graaf van Sandwich die er steeds in slaagde de door hem aangeduide kandidaten te laten verkiezen in het kiesdistrict waar hij zelf, in zijn kasteel Hinchingbrooke House, woonde. Het was dus aan de natuurlijke vader van zijn echtgenote dat Henry zijn verkiezing in het Britse parlement te danken had. Omdat het vanaf 1789 in Engeland minder dan ooit populair was van Franse origine te zijn en een Franse naam te dragen, ging de Viry voortaan als Henry Speed door het leven. In het parlement was hij weinig actief en stemde, zoals zijn schoonvader het in The House of Lords deed, meestal met de oppositie mee. Vanaf 1795 verscheen hij niet meer in Westminster. De reden was dat hij in financiële nesten zat en onderdook. Hij kon leningen niet terugbetalen, waarvoor hij vervolgd werd en zelfs gearresteerd. Van zijn vader had hij niets te verwachten en van zijn ondertussen overleden schoonvader, die altijd geldzorgen had gehad, was niets naar de onechte kinderen gegaan. Sandwich had weliswaar voorzieningen getroffen en het was waarschijnlijk in het vooruitzicht van wat zijn vrouw zou erven, dat Montagu had geleend. De wettige erfgenamen hadden evenwel het testament aangevochten, en gewonnen. Anderzijds moet Speed normaal nog verder genoten hebben van de behoorlijke erfenis van zijn moeder die hem te beurt was gevallen en trouwens de oorspronkelijke reden van zijn verhuis naar Engeland was geweest. Had hij die misschien op een of andere manier verkwist? Het echtpaar vond het geraadzaam zich op afstand van de schuldeisers te houden en ging wonen in Douglas op het eiland Man[97], waar zes van de acht kinderen geboren werden. Hij oefende er, als broodwinning, het beroep uit dat hij kende, dat van soldaat en werd luitenant, later kapitein van de plaatselijke Burgerwacht. Eén van zijn zoons, Georges de Viry (1792-1849), was vanaf zijn veertiende bij de Royal Navy, en nam in 1813-1814 deel aan de zeegevechten van La Coruña en San-Sebastian tegen de Fransen.

Justin de Viry had dus heel wat Britse connecties, ook al waren ze in sommige gevallen vertroebeld. Het minste wat men hieruit kan besluiten is dat Bonaparte, zeker in die fase van zijn leven, gemakkelijk vertrouwen schonk of ervan kon overtuigd worden dat die Britse connecties geen rol speelden. En dus mocht de Viry naar Brugge.

Prefect van het departement van de Leie

De administration centrale bleef in het departement van de Leie de zaken beredderen tot aan de aankomst van de eerste prefect. Hij moest vanuit het nog besneeuwde en verre Savoie, naar Parijs reizen teneinde er de eed af te leggen en vervolgens naar Brugge te vertrekken. Hij liep nog bijkomende vertraging op omdat hij door een jichtaanval geplaagd werd[98].  Guillaume Faipoult (1752-1817), tot prefect benoemd in het naburige departement van de Schelde, was al enkele dagen na het benoemingsbesluit van 2 maart in Gent aangekomen en men ging vanuit Brugge bij hem om raad over wat men ondertussen moest aanvangen met de briefwisseling en de bevelen die aan de nieuwe prefect waren gericht. Op 3 mei werd het Consulaatbesluit afgekondigd dat de leden benoemde voor het departement van de Leie wat betreft de Conseil de préfecture, de onder-prefecten en de maires en hun adjoints in alle gemeenten. Men had hiervoor dus niet op het advies van de nieuwe prefect gewacht. Op 14 april had de Viry in een enthousiaste brief, gericht aan Bonaparte, de functie aanvaard en begaf hij zich op weg. Daags voordien had hij ook al de minister van Binnenlandse Zaken ingelicht over zijn aanvaarding, waarvoor hij al de eerste schikkingen had getroffen, aangezien al op 24 maart een paar voorboden in Brugge waren aangekomen[99]. Het ging waarschijnlijk om Louis Duclos en Victor Moënne, die als zijn privé-secretarissen optraden en op de prefectuur hun intrek namen[100]. De aanvaarding was enthousiast: Sans consulter mon âge avancé, les infirmités qui en sont inséparables et mes affaires domestiques, je suis l’impulsion de mon zèle et de mon attachement au gouvernement que les grands hommes du 18 Brumaire nous ont donné, zo schreef hij[101].

Eindelijk, op zondagavond 25 mei, kwam de Viry in Brugge aan en nam ‘s anderendaags zijn functie op. Hij riep het personeel van het departement bijeen om mee te delen wie uit zijn ambt ontheven was en wie mocht blijven, meteen de eed afnemend van de benoemden. De sleutels van het departementaal gebouw en de archieven werden hem overgedragen. De zesentwintigjarige Auguste Henissart (geboren in Ermenonville, 1774), die sinds begin 1796 in Brugge actief was als ‘oppersecretaris’ van het departement, was benoemd tot secretaris-generaal van de prefectuur.

De prefectorale residentie – het vroegere bisschoppelijk paleis –, waar tot hiertoe de commissaire du Directoire had gewoond en waar de administratie (de al te uitgebreide administratie, vond Van Walleghem) was gehuisvest, was nog niet voldoende opgeschikt. Daarenboven was de directe omgeving in één grote puinhoop herschapen, doordat men volop bezig was met het slopen van de Sint-Donaaskathedraal, opruimingswerk dat trouwens nog een paar jaar zou aanslepen.  De Viry verbleef voorlopig op de Grote Markt, eerst in het Hotel Belle-Vue, na een paar dagen in het centrale herenhuis dat deel uitmaakte van het nieuwe gebouw op de plek van de vroegere Waterhalle[102]. Op 29 mei begaf hij zich naar het stadhuis van Brugge, waar hij het nieuwe bestuur beëdigde. Op 30 mei nam hij deel aan het decadefeest (één van de laatste van die ‘sottigheden’ – dixit Van Walleghem –) in de Tempel van de Wet, waarop twee militaire défilés volgden, één voor de Tempel (thans de Sint-Walburgakerk), één op de Grote Markt. ‘s Avonds had dan een groot vuurwerk ter verwelkoming plaats, dat door de prefect werd aangestoken. Voor het eerst droeg hij die dag zijn ambtskledij, een wijde mantel in blauw laken, afgezoomd met een zilveren gallon, de lenden omgord door een brede rode sjerp. Het was een minstens zo chic kostuum als dat van de vroegere koninklijke gezanten, vond Van Walleghem[103]. Samen met zijn echtgenote nam de Viry ten laatste op 15 augustus zijn intrek in de residentie[104].

Op zoek naar populariteit

Op de quatorze juillet nam de prefect voor het eerst deel aan een grote feestelijkheid. Alle traditionele ingrediënten waren aanwezig: militair défilé, beiaardconcerten, kanongeschut, stoet naar de Tempel der Wet en plechtigheid aldaar. De prefect trok ook naar het Zand, waar hij de eerste steen legde van de ‘nationale zuil’ die in ieder departement moest worden opgericht ter ere van hen die vielen voor het vaderland. De dag verliep verder met activiteiten van schermers en schutters en natuurlijk met stadsverlichting en vuurwerk. Ongeveer dezelfde feestelijke activiteiten vonden plaats op 23 september, - nieuwjaarsdag volgens de republikeinse kalender. Bij dit tweede feest was er niet alleen een actieve aanwezigheid van de prefect, maar als een volleerd politicus dong hij naar populariteit bij de bevolking. Onder grote volkstoeloop ging in de namiddag een partijtje ‘palingtrekken’ door op de Sint-Annarei en Langerei, waarvoor de hoofdprijs bestond uit een gouden zakhorloge geschonken door de prefect. Hijzelf kwam het spektakel gadeslaan vanop het hoge bordes voor het mooie rococohuis van industrieel Verplancke (thans Sint-Annarei 22). Men kan het zich voorstellen hoe hij, in vol ornaat, de wedstrijd volgde. Na afloop schonk men namens de prefect stevige drank aan de deelnemers die uit het water kwamen, werd er gemusiceerd en stoetsgewijs naar de Markt getrokken voor het vuurwerk, terwijl in de schouwburg een gratis bal plaatsvond, ook weer op kosten van de prefect. Men kon het aan het omstandig verslag dat Van Walleghem hierover ten beste gaf, aanvoelen dat de Bruggelingen hun nieuwe prefect een aardige man vonden[105].

Zijn goede reputatie moet zich hebben bestendigd. Toen in 1803 de bestuurders van de Handelskom van Bonaparte rechten bekwamen voor de scheepvaart, werd een huldedicht aan hen gericht, waarbij de Viry niet werd vergeten:

Den waeren Heer Prefect, dien waeren Burger-vader,

Die sterkte u in dit werk, en wijze en goede vader,

T’wijl hij het welvaert van ’t gemeene-best betragt,

Word hij van iedereen, bemint, geroemt en g’agt[106]

De scheikundige Antoine de Fourcroy (1755-1809)[107], die in 1802 op inspectietocht werd gestuurd in het departement van de Leie, heeft de Viry beschreven als een man die goed gezien was en die respect afdwong door zijn afkomst, zijn fortuin, zijn innemende conversatie, zijn zachtheid, zijn leeftijd en zijn allure (Son ancien état, sa fortune, l’excellent ton de sa conversation, sa douceur, son âge, sa prestance même, tout contribue à le faire bien voir et respecter dans sa place)[108]. Dit wordt niet tegengesproken door het sympathieke staatsieportret, in 1806 of op een latere datum gemaakt door de in Parijs werkende Bruggeling Frans-Jozef Kinsoen (1771-1839), waarop de Viry in ambtskledij staat afgebeeld[109]. Het portret kwam op niet nader bekende wijze in Brugge en in de collecties van het stadsbestuur terecht. Het meest waarschijnlijk is dat de schilder het, net als andere van zijn werken, schonk aan de Brugse Kunstacademie. Ten ware het werd aangekocht door het kiescollege van het departement, want de Viry houdt een papier in de hand waarop staat: Collège électoral de la Lys, 20 octobre 1806.

De geest waarin hij zijn departement bestuurde kwam tot uiting in één van zijn rapporten, waarin hij schreef: Les peuples que j’administre, comme tous les peuples en général qui changent de maître, seront très lents encore à nous accorder dans le sens absolu leur amour et leur confiance. Le temps et une longue paix peuvent seuls faire naître, croître et fortifier ces heureuses dispositions[110].

Hij mocht daarbij zijn verzoenend temperament ten volle aanwenden. La révolution est terminée, had Bonaparte verklaard. Veel van wat op ambtelijk vlak was ten spits gedreven door het fanatisme van het Tweede Directoire, werd afgezwakt. De indruk ontstond dat het financieel bankroet en de anarchie zouden overwonnen worden. Vooral de godsdienstvrede was, in onze gewesten wellicht nog méér dan in Frankrijk zelf, uiterst welkom. Stap voor stap werd de eredienst hersteld. De clerus kwam terug uit ballingschap en gevangenschap of trad uit de clandestiniteit. Begin juni 1802 kon de prefect meedelen dat alle kerken weer open mochten en dat alle priesters, ook de niet beëdigde, hun dienst in het openbaar mochten hernemen, mits ze op de prefectuur een document kwamen ondertekenen waarbij ze het Concordaat erkenden. Op Pinksterzondag, 6 juni 1802, werd het herstel van de katholieke eredienst in Brugge officieel bezegeld met een Te Deum in de Sint-Salvatorkerk.

De prefect in actie

De prefect nam aan een dergelijke plechtigheid deel, zoals hij ook bij veel andere manifestaties aanwezig was. Zo zat hij bijvoorbeeld de jaarlijkse prijsuitreiking voor van de Centrale school, de eerste maal op 17 augustus 1800[111]. Aan het slot van de uitgebreide stoet die bij die gelegenheid van het Burgplein vertrok om zich naar de school in de voormalige Duinenabdij te begeven, reden de prefect en de secretaris-generaal van de prefectuur, beiden te paard[112]. In de aula aangekomen, opende de prefect de academische zitting met een korte toespraak. Hij overhandigde zelf de prijzen aan de laureaten, aan wie hij telkens een hartelijke accolade gaf[113]. Nadien trok dan nog een jolige cavalcade naar de Burg terug. Ook bij de prijsuitdeling van de Kunstacademie was hij telkens present. Voor de eerste maal was dat op 29 juli 1800. Na de plechtigheid trok de prefect mee door de stad met de stoet van koetsen die één voor één de laureaten bij hen thuis ging afzetten[114].

Op 2 juli 1803 verliet de Viry Brugge en reisde naar het zuiden van zijn departement om alles in gereedheid te brengen voor het bezoek van de Eerste consul. Van 9 tot 14 juli 1803 mocht hij Bonaparte en Joséphine in zijn departement ontvangen. Omringd door een bescheiden gevolg, ondernam de consul toen een snelle kennismakingstournee doorheen de geannexeerde provincies. Het echtpaar trok vluchtig door Menen en Ieper, bracht de nacht door in Nieuwpoort, bezocht Oostende en de sluizen van Sas Slijkens, daarna ook nog Blankenberge en uiteindelijk Brugge, van waaruit de consul ook nog eens vlug aan Cadzand en Vlissingen een bezoekje bracht. Hij werd over het algemeen door de bevolking goed ontvangen, want ze was hem dankbaar een einde te hebben gesteld aan de revolutionaire terreur en aan de anarchie. De notabelen van de stad stelden zich over het algemeen tegenover deze ‘avonturier’ wat terughoudender op. De prefect moest zelfs burgemeester Charles de Croeser berispen omdat hij voortijdig de driekleur op het Belfort had laten strijken[115]. Enkele dagen later vertok de Viry naar Brussel waar hij tot 27 juli deelnam aan de activiteiten naar aanleiding van het bezoek van Bonaparte. Enkele maanden later, op 2 november 1803 werden Baeckelandt en zijn bendeleden op de Grote Markt terechtgesteld. Het is waarschijnlijk dat de prefect deze gebeurtenis, die als een succes werd aanzien in de strijd tegen het banditisme, bijwoonde.

Zijn diplomatisch kunnen toonde de Viry door de wijze waarop hij met de vertegenwoordigers van het centraal gezag omging. Een typisch voorbeeld was zijn reactie op de extreme opdracht die de minister van politie Fouché (1759-1820) in augustus 1801 naar alle prefecten stuurde, in verband met de clerus. Fouché was razend over de op til zijnde verzoening tussen kerk en staat en probeerde roet in het eten te gooien. De opdracht luidde alle ‘oproerige’ priesters op te pakken en allen die terugkeerden naar hun standplaats van voor de ‘Beloken Tijd’, te verbannen. In zijn antwoord begon de Viry met Fouché te beamen en hem te feliciteren voor zijn antireligieuze overtuiging. Net als hij, was hij gekant tegen de clerus, ces hommes toujours esclaves des ‘lois de leur conscience’, c’est à dire toujours maîtrisés par l’espoir de rétablir un jour leur domination. Maar toen kwam het: alle geestelijken in zijn departement waren eigenlijk op de een of andere manier niet in orde met de reglementen – hadden o. m. nog de nieuwe eed van trouw aan de republiek niet afgelegd - en zeker niet met de wijze waarop Fouché het zag. Moest hij dan maar die 8 à 900 priesters allemaal verbannen? Dit zou méér kwaad dan goed berokkenen. Trouwens, vroeg hij fijntjes, wat zou de Eerste consul daar wel van denken?[116] Die liet kort daarop weten aan Fouché dat hij zonder meer zijn instructies moest intrekken.

Hoewel hij weinig sympathie koesterde voor de clerus en voor sommige vormen van eredienst, nam de Viry bij herhaling de geestelijken in bescherming tegen voortvarende Franse ministers. Hij was immers een overtuigd voorstander van de godsdienstvrede. Wanneer de nieuwe bisschop van Gent, Etienne Fallot de Beaumont (1750-1835), tot wiens bisdom het departement van de Leie behoorde, op 22 juni 1802 naar Brugge kwam, werd hij met veel eerbetoon op de prefectuur ontvangen. De bisschop stuurde hierover een enthousiast verslag naar Parijs. Beide heren waren gematigden en derhalve gemaakt om elkaar te begrijpen. Het begrip mocht evenwel niet te ver leiden, oordeelde de Viry en het herinrichten van de Boetprocessie in Veurne was voor hem een stap te ver. Dat ondervond de maire van Veurne aan den lijve. Wat er gebeurd was liet de Viry in een rapport aan Binnenlandse Zaken weten: Je me refusai à laisser faire une procession dans laquelle devaient se reproduire toutes les pratiques des siècles de superstition et de barbarie. [Le maire], malgré mon refus, se crut en devoir d’aller en avant et ordonna en conséquence tous les apprêts de la fête, comme barres de fer, chemises de pénitents, etc et poussa la folie jusqu’à faire construire un oratoire ou chapelle au milieu de la place publique de la ville de Furnes[117]. Maire Roland Bernier (°1739), voormalig officier bij de Gardes Suisses in het Frans leger, werd zonder pardon eerst geschorst en vervolgens afgezet[118]. Men mag bij dit incident niet vergeten dat de Viry hoogstwaarschijnlijk al van tijdens zijn jeugd de Voltairiaanse scepsis aanhing. Zijn geboorteplaats Viry lag op een steenworp van Genève, de stad van Calvijn. Hij bracht een aantal jaren door in het calvinistische Nederland en het anglicaanse Engeland, zodat zijn geest en mentaliteit ongetwijfeld gevoed werden door het vaag deïsme en het godsdienstig relativisme die aldaar, nog méér dan in overwegend katholieke landen, bij grote delen van het establishment domineerden.

Of de maire van Veurne om zijn afzetting rouwig was is nog de vraag. Hij liet alvast aan de prefect weten dat hij er erg blij mee was en wenste hem veel succes toe in het vinden van een opvolger. Het duurde inderdaad enkele maanden vooraleer een plaatselijk burger kon overtuigd worden de functie op te nemen en dan nog deed hij het maar voor één jaar. De onbezoldigde gemeentefuncties waren immers niet erg in trek. Toen de Viry zijn ambt opnam, moest hij de eed afnemen van alle ondertussen benoemde departementale en gemeentelijke mandatarissen. Tot zijn niet geringe ontgoocheling stelde hij vast dat van de 250 benoemde burgemeesters en de meer dan 300 benoemde adjoints, amper één vijfde de functie had aanvaard[119]. Het was dus hard werken om ze te overtuigen of om gegadigden in hun plaats te vinden. Veel argumenten kon hij hierbij niet laten gelden, tenzij de vaderlandsliefde, maar die was natuurlijk tegenover de Fransen niet erg groot. Neem ze langs hun eergevoel raadde de minister van Binnenlandse zaken Chaptal hem aan: C’est en versant beaucoup de considération sur les maires, que vous ferez rechercher ces places d’honneur[120].

Het gebrek aan belangstelling had als onvermijdelijk gevolg dat vaak onbekwame, ongeïnteresseerde of zelfs corrupte bestuurders werden benoemd. De Viry zat bvb. algauw opgezadeld met Constant, de onderprefect in Kortrijk. Dat was nu eens een actief en toegewijd man, maar helaas hij bleek corrupt te zijn. De Viry deed hem onverbiddelijk afzetten, ook al leverde dit hem talrijke moeilijkheden op, want de man liet zich niet zo gemakkelijk aan de dijk zetten en trok naar Parijs waar hij zijn onschuld wilde bepleiten. De Viry moest zich schrap zetten om door Binnenlandse Zaken gevolgd te worden[121].

Een ander probleem dat zich aanmeldde en niet meer zou verdwijnen was dat van de conscriptie. De Viry, die het probleem al zeer goed kende van tijdens zijn burgemeesterschap, besefte dat het om een lastige zaak ging. Ce peuple n’est pas un peuple de soldats, schreef hij[122]. Het probleem met de ‘réfractaires’ was dubbel: het geëiste contingent werd niet gehaald en de weerbarstige jongeren doken onder en werden ‘brigands’. De Viry probeerde daar tegen in te gaan door in elk district nachtpatrouilles te organiseren[123].

Als prefect was de Viry uiteraard met alle aspecten van het leven in zijn departement begaan. Eén daarvan betrof de materiële toestand van de bevolking. Die was niet rooskleurig. In Brugge en in Kortrijk, zo schreef hij, was de helft van de bevolking afhankelijk van de giften van de andere helft. In Oostende was het nog slechter. Daar had de Viry evenwel geen geduld met de professionele leeglopers: Il est des familles de fainéants de père en fils à la charge des hospices depuis des siècles. Hij stelde hiervoor een paardenmiddel voor: de kinderen die als ze 12 jaar werden geen stiel wilden leren, zou men verplicht aanmonsteren en de zee opsturen. Dat zou ze leren[124].

Zoals het een prefect paste, ging hij af en toe uitgebreid zijn departement inspecteren. De eerste maal was dat bijna onmiddellijk na zijn aankomst, toen hij van 17 juli tot 11 augustus 1800 de steden en dorpen van West-Vlaanderen ging bezoeken in een stijl die enigszins aan een Blijde Inkomst deed denken[125]. Verder grepen inspectietochten plaats in februari en september 1801, in juli 1802 en in september 1803. Tweemaal kreeg de Viry toelating van de consul voor een langere afwezigheid, voor 25 dagen in november 1800 en voor 15 dagen in november 1802, die wellicht reizen naar Parijs betekenden[126]. Telkens hij zich voor méér dan een paar dagen uit zijn residentieplaats verwijderde, moest de prefect een tijdelijke vervanger aanduiden. Bij vijf van die gelegenheden droeg hij zijn bevoegdheden over aan secretaris-generaal Henissart. Maar bij andere gelegenheden vertrouwde hij die toe aan een lid van de prefectorale raad, namelijk aan Auguste Wieland (1757-1833)[127], Patrice de Coninck (1770-1827)[128], Bernard Van Severen (1761-1837)[129] en Eugène Goubau (1761-1839)[130], heren die naderhand nog een hele loopbaan zouden doorlopen.

Naar Parijs terug

Op 20 februari 1804 bevestigde de Viry de goede ontvangst van het bericht dat aan zijn functie een einde kwam en een opvolger was benoemd. Op 12 maart 1804 verliet hij Brugge voorgoed en benoemde Eugène Goubau tot zijn tijdelijke plaatsvervanger[131]. Gedurende vier jaar had hij met zachte hand het  bestuur verder op Franse leest geschoeid. Hij ging in Parijs een zetel in de Senaat innemen, ingevolge zijn benoeming, die dateerde van 3 februari 1804. Tijdens de kroningsplechtigheid van Napoleon op 2 december 1804 fungeerde hij als bijzonder kamerheer bij Paus Pius VII met wie hij in het Italiaans kon converseren. Zijn echtgenote werd tot eredame van prinses Louise Bonaparte benoemd. In 1808 werd hij ook nog één van de zestig kamerheren van de keizer, die zich graag liet omringen en dienen door leden van de oude adel. Als gevolg van deze verschillende functies, vooral van de laatste, werd de Viry op 26 april 1808 tot Comte d’Empire verheven en tevens tot grootofficier in de Légion d’Honneur.

Eenmaal in Parijs gevestigd, op het nummer 26 van de Rue Férou[132], vergat hij de vriendschappen niet die hij in Brugge had gemaakt. Op zijn invloed werd een beroep gedaan wanneer een ‘kruiwagen’ nodig was voor het bekomen van een benoeming of gunst. Aldus werd schepen en plaatsvervangend rechter Charles Coppieters-Stochove (1774-1864) dankzij de Viry in 1809 tot voltijds rechter benoemd, tegen twee andere kandidaten in[133]. Zo zette Coppieters de eerste stap die hem naar het voorzitterschap van de rechtbank van eerste aanleg in Brugge zou leiden, functie die hij combineerde met een jarenlang lidmaatschap van de Nederlandse Tweede Kamer en nadien van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Uit zijn tweede huwelijk had de Viry vier zoons. Twee ervan, Jean-Marin, geboren in 1792 en Melchior-François, geboren in 1796, overleden heel jong. De twee oudste waren respectievelijk 15 en 13 jaar oud toen hun vader prefect in Brugge werd, maar of ze hun ouders naar deze stad volgden is niet waarschijnlijk. Ze komen niet voor in het bevolkingsregister en evenmin in het palmares van de Brugse École centrale voor de jaren 1800 en 1801. In 1797 waren ze intern in de abdijschool van de norbertijnen in Bellelay bij Porrentruy in Zwitserland[134]. In deze internationaal bevolkte eliteschool, die slechts zestig leerlingen accepteerde, werden de jongens opgevoed in functie van carrières in het leger, de diplomatie of de magistratuur. Naast de gewone vakken leerde men er dans, tekenen, muziek, schermen, militaire architectuur en hanteren van wapens. Aangezien die school na de aankomst van Franse troepen begin 1798 de deuren moest sluiten, zullen beide jongens elders, waarschijnlijk ergens in Frankrijk, verder school hebben gelopen. Het is alvast een mogelijke hypothese dat de al wat oudere de Viry terug actieve dienst aanvaardde omdat dit hem betere mogelijkheden kon bieden voor het op goede banen leiden van de carrière van zijn zoons. Een prestigieus ambt of bediening en een interessante huwelijksverbintenis kwamen niet zomaar uit de lucht vallen en daar moest men zich voor inspannen, de juiste contacten onderhouden en zich in de geschikte milieus bewegen.

De oudste zoon, Albert-Eugène de Viry (1784-1813) werd zoals zijn vader kamerheer van Napoleon en huwde in 1806 met gravin Ernestine de Saint-Simon-Courtomer, van wie de vader, comte d’Empire Antoine de Saint-Simon-Courtomer  eveneens kamerheer van de keizer werd. Het huwelijk bleef kinderloos en Albert-Eugène was nog geen dertig toen hij in Viry stierf, enkele maanden voor zijn vader. De tweede zoon, François-Joseph de Viry (1786-1809) werd in februari 1804 toegelaten tot de Militaire school en was al dragonderluitenant begin 1805. Hij werd adjudant van maarschalk Lannes en nam aan heel wat veldslagen deel. Zo had hij zich in Austerlitz (1805) laten opmerken door zijn dapperheid. Hij nam ook deel aan de veldslag bij Essling en Aspern (mei 1809)[135]. Dit onbeslist gebleven treffen draaide op een ware slachting uit, waarbij 45.000 soldaten sneuvelden, onder wie maarschalk Lannes. De Viry kreeg een schot dat één van zijn schouders verbrijzelde. Napoleon gaf vanuit zijn hoofdkwartier in Schönbrunn opdracht aan dokter Lanefranque, geneesheer van het Hof, Viry goed te verzorgen. Hij bezweek niettemin aan zijn verwondingen en stierf op 16 juni 1809 in de armen van zijn kameraad Marcelin de Marbot. Die kreeg opdracht de droeve boodschap aan de vader te gaan meedelen[136]

Toen Justin de Viry in 1813 overleed, werd zijn stoffelijk overschot op bevel van Napoleon bijgezet in het Panthéon, waar het de resten van andere groten van het regime vervoegde[137]. Het is waarschijnlijk dat, naast de vader, meteen ook de herinnering aan de in Wenen begraven zoon werd geëerd. De enige overlevende uit de twee huwelijken van Justin de Viry, de enige ook die voor nakomelingen zorgde, was de Brit geworden Henry de Viry. In 1814, na de dood van zijn vader en van zijn halfbroer en na de val van Napoleon, kwam hij in Viry bezit nemen van de familiegoederen die nu in handen van zijn stiefmoeder waren, maar die toezegde ze na haar dood opnieuw aan de erfgenamen uit het eerste bed over te laten. Hij burgerde zich in de streek in en werd onder meer, in Genève, lid van de loge Fidélité et Prudence. Met zijn talrijke kroost ging hij het kasteel in Viry bewonen en hernam voor zichzelf en zijn kinderen de adellijke naam en titel. Wat bezielde hem om tijdens de Honderd dagen maire van Viry te worden? Hij werd op 16 april 1815 in deze functie benoemd en legde in handen van zijn afgezette voorganger de eed af van gehoorzaamheid aan de Grondwet van het keizerrijk en van trouw aan de keizer. Of hij ook nog maire bleef na Waterloo is me niet bekend[138]. Die benoeming en die eed lijkt hem alvast niet ten kwade te zijn geduid, want op 22 augustus 1815 werd hij tot volksvertegenwoordiger gekozen door het kiescollege van de Mont-Blanc. Hij zetelde als lid van de ultrakoningsgezinde meerderheid in de Chambre introuvable, maar verdween bij de Kamerontbinding van september 1816. Hij overleed in Tours op 15 januari 1820[139]. Hij is waarschijnlijk een unicum om zowel in het Britse Lagerhuis als in de Franse Assemblée nationale te hebben gezeteld.


II.

Bernard François

markies de CHAUVELIN

Prefect van het Leiedepartement

van 9 februari 1804 tot 3 november 1810

Baron d’Empire vóór 1810

Comte d’Empire op 10 april 1811

Markies Bernard-François de Chauvelin werd in Parijs geboren op 29 november 1766 en overleed er op 8 of 9 april 1832[140]. Hij was gehuwd met Herminie Tavernier de Boullongne, de in 1775 geboren dochter van een fermier général of algemeen belastingpachter[141]. Het echtpaar bleef kinderloos.

Chauvelin behoorde tot een familie afkomstig uit Vendôme (Loir-et-Cher), met een aanzienlijke staat van dienst, waarvan leden zich vanaf 1530 in Parijs hadden gevestigd en in de magistratuur en in overheidsambten hun adelbrieven hadden verworven als  advocaat-generaal bij het Parlement van Parijs, rechtbankvoorzitter of intendant van grote provincies. Eén onder hen, die behoorde tot de tak Chauvelin de Crisenoy, Germain Louis de Chauvelin (1685-1762) was minister van buitenlandse zaken en Garde des sceaux onder de jonge Lodewijk XV. De koning verhief zijn domein van Grosbois tot markizaat. Hij kwam evenwel in aanvaring met de eerste minister, kardinaal Fleury (1653-1743) en als gevolg hiervan werd hij verbannen. In 1746 mocht hij aan het Hof terugkeren, maar kreeg er geen enkele taak meer toebedeeld[142].

De grootvader van Bernard-François de Chauvelin, Bernard de Chauvelin de Beauséjour (1672-1755)[143], werd intendant, eerst in Tours, vervolgens in Amiens (Artesië – Picardië), waar hij een aanzienlijke rol speelde. In 1740 werd hij lid van de Conseil d’Etat. Hij had vier zoons, waarvan de oudste, Jacques-Bernard de Chauvelin (1701-1767), hem opvolgde als intendant voor Artesië, later Intendant des Finances werd voor Frankrijk en verantwoordelijkheid droeg voor wat in het koninkrijk werd gepubliceerd. Hij was een bewonderaar van Voltaire en zorgde ervoor dat zijn omstreden Henriade werd heruitgegeven. Hij werd lid van één van de eerste vrijmetselaarsloges in Frankrijk, de Louis d’Argent, waartoe ook zijn vriend uit Amiens, de dichter Jean-Baptiste Gresset (1709-1777) behoorde[144]. Twee zoons van de voornoemde de Chauvelin de Beauséjour werden priester: Louis-Gabriel (1710-1773) was deken in Le Mans, terwijl kanunnik Henri-Philippe (1715-1770), die correspondeerde met Voltaire, één van de Parijse voormannen werd van het jansenisme, tegelijk groot theateramateur was maar tevens heftig tegenstander van de jezuïeten. Hij hield tegen hen redevoeringen in het Parlement, die mee aan de basis lagen van de opheffing van de sociëteit en de verbanning van haar leden. In 1767 werden de jezuïeten gedeporteerd, eerst naar de Pauselijke staten van Avignon en kort daarop naar het pas door de vierde broer, François de Chauvelin, veroverde Corsica.

Het was inderdaad, François-Claude de Chauvelin (1716-1773), vader van de hier bestudeerde Bernard-François, die de troepen leidde die in 1768 het eiland Corsica veroverden, waar enkele maanden later Napoleon Buonaparte als Franse onderdaan werd geboren. Voordien had Chauvelin naast een militaire carrière, waarbij hij het tot luitenant-generaal bracht, ook een diplomatieke loopbaan doorlopen. In 1754 werd hij Frans ambassadeur in Genua en van 1759 tot 1765 was hij ambassadeur in Turijn. Hij heeft daar ongetwijfeld de vader van Justin de Viry gekend. Op weg van Parijs naar Turijn hield Chauvelin halt in Genève en bezocht er Voltaire in zijn villa Les Délices. Dat weten we door de Mémoires van Casanova, die zelf ook bij herhaling ambassadeur Chauvelin en zijn echtgenote ontmoette, de eerste maal in Versailles, nadien in Soleure bij de Franse ambassadeur in Zwitserland, en in Turijn. Ze voerden urenlange levendige discussies, terwijl Casanova anderzijds met de jonge markiezin de Chauvelin danste en galant converseerde[145]. François-Claude de Chauvelin had het niet bij zijn ene ontmoeting met Voltaire in Genève gehouden, maar werd met hem bevriend en ze traden met elkaar in briefwisseling. De Meester vroeg hem zelfs om commentaar over sommige van zijn geschriften, o. m. in 1762 over een toneelwerk dat hij aan het schrijven was[146]. Voltaire moedigde hem ook aan in het schrijven van zijn poëzie, die van een beminnelijke en onbekommerde ingesteldheid getuigde. Hij schreef o.m. een verzenbundel, geïnspireerd door zeven jonge dames, onder de titel Les sept péchés mortels, die door Casanova vertaald werd in het Venetiaans dialect.

Alexandre Dumas père schreef in 1830 een roman onder de titel Le testament de Chauvelin[147], waarin hij het dramatische verhaal deed van François de Chauvelin die dood viel voor de voeten van Lodewijk XV, terwijl ze aan het kaarten waren. Een waarzegster had voorspeld dat de koning binnen de maand na Chauvelin zou sterven. De voorspelling kwam maar met enige vertraging uit, want Chauvelin overleed in november 1773 en de koning pas zes maanden later, op 10 mei 1774[148]. Van Chauvelin werd gezegd qu’il était un des hommes les plus spirituels et les plus aimés de son temps. Lodewijk XV stelde zijn vrolijk gezelschap op prijs en verleende hem een markiezentitel.

Revolutiegezind

Bernard-François de Chauvelin werd geboren toen zijn vader al de vijftig voorbij was. Zijn moeder, Agnès Mazade d’Orgeville (1739-ca1807), zij die met Casanova danste en van wie Voltaire de mooie ogen bezong[149], was meer dan twintig jaar jonger dan haar man. Ze stamde uit een familie die welvarend was geworden als algemeen belastingpachter. Het echtpaar verbleef vaak in het paleis van Versailles en het is waarschijnlijk dat Bernard en zijn twee zussen er hun vroegste kinderjaren doorbrachten. Bernard kreeg een militaire en juridische opleiding en mocht, eenmaal volwassen, zijn vader opvolgen in de prestigieuze functie van maître de la garde-robe aan het koninklijk hof. Dit hield ongetwijfeld in dat hij, zoals zijn vader, in Versailles, al dan niet in het kasteel, over een appartement beschikte. De jonge Chauvelin stond in zijn functie onder het toezicht van hertog de La Rochefoucauld-Liancourt (1747-1827), grand-maître de la garde-robe, die verknocht was aan de koning, maar niettemin een overtuigd aanhanger werd van de revolutionaire ideeën en samen met andere grote heren van liberale strekking, hierover vergaderde. Ze kenden wellicht de voorspellende brief die Voltaire op 2 april 1764 naar de vader van Bernard de Chauvelin had gestuurd, nog voor deze laatste geboren werd en waarin hij zegde: Tout ce que je vois jette les semences d'une révolution qui arrivera immanquablement, et dont je n'aurai pas le plaisir d'être témoin. Les Français arrivent tard à tout, mais enfin ils arrivent. La lumière s'est tellement répandue de proche en proche qu’elle éclatera à la première occasion ; et alors, ce sera un beau tapage. Les jeunes gens sont bien heureux : ils verront de belles choses.

Het regiment waar Chauvelin bij aangesloten was heette Noailles Dragons en hij volgde het waarschijnlijk van garnizoen tot garnizoen: Epinal in 1787, Carcassonne en Toulouse in 1788, Montauban in 1790, Revel, Toulouse en tenslotte Versailles in 1791. Met de graad van kapitein was hij er bij toen in Carcassonne op 21 juni 1788, binnen het regiment, de militaire vrijmetselaarsloge L’Aménité de Noailles werd opgericht. De loge bestond uit officieren, de meesten edellieden. De vicaris generaal van het bisdom Carcassonne, Louis-Jean Fizellier, koninklijk aalmoezenier, was eveneens lid. De leden zouden vanaf 1790-1791 praktisch allen de weg van de emigratie en van de strijd tegen de Republiek opgaan[150].

Chauvelin was de uitzondering. Toen de revolutie uitbrak, werd hij gegrepen door de idées nouvelles en zocht contact met de revolutionairen. Volgens Antoine Bertrand de Molleville (1744-1818) werd hij er van verdacht de koninklijke familie te bespieden en informatie door te geven aan zijn politieke vrienden, met als gevolg dat de toegang tot het hof  hem werd bemoeilijkt zoniet geweigerd. Of dit juist is, is niet zeker. Immers in de jaren 1789-1791 waren velen in de entourage van de koning, en eigenlijk de koning zelf, nogal voor de nieuwe ideeën gewonnen, zodat Chauvelin in die middens waarschijnlijk niet ongunstig opviel. Bertrand de Molleville behoorde tot het antirevolutionaire kamp, werd in maart 1792 ontslagen als minister van de Marine en werd daarop door Lodewijk XVI belast met de leiding van een soort geheime politie die de jacobijnen moest bespieden[151]. Misschien sloeg zijn bemerking over Chauvelin op die periode. De spionage duurde trouwens niet lang, want in augustus nam Molleville de vlucht en kwam, zoals zo velen, in Engeland terecht.

Chauvelin bleef verder in het leger en werd in 1791 vleugeladjudant van de held van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog, maarschalk en graaf Jean-Baptiste de Rochambeau (1725-1807), op dat ogenblik bevelhebber van het leger in het Noorden. De oude generaal had weinig sympathie voor de revolutie. Ondertussen bleef Chauvelin politiek geïnteresseerd, zoniet actief in de Parijse revolutionaire middens. In de lente van 1789 was hij lid geworden van de Club de Valois, een vereniging, op initiatief van Emmanuel-Joseph Sieyès (1748-1836) opgericht, die meer dan zeshonderd leden groepeerde. De meesten waren van hoge adel en waren in meerderheid de nieuwe gedachten genegen. De activiteiten werden drie jaar volgehouden in lokalen die zich in het Palais Royal bevonden, kant rue de Valois. Tot die club behoorde de hertog van Orléans (1747-1793) met zijn voornaamste aanhangers. Ook belangrijke intellectuelen waren lid, waaronder Chamfort, Choderlos de Laclos en Condorcet[152].

Wellicht was Chauvelin ook lid van de Société des Amis de la Constitution, beter bekend als Club des Jacobins, maar toen in de loop van 1790 een aantal leden ervan, waaronder Talleyrand (1754-1838), Sieyès en La Fayette (1757-1834) zich terugtrok, deed hij waarschijnlijk hetzelfde. Alvast werd hij lid van de tegen de jacobijnen gerichte Club de 1789 die onder de auspiciën van het bovengemelde trio werd opgericht en die luxueuze lokalen huurde in het Palais Royal, hoofdkwartier van de Orléansfamilie. In opvolging van deze club, verenigden zich in juli 1791 de gematigde jacobijnen, voorstanders van een constitutionele monarchie, in de Club des Feuillants: méér dan 800 aanzienlijke burgers, edellieden, industriëlen en financiers maakten er deel van uit. Hun inspiratie kwam opnieuw in grote mate van Talleyrand, Sieyès en La Fayette. Gedurende korte tijd vormden ze een invloedrijke groep binnen de Assemblée législative, maar onderlinge verdeeldheid en het oprukken van de extremistische krachten maakten dat ze weldra, zeker vanaf augustus 1792, in het defensief zaten.  Chauvelin is niet vermeld op de lijsten van aangesloten leden[153], maar het waren alvast de zienswijzen van de Feuillants waar hij mee sympathiseerde[154], evenals kort daarop met die van de Girondins, toen die de weg van de gematigdheid insloegen. Midden het revolutionaire rumoer trad hij begin 1792 in Parijs in het huwelijk met Herminie-Félicienne-Joséphine Tavernier de Boullongne.

Chauvelin ambassadeur

Op 13 september 1791 werd de nieuwe Grondwet van kracht, waardoor Frankrijk een constitutionele monarchie werd. Na de goedkeuring hief de Assemblée Constituante zichzelf op, en in een opwelling van democratische 'zuiverheid’ besliste ze dat geen enkele van haar leden in de eerstkomende twee jaar een officiële functie mocht vervullen. Begin oktober kwam de nieuwe Assemblée législative voor het eerst bijeen. Het  jaar 1792 werd een bijzonder woelig jaar, zowel omwille van de bittere strijd tussen de verschillende strekkingen, de voortdurende regeringswissels en de val van de monarchie, als door de aanvang van de oorlog met Pruisen en Oostenrijk. Amper een jaar nadat de Grondwet was goedgekeurd, werd de republiek uitgeroepen.

Oorlog tegen de oostelijke buren deed de beleidvoerders besluiten dat ze alleszins, zowel op het thuisfront als in de kolonies, een bijkomend conflict met Engeland en met haar bondgenoot de Verenigde Provincies moesten vermijden. Er werden dan ook grote inspanningen geleverd om de neutraliteit van de Britten te bekomen, misschien zelfs een bondgenootschap met hen te sluiten. In Londen was op dat ogenblik niemand aanwezig die dit ter plekke kon behartigen. De ambassadeur, graaf Anne-César de la Luzerne (1741-1791) was in september 91 overleden; zijn secretaris de dichter André Chénier (1762-1794) was naar Frankrijk teruggekeerd; de gevolmachtigd minister François de Barthélémy (1747-1830)[155] had nog net kunnen aankondigen dat een nieuwe Grondwet in Frankrijk was goedgekeurd en was daarop tot gezant bij de Zwitserse kantons benoemd; graaf de Choiseul (1752-1817), die Frankrijk in Constantinopel vertegenwoordigde, was einde 1791 in Londen benoemd maar hij vertrouwde de Franse revolutionairen niet en weigerde; er bleef voorlopig in Londen alleen de bescheiden zaakgelastigde Yves Hirsinger (1757-1824) over[156].

De regering, meer bepaald de minister van Buitenlandse zaken Claude-Antoine Valdec de Lessart (ca1750-1792), besloot op een zwaargewicht beroep te doen in de persoon van Charles-Maurice de Talleyrand-Périgord, één van de constituanten die momenteel ambteloos was[157]. Hij stak het Kanaal over en arriveerde in Londen op 24 januari 1792, vergezeld door onder meer Armand de Lauzun, hertog van Biron (1747-1793). Die hertog was met schulden beladen, reden trouwens waarom hij de zijde van de revolutie had gekozen. Pas in Londen aangekomen, werd hij aangeklaagd door een paar Franse vluchtelingen bij wie hij nog in het krijt stond, werd opgepakt en kon met moeite bevrijd en terug over het Kanaal gesmokkeld worden, alleen maar om in de loop van het jaar 93 in Parijs te worden geguillotineerd. Talleyrand zelf werd bijzonder koel onthaald: zijn reputatie van uitgetreden bisschop en van revolutionaire edelman deed hem uiteraard geen goed. De koning ontving hem één keer en met het uiterste misprijzen, de koningin keerde hem de rug toe toen men hem aan haar wou voorstellen en de minister van Buitenlandse zaken Grenville wilde amper gesprekken voeren met deze officieuze gezant. Toch meende Talleyrand uit zijn contacten te mogen besluiten dat de Engelse regering een neutrale positie zou blijven innemen en met deze boodschap kwam hij naar Parijs terug. Gelijk had hij ongetwijfeld, want eerste minister William Pitt, die hij éénmaal kon ontmoeten, wilde van geen oorlog met Frankrijk weten, ook al dacht hij niet aan een bondgenootschap.

De vage belofte werd evenwel onvoldoende geacht, en op Buitenlandse zaken meende men dat een officieel neutraliteitsverdrag moest worden bekomen. Men kon nog steeds Talleyrand niet officieel benoemen maar men zag in, hij op de eerste plaats, dat het prestige en de invloed van Frankrijk zouden gediend zijn met een volwaardig ambassadeur. De keuze hiervoor viel verrassend op de vijfentwintigjarige Bernard de Chauvelin. Wie had hiervoor op hem gedacht? De algemene zienswijze is dat het Talleyrand was. Hij had al vanuit Londen naar zijn minister geschreven dat de aanwezigheid van een gevolmachtigde ambassadeur wenselijk was en hij had hiervoor Chauvelin voorgesteld over wie hij zegde: Il a de l’esprit à grande dose, une manière franche et prononcée dans la Révolution[158]. Het is niet uitgesloten dat die naam hem werd ingefluisterd door één van zijn vroegere maîtresses, met wie hij bijzonder bevriend was gebleven. Het ging om de (gescheiden) burggravin de Montmorency-Laval, met haar meisjesnaam Catherine Tavernier de Boullongne (1749-1838), die een nicht was van Chauvelins’ jonge bruid. Ook de hertog La Rochefoucauld-Liancourt, met wie Talleyrand zeer bevriend was, kan een rol gespeeld hebben. Het kan ook dat Talleyrand en Chauvelin mekaar in de loop van 1790-91 leerden kennen aan de speeltafel bij de burggravin of in een andere van de talrijke Parijse salons. Méér dan waarschijnlijk waren ze gelijktijdig te gast bij Madame de Staël (1766-1817), bij wie heel veel leden van de liberale aristocratie kwamen discussiëren. Er bestaat ook kans dat ze mekaar hadden ontmoet in één van de vele politieke clubs. Ondanks het aandringen van Talleyrand had men evenwel niet onmiddellijk een ambassadeur benoemd. Daarom was hij naar Frankrijk teruggekeerd, waar hij geconfronteerd werd met een gewijzigde toestand. De koning had zopas de Feuillants uit de regering gezet om ze te vervangen door Girondijnen, een andere opkomende min of meer gematigde vleugel van Jacobijnen, en bij hen vond Talleyrand méér gehoor voor zijn voorstel. Hij werd hierin gesteund door Sieyès en door de nieuwe minister van Financies, Etienne Clavière (1735-1793)[159].

Van maart tot juni 1792 was generaal Charles Dumouriez (1739-1823) minister van Buitenlandse Zaken. Hij was op dat ogenblik nog bevriend met Rochambeau en was ook niet vergeten dat hij zijn carrière was begonnen als militaire adjunct van Chauvelin senior tijdens de verovering van Corsica[160]. Ze waren het toen niet altijd eens geweest over de te volgen tactiek, maar na al die jaren zal dat tegenover de zoon wel geen rol meer hebben gespeeld. Twee redenen dus die maakten dat hij, die overal graag zijn eigen mannetjes plaatste, Bernard de Chauvelin niet ongenegen was en derhalve op de suggestie van Talleyrand inging. In zijn nota’s aan de regeringsraad bevestigde hij dat Talleyrand opnieuw de leiding zou nemen van de zending naar Londen en dat de te benoemen ambassadeur zijn adjunct zou zijn. Op 28 maart 1792 schreef hij: Il est nécessaire que cet adjoint soit entièrement dans la main de M. de Talleyrand et ne puisse rien faire seul et de lui-même, n’étant absolument qu’un prête-nom. Je propose pour cette adjonction, M. de Chauvelin, qui convient à M. de Talleyrand[161]. Voor Chauvelin betekende dit een onverwachte promotie, die hij zonder aarzelen aanvaardde. Met zijn vijfentwintig jaar verkoos men een wel erg jonge man, maar Dumouriez en Talleyrand rekenden er blijkbaar op dat hij van huize uit diplomatieke gaven en savoir vivre had meegekregen die hij zou kunnen aanwenden in dienst van zijn revolutionaire gedrevenheid en dat hij als markies, ook al was hij ex-markies, vertrouwen zou inboezemen bij de Engelse aristocratie en aan het Hof. Daarbij was hij nauwelijks enkele jaren jonger dan de eerste minister en de minister van Buitenlandse zaken, Pitt en Grenville, die beiden drieëndertig waren. Pitt was op dat ogenblik al negen jaar in functie. En vooral, Chauvelin was te jong, zo dacht men, om Talleyrand voor de voeten te lopen. Een meer doorgewinterde diplomaat zou de ondergeschiktheid minder makkelijk aanvaard hebben.

Chauvelin begon zich evenwel al te doen gelden van voor de zending vertrok. Men had namelijk, naast Talleyrand nog een tweede zaakgelastigde toegevoegd, de uit Genève afkomstige jurist Jacques-Antoine du Roveray (1747-1814)[162], die relaties in Londen had. Eén ‘schoonmoeder’ tot daar, vond Chauvelin, maar twee vond hij te veel. Het gevolg was dat op 20 april – de dag waarop de oorlog aan Oostenrijk werd verklaard - de heren nog altijd in Parijs aan het bekvechten waren. Dumouriez werd ongeduldig en liet een andere éminence grise ontbieden, de predikant Etienne Dumont (1759-1829), eveneens uit Genève, vriend van Mirabeau en van de Engelse rechtsgeleerde Jeremy Bentham, die met het gezelschap zou meereizen en zou zorgen voor een aantal introducties in Londen. Zegde hem Dumouriez: M. de Talleyrand s’amuse, M. de Chauvelin boude, M. Duroverai marchande. Dites-leur que, s’ils ne sont pas en route demain soir, après-demain une autre ambassade sera nommée et partira avant midi[163]. De heren hielden het zich voor gezegd, want ze wisten dat Dumouriez een familielid in reserve hield, en vertrokken ’s anderendaags om vier uur ‘s morgens, in twee rijtuigen. Een andere belangrijke metgezel, die als ambassadesecretaris meetrok, was Karl Reinhard (1761-1837), een Duitser die zich bij de Franse revolutie had aangesloten en later, tot in de jaren 1830, een belangrijke diplomatieke rol zou vervullen[164].

Chauvelin in Londen

Het hoofddoel bestond erin, Engeland in een neutraliteitspositie te behouden ten aanzien van de revolutie. Nu de oorlog met Oostenrijk was begonnen, was het van levensbelang dat Engeland zich afzijdig hield. Tevens moest de zending een lening van drie of vier miljoen pond sterling zien te verkrijgen, waarvoor ze Tobago als waarborg mocht aanbieden. Dit was niets anders dan een diplomatieke manier om het eiland te verkopen tegen het verkrijgen van het geld dat men dringend nodig had en dat men niet van plan was ooit terug te betalen[165]. Chauvelin hield zich ook met geheime diensten bezig, onder meer met het bespieden van de geëmigreerde Fransen, hoewel hij met sommigen onder hen ook positiever contacten had. Of hij zijn gevluchte familieleden ontmoette, zoals zijn schoonbroer la Bourdonnaye of zijn neef Matthieu de Montmorency-Laval (1766-1820) wordt niet vermeld. Evenmin of hij Calonne ontmoette, die een korte tijd in Londen verbleef, of zijn vroegere chef in het koninklijk huishouden, hertog de La Rochefoucauld-Liancourt die na 10 augustus 1792 naar Engeland vluchtte, of Madame de Staël die in Engeland arriveerde kort voor Chauvelin werd uitgewezen. Wel had hij contacten met Pierre-Victor Malouet (1740-1815), verdediger van de monarchie in de Constituante, ook naar Engeland gevlucht, die langs hem om in november 92 het verzoek indiende de koninklijke familie te mogen komen verdedigen[166]. Chauvelin maakte het verzoekschrift over aan de Convention, hetgeen in de gegeven omstandigheden moed vergde, maar het werd misprijzend onthaald[167]. Daarbij onderhield Chauvelin, zoals de andere leden van de ambassade, contacten met zowel Engelsen die revolutiegezind waren als met leden van de parlementaire oppositie. Dit is althans wat de Britten van hem hebben onthouden.

Zodra de Franse delegatie einde april voet aan wal had gezet, konden de onderling  kibbelende leden vaststellen dat ze minstens in iets solidair waren, namelijk in het slechte onthaal dat hen te beurt viel. Etienne Dumont noteerde hoe het er aan toe ging tijdens een wandeling in de tuinen van Ranelagh: Les regards curieux, mais d’une curiosité qui n’était pas de la bienveillance, se dirigeaient de toutes parts sur notre bataillon, car nous étions huit ou dix. (...) On se retirait à droite et à gauche, à notre approche, comme si on eût craint de se trouver dans l’atmosphère de la contagion. (...) Nous nous retirâmes bientôt après, observant que M. de Talleyrand n’était en aucune manière affecté ou déconcerté et que M. Chauvelin l’était beaucoup[168].

Op 2 mei 1792 werd Chauvelin in audiëntie ontvangen door koning George III, voor het overhandigen van zijn geloofsbrieven. Dit gaf al aanleiding tot een eerste rel, want de volgende dag, toen de post uit Frankrijk in Londen arriveerde, kon men vaststellen dat de tekst van de confidentiële brief die Chauvelin vanwege Lodewijk XVI aan de koning had overhandigd, daags voordien al in de Parijse kranten had gestaan. De zending begon dus met een fameus diplomatiek incident. Niettemin ondernam Talleyrand besprekingen met al wie hem wel wilde ontvangen, opdat niet alleen de vrede tussen beide landen zou behouden blijven maar ook dat de Franse regering door Engeland zou erkend worden. Tevens hoopte hij dat men de koninklijke familie in ballingschap naar Engeland, of nog liever naar America, zou kunnen laten vertrekken. Eerste minister William Pitt leek in die richting te willen meedenken. Terwijl Chauvelin de officiële gezant was, bleef men in Parijs rekenen op de onderhandelingscapaciteiten van Talleyrand teneinde de gewenste resultaten te bereiken. Thomas Carlyle had het ook zo begrepen toen hij schreef: brisk young marquis Chauvelin as ambassador’s-cloak[169]. De energieke Chauvelin als dekmantel dus. 

Dat de verhouding Talleyrand - Chauvelin inderdaad ook in Engeland begrepen werd zoals ze was, wordt duidelijk gemaakt door een spotprent die al op 14 mei in druk verscheen en dus praktisch onmiddellijk na aankomst van de beide heren in Londen tot stand kwam[170]. De titel luidde: The Bishop of a Tun’s Breeches – or – the flaming evêque, purifying the House of Office! hetzij: De kniebroek van de bisschop van ‘Autun’ of de vurige bisschop die de ambtswoning zuivert”. Autun [de vroegere bisschoppelijke zetel van Talleyrand] was vervormd tot a Tun, (een vat) wat ongetwijfeld een woordspeling inhield, waarvan de zin ons evenwel ontgaat. De ambtswoning in kwestie werd voorgesteld als een latrine. Talleyrand, met mijter en priesterkleed, hield boven het latrinegat de brandende kniebroek van een edelman, die aan zijn kromstaf bengelde. Zijn opgetrokken soutane toonde zijn naakte dijbeen, als bewijs dat hij een ‘sansculotte’ was. Dit had uiteraard te maken met één van de symbolen van de republiek: de kniebroek van de aristocraten moest wijken voor de gewone pantalon van de burger. In Engeland was dergelijk symbool voorwerp van spot. Uit het latrinegat stak een duivelskop op, die het ‘Ça-ira’ aan het zingen was: Talleyrand werd algemeen door zijn vijanden als de baarlijke duivel beschouwd. Achter de rook rond de brandende broek kon men Westminster Palace (als symbool van Engeland) ontwaren, dat dreigde mee in de vlammen op te gaan.

Naast Talleyrand stond een in vrouw verklede man, een ‘poissarde’ uitbeeldend (de visvrouw, ander symbool van het revolutionaire volk), twee vissen hangend aan de buikriem, met in de ene hand een brandende toorts waarop stond geschreven Inflammatory Epis[tle] en in de andere een document vermeldend Instructions from the National Assembly to their Diplomatic [representatives]. De epistle was de brief die Chauvelin aan koning George III had overhandigd en door zijn onheuse vroegtijdige publicatie diplomatiek onweer veroorzaakte. De Instructions verwees naar de uitgebreide nota’s die Dumouriez als opdracht aan de nieuwbakken diplomaten had meegegeven en die evenmin geheim waren gebleven[171]. Die in vrouw verklede man moest duidelijk Chauvelin verbeelden. Men had in Londen de roddel verspreid dat hij op 6 oktober 1789, de dag toen het gepeupel de koninklijke familie dwong van Versailles naar Parijs te verhuizen, in viswijf verkleed onder de menigte was opgemerkt[172]. Achter hem op de tekening stonden personages die de rest van het diplomatiek personeel uitbeeldden, drie mannen met boeventronies, de ene met een kolenvuur bij zich, een andere met een gloeiende kachelpook en alle drie met een tricolore sjerp. Onder de hierboven gemelde titel stond: To the Patriots of France & England, this representation of the Burning Zeal of the holy “Attaché à la Mission” and his collegue “L’envoié des Poissardes”, is most respectfully dedicated. De prent was niet alleen een aanduiding van de sfeer die algemeen in Engeland heerste tegenover het revolutionaire Frankrijk, maar toonde ook aan dat men duidelijk de respectievelijke positie kende van de ambassadeur en zijn ‘attaché’. De tekening was van de hand van de belangrijkste Engelse karikaturist uit die tijd, James Gillray (1757-1815), de uitvinder van het ‘John Bull’ personage[173].

De werkelijkheid, noch de perceptie ervan, konden evenwel beletten dat het dan toch uiteindelijk Chauvelin was die als officieel diplomatiek vertegenwoordiger van Frankrijk door de leden van de regering werd ontvangen. Bij die gelegenheden rekende hij op het nodige respect. Toen hij op audiëntie ging bij William Pitt en bars door hem werd ontvangen, nam hij lichte wraak door ‘per ongeluk’ hard op zijn tenen te trappen[174]. En toen een andere keer de minister van Buitenlandse Zaken Grenville hem een kreupele stoel aanbood, ging hij parmantig in de mooiste zetel van het receptiesalon plaats nemen[175]. Een man met panache dus. Die panache kon hij ook afficheren in het ambassadegebouw. De Franse ambassade was toen gevestigd in het majestueuze Home House, 20, Portman Square, twintig jaar eerder door de grote architecten James Wyatt (1746-1813) en Robert Adam (1728-1792) gebouwd voor gravin Elisabeth Home, met het fortuin dat ze had geërfd van haar vader, rijke planter in Jamaïca, die veel aan zijn zwarte slaven had verdiend[176].

Op 29 april 1792 in Londen aangekomen, konden Chauvelin en Talleyrand al op 25 mei de schriftelijke verklaring aan de Franse regering overmaken, waarmee de Engelse regering de neutraliteit toezegde. Een wetgevend initiatief om dit te bevestigen liet evenwel op zich wachten. In juni achtte Talleyrand dat hij in Londen niets méér zou bekomen en liet Chauvelin het voortaan maar alleen uitzoeken. In Frankrijk kwam rond die tijd de revolutie in een stroomversnelling. Op 10 augustus werd de monarchie de facto afgeschaft en de koning en zijn gezin gevangen genomen. Onmiddellijk riep de Britse regering Lord Georges Granville-Leveson-Gower (1758-1833), de latere hertog van Sutherland, haar ambassadeur in Parijs terug en erkende nog nauwelijks de ambassadeurstitel van de Franse gezant, de betrekkingen met de Franse ambassade in Londen tot het strikte minimum herleidend. Vanaf begin september begonnen in Parijs de slachtingen die in gans Europa afgrijzen wekten. Op 21 september werd de monarchie officieel afgeschaft en ’s anderendaags de republiek uitgeroepen. Talleyrand was er ondertussen, midden het gewoel, in geslaagd naar Engeland terug te keren, maar ditmaal zonder diplomatieke opdracht. Hij had bij hoge uitzondering van Georges Danton (1759-1794) een paspoort verkregen (of gekocht) en trok net op tijd weg om zijn vel te kunnen redden. Dit tot woede van de leiders van de Convention die hem op 6 december in beschuldiging stelden en een arrestatiebevel tegen hem uitvaardigden[177]. Eenmaal in Londen, had Talleyrand nog verdere contacten met Grenville en ook met de Franse ambassade en in de eerste plaats met Chauvelin die in zijn ‘mentor’ volle vertrouwen behield en zijn vaderlandsliefde loofde, maar voor het overige was zijn rol uitgespeeld[178].

Ambassadeur op eigen krachten

Vanaf juni 1792 was het aan Chauvelin om zich te bewijzen. In de volgende maanden zou hij zich uitermate inzetten om Parijs over de toestand in Londen in te lichten en adviezen te formuleren, terwijl hij zich tevens inspande – wat veel moeilijker bleek – de contacten met de Engelse beleidsverantwoordelijken gaande te houden.

Een eerste grote inspanning die hij leverde was om ze er in Parijs van te overtuigen dat ze van de koning moesten afblijven, zoniet ze er de zware gevolgen zouden van dragen. Op 31 augustus 1792 schreef hij aan minister Lebrun-Tondu: Je ne puis vous cacher que la position particulière et individuelle du Roi inspire un intérêt assez général et je ne crains pas d’affirmer que les amis de la liberté dans tous les pays n’apprendraient pas sans indignation que, commettant un crime inutile, on déshonorât la plus belle des causes, en attentant à ses jours. Op 26 september 1792: Soyons humains et magnanimes envers cet homme qui a été roi et qui n’est plus que malheureux et je vous garantis qu’avant peut-être que la Constitution de la République soit terminée par la Convention nationale, elle sera reconnue, respectée par toutes les puissances neutres. En op 17 oktober 1792: Ceux-là même qui ont toujours montré le plus d’attachement à la Révolution française s’accordent à considérer tout attentat qu’on voudrait porter à leurs [de koninklijke familie] jours, de quelque manière que ce fût, comme un des évènements les plus funestes à la liberté[179]. Zelfs met de nodige voorzorgen om aan te tonen dat hij zijn advies gaf niet omwille van de koning, maar in het belang van de Revolutie zelf, was het toch nogal moedig dergelijke geschriften te durven sturen. Ze konden hem duur te staan komen.

Alle andere rapporten die hij naar Parijs stuurde, gaven uiting aan zijn overtuiging dat voorzichtig moest worden gehandeld. Wanneer minister Lebrun hem een instructie stuurde in verband met de erkenning van de voorlopige Franse regering en hem aanmaande het precedent in herinnering te brengen, waarbij Frankrijk in 1648 de revolutionaire regering van Cromwell had erkend, antwoordde hij dat ze op Buitenlandse zaken toch niet goed wisten waar ze het over hadden want dat niets slechter zou worden onthaald dan een referentie naar de tijd van de Lord Protector en van de afschaffing van de Engelse monarchie. Chauvelin moest ook nog andere gekke ideeën uit het hoofd van zijn minister praten. Zo geloofde die rotsvast dat de algemene revolutie in Engeland op het uitbarsten stond en Chauvelin moest hem overtuigen dat dit niets dan wishful thinking was[180].

In juli kreeg Chauvelin opdracht aan Grenville een nota te overhandigen waarin de Fransen voorstelden tot een akkoord te komen betreffende de kapingen op zee. Hij liet een paar weken later aan zijn minister weten dat er geen antwoord gekomen was en men er ook geen moest verwachten. Immers, de Engelsen haalden voordeel uit het kapen en zolang er geen breder akkoord in het vooruitzicht was, zouden ze daar doodgewoon mee doorgaan[181]. De kapingen zouden slechts opgelost worden eenmaal een alliantie tussen beide naties tot stand kwam en, zo besloot Chauvelin, daar zijn we nog lang niet aan toe en alvorens we van Engeland concrete maatregelen kunnen bekomen, zal nog een lange weg af te leggen zijn. Op 26 oktober 1792 waarschuwde hij tegen een inval in de Zuidelijke Nederlanden, die bijna zeker een oorlogsverklaring vanwege Engeland zou betekenen, omdat men veronderstelde dat deze provincies door Frankrijk zouden geannexeerd worden en dat vervolgens een aanval zou worden gedaan op de Hollandse provincies. Veertien dagen later kon hij geruststellender schrijven, nadat hij de verzekering had kunnen overmaken dat Holland ongemoeid zou blijven. Tevens liet hij bij herhaling weten dat de gebeurtenissen in Frankrijk maakten dat de publieke opinie in Engeland erg opgewonden was. Zo moest hij in naam van oppositieleider Charles Fox (1749-1806), die tot dan de Franse revolutie genegen was geweest, smeken dat de Convention haar voornemen niet zou uitvoeren om hem de titel van Frans ereburger te verlenen[182].

Vanaf 10 augustus 1792 was Chauvelin, zoals de andere leden van de Franse ambassade, in diplomatieke quarantaine gesteld. Elk onderhoud werd hem geweigerd. Toch had hij nog voldoende contacten om te kunnen verzekeren dat Engeland niets wijzigde aan zijn neutrale houding. In Parijs bleef Chauvelin persona grata. Wanneer op een bepaald ogenblik overwogen werd hem terug te roepen, het voorbeeld van de Engelsen volgend, drukten Danton en Lebrun door dat hij moest blijven. De Engelsen, als ze ook maar enig idee van onderhandeling koesterden, moesten zich maar tot hem wenden, wat ze lekker niet deden. Evenwel, toen de Franse toepen, na hun onverwachte overwinning op de Pruisen in Valmy (20 september) en op de Oostenrijkers in Jemappes (6 november), de Zuidelijke Nederlanden veroverden en de haven van Antwerpen in hun handen viel, voor wie ze van de Hollanders vrije doorvaart op de Schelde eisten, leek een laatste contact alvorens het onvermijdelijk oorlog werd, wenselijk. Erg tegen zijn zin ontbood Grenville de ambassadeur. Op 29 november 1792 greep een gesprek plaats dat volgens de wederzijdse verslagen moeizaam verliep en op niets uitdraaide.

Ondertussen waren nog andere personen druk in de weer geweest om de vrede tussen Engeland en Frankrijk te bewaren. De opvolger van Dumouriez was zijn vertrouwensman, de ex-geestelijke Pierre Lebrun-Tondu (1754-1793), die een rol had gespeeld in de eerste revolutiejaren binnen het prinsbisdom Luik. Die stuurde als ambassaderaad een afdelingshoofd van het ministerie naar Londen, de ex-seminarist François Noël (1755-1841) die aan het begin stond van een lange en succesvolle carrière. Hij moest, via de avontuurlijke Engelsman William Augustus Miles (1753-1817)[183], die de reputatie had een vertrouweling van William Pitt te zijn, voor wiens rekening hij als agent provocateur  de Jacobijnse clubs had geïnfiltreerd, direct contact met de premier zoeken. Een ontmoeting vond inderdaad plaats, maar mondde op niets uit[184].

Thomas Paine (1737-1809) deed van zijn kant ook grote inspanningen. Met de medewerking van de Amerikaanse gezant in Parijs, Gouverneur Morris (1751-1816) zocht hij koortsachtig naar middelen om de beide regeringen tot overeenkomst te bewegen en tegelijk ook naar mogelijkheden om de koninklijke familie van de dood te redden en in ballingschap te doen sturen. De kleine groep waarvan hij de gangmaker was, had contacten met generaal Dumouriez en met gematigde leden van de regering, in de eerste plaats met  Lebrun-Tondu. Het groepje stuurde een geheim gezant naar Engeland, Hugues-Bernard Maret (1763-1839), die later een trouwe medewerker van Napoleon zou worden en tot hertog van Bassano zou worden verheven. De historicus en staatsman Adolphe Thiers (1797-1877) schreef zelfs dat het op verzoek van Pitt was dat hij als geheim gezant werd gestuurd. Men hoopte dat hij zou slagen, waar Chauvelin en Noël niet lukten. Begin december had hij een hoopgevend onderhoud met Pitt. Die bekommerde zich weinig om het lot van de Franse koninklijke familie maar voerde het gesprek rond twee thema’s die de Engelse belangen raakten: het vrij verkeer van Franse schepen over de Schelde en de opruiende toon van de Franse republikeinen teneinde revoluties in andere landen aan te moedigen[185]. De afspraak was dat verder zou worden onderhandeld. Chauvelin was niet opgezet met die parallelle diplomatie en kon van de Franse regering bekomen dat Maret werd teruggeroepen. Dit belette niet dat het groepje rond Paine de hoop niet opgaf. Er werd midden januari beslist Maret opnieuw in het geheim naar Engeland te sturen. Dit gebeurde wel onder een heel slecht gesternte, want op 17 januari werd Lodewijk XVI ter dood veroordeeld en op 21 januari 1793 terechtgesteld. Toen hij de 25ste in Dover voet aan wal zette, vernam Maret dat Chauvelin daags voordien tot persona non grata was verklaard en onmiddellijk het land had verlaten. Hij maakte zelf dan ook maar rechtsomkeer. Elke verdere onderhandeling met Pitt werd nu immers nutteloos[186]. In de House of Lords kwam de eerste minister verklaren dat Chauvelin gevaarlijk was omdat hij de ideeën van de revolutie verspreidde. Op 1 februari 1793 waren Engeland en Frankrijk officieel in oorlog[187].

De laatste actie die ambassadeur Chauvelin voor zijn gedwongen vertrek had ondernomen was het bekampen van een nieuwe wet, de Alien Act, die op 7 Januari 1793 door het Britse parlement werd goedgekeurd en die er op gericht was perken te stellen aan de immigratie van Fransen[188], omdat men had vastgesteld dat de subversie zijn intrede had gedaan en de Engelse revolutiegezinde groepen die in vele steden de kop opstaken, onder meer de leden van de London Corresponding Society[189], zich hierdoor gesteund voelden en in aantal en kracht toenamen. In brieven aan de minister van Buitenlandse zaken William Grenville protesteerde Chauvelin en roerde hij de grote trom. Hij schreef: Au milieu des combats de la liberté et du despotisme, au sein des plus violentes agitations, la France s’est honorée par un respect religieux pour tous les étrangers vivant parmi elle, et particulièrement pour tous les Anglais, quelles que fussent leurs opinions, leur conduite, leurs liaisons avec les ennemis de la liberté […]. Et ce serait pour prix de cette conduite généreuse que les Français se trouveraient soumis, peut-être seuls, à un acte parlementaire qui accorderait au gouvernement anglais contre les étrangers la latitude d’autorité la plus arbitraire ! […] qui permettrait aux secrétaires d’état de les assujettir sans motif et sur un simple soupçon aux formalités les plus odieuses ! Zijn brief werd in de House of Commons voorgelezen en zijn argumentatie werd door de leider van de oppositie, Charles Fox, overgenomen. Op 12 februari 1793 verklaarde deze: The French made no regulations that put aliens on a different footing from Frenchmen. They made general regulations of safety and police, as every nation has a right to do. We made regulations affecting aliens only, conferred to be more particularly intended to apply to Frenchmen[190]. Pitt, Grenville en hun partijgenoten hadden toen de wet al gestemd en kwamen hierop niet meer terug.

Er is vaak geschreven dat ambassadeur Chauvelin alleen maar als loopjongen voor Talleyrand diende. Het bovenstaande toont aan dat dit een overdreven oordeel is en onder meer door de chronologie wordt tegengesproken. De meeste tijd, vanaf juni 1792 tot einde januari 1793 stond hij er grotendeels alleen voor. Na zijn terugkeer in Engeland in september poogde Talleyrand wel voor te wenden dat hij nog altijd voor de regering werkte, maar hij was wel degelijk op de vlucht, net zoals duizenden anderen. Chauvelin zag onder meer de ex-markies Victor-Scipion Chambonas de la Garde (1750-1830) in Londen arriveren. Hij was één van de vier titularissen geweest van Buitenlandse zaken tijdens de twee maanden tussen Dumouriez en Lebrun-Tondu en toen dus de ‘patron’ van Chauvelin, maar na de opstand van 10 augustus was ook hij gevlucht[191]. In tegenstelling tot die heren bleef Chauvelin op post en de gepubliceerde briefwisseling tussen hem en de minister van Buitenlandse Zaken Grenville evenals de vele rapporten en brieven die hij naar Parijs stuurde, getuigen van de grote inspanningen die hij leverde[192]

Eén van zijn critici, de historicus Albert Sorel (1842-1906), heeft geschreven dat Chauvelin niet tegen zijn diplomatieke taak was opgewassen. Très jeune encore, fort inconsidéré, plein de suffisance, d’une vanité ombrageuse, obsédé par l’inquiétude où il était de se faire pardonner sa naissance, Chauvelin se montra émissaire compromettant, observateur médiocre et négociateur maladroit[193]. Jacques Chastenet (1893-1978) vond van zijn kant dat Chauvelin de taak van Talleyrand alleen maar bemoeilijkte: Chauvelin, spirituel, mais vaniteux et assez arrogant, supportant d’ailleurs mal la tutelle du Mentor, allait gâter beaucoup de choses.  Peut-être un diplomate adroit eût-il pu profiter de cette constante disposition [van de Britse regering voor de neutraliteit] pour assurer définitivement la paix entre la France et la Grande-Bretagne. Chauvelin n’était rien moins qu’adroit. Les succès français avaient enfiévré sa tête légère et il prenait [auprès des Anglais] pour pusillanimité ce qui n’était que prudence[194].

Chauvelin moest uiteraard niet rekenen op welwillendheid vanwege Engelse historici, Aan de Franse kant heeft zijn reputatie vooral geleden onder het feit dat de gebeurtenissen in de eerste plaats werden beschreven door geschiedschrijvers die het personage Talleyrand bestudeerden en hierbij de neiging vertoonden Chauvelin over het hoofd te zien of zijn aandeel als onbelangrijk voor te stellen. Talleyrand vervulde ongetwijfeld de voornaamste rol gedurende de maand mei 1792, maar nadien was het met hem in Londen afgelopen en bleef alleen Chauvelin over. Of Talleyrand, of iemand anders, met méér inzicht en ervaring het er beter zou hebben van af gebracht dan Chauvelin, is wel zeer de vraag. De tegenstellingen tussen het revolutionaire Frankrijk en het Britse koninkrijk waren nu eenmaal niet te overbruggen. Een gewiekst diplomaat als Talleyrand had dit al vlug door en bleef niet aandringen. Chastenet was het daar mee eens: A vrai dire, il eût fallu des prodiges d’adresse pour faire accepter par le cabinet et l’opinion britanniques les procédés du gouvernement de Paris[195].

The scarlet pimpernel

Aan zijn Engelse ambassade heeft Chauvelin in de Angelsaksische wereld een aanzienlijke hoewel onterechte reputatie te danken. In 1904 werd namelijk een toneelstuk opgevoerd en in 1905 een roman gepubliceerd van de Hongaars-Engelse barones Emmuska Orczy (1866-1947), onder de titel The Scarlet Pimpernel. Het was het verhaal van een koene Engelse aristocraat, Sir Percey Blakeney, die achter een façade van frivoliteit en naïviteit, onder allerlei vermommingen er in slaagde tijdens de Terreur talrijke Franse edellieden en priesters van de guillotine te redden. Chauvelin (the evil, villain, cruel, blackmailing Chauvelin -  the evil genius that presided over the Secret Service of the Republic - the aristocrat turned revolutionary - the diplomat turned spy[196]) werd in het verhaal als de handlanger van Robespierre (1758-1794) voorgesteld, die omdat hij als voormalig ambassadeur geacht werd goed bekend te zijn met de Engelse society, de jacht op de ongrijpbare ‘Pimpernel’ moest inzetten. De spanning werd nog verhoogd doordat het vroeger liefje van Chauvelin, Marguerite, de verloofde was geworden van Sir Percey.

Het verhaal kende een enorm succes en werd bij herhaling verwerkt tot mantel en degenfilm of tot musical, de eerste keer als Hollywoodfilm in 1935[197], gevolgd door een Britse film in 1937[198]. In 1941 werd in Hollywood een aan de omstandigheden aangepaste versie verfilmd: Pimpernel Smith, dat het verhaal was van de archeoloog Pimpernel, die slachtoffers uit de klauwen van de nazi’s redde[199]. Na de oorlog keerde men tot het oorspronkelijke verhaal terug. In 1950 werd opnieuw een Britse film gemaakt[200]. In 1955-1956 maakte ITV een serie met niet minder dan 18 afleveringen[201]. In 1982[202] en nog eens in 1999[203] was het de beurt aan de BBC om uitgebreide series aan de Scarlet Pimpernel te wijden. Eind jaren negentig liep een gelijknamige musical verschillende jaren op Broadway, in drie opeenvolgende versies[204], waarbij onder meer de muziek van Frank Wildhorn grote lof oogstte. De musical wordt sindsdien doorheen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië en in veel andere landen geproduceerd[205]. In elke versie speelt het personage Chauvelin de prominente rol van de snoodaard. De onvindbare scharlaken pimpernel is in de Angelsaksische cultuur symbool geworden voor iemand of iets waar men vergeefs naar zoekt[206].

De barones schreef dus een meeslepend verhaal, dat in nog een dozijn vervolgboeken verder werd uitgediept. Daarnaast schreef ze nog tientallen andere boeken, meestal detectiveverhalen en samen met haar echtgenoot Montague Barstow (1865-1943) produceerde ze ook veel illustraties voor boeken en tijdschriften. Gelet op het aanhoudende succes in vele talen van de Pimpernel, werd ze schatrijk, wat er haar toe bracht in Monaco enige bescherming te gaan zoeken voor de fiscus. In haar verhalen kende ze aan Chauvelin een rol toe die geenszins de zijne was geweest, aangezien hij zelf een slachtoffer van Robespierre werd. Wat niet belet dat de naam Chauvelin, vooral in de Angelsaksische wereld, een donkere connotatie heeft gekregen en dat hij die ongetwijfeld duurzaam zal behouden. De historische realiteit is hier, zoals vaak gebeurt, vervangen door de legende.

Moeilijke tijden

Vertrokken toen Frankrijk nog een constitutionele monarchie was, geleid door een regering die was benoemd door de koning, keerde Chauvelin einde januari 1793 terug in wat ondertussen een republiek was geworden, geleid door de Convention Nationale en in de eerste plaats door het Comité de Salut Public, quasi-dictatoriaal orgaan bestaande uit negen en vervolgens uit twaalf leden. De machthebbers van het ogenblik wensten thans zoniet vrede, minstens wapenstilstand met Oostenrijk. De oorlog die ze aan Engeland en de Verenigde Provincies hadden verklaard, verplichtte hen om op hun andere flank vrede te betrachten. Op 18 maart 1793 werd Dumouriez trouwens in Neerwinden door de Oostenrijkers verslagen. Allerhande officiële en geheime gezanten werden naar de Oostenrijkers en hun geallieerden gestuurd. Wie voor zo een zending op Chauvelin dacht is niet duidelijk. Het kan Lebrun-Tondu geweest zijn, die nog tot juni de portefeuille Buitenlandse zaken beheerde, alvorens onder de guillotine terecht te komen, maar het kan ook een of ander lid van het ‘Comité de Salut public’ geweest zijn, meer bepaald Danton of Hérault de Séchelles (1759-1794). Feit is dat hij in augustus 1793 naar Firenze werd gestuurd om er Ferdinand van Habsburg (1769-1824), groothertog van Toscane, uiteraard bondgenoot van de Oostenrijkers, te overtuigen dat vrede wenselijk was. In dit prinsdom waren evenwel de Engelsen goed thuis en ze zorgden ervoor dat Chauvelin niet welkom was en de biezen moest pakken. De Britse ambassadeur, lord Hervey (1757-1796) dreigde er zelfs mee dat de Navy de havenstad Livorno zou beschieten indien Chauvelin niet binnen de vierentwintig uren verdwenen was.

Bij zijn terugkeer, een paar weken later, bevond Frankrijk zich in de ban van de Terreur en Chauvelin werd gearresteerd. Men verweet hem zijn adellijke titel en zijn relaties met Rochambeau – die ook was opgepakt -, met Dumouriez - die naar de vijand was overgelopen -, met Talleyrand - die om politiek asiel had verzocht in Engeland en weldra naar de Verenigde Staten zou uitwijken -, en over het algemeen met alle Girondijnen en vroegere Feuillants, die nu de ene na de andere het schavot beklommen. Veel van zijn familieleden, vrienden en kennissen sneuvelden onder de guillotine. Velen van diegenen die hun aanklagers waren geweest ondergingen het zelfde lot: in april 1794 werden de mekaar bestrijdende Dantonisten en Hebertisten in dezelfde karrenvrachten naar het schavot geleid. Chauvelin verbleef bijna een jaar in de gevangenis en ontsnapte op de valreep aan de guillotine als gevolg van de staatsgreep van 9 Thermidor (27 juli 1794) en de val van Robespierre.

Zijn schoonvader, Jean-Baptiste Tavernier de Boullongne (1749-1794) had minder geluk. Hij toonde zich nochtans voorstander van de idées nouvelles en sloot zelfs aan bij de Club des Jacobins en vervolgens bij de Feuillants. Voordien al, in 1788-1790, behoorde hij met de abbés Grégoire en Raynal, met La Fayette en Lavoisier, met Condorcet en Mirabeau en met een sliert aristocraten, tot de door Jacques-Pierre Brissot de Warville (1754-1793) opgerichte Société des Amis des Noirs, die ijverde voor de afschaffing van de slavernij en de bestrijding van de slavenhandel[207]. Hij was ook, in 1773, lid geworden van de Parijse vrijmetselaarsloge Les Amis Réunis, waaruit hij evenwel na een paar jaar ontslag had genomen[208], om de reden die hierna duidelijk zal worden.

In 1793, toen een hele reeks fermiers généraux werd gearresteerd, achtte Tavernier het maar billijk dat hij zich zou aangeven om de plaats in te nemen van de man die hem uiterst kortstondig had opgevolgd. Zo belandde hij op 25 november 1793 in de gevangenis. Tot hun niet geringe verbazing, werden zesentwintig fermiers généraux op 8 mei 1794 ter dood veroordeeld als vijanden van de republiek en onmiddellijk geguillotineerd.  Het ging dus om het elimineren van een ganse beroepsgroep, bij wie men verhoopte veel geld te zullen vinden. Onder hen bevond zich de grote chemicus Antoine de Lavoisier (1743-1794) en bij de uitspraak van het vonnis liet Jean-Baptiste Coffinhal (1754-1794)[209], de ondervoorzitter van de revolutionaire rechtbank zich ontvallen ‘La République n’a pas besoin de savants’[210]. In één karrenvracht naar de Place de la Révolution gevoerd, werden ze terechtgesteld in het zicht van de woning van Tavernier, Place Vendôme 23, van waar zijn vrouw en kinderen toekeken[211].

Jean-Baptiste Tavernier de Boullongne de Préninville had een woelig leven geleid. Voor de activiteiten waarvoor hij hem bestemde, die van een plichtsbewuste financier, had zijn vader hem de verkeerde opvoeding gegeven. Hij gaf hem als leermeester een door abbé Raynal aanbevolen jonge losgeslagen geestelijke, Jean de Pechmeja (1741-1785), die van zijn leerling een wat wilde avonturier en een ‘goddeloze filosoof’ maakte. Pechmeja schreef een filosofische roman in twaalf delen, Télèphe, waarin hij een utopische maatschappij beschreef met volledige gelijkheid tussen meesters en knechten. Hij was ook de auteur van de tekst tegen de slavenhandel, die onder de naam van abbé Raynal werd gepubliceerd. Het is duidelijk dat in navolging van zijn leermeester, Jean-Baptiste Tavernier niet mooi in het rijtje kon lopen. Dit belette niet dat zijn vader hem na zijn studies een winstgevend ambt bezorgde als ‘trésorier général de l’extraordinaire des guerres’. Na een paar jaar bleek dat Jean-Baptiste het geld door deuren en vensters had gegooid en om een faillissement te vermijden moest zijn vader 1,5 miljoen pond bijpassen. Hij deed dat op voorwaarde dat zijn zoon, met een klein maandgeld dat hij hem toezegde, naar het buitenland zou vertrekken. Hij bleef weg tot in 1782, maar pas was hij terug of een nieuw deficit, opnieuw voor 1,5 miljoen pond werd ontdekt en opnieuw moest de vader de schulden op zich nemen, zijn zoon weer in ballingschap sturen en zich over zijn vrouw en kinderen ontfermen, nadat hij zijn zoon uit de echtelijke en ouderlijke macht had doen ontzetten. Dit alles belette niet dat toen de zoon in 1789 terug kwam, hij beschouwd werd als complètement corrigé et amendé en door zijn oude vader als zijn opvolger werd voorgesteld voor het ambt van fermier général. Hij was de allerlaatste die in deze functie werd benoemd. Na enkele weken kwam hij tot de conclusie dat boekhouding en administratie aan hem niet besteed waren en hij gaf de activiteiten in handen van een neef, Jean-Baptiste Chicoyneau de la Valette, mits die hem hiervoor een behoorlijke vergoeding betaalde, waar hij onbekommerd kon van leven. Eén van zijn tijdgenoten beschreef hem als volgt: Riche de 50.000 écus de rente, d’une figure agréable, grand, spirituel et instruit, connaissant plusieurs langues, excellent musicien et ayant un goût exquis.

De vader van Jean-Baptiste, Philippe-Guillaume Tavernier de Boullongne (1712-1791), genaamd Boullongne de Magnanville, was, in tegenstelling tot zijn zoon, een goede beheerder van zijn immens fortuin geweest. Zijn enige ‘folie’, maar hij kon het zich veroorloven, was de aankoop geweest van het prinselijk kasteel van Magnanville, bij Mantes-la-Jolie, waarvan hij een centrum van cultuur, theater en muziek maakte. In de vijftig appartementen van het immense paleis kon hij zijn gasten huisvesten. Zelfs keizer Jozef II kwam er langs, tijdens een incognitobezoek aan Frankrijk. Het domein Magnanville had Tavernier gekocht van Charles-Pierre Savalette de Magnanville (1713-1790), die het van de hand moest doen om de schulden van zijn wilde zoon te vereffenen[212]. Die zoon was Charles-Pierre Savalette de Langes (1745-1798) die een belangrijke rol zou spelen in de Parijse en Franse vrijmetselarij[213]. Zowel Savalette de Magnanville als Boullongne de Magnanville waren lid van de loge Les Amis Réunis en ook van de loge l’Olympique de la Parfaite Estime en de erop geënte muziekvereniging Société Olympique[214]. Boullongne de Magnanville was vanaf 1759 fermier général. Hij had toegang tot het koninklijk hof en de marquise de Pompadour (1721-1764), maîtresse van Lodewijk XV,  die vele banden onderhield met de financiënwereld, fungeerde als meter bij de doop van Jean-Baptiste, zijn enig kind.

In 1773 was Jean-Baptiste gehuwd met Louise-Jeanne Walckiers de Tronchienne (1755-1796). Het ging om een door de vader gearrangeerd huwelijk dat omwille van de financiële fratsen van de echtgenoot op de klippen liep, nadat drie kinderen geboren werden: Auguste (1773), Jeanne-Herminie (1775) en Juliette (1778). Louise Walckiers werd door een tijdgenoot als volgt beschreven: Elle réunissait à la meilleure éducation, une tête belle et spirituelle et un attachement de Flamande. Ze was de oudste dochter van Adrien-Ange Walckiers (1721-1791), algemeen belastingontvanger in Vlaanderen, grootbaljuw van Dendermonde en raadsheer bij de Raad van State in Brussel (burggraaf in 1786) en van Dieudonnée-Louise Nettine (1736-1789), erfgename van de aanzienlijke bankiersfamilie[215]. Adrien Walckiers en na hem zijn zoon, kwamen aan het hoofd van de bank Nettine, die voor de Oostenrijkse Nederlanden de functie van nationale bank en emissiebank vervulde. Die zoon was Edouard Walckiers (1758-1837), die als aanhanger van Vonck, de grote financier van de democraten tijdens de Brabantse Omwenteling zou worden[216]. Naast Edouard Walckiers had de echtgenote de Boullongne - Walckiers nog een broer, Charles Walckiers (1760-1789), die een door de Parijse Académie des sciences gelauwerde elektrische machine uitvond maar op 29 jaar overleed[217] en een zuster, Josèphe Walckiers (1765-1837), kleurrijke persoonlijkheid die meestal in mannenkostuum rondliep en die componist was, onder meer van opera’s. Naast deze ooms en tante, was er ook nog Juliette, de zus van Bernard Chauvelins’ echtgenote. Zij huwde in 1796, na de dood van haar moeder die ze naar Brussel was gevolgd, met Godefroid Walckiers de Gammerages (°1742)[218], een oudere neef.

Chauvelin onderhield ongetwijfeld contacten met de Belgische familie van zijn vrouw, alleszins met Edouard Walckiers, die vele maanden in Parijs actief was tijdens de jaren 1790-92 en er verbleef bij Chauvelins’ schoonouders op de Place Vendôme. Begin 1792 stond Edouard Walckiers in nauw contact met Dumouriez en ook van hem kan steun zijn gekomen voor de toch eerder ongewone benoeming tot ambassadeur van de piepjonge Chauvelin. Een jaar later betekende de nauwe verwantschap met Tavernier de Boullongne en met Walckiers, die beiden in de revolutionaire middens in ongenade waren gevallen, nog een bijkomende reden om ook Chauvelin in beschuldiging te stellen.

Door zijn intrede in de familie Tavernier – Walckiers was Chauvelin ook nog met andere Franse aristocraten verwant geworden en langs hen ook nog verder met de aristocratie van de Oostenrijkse Nederlanden. Zijn vrouw had drie groottantes Nettine die met Franse aristocraten gehuwd waren. Rosalie Nettine (1737-1815) was gehuwd met markies Jean-Joseph de Laborde (1724-1794), die door bankieren en zakendoen een fortuin vergaarde en veel opdrachten vervulde voor het koningshuis. Begin 1792 had hij, in zijn hoedanigheid van financieel expert, Talleyrand vergezeld naar Londen, maar in 1794 werd ook hij slachtoffer van de Terreur. Zijn twee zonen, leeftijdgenoten van Bernard de Chauvelin konden vluchten en de jongste, Alexandre-Louis-Joseph de Laborde (1773-1842) zou in 1810 comte d’Empire worden. De twee andere Franse aristocraten die met een dochter Nettine huwden waren Ange-Laurent de Lalive de Jully (1725-1779), introducteur des ambassadeurs aan het hof en bekend kunstverzamelaar[219], die in 1763 in tweede huwelijk trad met Marie-Louise Nettine (1742-1808) en Joseph Micault d’Harvelay (ca1725-1786) die garde du Trésor en bankier was en met Anne-Rose-Josèphe Nettine (1740-1813) trouwde. Zij zou in 1787 in Londen hertrouwen met niemand minder dan Charles-Alexandre de Calonne, de eens machtige maar in ongenade gevallen en nogal berooide minister van financies. In zijn glorietijd was ze zijn jarenlange maîtresse geweest en in de tegenspoed bleef ze hem niet alleen trouw maar schonk hem haar aanzienlijk fortuin, dat hij bijna volledig opgebruikte in dienst van de uit Frankrijk gevluchte leden van de koninklijke familie en hun leger[220]. Dit was dus een hele sliert familieleden die in de koninklijke  en antirevolutionaire middens vertoefde.

Bernard de Chauvelin had zelf twee zussen. Louise (1763-1798) werd hofdame bij Madame Elisabeth, de zus van Louis XVI. Ze huwde met markies Charles-Esprit de la Bourdonnaye-Blossac (1752-1829) die zich vanaf 1791 tegen de revolutie keerde en uitweek[221]. De tweede, Charlotte Ferdinande, die ook hofdame van prinses Elisabeth werd, was in 1778 gehuwd met Marie-Louis-Charles de Vassinhac, graaf d’Imécourt, die eveneens de wijk nam[222]. Chauvelin en Bourdonnaye resideerden voor en in het begin van de revolutie bij hun schoonbroer in het Hôtel d’Imécourt, gelegen in de rues Boudreau en Trudon (deze laatste thans rue Auber). Ook schoonbroer Auguste Tavernier de Boullongne en schoonzus Juliette emigreerden, althans tijdelijk. Zoveel familierelaties binnen de aristocratie en bij de bestrijders van de revolutie, dit was vooral in het jaar 1793 en tot in juli 1794 in revolutiekringen uiterst slecht gezien en dus nadelig voor Bernard Chauvelin. Dat hij het bloedbad overleefde mocht dus wel een klein wonder heten.

Chauvelin en de abdij van Cîteaux

Op 31 mei 1791 had Tavernier de Boullongne de Magnanville (in principe was dit de grootvader, Philippe-Guillaume, die nog enkele maanden te leven had) voor een som van 862.000 livres, de opgeheven abdij van Cîteaux, op 20 km van Dijon aangekocht, naar aanleiding van de publieke verkoop van dit in beslag genomen domein[223]. Vanaf die datum nam de bezoldigde voogd van de drie kinderen Tavernier, Jean-François Fromme-d’Amance, zijn intrek op het domein. Veroordeling en executie van Jean-Baptiste Tavernier stonden de verwerving duidelijk niet in de weg, waarschijnlijk omdat die buiten hem om gebeurde en het goed niet tot zijn onder sekwester geplaatste goederen behoorde, sekwester dat trouwens ten laatste in het jaar IX werd opgeheven[224]. Het blijkt ook dat Tavernier de Boullongne nog een ander domein van 450 ha had aangekocht, dat van de abdij Petit-Cîteaux op enkele km van Blois. De drie kinderen werden het niet eens over de verdeling, tenzij dat de jongste dochter, als uitgewekene van haar goederen werd beroofd. In het jaar X (1802) tekenden Auguste en Herminie een akkoord over de onverdeeldheid, maar niettemin bleven ze bekvechten en begonnen ze tegen elkaar te procederen, wat ze meer dan dertig jaar zouden volhouden.

Op het ogenblik van de verkoop bevond de abdij, gesticht in 1098 en sindsdien het moederhuis van de Orde van de cisterciënzers, zich in een bedroevende toestand. De nog overblijvende monniken waren uitgedreven en een uitgebreide inventaris was opgemaakt van alle roerende goederen. Naast enkele bijzondere stukken die werden voorbehouden voor een in Dijon op te richten museum, werden in  januari 1791, 2155 artikelen publiek verkocht. Een aantal zaken werd zonder meer vernield. Van het orgel in de abdijkerk, werden de loden pijpen verkocht en het buffet tot brandhout gehakt. De mausolea van de verschillende graven en hertogen van Bourgondië, die tot in 1370 de abdij als hun necropool hadden gebruikt, alsook die van tientallen abten, bisschoppen en andere voorname personages, verdwenen. Uitzondering hierop maakte het spectaculaire monument, in de stijl van Claus Slüter (1340-1405), waarschijnlijk het werk van Antoine Le Moiturier (1425-ca1500) dat was opgericht ter nagedachtenis van de maarschalk van Bourgondië Philippe Pot (1428-1494). Na honderd jaar omzwervingen kwam het uiteindelijk in het Musée du Louvre terecht.

Na zijn vrijlating trok Chauvelin zich in Citeaux terug. Dit vermelden alvast de bestaande biografische notities, met één uitzondering die vermeldt dat hij emigreerde. Als dit juist is, onvermijdelijk na 1794, kan dit slechts voor een korte periode geweest zijn[225]. Uit hoofde van zijn echtgenote was hij voortaan eigenaar van een indrukwekkend complex dat voor wat de gebouwen betreft, voornamelijk uit zestiende- en zeventiende-eeuwse constructies bestond. Weliswaar had de laatste abt, François Trouvé (1713-1797) het idee opgevat een grootse vernieuwing uit te voeren, maar hij was hierin maar zeer gedeeltelijk geslaagd. Het indrukwekkende ontwerp had hij laten opmaken door architect Samson-Nicolas Lenoir (1733-1810), die niet alleen in Bourgondië bekend was, maar ook in Parijs werken uitvoerde, onder meer het Théâtre de la Porte Saint-Martin, de winterse Waux-hall en de overdekte Marché Beauvau-Saint-André. De nieuwe abdij zou hoofdzakelijk bestaan uit een indrukwekkend vierhoekig gebouw dat zou aansluiten op de abdijkerk. In 1772 kwam een eerste vleugel tot stand, 100 meter op 20. Het bleef bij die ene vleugel en Chauvelin bouwde hem om tot een prestigieuze woning, reden waarom het gebouw overeind bleef, in tegenstelling tot vele andere van de abdij, zoals de kerk die tegen 1806 volledig verdwenen was. Hetgeen voortaan als kasteel van Cîteaux bekend stond en door tuinen en hagen afgezonderd werd van de rest van het domein, telde vier bouwlagen. Op beide uiteinden was er een monumentale trap en op het gelijkvloers bevonden zich, naast de keukens en dienstlokalen, de centrale vestibule, twee eetkamers, een biljartzaal, twee grote salons en, over de ganse lengte van het gebouw een galerij, de vroegere kloostergang. De eerste verdieping, als ‘piano nobile’ ingericht, was eveneens een aaneenschakeling van salons. Naast het kasteel liet Chauvelin in 1814 een oranjerie bouwen.

Het domein werd als volgt beschreven door de journalist Pierre Jougniaux die het bezocht ten tijde van Chauvelin : une maison princière, des jardins magnifiques, un parc délicieux, un moulin à trois tournants, des étables, des granges, un chenil pour la meute, et avec cela des terres à perte de vue, des bois bien fournis et des étangs d’un bon rapport[226]. De totale oppervlakte besloeg 530 ha, hetzij 243 ha landbouwgrond, 56 ha vijvers, 180 ha weidegrond, 8 ha wijngaard, 14 ha moestuinen, boomgaard en moerbeibomen, 3 ha siertuin en 17 ha bos en struikgewas, 19 ha wegen en paden. Daar kwamen nog de gebouwen bij die Joigneaux had opgesomd, waarbij hij dan nog de duiventil, het kippenhok en de wasplaats onvermeld liet. Dichtbij lagen de Ferme de la Vacherie en de Ferme de la Glacière, met hun kaasmakerij, bakkerij, melkerij, varkensstallen en kippenrennen. Wat verderop bevonden zich de Ferme de Bien-assise en de Ferme du Saule. Dat was nog niet alles. Naast het groot kasteel stond ook een Petit château (waarschijnlijk gebruikt door de broer Tavernier de Boullogne, die ook de Domaine de la Forgeotte ten deel kreeg) en verder waren er immense kelders met wijnpersen, kuipen en vaten, was er een smidse, waren er de ateliers van de wagenmaker, de timmerman en de schrijnwerker en waren er de verblijven voor de dienstboden en de tuiniers. In het zestiende-eeuwse bibliotheekgebouw richtte Chauvelin een theater met 500 plaatsen in.

Tijdens het Tweede Directoire kwam Chauvelin andermaal in moeilijkheden, naar aanleiding van een nieuwe campagne die tegen Talleyrand werd gevoerd. Nadat hij in 1794 uit Engeland was gewezen en naar America vertrokken, was hij dankzij allerhande interventies al in september 1796 weer in eer hersteld en in Frankrijk terug. In juli 1797 werd hij zelfs minister van Buitenlandse zaken. Zijn vijanden ontwapenden evenwel niet en in sommige kranten werd hij ervan beschuldigd destijds Frankrijk aan Engeland te hebben willen uitleveren. Chauvelin werd natuurlijk mee beschuldigd. Hij loochende iedere betrokkenheid bij eender welke voor Frankrijk ongunstige afspraak en betoogde dat alleen Talleyrand, buiten zijn medeweten, iets in die zin kon hebben bekokstoofd[227]. Hij kwam er met de schrik van af, maar het einde van het Directoire en de staatsgreep van 18 Brumaire zullen bij hem niet onwelkom geweest zijn.

Een nieuwe loopbaan: het Tribunaat

Op 1 januari 1800, om 13 uur, werd het Tribunaat geïnstalleerd in zijn nieuwe lokalen in het Palais-Royal. Chauvelin maakte er deel van uit en werd zelfs één van zijn secretarissen. Hij dankte die benoeming waarschijnlijk opnieuw aan Sieyès, die de kandidatenlijst had opgesteld. Het is voldoende bekend dat hij zijn vroegere vrienden en aanhangers voorrang gaf bij de benoemingen in de verschillende nieuwe assemblees, terwijl Bonaparte hieraan maar weinig aandacht schonk.

Het Consulaat deed het wetgevend werk steunen op vier pijlers, volgens een uitgekiende ‘verdeel en heers’ politiek. De eerste was de Conseil d’Etat, waarvan de dertig leden door de eerste consul werden benoemd en ook door hem konden worden afgezet.  Hun taak bestond erin wetsontwerpen en reglementen op te stellen[228]. Het ging dus om een instelling die eerder tot de uitvoerende dan tot de wetgevende macht behoorde, des te meer omdat ze werd voorgezeten door Bonaparte zelf. De eigenlijke ‘wetgevende’ macht bestond uit drie assemblees. De Sénat conservateur, gevestigd in het Palais du Luxembourg, telde tachtig oudere en bezadigde leden, bereid tot volgzaamheid tegenover de uitvoerende macht, door wie ze met een hoge wedde en voor het leven werden benoemd. Hun bijna uitsluitende taken bestonden in het controleren van de grondwettelijkheid van wetten en handelingen en in het benoemen van de leden van de andere assemblees. Aanvankelijk was de senaat, die werd voorgezeten door Sieyès, vooral samengesteld uit burgers die tot vorige wetgevende organen ten tijde van de revolutie hadden behoord, maar tegen 1813 bestond ze voor de helft uit edellieden van het Ancien regime[229]. Het Corps législatif, gehuisvest in het Palais Bourbon, bestond uit driehonderd leden, voor een termijn van vijf jaar door de senaat aangeduid op een vooraf opgestelde lijst, en jaarlijks voor één vijfde vernieuwbaar, zodat dit eveneens een overwegend gezagsgetrouw en gematigd lichaam werd. De vierde pijler werd gevormd door het Tribunaat, bestaande uit honderd leden, ook door de Senaat benoemd en jaarlijks voor één vijfde hernieuwbaar. Volgens de Constitution de l’An VIII, bestond de taak van het Tribunaat erin, in het openbaar alle wetsvoorstellen te behandelen die hem door de Conseil d’Etat werden voorgelegd. Zo werd dus het wetgevende werk in schijfjes onderverdeeld: de Raad van State ontwierp, het Tribunaat besprak, het Wetgevend Lichaam stemde en de Senaat controleerde.

De tribuns konden de wetsvoorstellen bestuderen en er over discussies voeren, maar mochten ze niet amenderen. Hun enige bevoegdheid bestond erin ze goed te keuren of te verwerpen, desnoods wensen te formuleren. Vervolgens trokken drie leden van het Tribunaat naar het Corps Législatif teneinde er hun zienswijze te ontwikkelen. Deze assemblee mocht niet discussiëren maar bij geheime stemming goedkeuren of verwerpen. Aangezien de volksvertegenwoordigers geen mening mochten naar voor brengen, was dit tweede hun enige uitdrukkingswijze, en ze maakten er, vooral tot in 1802, herhaaldelijk gebruik van.

De ontwerpers van de Constitutie wilden dat, in tegenstelling tot wat voorzien was voor de twee andere assemblees, het Tribunaat zou bevolkt worden door actieve, spraakmakende en ambitieuze mannen. Men deed dan ook beroep op les rhéteurs, les philosophes militants, les littérateurs qui s’étaient jetés dans la philosophie et les politiciens qui se piquaient de littérature, les hommes d’esprit et de relief. Er werden dus waardevolle kandidaten benoemd, daarbij waren ze meestal tous révolutionnaires éprouvés, antichrétiens et prêtrophobes[230].

Onvoorwaardelijke trouw en gehoorzaamheid werd van de tribuns niet verwacht, integendeel de grondwet had ze institutioneel een kritische opdracht meegegeven. Chauvelin voelde zich daarin thuis. De in aparte fascicules gepubliceerde teksten van redevoeringen geven een idee van zijn activiteiten. Vaststellen of die ook uitgebreider waren, zou een grondiger onderzoek in de archieven van het Tribunaat vereisen. Zoals het verder onderzoek zou vergen om na te gaan wat hij bijkomend deed toen hij tot secretaris van deze instelling werd verkozen. Vijf dagen na zijn benoeming gaf hij al een eerste uiteenzetting over de wijze waarop de regering zich voorstelde voortaan wetten te laten stemmen[231] en de volgende dag gaf hij al een tweede uiteenzetting hierover[232]. Het ging om de eerste uiting van meningsverschil tussen het Tribunaat en de consuls. In februari en maart 1800 volgden nog rapporten over de bestuurlijke indeling van Frankrijk[233], over de organisatie van het leger[234] en meer algemeen over beslissingen van de consuls[235]. Er volgde een lange stilte, minstens wat betreft publicaties en pas in januari 1801, verscheen opnieuw een tekst van Chauvelin, gewijd aan het leger[236]. In datzelfde jaar kwam er nog slechts één publicatie bij, over een onbeduidende kwestie[237]. Van april 1800 tot mei 1802 werden dus slechts twee tussenkomsten van Chauvelin voor aparte publicatie in aanmerking genomen. Waarschijnlijk stond zijn activiteit in het Tribunaat al na korte tijd op een laag pitje. Hij liet alleen nog van zich horen in mei 1802, op een ogenblik dat hij waarschijnlijk al beslist had de instelling te verlaten. Op 3 mei 1802 gaf hij zijn mening over de staatsschuld[238], op 18 mei over de oprichting van de Légion d’honneur[239] en op 20 mei ging hij aan het Corps législatif, namens het Tribunaat, het Verdrag van Amiens voorstellen[240]. Bij al die gelegenheden liet Chauvelin een eerder kritische stem horen. Hij zou ook, volgens sommigen, oppositie gevoerd hebben tegen de nieuwe Code Civil, en tegen het toekennen aan Bonaparte van het consulaat voor het leven. Op 12 mei 1802 werd door de leden van het Tribunaat, met uitzondering van Lazare Carnot (1753-1823), het consulaat voor het leven goedgekeurd. Chauvelin was toen nog lid en stemde dus eveneens voor, ondanks zijn mogelijke bezwaren, tenzij hij verstek gaf (we konden het niet achterhalen). Hij onderhield in die periode alvast de contacten met de oppositie, onder meer met Madame de Staël (1766-1817), bij wie hij op 1 april 1802 aan een groot diner aanzat[241].

In de eerste jaren van het Tribunaat, hadden een twintigtal van zijn collega’s zich net als hij laten opmerken door een tegendraadse houding. Bonaparte had al snel van die onafhankelijkheid genoeg en zocht een middel om zich te ontdoen van die ‘honden’, die ‘zich schuldig maakten aan een onuitstaanbare aanmatiging’. Door nogal zwaar de wettelijkheid te forceren, slaagde hij erin, begin 1802, bij de eerste gedeeltelijke vernieuwing, die in principe bij lottrekking diende te gebeuren, de meeste lastposten uit te schakelen. Onder hen bevonden zich Benjamin Constant (1767-1830), Marie-Joseph Chénier (1764-1811), Nicolas-François Thiessé (1759-1834), Pierre Daunou (1761-1840) en Jean-Pierre Chazal (1766-1840)[242]. Ook de leden van de groep van het radicale liberalisme, gekend als ‘Les Idéologues’ werden naar hun werkkamer of laboratorium teruggestuurd, onder hen de filosoof en psycholoog Antoine Destutt de Tracy (1754-1836), de medicus Georges Cabanis (1757-1808), en de filosoof en historicus Constantin Volney (1757-1820). Zij waren allen vrienden van Thomas Jefferson (1743-1826), die van 1784 tot 1789 ambassadeur in Parijs was[243]. Chauvelin en de economist Jean-Baptiste Say (1767-1832) mochten nog een jaartje langer tribun blijven, maar in september 1803 zou het ook voor hen gedaan zijn. Een senaatsbesluit van 3 september 1802 nam een beslissing in die zin. Chauvelin had evenwel die datum niet afgewacht. Hij had ontslag genomen en liet zich door de notabelen van Beaune voordragen om tot lid van het Corps Législatif  te worden verkozen[244].

Hij maakte zich toen weer enkele tijd onzichtbaar, want in een brief gedateerd uit Parijs op 28 december 1802 schreef hij aan Germaine de Staël dat hij zopas in de hoofdstad terug was, na zes maanden afwezigheid. Die brief situeerde hem trouwens zeer goed wat betreft zijn gedachtegang en zijn vriendenkring. Het ging om een uitgebreide reactie op haar pas verschenen roman philosophique, waarvan ze hem een presentexemplaar had toegestuurd. Delphine draaide hoofdzakelijk rond het conflict tussen de vooroordelen van de vroegere samenleving en de verzuchtingen van de nieuwe. In deze roman en in het voorwoord ervan, nam de Staël stellingen in die Bonaparte niet welgevallig waren en die het voorwerp werden van gepassioneerde discussies. Onmiddellijk werd de auteur uit Parijs verbannen.  

De lange brief die Chauvelin naar haar ballingsoord stuurde was enthousiast en hij verklaarde geen woorden genoeg te hebben om de lof te zingen van het boek, dat hij vergeleek met het beste van Voltaire en als het belangrijkste werk bestempelde sedert de Nouvelle Héloïse van Rousseau. Hij vergeleek Delphine ook met Cecilia or memoirs of a heiress (1782), het succesboek van de Engelse auteur Fanny Burney (1752-1840). Naast de uitgebreide lof die hij het boek toezwaaide, hoopte hij vurig dat Madame de Staël weldra naar Parijs zou terugkeren om er opnieuw de bezielster van het liberale kamp te zijn[245].

De jaren tijdens dewelke Chauvelin geen functies vervulde, in 1802 – 1803 en ook in latere jaren, bracht hij voor zoveel we weten, voornamelijk door in Cîteaux. In 1802 liep het gerucht dat hij de oprichting overwoog van een fabriek voor vensterglas, een papierfabriek en een brouwerij, goed voor 500 arbeidsplaatsen. Hiervan kwam evenwel niets in huis. Het is pas later dat hij zich ontpopte tot ondernemer, wat hij zou blijven tot aan zijn dood. Na 1814 zou hij in de overgebleven gebouwen verschillende ateliers en fabrieken vestigen. De belangrijkste was een raffinaderij van bietsuiker die in het vroegere dormitorium van de monniken kwam, een zeventiende-eeuws gebouw van 81 m op 16. Zijn politieke vriend Casimir Périer bracht er in 1828 een bezoek aan. Verder waren er nog twee dakpannen- en steenbakkerijen en een olieslagerij. Er kwamen ook nog twee molens bij, een graanmolen en een molen voor het bedienen van een hydraulische zaagmachine[246]. Was Chauvelin bewust of onbewust een discipel van Claude de Saint-Simon (1760-1825)? De utopische socialist veroordeelde de nietsdoeners en renteniers en was van oordeel dat het land moest worden bestuurd door industriëlen. Chauvelin voegde alvast de daad bij het woord.

In de loop van het jaar 1803 sloot Chauvelin dan toch maar vrede met de Eerste consul en steunde voortaan zijn politiek, méér zelfs, hij werd, al dan niet met volle overtuiging, één van zijn trouwste aanhangers. Hij aarzelde niet, zegden sommigen, er de vleierij dik op te leggen. Later, toen hij in Brugge was en verlof aanvroeg om naar Parijs te komen, argumenteerde hij steevast dat het was om de keizer het hof te kunnen maken. En toen Napoleon en Marie-Louise op 2 april 1810 in het huwelijk traden, bevond hij zich onder de omstanders en liet hij zich opmerken door zijn energiek handgeklap[247]

Prefect van het Leiedepartement

Op 9 februari 1804 volgde zijn benoeming tot prefect van het departement van de Leie en hij vertrok naar Brugge, waar hij op 9 april in functie trad[248]. Was de Viry 67 toen hij vertrok, dan was Chauvelin er 37 toen hij in Brugge aankwam. Het verschil in leeftijd moet zich ongetwijfeld ook in een stijlbreuk gemanifesteerd hebben. Zoals zijn voorganger begon hij met een tournee die hem van 21 juli tot 15 augustus het ganse departement leerde kennen. Hij organiseerde het zo dat hij op 11 augustus in Veurne was om er de zopas bij plebisciet verkozen maar nog niet gekroonde keizer Napoleon te verwelkomen. Het ging om een zoveelste werkbezoek, waarbij Bonaparte via Veurne en Nieuwpoort naar Oostende reed en er verbleef tot 15 augustus, zijn dagen vullend met inspectie van verdedigingswerken, bezoeken aan militaire kampen, troepenschouw en manoeuvres[249]. Tegen het einde van de maand trok de prefect opnieuw naar de Westhoek, waar Napoleon, op doortocht van Valenciennes naar Mons, langskwam. Hij vergezelde hem tot in Brussel.

Het was de tijd toen het formidabele leger tot stand kwam dat tot doel had Engeland binnen te vallen. Van 1803 tot 1805 werd een aanzienlijke troepenmacht opgeleid. In het departement van de Leie ging het om het Derde Legerkorps van wat de Grande Armée zou worden. Het stond onder de leiding van de pas tot maarschalk bevorderde generaal Louis-Nicolas Davout (1770-1823), die vanaf september 1803 zijn hoofdkwartier in Brugge vestigde. Davout was een vertrouweling van Bonaparte. Niet alleen nam hij hem mee naar Egypte, maar deed hem trouwen met Louise Leclerc (1782-1868), de zus van generaal Victor-Emmanuel Leclerc (1772-1802), die gehuwd was met Pauline Bonaparte (1780-1825), de lievelingszus van de eerste consul, die dan ook Davout als een familielid beschouwde, hem volop vertrouwde en hem ‘mon cousin’ noemde in zijn brieven[250]. Tienduizenden soldaten waren gelegerd in de verschillende kampen die tussen Brugge, Oostende en Duinkerken waren opgericht, met o.m. de divisies die onder de leiding stonden van de generaals Nicolas Oudinot (1767-1847) en Louis Friant (1758-1829). Toen de invasie van Engeland aan actualiteit verloor, vertrok het Derde legerkorps vanaf augustus 1805 naar het Oosten, waar het aan alle grote veldslagen zou deelnemen[251].

Chauvelin bleef meer dan zes jaar aan het hoofd van het Leiedepartement. Tijdens die periode vervulde hij een eersterangsrol bij het definitief op Franse leest schoeien van het departement. Elk jaar hield hij voor de Conseil général een openingsrede, gewoonte die tot op vandaag door de provinciegouverneurs is volgehouden[252]. Het is alvast bekend dat hij een persoonlijk aandeel had in de restauratie van de praalgraven van Karel de Stoute en Maria van Bourgondië[253]. Chauvelin was ook de stichter van de Ecole départementale de médecine die hij in 1806 in Brugge oprichtte en waarvoor hij zijn actieve belangstelling betoonde[254]. Naast zijn ambtelijke taken moest hij ook de overheid in het openbaar vertegenwoordigen, zelfs in processies mee opstappen. Dat deed hij bijvoorbeeld op 15 augustus 1806 in de grote processie die werd gehouden als dank voor de Franse overwinningen en die meteen de eerste officiële viering was van ‘la Saint-Napoléon’. Burgemeester de Croeser en zijn adjoints kwamen per koets tot voor de prefectuur gereden om Chauvelin op te halen en samen reden ze naar de Sint-Salvatorkerk[255]. Hij was ook vaak aanwezig op allerhande burgerlijke plechtigheden en voerde er het woord, zoals bij prijsuitdelingen in scholen. Zijn redevoeringen vond hij voldoende belangrijk om ze te publiceren[256]. Dokter De Meyer, die hem waarschijnlijk gekend heeft schreef over ce préfet qui a laissé parmi nous tant de souvenirs[257]. Het bestuur van de Brugse Academie herinnerde er aan, een hele tijd na zijn vertrek, dat Chauvelin grands avantages et bienfaits had gegeven en prees hem voor les encouragements continuels qu’il n’a cessé de donner aux arts et aux jeunes gens qui font profession de la cultiver[258].

Zoals zijn voorganger liet hij niet na grondig zijn departement te doorkruisen. We hadden het al over zijn kennismakingstournee en verder hebben we het over zijn bemoeienissen ter plekke met de militaire dienstplichtigen. Daarbuiten bracht hij regelmatige bezoeken zowat overal in het departement. De langere periodes van afwezigheid, waarbij hij in Brugge een plaatsvervangende prefect aanstelde, werden genoteerd: 29 september tot 5 november 1804, 25 februari tot 3 maart 1805, 7 tot 24 september 1805, 28 april tot 2 mei 1806, 30 april tot 10 mei 1807, 9 tot 15 november 1807, 18 tot 29 mei 1808, 14 tot 18 oktober 1809. Alles samen was hij minstens een tweehonderdtal dagen op stap doorheen zijn departement. Tussen half april en half juli 1805 liet hij zich vervangen wegens ziekte[259].

Van juli 1806 tot december 1808 grepen onder de leiding van architect Jozef Van Gierdegom (1760-1844) ingrijpende verbouwingswerken plaats die van het vroegere bisschoppelijk paleis de fraaie residentie maakten zoals we die thans kennen. Het ging om ingrijpende werken, voor een totale kostprijs van 140.000 franken. De classicistische gevel was helemaal nieuw en op nieuwe funderingen gebouwd, terwijl inwendig heel wat verbouwd werd en een volledig nieuwe aankleding werd aangebracht. Brugse aannemers voerden de werken uit: François Laveigne deed het metselwerk en de vloeren, loodgieters Loys en Ramon de dakbedekking, Karel Schoone leverde en plaatste zestien marmeren schouwen (in totaal werden 37 schouwen geplaatst), Jan-Nepomucenus Van Gierdegom verzorgde het schrijnwerk en de schouwspiegels en Jan Van Sassenbrouck het stucwerk. Het huis Riethage leverde gordijnen en beschilderd behangpapier, luchters, canapés, zetels, stoelen en speeltafels. Voor de tuin liet men 2.000 struiken, bloemplanten en bomen aanrukken, geleverd en geplant door tuinier Louage. Het gebouw verloor helemaal het uitzicht dat het had toen het bisschoppelijke residentie was en straalde voortaan een beetje Parijse sfeer uit, passend bij de voorname staatsdienaars die er resideerden[260].

In 1805 liet Chauvelin zich portretteren door Joseph Odevaere (1775-1830). Het statige portret toont een zelfverzekerde Chauvelin in een enigszins theatrale houding met op de achtergrond een beeld van de haven van Oostende, waar hij zich, in het kader van de vijandelijkheden met Engeland, speciaal mee inliet. Maakte Odevaere het portret op eigen initiatief, of ging het om een bestelling vanwege de prefect? We vonden hierover geen precieze gegevens. Wel weten we dat Chauvelin een bedrag van 150 fr. schonk voor de feesten die in Brugge werden georganiseerd in de tweede helft van oktober 1804 ter ere van Odevaere die de Prix de Rome had gewonnen[261]. Zelf was de prefect op die feesten niet aanwezig, omdat hij op dat ogenblik een dienstreis doorheen het departement volbracht. Het doek was waarschijnlijk bestemd om in de prefectuur zijn ambtstermijn in herinnering te houden, maar toch belandde het in 1811 in de collectie van de Kunstacademie, om later terecht te komen in de stedelijke musea[262]. De Academie had hem gevraagd het in bewaring te krijgen en Chauvelin had hierin toegestemd. Alles wat met Brugge en het departement van de Leie had te maken, lag toen al ver achter hem[263].  Of hij het schilderij werkelijk schonk, of zoniet het om een depot ging waarbij na verloop van jaren vergetelheid intrad, is ook niet duidelijk.

Veel later, rond 1830, zou Chauvelin zich door David d’Angers (1788-1856) en profil laten uitbeelden op een  bronzen medaille[264]. Ze geeft de uitdrukking weer van een vastberaden man. In het jaar van zijn overlijden werd een gravure met zijn portret opgenomen in de tweedelige Iconographie des contemporains, een boek met portretten van bekende Fransen uit de recente periode, voorbereid door de lithograaf François-Séraphin Delpech (1778-1825)[265] en na zijn dood gepubliceerd door zijn weduwe[266].

Chauvelin bevestigde zijn reputatie een ‘harde’ te zijn. Dit toonde hij vooral in verband met de militaire dienstplicht. In het jaar 1805 werd hij geconfronteerd met het feit dat op de 3.871 opgeroepen jongeren, er 575 niet kwamen opdagen. Het jaar daarop waren het er 566 op 1.296 opgeroepen rekruten. Tijd om drastisch in te grijpen zo oordeelde hij. Tot hiertoe had men vooral gepoogd de ouders van gevluchte conscrits aan te pakken door hen zware boeten op te leggen. Maar dat hielp niet want de meeste onder hen waren toch maar onvermogend. Daarom besliste Chauvelin dat voortaan in de steden en dorpen waar opgeroepen jongelui op het appèl ontbraken, massale hoeveelheden militairen zouden worden ingekwartierd bij alle burgers en op hun kosten. Een dergelijke maatregel was natuurlijk onrechtvaardig en zelfs onwettelijk, maar daar keek hij niet naar om. Hij behaalde duidelijk succes, want triomfantelijk kon hij melden aan Binnenlandse Zaken dat in 1807 op één maand tijd 5.000 ‘réfractaires’ zich vooralsnog hadden aangemeld[267]! De triomf was maar van korte duur, want eenmaal tegen hun zin ingelijfd, zochten veel van die soldaten naar de eerste de beste gelegenheid om te deserteren. Wanneer in 1808 de lijst werd opgemaakt van het aantal deserteurs per departement, dan behoorden de departementen van Schelde en Leie bij de tien slechtste. Napoleon drukte zijn grote mistevredenheid uit en maakte zich openlijk boos op die slechte departementen surtout ceux de l’Escaut, de la Lys et du Puy-de-Dôme, zegde hij[268]. Voor de prefecten in kwestie betekende dit natuurlijk een blaam, hoewel Chauvelin er niet speciaal voor bestraft lijkt geweest te zijn. Hij had zich alvast aanzienlijk ingespannen, want elk jaar deed hij, buiten de hierboven gemelde tournees, ook nog regelmatig dagenlange inspectietochten teneinde overal zelf de inschrijving en keuring van de dienstplichtigen te gaan voorzitten[269].

Was hij in Parijs aanwezig bij het huwelijk van Napoleon en Marie-Louise, dan was hij zes weken later alweer in Brugge op post om ze, samen met hun uitgebreid gevolg, in zijn stad te ontvangen. Dit gebeurde in de tweede helft van de maand mei 1810 en Chauvelin zorgde voor een ontvangst in grote stijl[270]. Het keizerlijk echtpaar arriveerde vrijdagavond 18 mei in Brugge, verbleef er de ganse zaterdag, bezocht de zondag Oostende en vertrok de maandag naar Duinkerken.

Terug naar Parijs

Kort daarop was Chauvelin weer in Parijs. We vernemen het in de memoires van hertog Achille-Victor de Broglie (1785-1870), toen jong auditeur bij de Conseil d’Etat en duidelijk geen vriend van Chauvelin. Broglie beschreef het feestelijk bal dat door de Oostenrijkse ambassadeur, prins Karl von Schwarzenberg (1771-1820), op 1 juli 1810 aan het keizerlijk paar, pas terug uit de vroegere Oostenrijkse Nederlanden, werd aangeboden. In de loop van de avond ontstond een hevige brand in de geïmproviseerde houten balzaal die was opgetrokken in de tuin van de ambassade, Chaussée d’Antin. Die brand kostte het leven aan een tiental aanwezigen. Over Chauvelin, die er alweer bij was, schreef de Broglie: Je vois encore, ce à quoi je ne me serais pas attendu, M. de Chauvelin se frappant la tête contre les arbres et poussant des gémissements lamentables, de désespoir de ne pas retrouver madame de Chauvelin, qui ne paraissait pas d’ordinaire lui tenir tant à cœur[271]. Over madame de Chauvelin is trouwens, behalve haar familiale achtergrond, weinig bekend. Toen hij sarcastisch over Chauvelin schreef, was de Broglie nog niet gehuwd met Albertine (1797-1838) de dochter van Madame de Staël en van Benjamin Constant, beiden vrienden van Chauvelin. Hij kon toen uiteraard ook niet voorzien dat hij met Chauvelin tot de kopstukken van de liberalen zou behoren onder de Restauratie en dat hij, een halve eeuw na hem, ambassadeur zou worden in Londen.

De archieven van het departement van de Leie tonen aan dat Chauvelin in de laatste drie jaar van zijn prefectschap minder en minder in Brugge aanwezig was en niet omwille van het uitvoeren van werkbezoeken doorheen zijn departement. Hij was afwezig en verbleef in Parijs of in Cîteaux in augustus, september en oktober 1808 en vervolgens van 10 maart tot 3 mei 1809 en van 1 december 1809 tot 4 april 1810. Bij een afwezigheid van enkele dagen was steeds Henissart zijn plaatsvervanger geweest. Voor de langere periodes tegen het einde van zijn mandaat, trad driemaal Benoît Holvoet (1763-1838)[272] en de laatste maal Alexander Van der Fosse (1769-1840)[273] als zijn vervanger op. Zijn terugkeer naar Brugge begin april 1810 had uiteraard te maken met de voorbereiding van de ontvangst van Napoleon en Marie-Louise. Kort nadien, op 2 juni 1810, vertrok hij opnieuw uit Brugge en kwam niet meer terug. Als rechtvaardiging voor die laatste afwezigheid, want hij bleef officieel nog als prefect in functie tot begin oktober, werd genoteerd dat hij deel uitmaakte van een commissie die de reorganisatie van de Garde nationale moest realiseren[274]. Men mag zijn quasi-definitief vertrek uit Brugge dus situeren begin december 1809, met een terugkeer van korte duur, enkel maar voor de ontvangst van het keizerspaar.

Op 5 oktober 1810, korte tijd na het balzaaldrama, werd Chauvelin dus bevorderd tot lid van de Conseil d’Etat[275], het hoogste wetgevende orgaan, dat samen met haar oorspronkelijke opdrachten, ook de taken had overgenomen van het afgeschafte Tribunaat. Het is naar aanleiding van die benoeming dat hij tot graaf werd bevorderd. Hij was voordien al baron d’Empire geworden tijdens zijn ambtstermijn in Brugge, hoewel we de juiste datum hiervan niet terugvonden[276]. In zijn nieuwe functie in Parijs geïnstalleerd, maakte hij bij de Conseil d’Etat deel uit van de afdeling Binnenlandse Zaken. Op enkele maanden tijd behandelde hij talrijke dossiers, waarbij het tot zijn taak behoorde voorgelegde ontwerpen van decreet te verbeteren of er zelf nieuwe voor te stellen. Zo verbond hij zijn naam aan het decreet van 16 december 1810 over de organisatie van de administratie van bruggen en wegen, waardoor Frankrijk tot op vandaag o.m. de opdeling kent tussen routes nationales en routes départementales. Ook voor een nieuwe wetgeving op de onderhoud van de wegen was hij rapporteur[277]. Hij was tevens rapporteur voor een nieuwe wet op de polders en wateringen in de Belgische provincies (en vooral in zijn vroeger departement). Het ontwerp had nogal wat voeten in de aarde, want op minder dan een maand produceerde Chauvelin vijf opeenvolgende rapporten, die telkens werden gedrukt[278]. Ook over het meubilair dat moest voorhanden zijn in elke prefectuur, was hij bezorgd en trad hij als rapporteur op voor een nieuwe wet die daarin moest voorzien[279]. Hij bleef slechts anderhalf jaar bij de Conseil d’Etat en werd vervolgens intendant-generaal voor Neder-Catalonië, functie die hij vervulde tot kort voor de afzetting van Napoleon (van 15 april 1812 tot 8 februari 1814). Hij hernam nadien zijn werk bij de Conseil d’Etat niet meer, ook al bleef hij tot in 1823 als ereraadsheer ingeschreven.

Een parlementaire loopbaan

Chauvelin nam een afwachtende houding aan tijdens de Eerste restauratie en ook tijdens de Honderd dagen, althans we troffen geen activiteiten van hem aan voor die periode. Onder de Tweede restauratie trad hij opnieuw in het openbaar leven[280]. Hij sloot aan bij diegenen die zich ‘onafhankelijk’ noemden, later ‘liberaal’. In september 1816 stichtten de leiders van deze richting een comité dat de te ondersteunen kandidaten voor de wetgevende verkiezingen aanduidde. Chauvelin zetelde in dit comité, samen met Benjamin Constant, de diplomaat en historicus Louis Bignon (1771-1841), de toekomstige eerste minister Jacques Dupont de l’Eure (1767-1855), de bankier Jacques Laffitte (1767-1844) en hertog Victor de Broglie. Naast hun eigen kandidatuur, steunden de comitéleden onder meer La Fayette, Jacques Manuel (1775-1827), Marc-René Voyer d’Argenson (1771-1842)[281], Casimir Périer (1777-1832), Benjamin Delessert (1773-1847), pionnier van de raffinage van suikerbiet en Pierre Gilbert de Voisins (1773-1843): het puik van de liberalen. Veel succes behaalden ze niet, want alleen Laffitte en Voyer d’Argenson (die onder het keizerrijk prefect was geweest in Antwerpen) werden verkozen. Het jaar daarop moest al een gedeelte van de zetels worden hernieuwd. Ditmaal werd Chauvelin tot kamerlid voor de Côte d’Or gekozen, samen met twee andere liberale kandidaten van het zelfde departement. Het duurde niet lang vooraleer hij erkend werd als één van de tenoren van de liberale groep. Hoewel weinig talrijk (in 1817 waren ze maar met een tiental) en niet altijd akkoord onder elkaar, werden ze invloedrijk en gevreesd.

Chauvelin nam dus in de Kamer zitting op wat toen als de extreme linkerzijde werd beschouwd, waar hij Benjamin Constant terugvond, alsook Casimir Perier, Jacques Laffitte, generaal Maximilien Foy (1775-1825), Jacques Manuel, Voyer d’Argenson, maarschalk Sebastiani (1772-1851) en anderen. In de achtergrond van deze groep bevonden zich generaal de la Fayette en ook de onverwoestbare Talleyrand. Chauvelin werd één van de belangrijke woordvoerders van de radicale liberale fractie en ontpopte zich tot een resoluut tegenstander van de Bourbonmonarchie. Lanzac schreef hierover: L’éclipse de ses idées libérales prit fin en même temps que le régime impérial. Il alla comme tant d’autres plats valets de Napoléon, siéger sans le moindre embarras à la gauche de la Chambre[282]. De historicus Baptiste Capefigue (1802-1872), al even onvriendelijk, verzekerde dat Chauvelin verbitterd was omdat hij niet opnieuw de functie van maître de la garde-robe aan het hof had gekregen en daarom republikein was geworden[283].

Chauvelin verwierf een aanzienlijke reputatie als briljant redenaar en tegenstander van de regering. Zijn improvisatietalent en zijn gemak van spreken werden geprezen. Spirituel, caustique, il avait du trait, de l’à-propos, du mordant dans la parole, schreef Capefigue. Tijdens zijn talrijke tussenkomsten hanteerde hij graag het wapen van de ironie[284]. Hij wierp zich op als de verdediger van de protestanten en voor de onafhankelijkheid van de pers, had regelmatig zijn woord te zeggen over de begrotingen of over de legerdienst, leverde kritiek op de repressieve acties van de politie en op de beperkingen die werden gelegd op de vrijheid van meningsuiting, zoals hij ook bezwaren opperde tegen het beroep doen op Zwitserse regimenten van huurlingen. Toen in mei en juni 1820 een cruciale wet over het verkiezingsstelsel diende te worden goedgekeurd, stemde de Kamer met 127 stemmen voor het regeringsvoorstel en evenveel tegen. Chauvelin was die dag zwaar ziek, maar liet zich triomfantelijk op een berrie de Kamer binnendragen om er zijn stem uit te brengen, die vooralsnog de doorslag aan zijn kamp gaf. Opnieuw Capefigue: C’était un devoir honorable, mais un devoir rempli avec ostentation et pompe[285]. Bij het verlaten van het Palais Bourbon werd hij door de menigte toegejuicht en daarop door jonge radicalen in triomf door de straten van Parijs gevoerd.

De debatten die toen werden gehouden over de kieswet deden de gemoederen hoog oplopen. De zittingen in het Parlement werden druk bijgewoond en vanaf twee uur in de morgen vormden zich rijen wachtenden die hoopten op een plaatsje in de tribunes. Op straat gingen de aanhangers van de verschillende partijen, vooral jonge studenten, tegen elkaar tekeer. De royalisten onder hen pakten de kamerleden van de oppositie aan wanneer die het parlementsgebouw verlieten. Zo werd de koets van Chauvelin op een avond tegengehouden en wilde hij vermijden dat ze zou worden omvergegooid, was hij verplicht, tot jolijt van de menigte, rechtstaande luidop te roepen Vive le roi![286]. 

De naam Chauvelin werd in die tijd een begrip. Overal waar hij kwam (er bestaan verslagen over rondreizen die hem naar Dijon, Lyon en de départementen Drôme en Isère brachten) werd hij telkens door een massa toehoorders opgewacht en zijn welsprekende redevoeringen werden zeer toegejuicht. Balzac, in zijn roman La rabouilleuse[287], deed iemand zeggen tot zijn vriend die hij al in zijn verbeelding in het parlement zag zetelen: si tu devenais député, tu as une fière platine (d. w. z. je kan goed praten), tu serais craint comme Chauvelin. En Victor Hugo in Les Misérables[288] dreef wat de spot met burgermannetjes die graag een ‘de’ voor hun naam plaatsten, terwijl hij verwees naar hoge heren die het net andersom deden, zoals markies de Chauvelin die zich gewoon monsieur Chauvelin liet noemen.

Chauvelin bleef lid van het parlement van 1817 tot 1824. In dat jaar verloor hij, zoals vele andere liberalen, zijn zetel. In 1827 werd hij herkozen. Hij was van nabij betrokken bij allerhande politieke discussies en acties, onder meer nadat de zoon van de toekomstige koning Karel X, de hertog van Berry (1778-1820) was vermoord en de anti-royalisten waartoe Chauvelin behoorde, het moeilijk kregen om zich tegenover de publieke opinie staande te houden. Wanneer enkele politici van de oppositie in ‘Comité secret’ bijeenkwamen, was Chauvelin er bij en nam hij het woord[289]. In hetzelfde jaar 1820 werden de Carbonari in Frankrijk actief. De leden waren hoofdzakelijk jonge militairen, juristen en studenten, velen waren lid van de Parijse loge Les Amis de la Vérité. Achter de jongelui, in de schaduw, stond evenwel een leiding van notabelen. Het ging onder meer om La Fayette senior en junior, Dupont de l’Eure, Marc-René Voyer d’Argenson en Jacques Manuel. Tot in 1823 werd actief vergaderd, gecomplotteerd en een anti-monarchistische revolutie voorbereid. Het liep op een sisser uit. Het is waarschijnlijk dat ook Chauvelin bij deze activiteiten betrokken was of er minstens zijn stilzwijgende goedkeuring aan verleende[290].

Toen Charles X zijn broer op de troon was opgevolgd en zijn ultrareactionaire achterban naar voor schoof, werd de oppositie steeds groter en bij iedere verkiezing wonnen de opposanten veld. Weldra waren er bijna tweehonderd volksvertegenwoordigers die zichzelf als ‘links’ bestempelden. Het ging evenwel om een erg heterogene groep, bestaande uit doctrinaire centrumlinkse vertegenwoordigers, uit verschillende gematigde groepen en tenslotte uit een uiterst linkse groep, geleid door La Fayette en waartoe Chauvelin behoorde. Principieel republikeinsgezind, evolueerde deze groep uiteindelijk in een richting die als onvermijdelijk werd beschouwd, die van de constitutionele monarchie, de mogelijkheid latende zoals La Fayette het uitdrukte, au temps et au progrès des lumières, om de samenleving naar de republikeinse gedachte te doen evolueren. Republikeinse doorzetters zoals Chauvelin en Voyer d’Argenson, stelden vast dat ze steeds meer geïsoleerd geraakten en, ontmoedigd, namen ze in mei 1829 ontslag[291].

Na de Julirevolutie van 1830 werd Chauvelin opnieuw politiek actief. Bij gebrek aan een republiek, benaderde de constitutionele monarchie van de liberaal denkende Louis-Philippe d’Orléans (1773-1850) het dichtst zijn zienswijzen. Wellicht zou hij zich bij een volgende parlementsverkiezing opnieuw kandidaat stellen. Hij was alvast op 25 november 1830 verkozen tot lid van de Conseil Général voor het departement Côte d’Or[292]. Tijdens een verblijf in Parijs werd hij evenwel door de cholera getroffen en overleed op 8 (of 9) april 1832[293].  

Zijn weduwe overleefde hem tot in de jaren vijftig. Na verdere verdeling met haar broer, was ze enige eigenares van het domein van Cîteaux geworden, en zocht weldra een koper. Uiteindelijk vond ze die in de persoon van enkele overtuigde ‘fourieristen’, waaronder de Belgische filosofe en feministe Zoé Gatti - de Gamond (1805-1854)[294], die een boek had gepubliceerd onder de titel Réalisation d’une commune sociétaire d’après la théorie de Charles Fourier (Parijs, 1840). De financies kwamen van de rijke Schot en overtuigde fourierist Arthur Young (°1809)[295]. Young kocht het domein voor 1.350.000 goudfranken, waarvan hij 800.000 fr. contant betaalde, voor het saldo een gespreide aflossing bedingend, met tien zesmaandelijkse afbetalingen en een intrest van 5%. Zoals de meeste door Charles Fourier (1772-1837) geïnspireerde, welmenende maar irrealistische initiatieven, duurde die falanstère slechts kort, van 1841 tot 1845. Toen het afbetalingsplan niet werd nagekomen, deed de weduwe Chauvelin in december 1845 onroerend beslag leggen en op 25 juni 1846 werd het domein publiek verkocht. De koper was pater Joseph Rey (1798-1874) die er een kolonie voor jeugdige delinquenten in oprichtte[296]. Die bleef in werking tot in 1898, jaar waarin de cisterciënzers er opnieuw hun intrek namen[297].

Naar aanleiding van de verkoop van 1846 bleek dat de 800.000 Fr die destijds door Young waren betaald, hadden gediend voor het aanzuiveren (of het vervangen) van een hypothecaire schuld. De eigenares van Cîteaux droeg dus in 1841 een zware schuldenlast. Zelfs het meubilair van het kasteel was blijkbaar nooit helemaal vereffend[298]. Hoe zat het derhalve ten tijde van Chauvelin? Had hij als een grand seigneur geleefd terwijl hij daar eigenlijk niet de middelen toe had? Hij zou daarin natuurlijk niet de enige geweest zijn. Had hij moeite om rond te komen? Bezat hij eigen goederen of was hij helemaal afhankelijk van wat zijn echtgenote had ingebracht, zij die de echte eigenares was van Cîteaux? Was de opbrengst van het aanzienlijke domein onvoldoende om leningen terug te betalen? Dat hij zowel onder het consulaat als onder het empire, opeenvolgende functies aanvaardde, soms heel ver van het landgoed dat zijn aanwezigheid best kon gebruiken, zou wellicht kunnen worden uitgelegd door acute geldnood. Het feit dat hij in de nabijheid van zijn kasteel de hinder van industriële activiteiten aanvaardde, kan er eveneens op wijzen dat hij dringend inkomsten zocht. Om hierin meer duidelijkheid te krijgen en zijn vermogenstoestand te kunnen nagaan op het ogenblik van zijn overlijden, zou een gedetailleerd onderzoek dienen te gebeuren, onder meer in de minuten van zijn notaris en in de akten van de directie van Registratie en Domeinen. Over prefect Chauvelin is het laatste woord dus nog niet gezegd.


III.

Pietro ARBORIO

Prefect van het Leiedepartement

van 30 november 1810 tot 14 augustus 1811

Chevalier d’Empire op 10 september 1808

Baron d’Empire op 15 augustus 1809

De derde prefect van het departement van de Leie had eigenlijk Cécile-Stanislas de Girardin (1762-1827) moeten zijn. De in Lunéville geboren zoon van markies René de Girardin (1735-1808), kreeg koning Stanislas als zijn peter, wat niet verhinderde dat hij een actieve revolutionair werd. Ook hij werd, einde 1792 in het geheim naar Engeland gestuurd, op aanstichten van de extreme revolutionair Jean-Paul Marat (1744-1793) om er met de Britten te onderhandelen, maar ook hij kwam einde januari 1793 onverrichter zake weer naar Frankrijk. Daar wachtte hem de aanklacht koningsgezind te zijn en werd hij, net als massaal veel anderen, opgesloten. Tijdens zijn gevangenschap leerde hij het timmermansvak.

Zoals zovelen dankte hij het leven aan de val van Robespierre en kon hij zich terugtrekken in het kasteel en domein van Ermenonville dat aan zijn vader toebehoorde en waar zijn leermeester Jean-Jacques Rousseau gestorven was en begraven lag. Hij ontving er generaal Bonaparte die met een bezoek aan zijn graf de grote schrijver kwam eren. Dit was te danken aan het feit dat Girardin ondertussen bevriend was geworden met zijn buurman, Joseph Bonaparte. Dankzij deze vriendschap kon hij tijdens het consulaat en het keizerrijk een aantal hoge functies bekleden, o. m. werd hij voorzitter van het Tribunaat.

Na enkele delicate diplomatieke en militaire opdrachten in Italië en Spanje, was hij beschikbaar en verwachtte een hoge functie. Begin 1810 werd hij tot comte d’Empire bevorderd, maar een belangrijke post met de eraan verbonden wedde liet op zich wachten. Men had hem, kort voor zijn adellijke verheffing, de prefectuur van de Leie aangeboden, maar op aanraden van maarschalk Berthier (1753-1815) had hij geweigerd. In zijn memoires maakte hij hiervan melding, zonder mee te delen welk argument Berthier hem hiervoor had ingefluisterd. Wat later aanvaardde hij dan toch een benoeming tot prefect, en dit van het departement Seine-Inférieure (Rouen). Onder de restauratie werd Girardin prefect van het departement Côte d’Or, maar werd in 1820 uit zijn ambt ontzet omdat hij wat te luid zijn republikeinse en liberale overtuigingen had uitgebazuind. Hij liet zich toen tot parlementslid verkiezen in Rouen en ging op de linkse banken zetelen, met o. m. Chauvelin als collega en geestesgenoot[299].

Aanzienlijke voorouders

Binnenlandse Zaken moest dus een andere kandidaat vinden en het werd Pietro Arborio. Pietro Amedeo Vincenzo Josepho Arborio Biamino Carrezane[300] werd  in het Palazzo Arborio in Vercelli (Noord-Italië)[301] geboren op 29 maart 1767 en overleed in Brugge op 14 augustus 1811[302]. Hij was de zoon van graaf Carlo Vincenzo Arborio-Biamino, hoofd van een zijtak van de familie Arborio di Gattinara, en van Marianne Giovenone di Robella. Hij was vierendertig toen hij in 1801 in het huwelijk trad met de zeventienjarige in Milaan geboren Zwitserse Leopoldine-Ernestine Morosini, die toen dus half zijn leeftijd had. Het huwelijk ging niet onopgemerkt voorbij en gaf zelfs aanleiding tot het publiceren van een dichtbundel[303]. Isnardi, professor in de chirurgie, schreef bij die gelegenheid het volgende epigram:

L’on dit que Pierre Arborio se marie

à une fille du fameux Tell.

Bon: c’est un coup mortel

que l’on va donner à l’aristocratie.

Arborio behoorde tot een oude adellijke familie van Vercelli. Zijn voorzaten Arborio di Gattinara hadden enkele voorname telgen voortgebracht, zoals Angelo Arborio (1658-1743), aartsbisschop van Turijn en die zijn broer Giovanni Arborio (1685-1743), bisschop van Alessandrië, beiden monnik van de orde der Barnabieten. Er waren onder de beroemdheden van de familie ook nog tijdgenoten van Pietro Arborio. Ludovico-Josepho Arborio de Gattinara, markies van Breme (1754-1828), die een diplomatieke loopbaan doorliep in dienst van de koning van Sardinië-Piemonte, werd in 1798 door de Franse troepen als gijzelaar meegenomen, maar na veertien maanden opsluiting mocht hij naar Italië terugkeren, waar hij in 1805 in dienst van Napoleon trad: eerst was hij commissaris generaal voor de bevoorrading van het leger in Italië, vervolgens minister van binnenlandse zaken van het koninkrijk Italië en voorzitter van de Senaat. Na 1814 trad hij opnieuw in dienst van Vittorio-Emanuele I en verwierf bekendheid als beschermheer van kunsten en letteren. Zijn zoon, Ludovico Arborio di Gattinara (1781-1820), priester en hofaalmoezenier, wijdde zich vooral aan de literatuur en behoorde, net zoals Alfieri, tot de intellectuele wegbereiders voor de romantiek en voor het Italiaanse Risorgimento. Hij was bevriend met Madame de Staël en met Alessandro Manzoni (1785-1873), de beroemde schrijver van I promessi sposi, ter wiens ere Verdi zijn Requiem componeerde. Ludovico Arborio was de oprichter van het liberale tijdschrift Il Conciliatore (1818-1819), waarvan Silvio Pellico (1789-1854) één van de redacteurs was.

De familie klom voor wat betreft beroemde voorouders nog hoger op. Ze toonde aan dat ze oorspronkelijk in de Franche-Comté gevestigd was en daar als voornaamste illustratie, de leek Mercurino Arborio di Gattinara (1465-1530) die kardinaal werd, onder haar leden telde. Hij was ambassadeur geweest van keizer Maximiliaan bij de Franse koning, raadgever van Margaretha van Oostenrijk, kanselier van Keizer Karel ter gelegenheid van verschillende belangrijke verdragen en voorzitter van het parlement van Bourgondië in Dôle. Prefect Arborio maakte ongetwijfeld in de ‘Bourgondische’ stad Brugge gewag van die verwantschap, want Joseph van Huerne liet door Jan-Karel Verbrugge het wapen schilderen van mijnheer Mercurino Arborio, die maagschap was aen mijnheer Arborio, onzen overleden prefect[304].

Door zijn vriend Michele Revelli werd de jonge Pietro Arborio beschreven als begaafd met een levendig en scherp verstand. Hij had sprankelende ogen, een fenomenaal geheugen, een zeer gevoelig hart, een bijzonder joviaal temperament en was zeer minzaam in de omgang. Ook al werd dit gezegd na zijn dood, maar in het bijzijn van velen die hem hadden gekend, mag deze flatterende beschrijving wellicht voor waar worden aangenomen. Als oudste zoon begon Pietro Arborio aan een militaire carrière, die werd onderbroken door de verovering van Piemonte door Bonaparte tijdens de Eerste Italiaanse oorlog. Arborio trok zich in Vercelli terug en begon te studeren en te schrijven over staathuishoudkunde. Volgens Revelli had hij een passie voor muziek, las hij veel poëzie en geschiedkundige werken, studeerde hij filosofie en interesseerde hij zich aan de politieke evoluties, zowel bij de Grieken en de Romeinen als in zijn eigen tijd.

In dienst van Bonaparte

Generaal Bonaparte kwam langs in Vercelli en op 30 mei 1796 verbleef hij een paar uren in het Palazzo Avogadro. Ontmoette hij toen al Arborio? Het is bekend dat de Fransen een parti des Français stimuleerden, die in de nieuwe Cisalpijnse republiek de revolutionaire ideeën moest ondersteunen. Arborio werd rond die tijd opgepakt, zonder dat het duidelijk is of het door de Fransen of door de Piemontese overheid was. In de poëziebundel ter gelegenheid van zijn huwelijk wordt vermeld dat hij in Milaan werd opgesloten, en vrijkwam door de tussenkomst van Pietro Morosini, de vader van zijn latere bruid, waarna hij de wijk nam naar Zwitserland.

Er is méér kans dat het tijdens zijn tweede oponthoud in Vercelli was dat de Eerste consul Arborio leerde kennen. Na de opeenvolgende ups en downs die zich in Italië hadden voorgedaan, terwijl hij zich in Egypte bevond en nadien de macht in Parijs ging veroveren, kwam Bonaparte dringend orde op zaken stellen. Op 14 juni 1800 betekende de slag bij Marengo een beslissende overwinning op de Oostenrijkers. Op 25 juni was Bonaparte weer in Vercelli en voerde er gesprekken met de plaatselijke bisschop, kardinaal Carlo Filippa della Martiniana (1724-1802). Die was pas terug van het conclaaf tijdens hetwelk kardinaal Chiaramonte tot paus was verkozen onder de naam Pius VII (1740-1823). Bonaparte zond Martiniana als zijn gezant naar de paus met de boodschap dat hij vrede met de Kerk wilde sluiten onder een aantal voorwaarden, die de basis zouden vormen van wat enkele maanden later het Concordaat werd. 

Daar waar de jonge generaal in 1796 nog vol jacobijns vuur stak en weinig wilde te maken hebben met de Italiaanse ci-devants, had hij in juni 1800 zijn radicale zwenking al genomen voor het herstel van orde, gezag en traditie en begon hij de vroegere elites te verleiden, zowel in Frankrijk als in de veroverde gebieden. Het is dan ook eerder op die datum dat hij Arborio zal ontmoet hebben, die toen commandant was van de Guardia Nazionale van Vercelli[305]. Arborio vervulde ook al geruime tijd een rol in de nieuwe structuren die de Fransen aan het opzetten waren. Hij was immers conseiller de la préfecture geworden en in december 1798, organiseerde hij, samen met ene Giuseppe Clara, de samenstelling en de installatie van de besturen van Vercelli en omliggende gemeenten. Bonaparte vond gaven in zijn jonge leeftijdgenoot en op 4 december 1801 benoemde hij hem tot burgemeester van Vercelli. Bij deze benoeming kwam men weliswaar pas in tweede orde bij Arborio terecht. Carlo Lanchetti, een andere vooraanstaande ingezetene van de gemeente was eerst benoemd, maar duidelijk niet Fransgezind, had hij geweigerd[306]. In september 1802 richtte het gemeentebestuur van Vercelli een dankbetuiging tot de Eerste consul, na de vereniging van Piemonte met Frankrijk. Op 21 november daaropvolgend ging Arborio persoonlijk in Parijs deze dankbetuiging aan de Eerste consul overhandigen.

Bonaparte of zijn naaste omgeving vergaten hem niet en hij werd op 12 maart 1803 benoemd tot sous-préfet in Rijsel. Op de benoemingsbrief had de minister van Binnenlandse zaken eigenhandig in postscriptum toegevoegd: La sous-préfecture de Lille est la plus [peuplée] de toute la république, elle compte deux cent trente mille habitants. Le premier consul a cru vous accorder une faveur en vous y apostant. Je [vous] l’écris déjà [pour] vous faire pressentir que c’est un [poste] très lourd. De geleibrief die Arborio meekreeg om zich naar Rijsel te begeven, geeft ons enige informatie over zijn fysieke verschijning. Hij mat 1m67, had donkere ogen, zwart haar en wenkbrauwen, een ronde kin, een gevuld aangezicht, een regelmatig voorhoofd en neus. De stage bleek goed  te zijn meegevallen[307], zodat hij al na zes maanden, op 24 september 1803 benoemd werd tot prefect van het departement Valle Stura (hoofdstad Cuneo) in Noord-Italië. Onmiddellijk werd hem de Légion d’Honneur toegekend. Niet lang nadat hij in zijn prefectuur was geïnstalleerd werd hij naar Parijs ontboden, waar hij verwacht werd, zoals alle prefecten trouwens en talloze andere hoogwaardigheidsbekleders, ten laatste op 24 november 1804, acht dagen voor de kroning van Napoleon tot keizer, ceremonie waarop hij persoonlijk werd uitgenodigd als citoyen distingué par son dévouement à l’Etat et à ma personne.

In zijn functie van prefect liet hij zich opmerken door zijn steun aan de ontwikkeling van de zijdenijverheid en van andere lokale activiteiten, door het heropenen van pandjeshuizen en door de bestrijding van het banditisme. Het is tijdens zijn ambtsperiode aldaar dat hij tot Chevalier d’Empire en het jaar daarop tot Baron d’Empire werd verheven.

Prefect van het Leiedepartement

Begin december 1810 verspreidde zich het nieuws van de benoeming van Arborio tot prefect van de Leie. Zijn onder-prefect van de sottoprefettura in Savillan drukte er zijn grote spijt over uit, ook al zag hij hierin een teken van het vertrouwen dat de keizer in Arborio stelde. De voltallige gemeenteraad van Demonte stuurde een brief met uitdrukkingen van spijt en van dithyrambische lof aan degene die ze als een echte vader van het departement Stura beschouwden. In de Gazette de la Stura waren de lofbetuigingen niet minder. Men las er: Les lumières, les talents, les vertus de ce digne magistrat, les soins assidus qu’il s’est toujours donné pour la prospérité de notre département, lui ont gagné le respect et l'amour de tous ses administrés. (...) La richesse n'était pas un privilège pour être admis chez lui à un entretien particulier, ni la pauvreté une raison pour en être exclus. La probité et les talents étaient sûrs de trouver en lui une puissante protection et le malheur donnait des droits à sa bienfaisance. Son nom vivra à jamais dans le cœur des habitants du département de la Stura[308].

Hoewel zijn benoeming dateerde van 30 november 1810, arriveerde Arborio pas in Brugge in de loop van de maand maart daaropvolgend. Hij ondernam onmiddellijk een tournee doorheen het departement om er de rekrutering van soldaten te controleren. Op 11 april 1811, Witte Donderdag, nam hij zijn intrek in de prefectuur. Hij was vergezeld van zijn jonge echtgenote, waarschijnlijk van hun dochtertje (hoewel ze niet vermeld wordt), van zijn broer en van Jean-Dominique Destombes (onlangs gehuwd met een Italiaanse) die in Cuneo  - wellicht al in Rijsel - zijn secretaris was en het ook in Brugge zou zijn. De nauwe samenwerking tussen beiden was duidelijk: op officiële publicaties associeerde de prefect de naam van zijn medewerker met de zijne[309]. Naast zijn administratieve taken, zette Arborio zich onmiddellijk in om zijn publieke rol tegenover de bevolking te vervullen. Op 9 juni, feest van de Heilige-Drievuldigheid zat hij een plechtigheid voor in de Sint-Salvatorskerk. Ter gelegenheid van de doop van de koning van Rome, werd immers op kosten van de Staat het huwelijksfeest georganiseerd van tien paartjes, de mannen allen oud-militairen. De volgende dag bezocht hij de vele volksfeesten en dit tot diep in de nacht.

Arborio nam ook contact op met de plaatselijke notabelen. Zo werd hem een ‘déjeuner dinatoire’ aangeboden door de grote collectioneur Joseph van Huerne de Puyenbeke (1752-1844), die hem uitgebreid zijn vele verzamelingen liet zien. De prefect was zelf ook verzamelaar en hij liet Jan Karel Verbrugge, ten behoeve van Joseph van Huerne, waterverftekeningen maken van zijn collectie cameeën[310]. Arborio oordeelde wellicht dat zijn residentie nog niet voldoende klasse had om op zijn gasten indruk te maken. Op de korte tijd dat hij er verbleef liet hij verschillende salons opnieuw behangen en stofferen en aan de tuinzijde liet hij een terras bouwen[311].

De prefect was dus goed op weg om in te burgeren. Nadat hij enkele tijd zijn functie in Brugge zou hebben uitgeoefend, mocht hij er zich aan verwachten, net als zijn twee voorgangers, nog hoger op te klimmen. Het vooruitzicht was dat hij in een niet al te verre toekomst in de Sénat conservateur zou worden opgenomen. Hij kwam immers al sedert einde 1808 op de lijst voor van de kandidaten voor deze instelling. Nog voor zijn vertrek uit Italië had hij de nodige informatie verstrekt om zijn dossier te vervolledigen[312]. Senator worden betekende in Parijs gaan wonen en het tot comte d’Empire brengen. Het zou evenwel anders uitvallen.

Ziekte en overlijden

Drie maanden na zijn aankomst werd Arborio ernstig ziek. Dat hij veel tijd nodig had om in Brugge te geraken kan een aanwijzing zijn dat hij al gezondheidsproblemen had voor hij er arriveerde. Er is dan ook niet veel over zijn activiteiten bekend, als die er waren. Eén van zijn laatste recepties was waarschijnlijk die welke hij op 10 juni aan de schutters van de Sint-Jorisgilde aanbood, alvorens aanwezig te zijn op de schieting die zij hielden, naar aanleiding van de doop van de koning van Rome[313].

Voortgaande op Verbrugge, die het had over de urineretentie van de prefect, mag men een nierinsufficiëntie veronderstellen. Hij leed ondragelijke pijn (intollerabili dolori, zegde één van de lijkredenaars) en geen medische hulp kon baten. Vanaf 5 augustus liet hij zich officieel vervangen door Henissart. Hij stierf om kwart voor middernacht op 14 augustus 1811, na amper vier maanden aanwezigheid in Brugge. Hij was de enige Franse prefect die in de Belgische provincies overleed tijdens de uitoefening van zijn ambt.

De aangifte op het stadhuis werd, vanwege de hoogdag van Hemelvaart, pas op 16 augustus gedaan door twee bureelhoofden, Auguste Lagache en Jean-Dominique Destombes, de vertrouwensman. Verbrugge beschreef Arborio als een goede vader, met een goede inborst, altijd bereid om goed te doen in het voordeel van zijn onderhorigen. Hij beschreef zijn vrome en stichtelijke dood, alsook de prinselijke uitvaart die hem te beurt viel. Die uitvaart greep al op diezelfde 16 augustus plaats. Het moet een krachttoer geweest zijn om, ondanks de hoogdag van 15 augustus, alle overheidspersonen en de geestelijkheid te bereiken, de legerdetachementen op de been te brengen, evenals de verschillende muziekkorpsen, de schooljeugd en de zangkoren. Na de uitvaartdienst werd Arborio op het Brugs kerkhof als eerste in het mausoleum van de hoogwaardigheidsbekleders, onder het grote kruisbeeld, begraven[314]. Op de graftombe op het Brugs kerkhof staat vermeld:

Ci-gît

Pierre Amédée Arborio Biamini Carrezane,

préfet du département de la Lys,

Baron de l’Empire,

né à Verceil le 29 mars 1767,

décédé le 14 août 1811.

In sommige geschriften is heel wat te doen geweest over grafschriften en jaarschriften, waarvan evenwel geen spoor meer is aan te treffen. Zo zou in de Brugse kathedraal volgend grafschrift zijn aangebracht:

Petro Arborio Biamini de Caresana ex inclita Arboreorum familia

quinto vix post adventum mense die XIV augusti MDCCCXI

praematuro fato correpto

Parenti optimo maerentes grati hoc desiderii monumentum P.P.[315]

Dit kan onmogelijk het geval zijn geweest, aangezien Brugge op dat ogenblik geen kathedrale kerk had, tenzij men de Sint-Walburgakerk bedoelde die de Sint-Donaaskerk was geworden. Van dit grafschrift is in Brugge evenwel niets meer te vinden.

Onderaan het hierna vermelde gedicht van G. Fisco stond volgend jaarschrift dat zou gebeiteld zijn op het grafmonument op het Brugs kerkhof:

eXCeLLens, generosUs atqUe ILLUstrIs Vir,

petrUs arborIo,

ImperII baro aC eqUes praefeCtUs Lysae,

reqUIesCat In paCe.

Ook van dit jaarschrift is niets meer te bespeuren.

In het boek van de begrafenissen op het Brugse kerkhof staat met een enigszins weifelende hand ook nog het volgende jaarschrift vermeld, waarschijnlijk opgemaakt door de pastoor van het kerkhof, de rederijker Jan-Baptist Dienberghe (1756-1812)[316]:

praeCeLLens, sagaX, generosUs atqUe ILLUstrIs VIr

petrUs arborIo

LIsIae praefectUs, baro ac ImperII eqUes

reqUIesCat In paCe

Wellicht ging het om jaarschriften die op tijdelijke borden werden aangebracht.

Arborio had uiteraard op zo korte tijd maar weinig kunnen uitvoeren, maar toch voldoende om ten uyterste bemind te zijn en te maken dat men zegde dat zijn heengaan een groot verlies was voor stad en departement. Het lijkt evenwel dat niet iedereen het daar mee eens was en dat de anti-franse partij actief bleef, want eenige quaedwilligen hebben sijne grafstede ontrust, met den meur door te breken; men weet niet waerom zij zulks gedaen hebben. Het een en het ander nog steeds volgens Verbrugge.

In een condoleancebrief door secretaris Henissart gericht tot de weduwe (die naar Italië was vertrokken) werd vermeld dat Arborio een standbeeld voor de patroon van de stad had laten oprichten op een openbaar plein. Als dit het geval was (en wie was die patroonheilige?), dan is daarvan thans geen spoor meer in Brugge te bekennen[317]. Na de begrafenis stuurde de weduwe een bedankingskaart met de tekst La baronne Arborio, née Morosini, pour remercier. Volgens Jan-Karel Verbrugge werd zo een kaart in ieder huis in Brugge afgegeven.

Bij drukker Pieter De Vliegher (1782-1848) in de Sint-Jakobsstraat verscheen een huldedicht, Une fleur sur la tombe de M. Pierre Arborio. Het droeg de handtekening van geneesheer Georges Fisco, die tekende in naam van les Brugeois reconnaissants. Fisco was wellicht de behandelende geneesheer van Arborio. Hij was geboren in Leuven in 1777 als zoon van advocaat Jan Fisco, en waarschijnlijk was hij een familielid van de Leuvense ingenieur Claude Fisco (1736-1825), die het tot kolonel in de Brabantse Omwenteling en tot generaal onder Dumouriez bracht, om zijn levensavond te slijten als stadsingenieur van Leuven[318]. Georges Fisco woonde in de Geldmuntstraat met zijn echtgenote Rosalie Standaert, afkomstig uit Ruiselede. Het gedicht was in behoorlijk Frans en de rijmwoorden klopten, maar het kon zeker niet doorgaan als onsterfelijke poëzie. Fisco blijkt een man met cultuur te zijn geweest. In 1812 schonk hij een in witsteen gebeitelde en gepolychromeerde Calvarie aan de kapel van Blindekens. Het ging om een 16e-eeuws beeldhouwwerk dat was uitgevoerd ter nagedachtenis van de humanist Frans Busleyden en het kwam zeer waarschijnlijk uit de Sint-Donaaskathedraal. Op 28 april 1813 overleed Fisco: hij was pas zesendertig geworden[319].

Hiermee waren de eerbetuigingen aan de overleden prefect nog niet volledig. In zijn geboorteland werd op zijn onverwachte dood gereageerd en werden verschillende plechtige kerkdiensten gehouden. Eén ervan ging uiteraard in zijn geboortestad Vercelli door, waarover we evenwel geen details hebben. Waarschijnlijk werd in veel andere steden en dorpen een plechtigheid gehouden, zoals we kunnen opmaken uit de lijkrede die werd gehouden in de kerk van Centallo (op 15 km van Cuneo) en die belangrijk genoeg werd bevonden om in drukvorm te verschijnen[320]. De belangrijkste herdenkingsmis werd opgedragen in Cuneo, de zetel van het departement Valle Stura, op verzoek van de leden van de prefectuur. De rouwrede werd uitgesproken door een vriend van Arborio, kanunnik Michele Revelli, die directeur was van het plaatselijk college. Het werd een uitgebreide rede (ongeveer 5.000 woorden), à la Bossuet, waarin de levensloop van de overledene werd weergegeven, en waarbij hem in zwierige volzinnen de hoogst mogelijke lof werd toegezwaaid voor zijn buitengewone deugdzaamheid en goede daden[321].

De enige dochter van het echtpaar, Caroline, geboren in 1802, huwde in 1829 met graaf Filiberto Avogadro di Collobiano, behorend tot een andere vooraanstaande familie uit Vercelli. Hij was de zoon (of de kleinzoon) van Joseph Avogadro, graaf van Casanova (1731-1813) die na de Franse invasie benoemd werd tot gouverneur van de provincie Vercelli, om onder het Empire voorzitter te worden van het kiescollege van de tot departement Sesia omgedoopte provincie. Hij was tevens een bekend specialist voor de verbetering van landbouwgrond, onderwerp waarover hij veel publiceerde. Tot dezelfde familie behoorde de beroemde natuurkundige en mathematicus Amadeo Avogadro di Quaregna (1776-1856).

Toen het echtpaar Avogadro – Arborio met zijn kinderen, vijfendertig jaar na het overlijden van de prefect naar Brugge kwam, liet het een gedenksteen plaatsen in herinnering aan dit bezoek, met als opschrift: A mon Père. Ci-contre sous le Calvaire reposent les restes du très honoré seigneur Pierre Amédée Arborio Biamini Carrezane, Baron de l’Empire, Chevalier de la Légion d’Honneur, Préfet de la Lys, époux de Dame Leopoldine Ernestine Morosini, décédé le 14 août 1811 à l’âge de 45 ans. Sa fille unique comtesse Avogadro Colobani (sic), née Catherine Arborio, son époux et ses enfants de Turin, se rendirent en ces saints lieux pour prier sur le tombeau de leur père le 27 août 1849[322].


IV.

Jean François SOULT

Prefect van het Leiedepartement

 van 20 augustus 1811 tot einde maart 1814

De vierde prefect zou meteen ook de laatste zijn. Jean-François Soult werd geboren in Saint-Amans (Tarn) op 25 december 1772 en overleed in Parijs op 6 januari 1823[323]. Hij was de zesde van de zeven kinderen van Jean Soult (1726-1779) en Marie-Brigitte de Grenier de la Pierre. Jean Soult was, net als zijn vader, notaris in Saint-Amans.

Van de zoons zou geen enkele de opvolging nemen in de notarisstudie. Alle vier opteerden ze voor een militaire carrière. De oudste, Jean de Deo Soult (1769-1851) doorliep een schitterende loopbaan. Hij bracht het tot maarschalk en hertog onder Napoleon en vervolgens tot minister van defensie en eerste minister onder koning Louis-Philippe. Pierre-Benoît Soult (1770-1843) werd, in het voetspoor van zijn broer, brigadegeneraal[324]. Antoine Soult (1775-1793) die onder de Franse revolutie soldaat werd in het Tweede bataljon van de Tarn, overleed in een veldhospitaal niet ver van Bayonne op 26 november 1793.

Naast een beroemde broer

De vierde zoon, Jean-François Soult, op Kerstdag 1772 geboren, was nog geen zeventien toen hij aan een zeevaartloopbaan begon, in 1789 bij de koopvaardij en vanaf 1792 bij de Franse zeemacht. In de eerste helft van 1797, luitenant aan boord van het kaperschip Le Général, werd hij door de Engelsen gevangen genomen en gedetineerd in Porchester Castle, van oorsprong een Normandische burcht waar tijdens de Napoleontische oorlogen tot 5.000 Franse krijgsgevangenen werden vastgehouden. Zijn broer ondernam stappen om hem geld te bezorgen en zijn uitwisseling te bespoedigen. Eenmaal terug op vrije voeten begin 1798 is het niet uitgesloten dat hij zijn broer in Brugge kwam bezoeken. Vervolgens nam hij dienst als luitenant-ter-zee op het kaperschip L’Heureux, een schip van 500 ton met twintig kanonnen. In 1800 werd hij, samen met de andere 215 bemanningsleden, opnieuw door de Engelsen gevangen genomen. Na korte tijd kwam hij weer vrij. Hij verbleef toen een tijdje in Italië bij zijn broer Jean de Deo. Die was ondertussen gehuwd met een Duitse, Louise Berg (1771-1852), was luitenant-generaal geworden en voerde in Zuid-Italië een regiment aan[325].

Op 7 maart 1803 werd Jean-François Soult benoemd tot consul of ‘commissaire des relations commerciales’ in Charleston, North-Carolina en vertrok naar de Verenigde Staten. In zijn nieuwe verblijfplaats behoorde hij weldra tot de notabelen, zoals blijkt uit het feit dat hij samen met andere lokale prominenten in 1805 verschillende concerten inrichtte om fondsen te verzamelen ten gunste van vluchtelingen uit het eiland San Domingo[326]. Hij hield er evenwel niet aan daar te blijven en zijn broer de generaal ondernam stappen om hem naar Europa te laten terugkeren. Dit verliep niet vlot. Jean de Deo begon zijn démarches vanaf einde 1805 en herinnerde zijn verzoek herhaaldelijk bij de bevoegde diensten. Pas midden 1807 kreeg Jean-François het bericht dat hij van zijn functie ontheven was. In de loop van de maand augustus was hij terug in Frankrijk. Samen met zijn schoonzuster ondernam hij begin september de reis naar Duitsland, om de generaal te vervoegen. Die had ondertussen in verschillende veldslagen, vooral dan bij Austerlitz, grote roem verworven. Rond 15 december 1807 kwamen ze in Stettin aan, waar hij met zijn troepen gelegerd lag[327].

De lange reis liet aan Louise Soult-Berg toe haar schoonbroer beter te leren kennen en ze vatte het voornemen op voor hem een passende echtgenote te vinden. Ze dacht hierbij aan de weduwe van generaal Jean d’Hautpoul-Salette (1754-1807), die in Eylau was gesneuveld. Haar echtgenoot had al andere voorzuitzichten voor deze weduwe die hij aan zijn stafchef, generaal Jean Compans (1769-1845), wilde verbinden. Hij zwichtte evenwel voor de ideeën van zijn vrouw en de toestemming van de keizer werd gevraagd en bekomen. Vruchteloze inspanningen, want Jean-François Soult was niet haastig en de weduwe d’Hautpoul, die niet wenste te wachten, trouwde dan maar met generaal François Ledru des Essarts (1770-1844), terwijl Compans huwde met Louise Lecocq, een afstammelinge van de broer van Jeanne d’Arc. Soult was ondertussen een verhouding begonnen met een jonge Duitse die van hem een dochter kreeg. Hij schijnt zich achteraf weinig om moeder en dochter te hebben bekommerd, bij zoverre dat jaren later maarschalk Soult hem moest aanmanen hulpgelden naar hen te sturen[328].

Het kwam er nu op aan een passende betrekking voor Jean-François te vinden en als broer van degene die zich voortaan hertog van Dalmatië mocht noemen (Napoleon had hem de titel hertog van Austerlitz niet gegund), kon dit niet anders dan een hoge functie zijn. De maarschalk wendde zijn invloed aan, maar vanuit het verre Spanje waar hij ondertussen was naartoe gestuurd, bleek dit niet zo eenvoudig te zijn. Hoe belangrijk zijn functie en zijn status ook waren, had hij duidelijk niet het oor van de keizer. Zo is bekend dat Napoleon sprak over ce gros con de Soult[329]. Hij schreef hem de tegenslagen toe die het Franse leger in Spanje onderging en schreef naar Clarke, de minister van Oorlog: Je trouve les affaires d’Espagne mal conduites, et si mal conduites que je prévois des catastrophes (...). Une armée n’est rien que par la tête, et il faut avouer ici qu’il n’y en a aucune[330]. Ook de keizerlijke entourage wist dat en zo komt het dat het vier jaar zou duren alvorens Jean-François Soult eindelijk een benoeming kreeg.

Prefect van het Leiedepartement

Na de onvoorziene dood van de jonge Arborio, moest dringend een opvolger gevonden worden. Een kustdepartement kon, in de tijd van blokkade tegen Engeland, niet lang zonder leiding blijven. Des te meer daar de geestelijke macht in deze regio aan scherven lag, nadat de onafhankelijke houding van de paarse prefect, bisschop Maurice de Broglie (1766-1821) tijdens het Gallicaans concilie, op 12 juli geleid had tot zijn aanhouding. Wat de militaire macht betreft, hield men een bittere herinnering over aan het recente verraad van generaal Jean Sarrazin (1770-1850), tot in 1809 militair bevelhebber van het departement, die in 1810 naar de Engelse vijand was overgelopen[331]. Een betrouwbare prefect ter plekke hebben was dan ook het minste wat men moest nastreven. In volle zomer leek het daarbij niet aangewezen om een ‘mouvement préfectoral’ uit te voeren. Men diende er ook rekening mee te houden dat meer en meer prominenten, vooral ook onder de adel, zich van de keizer afwendden en er voor terugschrokken zich verder te verbranden aan een regime waarvan ze de onbestendigheid beseften. Soult zat in de wachtkamer, Soult was beschikbaar, vooruit dan maar voor Soult, die op 20 augustus 1811 werd benoemd, minder dan een week na het overlijden van zijn voorganger.

De benoeming in het Leiedepartement was des te dringender omdat Napoleon op het punt stond naar het Noorden te reizen. Half september vertrok hij uit Compiègne en bezocht de militaire kampen en havens in het departement Pas-de-Calais, meer bepaald het kamp en de haven van Boulogne (19-21 september). Vervolgens was het de beurt aan de havens in het Leiedepartement, Nieuwpoort, Oostende (22 september) en Blankenberge (23 september), waar hij de vestingwerken in aanbouw ging inspecteren, o. m. het Fort Napoleon in Oostende, om dan verder door te reizen naar Breskens. De keizer beleefde toen de laatste opflakkering van zijn ambities om Engeland te veroveren. Gedurende meer dan een maand bezocht hij vervolgens, met Marie-Louise, een aantal Nederlandse steden[332]. Het spreekt vanzelf dat bij elk bezoek, naast de militaire bevelhebber en de locale bestuurders, de aanwezigheid van de prefect vereist was, teneinde er over te waken dat de keizer het volledig naar zijn zin had. Pas benoemd, had Soult dus al direct heel wat om het hoofd. Hij was net op tijd, namelijk op dinsdag 17 september, in zijn prefectuur gearriveerd[333]. De zondag daarop mocht hij in Veurne de keizer midden in de nacht verwelkomen, hem begeleiden tot in Oostende en nadien hem uitgeleide doen naar Vlissingen[334].

De vraag kan worden gesteld of Soult eventueel vroeger al in Brugge was geweest. Zijn broer verbleef er immers een tijd en bij herhaling is in de levensloop van prefect Soult gebleken dat hij zijn broer ging opzoeken, hetzij in Italië, hetzij in Duitsland. In de eerste helft van 1798 was hij bevrijd uit zijn Engelse gevangenschap en had nog geen nieuwe dienst opgenomen. Hij kan dus zijn broer opgezocht hebben, die zich voor zijn bevrijding zeer had ingespannen. Het verblijf van generaal Soult in Brugge vraagt om enige uitleg.

In Oktober 1797 had het Directoire tot de eerste Continentale Blokkade tegen Engeland beslist en generaal Bonaparte aan het hoofd geplaatst van een Armée d’Angleterre. Dit leger moest vanuit de havens aan het Kanaal, Engeland binnenvallen. Begin februari 1798 kwam Bonaparte het militaire kamp van Boulogne en de kusthavens inspecteren, onder meer Nieuwpoort en Oostende die hij op 14 februari bezocht. Een strijd tegen de Engelsen vanuit dit vertrekpunt bekoorde hem evenwel niet en hij vertrok onmiddellijk naar Parijs om er de verantwoordelijken van hun invasieidee af te brengen. Drie maanden later vertrok hij voor de expeditie die in Egypte de Britten op hun verondersteld zwakste plek moest treffen. Heel wat officieren werden niettemin naar de noordelijke Armée d’Angleterre gestuurd en één van hen was de toen in Mainz gelegerde generaal Jean de Deo Soult. Hij arriveerde op 31 maart 1798 in Rijsel en verhuisde een paar weken later naar Brugge, waar hij samen met zijn chef, generaal Jean Championnet (1762-1800) verbleef tot 26 augustus, datum waarop hij weer naar de legers in Duitsland werd gemuteerd. Zijn vrouw kwam hem in Brugge vervoegen.

De strijd tegen de Engelsen was toen hevig en bij herhaling moesten invallen worden afgeslagen. Einde mei nam Soult deel aan de verdediging van het Sas Slijkens. De Engelsen hadden de bedoeling de sluis te vernielen, wat de overstroming van een groot deel van West-Vlaanderen tot gevolg zou gehad hebben. Tegen deze operatie werd fel geprotesteerd omdat ze strijdig werd geacht met de oorlogswetten. De gevolgen zouden immers hoofdzakelijk de burgerbevolking treffen. Door de Engelsen werden tevens regelmatig avonturiers aan wal gezet die kwamen plunderen en brand stichten. Soult kreeg de opdracht die ‘chauffeurs’ of ‘brigands’, die geen militairen waren, als hij ze te pakken kreeg, zonder pardon te liquideren. Tijdens de gevechten werden 1500 Engelse soldaten gevangen genomen en naar Brugge overgebracht waar men ze opsloot in de Sint-Donaaskathedraal, alvorens ze naar Rijsel af te voeren[335]. Van deze wapenfeiten die zich destijds hadden afgespeeld in het departement waar hij thans de leiding van nam, was Jean-François Soult ongetwijfeld op de hoogte, zelfs als hij in die periode zijn broer niet had opgezocht[336].

De veertiger Soult was een gematigd man of was dit minstens geworden. Hij wist dat het Franse bewind in de veroverde provincies maar weinig aanhang meer had en vermeldde in zijn rapporten aan het centraal gezag dat de grote meerderheid van de bevolking in zijn departement naar een terugkeer onder Oostenrijks gezag verlangde[337]. In de hevige strijd die woedde binnen het bisdom Gent, waar ook zijn departement toe behoorde, waarbij de geestelijkheid de zijde koos van de gevangen bisschop, Mgr. de Broglie, en weigerde de door Napoleon aangestelde bisschop te erkennen, werden vanuit Parijs allerhande dwangmaatregelen bevolen. Soult, nochtans a man of no religion at all, deed weinig om ze ten uitvoer te brengen[338]. Zijn passiviteit en onafhankelijkheid kenden evenwel grenzen. Toen in Parijs werd beslist dat alle weerspannige seminaristen en kandidaat-seminaristen van het bisdom Gent dienden te worden in het leger ingelijfd, vaardigde Soult een besluit uit waarbij diegenen die in zijn departement woonden werden gedagvaard om op 5 augustus 1813 voor een krijgsraad te verschijnen die hij voorzat en waarop ze gesommeerd werden trouw toe te zeggen aan de nieuw aangeduide bisschop. Niet alle 211 opgeroepen jongelui daagden op maar die het deden weigerden toe te geven. Een aantal werd als soldaat naar Parijs gestuurd, de overigen werden eerst in een Brugse kazerne vastgehouden en vervolgens naar een strafkolonie in Wezel overgebracht[339].

Eén van de voornaamste problemen waarmee Soult werd geconfronteerd was nog steeds de conscriptie, die op almaar heviger tegenstand stuitte. Op korte tijd waren niet minder dan tweeduizend opgeroepen jongeren van het departement van de Leie gedeserteerd. Ze doken onder en sommigen leefden van kleine of grote criminaliteit[340]. In de archieven van het Leiedepartement berusten de bundels betreffende de dienstweigeraars en deserteurs. Daar waar men tot en met 1812 één bundel per jaar aantreft,  zijn dat er voor het jaar 1813 bijna één per maand.

De conscriptie gaf ook aanleiding tot rellen. Op 22 april 1813 hadden honderden dienstplichtigen zich verzameld op het Sint-Jansplein. Van daar trokken ze naar de Burg (herdoopt tot Place de la Préfecture) en vielen het stadhuis binnen waar de Wervingsraad of Conseil de recrutement onder het voorzitterschap van maire de Croeser aan het vergaderen was. Een incident met een rijkswachter was voldoende om de jonge mannen helemaal op te hitsen. Ze drongen de vergaderzaal binnen en verscheurden alle documenten die ze er aantroffen. Toen de prefect het lawaai tot in zijn kantoor hoorde, haastte hij zich naar buiten en baande zich een weg door de massa oproerkraaiers om het stadhuis te bereiken. Het bekwam hem slecht want hij kreeg enkele rake klappen. Daarop zette hij de militaire macht in en werden een aantal belhamels in de gevangenis gestopt, terwijl de overige conscrits naar kazernes werden gebracht, van waaruit ze ’s anderendaags naar het leger vertrokken[341].

Soult liet niet na zich over het ganse departement ter plekke te begeven. In 1812 ondernam hij zeven tournees van één of twee weken. Bijna telkens trad de Bruggeling François Van Praet (1759-1832)[342] die, met korte onderbrekingen, sinds 1796 lid was van de prefectorale raad, als zijn plaatsvervanger op. Over zijn inspectietochten in 1813, die waarschijnlijk even talrijk waren, hebben we geen gegevens.

Het Franse keizerrijk was aan zijn laatste dagen toe. Einde 1813 braken de eerste onlusten in Brugge los. De Franse overheid had maar onvoldoende greep meer op de lokale toestand. Na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig (16 oktober 1813) begonnen de geallieerden aan hun veroveringen. In de nacht van 1 op 2 februari 1814 kwam een estafette de prefect waarschuwen dat de Franse verdedigingslinie doorbroken was en hij zich naar Ieper moest begeven alvorens de pas hem werd afgesneden. Gans de dag werd koortsachtig ingepakt en om tien uur ’s avonds vertrokken de prefect, de militaire bevelhebber en hun respectievelijke medewerkers. Een paar uren later, bij het naderen van Torhout, brak de wagenboom van de prefectorale koets. Soult werd naar buiten geslingerd, dwars door een deurruit en werd, ernstig gewond, naar Ieper gevoerd. Daar aangekomen werd hij aangemaand verder naar Frankrijk te trekken, wilde hij niet in handen van de geallieerde troepen vallen[343]. Brugge vierde ondertussen een zoveelste ‘bevrijding’. Op 15 februari 1814 verscheen het eerste nummer van de Nieuwe Gazette van Brugge van drukker Pieter De Vliegher en redacteur Felix de Pachtere (1783-1849), een krant die onder het Frans bewind geen kans had gemaakt. 

Begin maart was Soult in Parijs en bracht er verslag uit. Men beval hem op 9 maart rechtsomkeer te maken en aanwezig te zijn bij de inspanningen die door een beperkte troepenmacht werden ondernomen om de provincie te heroveren. Vanuit Oostende werden aanvallen op Brugge georganiseerd. Er waren enkele beschietingen en een kortstondige bezetting, men nam een paar gijzelaars mee, namelijk de voorlopige intendant Bernard Van Severen en de burgemeester Jean Jacques van Zuylen van Nyevelt (1752-1846), maar dit bracht niets bij: het waren de ultieme stuiptrekkingen. Soult dateerde zijn laatste verslag vanuit Oostende op 23 maart 1814[344]. Op 28 maart liet hij nog een optimistische brief geworden aan een aantal ambtenaren, met het bericht dat het er op leek dat de vijand aan het terugtrekken was en dat ze verzocht werden zonder uitstel hun post weer in te nemen als ze die hadden verlaten[345]. Zijn optimisme duurde amper enkele uren. De geallieerde troepen rukten op en hij sloeg opnieuw op de vlucht. Op 2 april werd Napoleon door de Senaat afgezet en op 6 april ondertekende hij de troonsafstand. De Zuidelijke Nederlanden waren ondertussen al sedert midden februari aan het gezag van de Franse administratie onttrokken en toevertrouwd aan een Voorlopig Bewind dat door de geallieerde machten was opgericht. Jean-François Soult was weer ambteloos burger[346].

Samen met hem verdween ook de secretaris-generaal van het departement, Auguste Henissart. Henissart was in 1796 als tweeëntwintigjarig heethoofd in Brugge in dienst bij het departement gekomen en was de ganse ‘Beloken Tijd’ mee verantwoordelijk geweest voor de harde aanpak van het Tweede Directoire. Dat hij gedurende achttien jaar onverminderd op zijn zelfde plek was gebleven, eerst als ‘oppersecretaris’, vervolgens als secretaris-generaal en vaak als dienstdoende prefect, had hij aan zijn grote ijver te danken, die door de overheid geapprecieerd werd. Bij de bevolking lag het anders. Fourcroy had het in 1802 al in zijn verslag geschreven: On en voulait à Bruges à ce fonctionnaire d’avoir représenté le gouvernement français au temps révolutionnaire[347]

Opnieuw in het kielzog van zijn broer

Terug in Parijs, verbond Jean-François zijn verdere lot aan dat van zijn oudste broer. Maarschalk Soult beleefde moeilijke tijden. Bij de eerste val van Napoleon had hij zijn loyaliteit betoond tegenover koning Lodewijk XVIII, die hem tot minister van Defensie had benoemd. Bij de terugkeer van de keizer had hij eerst getwijfeld maar was vervolgens met hem opgetrokken en had in Waterloo dapper gestreden. Een nieuwe ommekeer en verklaring van trouw aan de koning bleken niet vanzelfsprekend. Soult moest zich verantwoorden en in het opstellen van zijn verdediging werd hij bijgestaan door Jean-François. Ze trokken zich hiervoor terug in hun geboortehuis in Saint-Amans.

Soult kon zich onvoldoende verantwoorden en bleef in ongenade, met als gevolg dat hij begin 1816 in ballingschap vertrok en met zijn gezin in de geboortestreek van zijn echtgenote ging wonen. Hij vertrok voorop, wat later gevolgd door zijn echtgenote en hun twee kinderen. Jean-François vergezelde hen tot in Bergen (Henegouwen) en keerde terug naar Parijs. De maarschalk had hem een algemene volmacht gegeven voor alle zakelijke aangelegenheden. De eerste opdracht waarmee hij belast was bestond erin de Parijse residentie van zijn broer en zijn buitenverblijf in Villeneuve te verkopen. Hij zocht tevergeefs naar kopers. Hij verkocht dan maar al het zilverwerk, terwijl zijn schoonzuster hem ook gelastte met de verkoop van haar juwelen. Hij bleef in Parijs wonen en, hoewel hij peter werd van Caroline, het derde kind dat in het gezin van de maarschalk werd geboren op 27 januari 1817 (en datzelfde jaar overleed), deed hij de reis naar Duitsland niet en liet zich vertegenwoordigen door zijn neef Napoléon-Hector Soult, (1802-1857), broer van de boreling. Wat later trok hij dan toch naar Düsseldorf om er die neef te gaan ophalen en hem naar Parijs te begeleiden waar hij zijn studies zou verder zetten. Jean-François bleef het hotel van zijn broer in de Rue de l’Université bewonen en kon er in 1818 het ganse gezin van de maarschalk verwelkomen, terwijl deze laatste nog verbannen bleef en dit tot midden 1819[348].

Op 10 juni 1822 was Jean-François Soult één van de getuigen bij het huwelijk van zijn nichtje Hortense Soult (1804-1862) met graaf Jules de Mornay (1798-1852). Hij schonk haar een diamanten garnituur ter waarde van 21.000 franken. Het huwelijksfeest was ongeveer de laatste activiteit waar hij aan deelnam. Ziek, had hij zich teruggetrokken in een klein landhuis in Ivry. Begin september voelde hij zich beter en kwam naar Parijs terug. De beterschap bleek slechts tijdelijk te zijn. Op 20 december dicteerde hij zijn testament, waarbij hij zijn broer, de maarschalk, tot zijn universeel erfgenaam aanstelde. Jean-François Soult had een aardig fortuin vergaard. Het is waarschijnlijk dat dit goeddeels kwam van zijn aandeelhouderschap in kapersvaartuigen, onder meer van het mede-eigenaarschap, samen met zijn broer, van de kaper Duc de Dalmatie. Op Kerstdag bereikte hij zijn vijftigste levensjaar en op 6 januari 1823 overleed hij[349].


V.

Het belang van de prefect

Van 1800 tot 1814 speelden vier opeenvolgende prefecten hun niet onbelangrijke rol in onze provincie. De Viry bekleedde het ambt gedurende bijna vier jaar, Chauvelin gedurende 6 jaar en 4 maanden, Arborio gedurende 7 maanden (waarvan 4 effectief) en Soult gedurende 2 jaar en 6 maanden. Ze stonden aan het hoofd van een departement dat bijna 500.000 inwoners telde, het tweede meest bevolkte van de negen departementen in de voormalige Zuidelijke Nederlanden, na dat van de Schelde[350].

De rol van de prefect

Prefecten wisten zeer goed waaraan zich te houden. In een sterk gecentraliseerd Frankrijk waren zij de uitvoerders, voor hun departement, van de in Parijs genomen beslissingen. Ze waren dienaars van hoog niveau, maar dienaars niettemin. Lucien Bonaparte (1775-1840), de erg jonge en kortstondige minister van Binnenlandse Zaken drukte het op 26 april 1800 duidelijk uit tegenover de prefecten: Toute idée d'administration et d'ensemble serait détruite si chaque préfet pouvait prendre pour règle de conduite son opinion personnelle sur une loi ou sur un acte de gouvernement. Il devient simple citoyen quand, au lieu de se borner à exécuter, il a une pensée qui n'est pas celle du gouvernement et surtout quand il la manifeste. Les idées générales doivent partir du centre, c'est de là que doit venir l'impulsion uniforme et commune: et je vois avec peine que quelques-uns de vous, dans des intentions louables sans doute, s'occupent du soin d'interpréter les lois; qu'ils parlent aux administrés par des circulaires, des placards; qu'ils remplissent les journaux du récit de leurs œuvres. Ce n'est pas ainsi que le gouvernement désire qu'on administre[351]. Het blijkt dus dat minder dan twee maanden na de benoeming van de eerste prefecten, er al waren die eigen accenten in de uitvoering van hun mandaat legden. Ook de beroemde scheikundige Jean Chaptal (1756-1832), die rapporteur was van het wetsontwerp, omschreef duidelijk de rol van de prefecten toen hij verklaarde: ils transmettront la loi et les ordres du gouvernement jusqu'aux dernières ramifications de l'ordre social avec la rapidité du fluide électrique.

Napoleon drukte later zijn voldoening uit over de prefectorale werking, toen hij aan Las Cases verklaarde: L'organisation des préfectures, leur action, les résultats obtenus étaient admirables et prodigieux. La même impulsion se trouvait donnée au même instant à 40 millions d'hommes; et, à l'aide de ces centres d'activité locale, le mouvement était aussi rapide à toutes les extrémités qu'au cœur même. Les préfets, avec toute l'autorité et les ressources locales dont ils se trouvaient investis, étaient eux-mêmes des empereurs au petit pied ; et, comme ils n'avaient de force que par l'impulsion première dont ils étaient les organes, que toute leur influence ne dérivait que de leur emploi du moment, qu'ils ne tenaient nullement au sol qu'ils régissaient, ils avaient tous les avantages des anciens grands agents absolus sans aucun de leurs inconvénients[352].

‘Keizers in het klein’ binnen de grenzen van hun departement, zo oordeelde Napoleon over de prefecten, maar dan wel op voorwaarde dat ze strikt de bevelen opvolgden. De prefect was de voornaamste vertegenwoordiger ter plekke van het centraal en zeer gecentraliseerd gezag. Er kwam een bestendige stroom van bevelen vanuit Parijs aangerold en de prefect werd verwacht die stipt op te volgen. In dit opzicht was hij in hoge mate een dienaar van het centrale gezag. Hij en zijn administratie hadden de opdracht een waakzaam oog te houden op het hun toevertrouwde gebied en in uitgebreide verslagen tot in de details het reilen en zeilen binnen hun departement mee te delen. Over alle zaken die door ondergeschikte besturen werden aanhangig gemaakt in Parijs, moesten ze advies uitbrengen en als een beslissing genomen werd, gebeurde de mededeling ervan via de prefect. Ze moesten ook alle besluiten, tot de kleinste, van alle ondergeschikte besturen goedkeuren. Dit sleepte soms aan. Het politiereglement van Izegem dat dateerde van 22 maart 1806 werd pas op 19 december 1807 door prefect Chauvelin goedgekeurd[353]. Het kon weliswaar ook vlug gaan. Het reglement van de stad Nieuwpoort op de uithangborden van 8 maart 1807 was een week later al door de prefect goedgekeurd[354]. Voor heel wat zaken diende de prefect maar als tussenschakel en moest hij de beslissing in Parijs aanvragen. Zo was het niet de Viry maar een consulair decreet van 26 april 1803 dat de oprichting toestond van een Kamer van Koophandel in Brugge en in Oostende[355].

De prefect stuurde ook zeer regelmatig uitgebreide rapporten naar Parijs  over de algemene toestand in zijn departement, meer bepaald over wat leefde bij de bevolking. De naaste medewerkers van Bonaparte en de voornaamste ministers namen hiervan kennis. Daarbij moest de prefect ook vaak allerhande uitgebreide vragenlijsten beantwoorden, op basis van de gegevens die hij op zijn beurt bij de verschillende gemeentebesturen of bij deskundigen opvroeg. De Franse tijd, zowel onder het consulaat als onder het keizerrijk is gekenmerkt door een niet te stillen honger naar informatie over alles wat op de meest uiteenlopende gebieden in elk van de departementen omging.

De Mémoire statistique

Een belangrijk voorbeeld hiervan is de Mémoire statistique[356] die prefect de Viry in de tweede helft van 1803 naar Parijs stuurde[357]. Het ging uiteraard om de vervulling van een opdracht die vanuit de hoofdstad was gekomen en aan alle prefecten was opgelegd, met opgave van een hele reeks vragen die dienden te worden beantwoord. Het ging hierbij om veel méér dan om het meedelen van statistische cijfergegevens, maar om een uitgebreid rapport over alle aspecten van het economisch en maatschappelijk leven. Het werk was omvangrijk: aangevat in de loop van het jaar 1800, ging er drie jaar over alvorens het klaar kwam. Eerst had de prefect gedacht er zich te kunnen van af maken met een rapport dat hij al na twee maanden klaar had. Die vlieger ging niet op en vanuit Parijs kwamen instructies voor een grondiger aanpak. De prefectuur deed dan ook grotere inspanningen, zoals de werkwijze gebruikt voor het hoofdstuk “landbouw” aantoont[358]. Eerst werd in het jaar IX (1800-1801) een hele reeks gegevens opgevraagd bij elk gemeentebestuur. Het jaar daarop werden door een opgerichte conseil d’agriculture elf bijkomende vragen geformuleerd die eveneens door de gemeenten dienden te worden beantwoord. In de eerste helft van 1803 werd vervolgens nog om het advies gevraagd van twaalf vooraanstaande inwoners, van wie werd aangenomen dat ze goed de landbouwproblematiek kenden en die uitgebreid op een aantal vragen antwoordden.

Onder die twaalf heren waren de meesten ondertussen goede bekenden geworden van de prefect. Drie onder hen, Benoît Holvoet, Auguste Wieland en Bernard van Severen ontmoette hij regelmatig aangezien ze Conseiller de la préfecture waren;  Philippe Herwyn (1750-1837)[359] was zijn sous-préfet in Veurne; Renon le Bailly de Tilleghem (1757-1824)[360], Louis van den Bogaerde (1750-1827)[361], Bernard De Deurwaerder (1752-1832)[362], Charles de Croeser (1746-1828)[363], Charles Imbert de Motelettes (1735-1822)[364] kende hij doordat ze in de departementsraad of in de gemeenteraad van Brugge, zoniet in beide, of ook nog in het departementaal kiescollege, een rol speelden. Ze behoorden allen tot de belangrijke notabelen van de stad en ze verleenden volle medewerking aan de prefect. Eenmaal al deze omvangrijke gegevens ingezameld, schreven de ambtenaren van de prefectuur het gevraagde rapport en kon de prefect het, onder zijn handtekening, naar Parijs sturen. Op 30 november 1803 ging de tekst naar de drukker. Enkele maanden later werd het rapport onder de titel Mémoire statistique du département de la Lys in een statig in-folio in Parijs gepubliceerd in de reeks Statistique générale de la France[365].

Hoe belangrijk het persoonlijk aandeel was van de prefect in het ontstaan en het opstellen van zo een rapport, is niet te achterhalen, maar het is een feit dat het niet kon tot stand komen als hij niet met zijn volle gezag het inzamelen van de gegevens ondersteunde. Dan nog bleef het moeilijk. De prefect had weinig steun van zijn sous-préfets die niet altijd erg bekwaam en soms zelfs corrupt waren. Vele burgemeesters, die een onbezoldigde functie uitoefenden, waren ook moeilijk tot inspanningen te bewegen. Binnen zijn administratie vertrouwde hij voornamelijk op secretaris-generaal Auguste Henissart en bureauchef Jean-Baptiste Schwartz, die elk een deel van de redactie voor hun rekening namen. Hoe dan ook nam de prefect de verantwoordelijkheid voor de tekst op zich en werd die onder zijn naam gepubliceerd. De gebruikte stijl was trouwens heel direct en een aantal zinnen was in de ikvorm gesteld. In tegenstelling tot wat bvb. zijn collega Arborio in Stura deed, vernoemde de Viry geen naam of namen van ambtenaren die aan de tekst hadden meegewerkt en bleef hijzelf als enige auteur vermeld. Ondanks de geleverde inspanningen, bleek na een paar jaar dat het toch maar amateurswerk was geweest. Toen het Bureau van de statistiek zelf beter uitgerust was en meer ervaring had, besloot de directeur in 1806 dat het rapport over het departement van de Schelde médiocre was en dat over het departement van de Leie à refaire.

De persoonlijke toets

De prefect kon naast dit alles, als eerste burger binnen zijn departement, ook een persoonlijke rol vervullen. Vooreerst kon hij, wat Lucien Bonaparte daar ook mocht van gezegd hebben, de ontvangen bevelen op persoonlijke wijze interpreteren, in functie van de plaatselijke omstandigheden. Zeker in de Belgische departementen wisten de prefecten dat ze voorzichtig moesten te werk gaan, omdat het Franse regime – behalve misschien een korte periode in het begin van het keizerrijk, met een opflakkering na het huwelijk met Marie-Louise van Oostenrijk - allesbehalve populair was bij een steeds grotere meerderheid van de bevolking. Om de rust en de vrede te bewaren aarzelden ze dan ook niet om de ontvangen bevelen in een verzachtende zin te interpreteren of zelfs af en toe gewoon naast zich neer te leggen. Van de Viry werd gezegd qu’il s’efforçait de correspondre aux vues bienfaisantes du gouvernement, tout en atténuant les ordres qu’il jugeait parfois sévères[366].

Anderzijds kon de prefect zijn eigen stempel drukken op het plaatselijk gebeuren. Voor het aanmoedigen van de industrie en handel, voor het stimuleren van de bouwactiviteiten, voor de hulpverlening aan armen en hulpbehoevenden, beschikte hij over ruime mogelijkheden van tussenkomst en beïnvloeding. Ook hier had Lucien Bonaparte al de weg gewezen toen hij in een circulaire van 12 maart 1800 verwees naar de rol van de prefect bij alles wat betrekking had met de fortune publique en de prospérité nationale. Een paar voorbeelden onder vele voor wat betreft de industrie en handel, volgen hierna. Prefect de Viry was nauwelijks in Brugge aangekomen, of hij richtte een Commission de Commerce du département de la Lys op, bestaande uit 24 leden[367]; hij nam het initiatief om enkele Brugse blekers naar Parijs te sturen, teneinde er een nieuwe methode van bleken par la vapeur aan te leren[368]; prefect Chauvelin zorgde er in 1806 voor dat de Brugse textielindustrie aanwezig was op de Exposition générale de l’industrie in Parijs[369]. Hij maakte ook dat de ontginner François Werbrouck (1739-1824), die een grote rol speelde bij het vruchtbaar maken van woeste grond in en om Beernem, een officiële erkenning kreeg, die hij hem zelf feestelijk overhandigde[370]. De prefect speelde ook een cruciale rol bij het voordragen van kandidaturen voor functies in de gemeentebesturen of in de administratie. Voor de kleine gemeenten had hij trouwens zelf de benoemingsbevoegdheid. Tenslotte, kon hij door het uiten van zijn belangstelling, door zijn aanwezigheid, door het verlenen van ambtelijke of financiële steun, de hulpverlening in de sociale sector, het culturele leven en de recreatieve activiteiten stimuleren.

De prefecten waren niet aan hun bureel gekluisterd. Elk van hen begaf zich heel vaak ter plekke, over het ganse departement. Als het om een bezoek van één of een paar dagen ging, had dit geen ambtelijke gevolgen, maar van zodra het om drie dagen en méér ging, stelde de prefect een plaatsvervanger aan. De Viry deed het negen maal voor een totaal van 132 dagen; Chauvelin vierentwintig maal voor een totaal van 745 dagen; Arborio tweemaal voor in totaal 29 dagen en Soult acht maal tot begin 1813 voor in totaal 87 dagen, waarbij we nog minstens een 50tal dagen mogen begroten voor het volledige jaar 1813 en het begin van 1814.

Alles bij elkaar waren dat over de ganse periode, 1043 dagen waarbij de prefecten zich wegens dienstreizen, of vanwege aanwezigheid in Parijs en Brussel, of ziekte, lieten vervangen. Daarbij kwamen dan nog eens 284 vacaturedagen, tussen het vertrek van een prefect en de aankomst van zijn opvolger. In totaal waren het 1327 dagen of, op honderd dagen na, vier volle jaren dat er geen prefect op de prefectuur aanwezig was. Dit betekende natuurlijk niet dat het departement al die tijd aan zijn lot werd overgelaten. De administratie draaide als een goed geoliede machine, de secretaris generaal Henissart bleef bestendig op post en hijzelf of één van de conseillers die als dienstdoende prefect optraden, wisten precies wat hen te doen stond. Aangezien het in de meeste gevallen om een afwezigheid ging omwille van inspectietochten binnen het departement, kon in geval van nood binnen enkele uren een koerier de prefect bereiken. Het herhaalde en langdurige verblijf van Chauvelin in Parijs vormde hierop uitzondering.

Ervaren lieden

Over de periode 1800-1814 brachten de vier prefecten hun niet onbelangrijke ervaring met zich mee, opgedaan tijdens gevarieerde en internationale loopbanen. Dit was vooral het geval voor de Viry en Chauvelin, beiden oud-ambassadeur, die thuis waren geweest aan koninklijke hoven en een actieve rol hadden gespeeld in belangrijke diplomatieke of politieke zaken. Beiden waren, op verschillende tijdstippen en in dienst van andere landen, ambassadeur in Londen geweest, hadden zowel daar als in Versailles aan koninklijke hoven verbleven, hadden koningen, toppolitici en hoge ambtenaren persoonlijk gekend, hadden de routine verworven van het sturen van verslagen naar de centrale overheid, hadden in statige ambassaderesidenties en in hun eigen kastelen gewoond. Beiden hadden de voordelen van de diplomatieke immuniteit gekend maar ook de gevaren van het uitoefenen van een prominente functie in troebele tijden.

Met hen stuurde men zeker geen ‘tweede keus’ naar het Leiedepartement. Hun achtergrond woog heel wat zwaarder dan die van de jonge revolutionairen die voordien met de titel van représentant du peuple, agent national, commissaire de la Convention of commissaire du Directoire het roer in handen hadden en die méér ambitie dan ervaring rijk waren en méér fanatisme dan wijsheid ten toon spreidden. Drie van de vier prefecten van het Leiedepartement behoorden tot de adel van het ancien régime en ten overvloede werden ze ook nog in de noblesse d’Empire opgenomen[371]. In hen trof de lokale bovenlaag op zijn minst mensen met beleefdheid en manieren aan, des hommes du monde, wat in de eerste jaren van de revolutie bij de machthebbers van het ogenblik, vaak niet  het geval was. Alleen de vierde prefect behoorde tot de burgerij, maar was dan wel de broer van een prins van het nieuwe regime en behoorde aldus ook tot de upperclass. Geen van hen had er alvast iets op tegen dat talrijke leden van de vroegere adel opnieuw een vooraanstaande rol vervulden. Dit werd trouwens vanuit Parijs aangemoedigd. Anderzijds waren ze toch duidelijk alle vier, de ene wat vroeger dan de andere, in de ban gekomen van de revolutionaire ideeën – daarom niet van de extreem-jacobijnse variant - en behoorden ze ook tot de verlichte, meestal antiklerikale intelligentsia. 

Een andere karakteristiek was dat ze alle vier een tijd gevangen hadden gezeten, Chauvelin zelfs in levensbedreigende omstandigheden. Ze hadden dus aan den lijve ondervonden hoe vlug men, in woelige tijden, van de top van de samenleving kon naar beneden tuimelen. Gaf dit aanleiding tot het scheppen van banden met West-Vlaamse heren die hetzelfde hadden meegemaakt? Het is immers waarschijnlijk dat het delen van een zo traumatische ervaring mensen nader tot elkaar bracht. Zo kwam Thomas Paine (1737-1809), vooraleer hij voor goed naar America vertrok, tijdens de winter 1799-1800 enkele weken in Brugge doorbrengen bij zijn vriend Joseph Van Huele (1765-1803) die met hem onder de Terreur in het Palais du Luxembourg in de gevangenis zat[372]. Het is dus niet uit te sluiten dat ook de prefecten in Brugge vriendschap sloten met lotgenoten, hoewel hiervan tot hiertoe geen tastbare bewijzen zijn gevonden.

Zoals het paste binnen de Franse en meer bepaald Napoleontische politiek van assimilatie van de veroverde gebieden, waren de prefecten, behoudens uitzonderingen, vreemd aan het departement en zijn bewoners. Als West-Vlamingen in aanmerking kwamen voor het hoge ambt, dan was het zeker niet in de vroegere Oostenrijkse Nederlanden (op een uitzondering na), laat staan in Brugge dat ze benoemd werden. De Bruggelingen Frans Beyts (1763-1832) en Patrice de Coninck de Merckem werden prefect, de eerste in Blois, alvorens hij aan zijn grote carrière in de magistratuur begon, de tweede achtereenvolgens in de departementen Ain, Jemappes, Bouches de l’Escaut en Bouches de l’Elbe. De Dadizelenaar Benoît Holvoet werd prefect in de departementen Jemappes en Loire. De andere in Belgische departementen gerekruteerde prefecten, werden eveneens buiten de Zuid-Nederlandse provincies ingezet[373]. Anderzijds schreef de gevolgde politiek voor dat in algemene regel de prefecten nooit uitermate lang op dezelfde post bleven. Ofwel werden ze overgeplaatst naar een andere prefectuur, ofwel werden ze tot andere, meestal hogere functies geroepen. Zo wilde men de mogelijkheid minimaliseren dat ze zich al te zeer met hun onderdanen zouden vereenzelvigen en te ‘inheems’ zouden worden, daar waar men hun volle loyaliteit uitsluitend in de richting van de centrale macht wilde zien gaan. Het systeem van rotatie kenmerkt tot op vandaag het ambt van prefect in Frankrijk, terwijl in Nederland de commissaris van de koningin en in België de gouverneur, eenmaal benoemd, de functie gewoonlijk bekleden tot aan de pensioenleeftijd. In België wordt daarbij ook meestal een personaliteit uit de provincie zelf tot gouverneur aangesteld.

Een vraag die vooralsnog onbeantwoord moet blijven betreft de al dan niet inburgering en de vrijetijdsbesteding van de verschillende prefecten. In tegenstelling tot officieren en ambtenaren, lieten de prefecten zich niet inschrijven in de gezelligheidsverenigingen die de stad rijk was. Hun naam komt niet voor in de ledenlijsten van de Société littéraire, van de schutters- en schermersverenigingen of van de loge La Réunion des Amis du Nord. Behalve een paar vermeldingen in de aantekeningen van Verbrugge over de contacten tussen Arborio en Joseph van Huerne, hebben we geen elementen gevonden die zouden aantonen dat de prefecten eventueel nauwere banden aanhaalden met locale prominenten.

Men kan zich nochtans moeilijk indenken dat ze avond na avond alleen thuis zaten, en niet deelnamen aan kaartavonden, muziekuitvoeringen, diners of bals die zonder enige twijfel onder de adel en de hogere burgerij plaatsvonden. Maakten ze vaak gebruik van de hun voorbehouden loge in de schouwburg? Organiseerden ze feesten en recepties in hun residentie en wie nodigden ze hierop uit? Brachten ze de zomermaanden in hun officiële residentie door of huurden ze een buitenverblijf buiten de stad, om aldus gelijke tred te houden met de locale vooraanstaanden die minstens drie maanden per jaar op hun kasteel of ‘campagne’ verbleven? Namen ze deel aan jachtpartijen? Hielden ze bijeenkomsten met een kleine groep vrienden? Sloten ze nauwere vriendschapsbanden met sommige Bruggelingen, eventueel zelfs, vooral dan Chauvelin en Soult, met een of andere jonge dame? Had de Viry, zijn Engelse vrouw en andere relaties indachtig, contacten met de kleine Engelse kolonie in Brugge, met de families Chantrell, Edwards, en andere? En als de prefecten op rondreis waren doorheen het departement, waar en bij wie logeerden en aten zij dan? Over dit alles zal misschien ooit in privé-documenten iets opduiken. Anderzijds kan men zich afvragen hoe de echtgenoten van de Viry, Chauvelin en Arborio de tijd doorbrachten in een stad en streek waar ze, nog minder dan hun echtgenoten, iemand kenden.  

Over de gebeurtenissen tijdens de Franse periode in Brugge en in het departement van de Leie bestaat geen afzonderlijke en overzichtelijke studie, alleen enkele artikels over deelaspecten (de meeste treft men in onze voetnota’s aan) en een aantal gegevens vermeld in de algemene werken, beide enigszins verouderd, van Lanzac de Laborie en Verhaegen. Over elk van de prefecten afzonderlijk is bijzonder weinig gepubliceerd. Dit heeft verschillende oorzaken, waaronder het feit dat de archieven van het Leiedepartement slechts enkele documenten bevatten die direct op de prefecten zelf betrekking hebben. Hoe elk van hen zich van zijn taken kweet, van de hem geboden mogelijkheden gebruik maakte en desgevallend initiatieven nam of persoonlijke doelstellingen nastreefde, is tot hiertoe niet onderzocht en is op basis van wat aan documenten aanwezig is, wellicht niet makkelijk te bepalen.

Een detailonderzoek van de aanwezige archieven, zowel in Brugge als in Parijs, die wat betreft de werkzaamheden van de verschillende geledingen van de prefectuur als instantie, wél omvangrijk zijn, zou alvast een nog duidelijker beeld kunnen geven van het reilen en zeilen in onze stad en provincie gedurende de veertien spannende jaren van het consulaat en het keizerrijk. Bij verdere studie kan kennis van de levensloop van de verschillende prefecten als achtergrond dienst bewijzen. Hun contrastrijke levens zouden een volledige biografie verdienen of zelfs stof kunnen leveren voor een historische roman. Voor Chauvelin is dit laatste trouwens, dankzij barones Orczy, in een zekere zin het geval geweest.

Na een min of meer lange loopbaan onder het Ancien Regime moest elk van de vier prefecten zich doorheen de problemen van de revolutietijd zien te slaan en vervolgens nieuwe wegen bewandelen, soms ver van huis, onder opeenvolgende regimes, teneinde een toekomst te verzekeren voor zichzelf, zijn familie, eventueel zijn kinderen. De vier prefecten van het departement van de Leie schijnen alle vier, de ene al iets meer dan de andere, hierin te zijn geslaagd.

Verder door te voeren studie

Deze bijdrage heeft méér biografische gegevens bijeengebracht over elk van de vier prefecten, dan tot hiertoe in andere geschriften is gebeurd. Dit betekent niet dat ze volledig is, integendeel. Het gaat immers niet om figuren van eerste rang en ze zijn derhalve nooit eerder het voorwerp geweest van grondige studie. Een programma van verder onderzoek zou zich kunnen richten naar documenten uit hun privé-leven, zoals akten van burgerlijke stand, parochieboeken, huwelijkscontracten, testamenten of nalatenschappen, notariële en commerciële akten.

Voor de Viry zou uitgebreid moeten worden kennis genomen van de ongetwijfeld talrijke verslagen van zijn hand, die hij tijdens zijn lange diplomatieke loopbaan, vanuit Den Haag, Londen, Madrid of Parijs naar Turijn stuurde. Zijn rapporten als prefect zijn weinig onderzocht, wat ook geldt voor die van zijn drie opvolgers. Ook zijn activiteiten tijdens zijn bijna tien jaar lidmaatschap van de Franse Senaat zouden onderzoek verdienen. Om in aanmerking te worden genomen voor bijzetting in het Pantheon, moet hij toch ongetwijfeld een ietwat in het oog springende rol hebben vervuld.

Voor Chauvelin zijn de mogelijke opzoekingen nog ruimer. Er blijven immers heel wat blinde vlekken in zijn leven, waarvan men gemakshalve heeft aangenomen dat het om perioden ging die hij in Cîteaux doorbracht, maar is dit wel zo? Anderzijds hebben zijn activiteiten in Londen en zijn kort ambassadeurschap in Firenze documenten opgeleverd die zich in de archieven van het Quai d’Orsay bevinden en nog onvoldoende zijn uitgepluisd. Voor de periode 1815-1832 tijdens dewelke hij een actieve politieke rol vervulde, zijn heel wat drukwerken en documenten te raadplegen, zonder van de politierapporten te gewagen die over hem, als vooraanstaand lid van de oppositie, talrijk moeten geweest zijn.

Over Arborio en Soult zouden, weliswaar in mindere mate, ook nog gegevens op te diepen zijn.

Dit alles is evenwel niet voor ons weggelegd, en zal hopelijk ooit het voorwerp van studie uitmaken vanwege jonge Franse historici die met meer gemak toegang kunnen hebben tot de vele genoemde bronnen en waarschijnlijk nog andere. We kunnen enkel hopen dat onze bijdrage voldoende belangstelling wekt om tot verdere studie te bewegen. Wat wèl nog, voor ons of een ander, ter plaatse mogelijk blijft, is verder onderzoek over de vier heren in hun prefectorale functie. Naast de officiële archieven kunnen de nieuwsbladen en andere geschriften hierbij helpen. Ons artikel moge ook hiervoor een aanzet zijn.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Biekorf, jaargang 2004 en 2005)

[1] Thierry LENTZ, Le 18 Brumaire, Paris, Picollec, 1997; Jean TULARD, Le 18 Brumaire, Paris, Perrin, 1997; Euloge BOISSONADE, 18 Brumaire An VIII, le coup d’état de Napoléon Bonaparte, Paris, EMH, 2003.

[2] Het decreet van 8 november 1798 beval de deportatie van 8000 priesters in de Belgische departementen.

[3] Jos DE SMET, De Beloken Tijd in West-Vlaanderen (1797-1802), in: Collationes Brugenses et Gandavenses, 1955, blz. 9-22; Kurt PRIEM, God of de keizer? Clerus en politiek te Brugge (1780-1802), Brugge, 1996, blz. 75-92; J. VAN WALLEGHEM, Merckenweerdigste voorvallen 1797, Brugge, 1997; Stadsarchief Brugge (SAB), Dagboek Van Walleghem (VW), Merckenweerdigste voorvallen (MV) 1798.

[4] SAB, VW, MV 1799, folio 139.

[5] L. DE LANZAC DE LABORIE, La domination française en Belgique, Paris, 1895; Albert SOREL, L’Europe et la Révolution Française, Tome V, Bonaparte, 1796-1804, Paris, Plon, 1901; Paul VERHAEGEN, La Belgique sous la domination française, 1792-1814, Bruxelles, 1922-1929, 5 Vol., réédition 1981, Vol. 4, L’Empire, Vol. 5, La chute de l’Empire; J. DE SMET, L’administration du Département de la Lys après le coup d’état de Brumaire, in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1931, blz. 121-138; J. DE SMET, Inventaris van het archief der Franse hoofdbesturen in West-Vlaanderen 1794-1814, Brussel, 1951; J. VERHELST, De “Archives Nationales” te Parijs. Documenten betreffende de Leie- en Scheldedepartementen in de reeksen C en F, 1789-1815, in: Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 1969, blz. 1-70.

[6] F. LETANG, Alexandre-Romain Crochon, in: Dictionnaire de Biographie nationale, Tome IX, col. 1260, Paris, 1961. Alexandre Crochon (Pont-Audemer 1759-1842), procureur in zijn geboortestad, kende een wat hectische loopbaan tijdens de revolutiejaren, werd door het departement van de Eure in de Conseil des Cinq Cents gekozen, was daar zeer actief en stond Lucien Bonaparte bij in de staatsgreep van 18 Brumaire. Als beloning werd hij op zending gestuurd naar de Belgische departementen. Na 1800 was hij lid van het Corps Législatif en na 1815 trok hij zich terug in zijn geboortestad.

[7] SAB, VW, MV, 1799, folio 147.

[8] J. DE SMET, L’administration du Département de la Lys, a. w., blz. 128.

[9] J. REGNIER, Les préfets du Consulat et de l'Empire, Paris, 1913; J. SAVANT, Les préfets de Napoléon, Paris, Hachette, 1958; Jean TULARD, Les préfets de Napoléon, in: Les préfets en France (1800-1949), Genève, 1978, blz 5-10; R. BARGETON, P. BOUGARD, B. LE CLERC, P.-F. PINAUD, Les préfets du 11 ventôse an VIII au 4 septembre 1870,  Paris, Archives nationales, 1981; J.-O BOUDON, La création du corps préfectoral en l’An VIII, in: Revue du souvenir Napoléonien, 2000, n° 428, blz. 9-15.

[10] Weliswaar bleef de functie tot in 1811 onbezet voor het arrondissement Brugge, de prefect ook als onder-prefect fungerend voor dit arrondissement.

[11] Genealogische gegevens uit: Maison Viry de Viry. Notice généalogique, Paris, Bureau du Cabinet historique, 1864; Eloi-Amédée de FORAS, F. C. de MARESCHAL, Pierre de VIRY, F. d’YVOIRE, Armorial et nobiliaire de l'ancien duché de Savoie. Grenoble, 1863-1910, 6 volumes.  Biografische gegevens: Tomaso RICARDI di NETRO, François-Marie-Justin de Viry, quelques données biographiques, Turijn, 2004, (onuitgegeven). Biografische notities die zeer summier en gedeeltelijk foutief zijn: A. ROBERT, E. BOURLOTON & C. COUGNY, Dictionnaire des parlementaires français, depuis le 1er mai 1789 jusqu'au 1er mai 1889, Paris, Bourloton, 1889-1891; Paul VERHAEGEN, Joseph de Viry, in: Biographie nationale de Belgique, Tome XXVI, col. 780-781.

Ik ben bijzondere dank verschuldigd aan graaf Pierre de Viry, baron Bruno de Chillaz en Sr. Tomaso Ricardi di Netro, nazaten van prefect de Viry, evenals aan Antoine de Menthon, maire van Menthon-Saint-Bernard.

[12] Gemeente in de Savoie, in het arrondissement Alfortville.

[13] De moeder van Justin de Viry was de laatste barones de Cohendier. Het kasteel met die naam bestaat nog in Saint-Pierre-en-Faucigny (Haute-Savoie).

[14] Plek bij Genève, met bos en meer.

[15] Een heerlijkheid dicht bij Genève.

[16] Van Vispré is een boek bekend: Le moyen de devenir peintre en trois heures, Amsterdam, 1766. Hij maakte naam in Londen als schilder van portretten, miniaturen en genrestukken. Horace Walpole was één van zijn ‘fans’. Louise GOUVIER, F. X. Vispré, in: Jane TURNER (ed.) The Dictionary of Art, Volume 32, blz. 621, New York, 1996. Vispré was actief binnen de Londense schildersgilden: A. GRAVES, The Society of Artists in Great-Britain, 1760-1791; The Free Society of artists, 1761-1783. A complete dictionary of contributors and their work, London, 1907.

[17] George CLARKE (ed.), Descriptions of Lord Cobham’s Gardens at Stowe, 1700-1750, Aylesbury, Buckinghamshire Record Society, 1990; Michael BEVINGTON,  Stowe: The Garden and the Park. Stowe, Capability Books, 1996; Michael BEVINGTON, Stowe House, 2002.  De tuinen zijn thans eigendom van de National Trust, terwijl het kasteel eigendom is van de Stowe House Preservation Trust, gesticht door de aldaar gevestigde middelbare kostschool.

[18] Duncan C. TOVEY, Thomas Gray and his friends, Section V. Miss Speed to Gray, Cambridge, 1890, blz. 195-200.

[19] Daniel DEFOE, Tour tro’ the Whole Island of Great Britain (1724-6 and 1742), bevat een beschrijving van Stowe gardens.

[20] Jonathan SWIFT, The Journal to Stella, Letter 7, London, 1766, waarin hij schrijft dat hij met Cobham en Congreve dineerde.

[21] The Triumphs of Nature (1732), een gedicht gewijd aan Cobhams’ tuinen en een beschrijving van die tuinen. Verschenen in The Gentleman’s Magazine (1742).

[22] Congreve publiceerde in 1729: Of Rightly Improving the Present Times: an Epistle from Mr. Congreve to the Right Honourable Richard Lord Viscount Cobham

[23] Zijn meest bekende werk, Leonidas, een episch gedicht over de vrijheid, in twaalf boekdelen, droeg hij op aan Cobham.

[24] Pope richtte de eerste van zijn Moral Essays tot Cobham: Epistle I. To Sir Richard Temple, Lord Viscount Cobham.

[25] Alexander POPE, The Correspondance of Alexandre Pope, edited by George SHERBURN, 5 Volumes, Oxford, Clarendon Press, 1956. Brief van Pope aan zijn vriendin Martha Blount, 4 Juli 1739.

[26] Stowe, The Gardens of the Right Honourable Richard Viscount Cobham (1732). Dit was een beschrijving onder de vorm van een lang gedicht.

[27] A description of the Gardens of Lord Viscount Cobham at Stow (1744). De eerste toeristische gids voor de tuinen. De auteur was boekhandelaar in Buckingham.

[28] Dialogue Upon the Gardens of the Right Honourable the Lord Viscount Cobham at Stow in Buckinghamshire, (1748, reprint 1993). Dit was een essay.

[29] The Beauties of Stowe (1750, reprint 1977).

[30] Jonathan BERRY, Chinoiserie aux Champs Elysées, in: La revue des jardins historiques / Historic Gardens Review, 1998/99.

[31] Patrick EYRES (ed.), The Political Temples of Stowe, in: New Arcadian Journal, 1997.

[32] Howard COLVIN, A biographical dictionary of British architects (1600-1840), London, 1978; L. WHISTLER, The Authorship of the Stowe Temples, in: Country Life, 20 sept. 1950 en 12 jan. 1951.

[33] Patrizia GRANZIERA, Freemasonic symbolism and Georgian Gardens, in: Esoterica, Michigan State University, 2003, blz. 41-72.

[34] Dustin GRIFFIN, Patriotism and Poetry in Eighteenth Century Britain, Cambridge, 2002.

[35] L. S. LEADAM, The History of England. From the death of Anne to the death of George II (1702-1760), London, 1909, blz. 347 en 360.

[36] British Library, London, Egerton manuscript 2400, brief van Thomas Gray van 20 juni 1760 aan Thomas Wharton; Correspondence of Thomas Gray. Ed. by Paget TOYNBEE and Leonard WHIBLEY, in 3 vols., with corrections and additions by H. W. STARR, Oxford, Clarendon Press, 1971, letter no. 313, vol. II, blz. 677-682.

[37] The Grenville Papers, being the Correspondence of Richard Grenville, Earl Temple, K.G., and the Right Hon. George Grenville, their Friends and Contemporaries, London, 1852; John BECKETT, The rise and fall of the Grenvilles : the dukes of Buckingham and Chandos, 1710 to 1921, Manchester, Manchester University Press, 1994.

[38] Graydon BEEKS, Haendel and Lady Cobham, in: Newsletter of the American Haendel Society, 1996.

[39] D. C. TOVEY, a. w., blz. 195.

[40] Horace Walpole, brief aan Georges Montagu van 11 december 1760 in: The letters of Horace Walpole, Volume III, blz. 106.

[41] D. C. TOVEY, a. w., blz. 196.

[42] Tomaso RICARDI di NETRO, Henrietta Jane Speed et ses relations familiales, Turijn, 2001, (ongepubliceerd)

[43] D. C. TOVEY, a. w., blz. 199.

[44] Idem, blz. 196.

[45] J.-P. LAVERRIERE, Un village entre la Révolution et l’Empire. Viry en Savoie, 1792-1815, Paris, Albatros, 1980, blz. 286-287.

[46] L. DUTENS, Mémoires d’un voyageur qui se repose, 3 volumes, Paris, 1805. Dutens, een in Tours geboren en naar Engeland gevluchte hugenoot, groot reiziger, uitgever van de volledige werken van Leibniz in 5 volumes (1768), vriend van J. J. Rousseau, verspreider van een kosmopolitisch gedachtegoed, en schrijver over talrijke onderwerpen.

[47] D. C. TOVEY, a. w., blz. 196.

[48] Over Lusitanus bestaan uiteenlopende data. De universiteit van Glasgow geeft als geboortedatum 1495, elders vind ik 1456 en deze laatste datum lijkt me waarschijnlijker. In 1495, na zijn studies in Italië, begon de Portugees Barbaro te doceren in Salamanca. Als overlijdensdatum vond ik hetzij 1530, hetzij 1540.

[49] University of Glasgow, Archives H. Hunter, letters H120a (15 september 1769) en H120b (20 december 1770); Helen BROCK (ed.), The correspondence of Dr William Hunter, 1740-1783. Transcript of letters with notes and commentary, Cambridge, 1993.

[50] Portretten die tot op vandaag in het kasteel van Viry bewaard worden.

[51] Het diploma hangt in het kasteel van Viry.

[52] Tomaso RICARDI di NETRO, Piemontesi nell’Europa delle corti fra seicento e settecento, in: Vittorio Alfieri, aristocratico ribelle (1749-1803), a cura di R. Maggio Serra, F. Mazzocca, C. Sisi, C. Spantigati, Milano, Electa, 2003, pp. 202-205.

[53] V. ALFIERI, Vita di Vittorio Alfieri scritta da esso, epoca III, cap. XII.

[54] A. MERLOTTI, Il caso Dunand: vitalità e insidie della sociabiltà nella Torino di Alfieri (1772-1777), in: Alfieri e il suo tempo, atti del convegno internazionale (Torino-Asti, 29 novembre - 1° dicembre 2001), a cura di M. Cerruti, M. Corsi, B. Danna, Firenze, Olschki, 2003, pp. 131-177.

[55] P. MERLIN – C. ROSSO – G. SYMCOX – G. RICUPERATI, Il Piemonte sabaudo. Stato e territori in èta moderna, Turijn, 1994, blz. 612-616; M. A. MICHELETTI DARBESIO, Dai castelli di un casato mille anni di storia: de Viry, in: Di qua e di là dai monti, Savigliano, 1973-75, Volume II, blz. 255-263.

[56] Datum vermeld in een manuscript ‘Histoire de la famille de Viry’, op het einde van de 18de eeuw geschreven door of voor Justin de Viry (Archief kasteel van Viry).

[57] J.-P. LAVERRIERE, a. w., blz. 38. In 1794 gaf de Viry in een verweerschrift 1781 op als datum voor deze transactie.

[58] Informatie verstrekt door graaf Pierre de Viry.

[59] J.-P. LAVERRIERE, a. w., blz. 56.

[60] Idem, blz 75.

[61] Idem, blz 169.

[62] Idem, blz 168.

[63] Idem, blz 289.

[64] Idem, blz. 74

[65] Idem, blz 107-109.

[66] Idem, blz 95.

[67] Idem, blz. 122.

[68] Idem, blz 133 en 285.

[69] Idem, blz 135.

[70] Idem, blz 151.

[71] Idem, blz  152.

[72] Idem, blz 162-163.

[73] Idem, blz 169-170 en 285.

[74] Idem, blz. 284-293.

[75] Idem, blz 287

[76] Idem, blz 288-289.

[77] Idem, blz 180.

[78] Idem, blz 185.

[79] Idem, blz 224, 230, 234, 237, 249 en 267.

[80] Idem, blz 254 en 260.

[81] Idem, blz 273.

[82] Idem, blz 280

[83] Idem, blz. 291.

[84] Archives Nationales (AN), AF 8 (dossier 33)

[85] SAB, VW, MV, 1800, folio 162.

[86] Louis BERGERON & Guy CHAUSSINAND-NOGARET (direction de), Les grands notables du pemier Empire, Paris, CNRS, 1978, blz. 89.

[87] AN, F1b I 158/22 (6)

[88] J.-P. LAVERRIERE, a. w., blz 287.

[89] Gerrit Parmele JUDD, Members of Parliament 1734-1832. A study of the relationship between the British ruling class and the House of Commons, with a list of members for the period, Yale University Press, New Haven, 1955. Het district Huntingdon had in de 17de eeuw Oliver Cromwell als parlementslid, en in het laatste kwart van de 20ste eeuw John Major.

[90] N. A. M. RODGER,  The Insatiable Earl: A Life of John Montagu, Fourth Earl of Sandwich, New York - London, 1993.

[91] M. J. LEVY, Love and Madness: The Murder of Martha Ray, Mistress of the Fourth Earl of Sandwich, London/New York, W. Morrow, 2004; John BREWER, A Sentimental Murder : Love and Madness in the Eighteenth Century, New York/London, Farrar Straus & Giroux, 2004. Het is opmerkelijk dat thans, op enkele weken tijd, nog twee boeken werden gepubliceerd over de moord op Martha Ray.

[92] J. M. R., Basil Montagu, in: Dictionary of national biography, Vol XIII col. 662-665.

[93] Basil MONTAGU, The Opinions of Different Authors upon the Punishment of Death, London, 1809, 3 Vol., (heruitgave, University of Chicago, 2004)

[94] [Sir Basil MONTAGU], Some enquiries into the effects of fermented liquors, by a water drinker, London, 1818.

[95] A. VAN DEN ABEELE, Thomas Forster, ‘a remarkable man’, in: Biekorf, 1999, blz. 234-248 en 498-515. Basil Montagu was medestichter van de Royal Society for the Prevention of Cruelty to Animals (RSPCA).

[96] R. G. T[HORNE]., Speed, Henry alias de Viry, François Joseph Marie Henri, baron de la Perrière, in: Roland G. THORNE (ed.), The History of Parliament – The Commons 1790-1820, London, 1986. Ik dank de House of Commons Information Office voor de inlichtingen.

[97] B. de CHILLAZ, Les descendants de John Montagu et Martha Ray (onuitgegeven)

[98] AN, AF 8 (dossier 33); J.-P. LAVERRIERE, a.w., blz 291.

[99] SAB, VW, MV, 1800, folio 162.

[100] SAB, Bevolkingsboeken 1809-1830.

[101] J.-P. LAVERRIERE, a.w., blz. 291.

[102] SAB, VW, MV, 1800, folio’s 194-195; L. DEVLIEGHER, Van Waterhalle tot Provinciaal Hof, Brugge, 1994, blz. 40-51.

[103] SAB, VW, MV, 1800, folio 195. De officiële beschrijving luidde: habit bleu, veste et culotte ou pantalon blancs, collet, poches et parements de l'habit brodés en argent, écharpe rouge, chapeau français et épée.

[104] Idem, folio 219.

[105] Idem, folio 229-230.

[106] SAB, Plakkaten, Eerste reeks, n° 18, drukwerk 51, Eer-trompette geblaezen tot lof van de deugdelijke en menschlievende Burger-Vaders (...) die verkregen hebben den vrijheyd van den Brugschen Kom (...) onder de bescherminge en medewerking van (...) Mijnheer Joseph Marie Deviry (...), 1803.

[107] Biographie Universelle, art. Fourcroy; St. LE TOURNEUR, Antoine de Fourcroy, in: Dictionnaire de biographie française, Tome XIV, 1979, col. 749-752.

[108] AN, verslag Fourcroy, AF IV, 10019.

[109] E. HOSTEN en Eg. STRUBBE, Catalogus Stedelijk Museum voor Schone Kunsten van Brugge, Brugge, 1935, blz. 80; [Dirk DE VOS], Brugge, Stedelijke Musea, Beknopte catalogus schilderijen, Brugge, 1973, blz. 66; A. VAN DEN ABEELE, Het Leiedepartement. Beeldende Kunsten, in: Het culturele leven in onze provincies onder Franse bewind, Brussel, Gemeentekrediet, 1989, blz. 135-140 en 143.

[110] Ph. VAN HILLE, Het Hof van Beroep van Brussel en de rechtbanken van Oost- en West-Vlaanderen onder het Frans Bewind – 1800-1814, Handzame, 1970, blz. 157.

[111] SAB, VW, MV, 1800, folio 219.

[112] Gazette van Brugge en van het Leyedepartement, 29 Thermidor VIII (17 augustus 1800).

[113] Gazette van Brugge en van het Leiedepartement, 1 Fructidor XI (19 augustus 1803)

[114] SAB, VW, MV, 1800, folio 204.

[115] J. YERNAUX, Le Premier Consul en West-Flandre, in : Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis in Brugge, 1911, blz. 185-223.

[116] LANZAC, a. w., Tome I, blz 401-402.

[117] AN, F1b II, Lys 6, rapport du 3 septembre 1802.

[118] W. VAN HILLE, De “maire” van Veurne afgezet, in: Bachten de Kuupe, 1969, W. PAUWELS, Veurne in de Franse tijd, Veurne, 1990, blz. 57-58. Met mijn dank aan stadsarchivaris Jan Van Acker voor de meegedeelde informatie.

[119] AN, F1b II, Lys 2.

[120] AN, F1b II, Lys 2, brief van 28 maart 1803.

[121] AN, F1b II, Lys 2, brief aan consul Lebrun van 23 december 1801.

[122] LANZAC, a w. , Tome I, blz. 367.

[123] Idem, blz. 353.

[124] Idem, blz 434.

[125] Rijksarchief Brugge (RAB), Archief departement van de Leie (Lys), 1451.

[126] Idem.

[127] L. VAN ACKER, West-Vlaamse voorlopers inzake ruilverkaveling, in: Biekorf, 1956, blz. 363-367; L. VAN ACKER, Het ontstaan van de Handelskamer te Oostende, Nawoord, August Wieland, in: Biekorf, 1987; blz. 383

[128] A. VAN DEN ABEELE, Boekbespreking Merckenweerdigste voorvallen 1787 door J. Van Walleghem, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 1982, blz. 243-252. Als lid van de conseil préfectoral stond Patrice de Coninck de Merckem aan het begin van een succesvolle loopbaan. Hij zou weldra prefect worden in verschillende departementen. Na 1814 werd hij gouverneur van Oost-Vlaanderen, minister van Binnenlandse zaken en Minister van Buitenlandse zaken van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

[129] A. VAN DEN ABEELE, De abt van de Duinenabdij Robert van Severen en zijn familie, in: Vlaamse Stam, 2003, blz. 561-576.

[130] Goubau begon zijn loopbaan als pensionaris van Brugge en schepen van het Brugse Vrije. Na conseiller de la préfecture te zijn geweest, werd hij voorzitter van de rechtbank in Mechelen, zijn geboortestad. In 1811 kamervoorzitter in het Hof van Beroep in Brussel, tot in 1830.

[131] RAB, Lys, 1451.

[132] L’Almanach Impérial pour l’Année 1810.

[133] Ph. VAN HILLE, a. w., blz. 164.

[134] J.-P. LAVERRIER, a. w., blz 250, 252 en 259

[135] Patrick RAMBAUD, La Bataille, Paris, Grasset, 1997, Prix Goncourt 1997, heeft over deze veldslag en zijn voor- en nageschiedenis een spannend verhaal geschreven.

[136] Mémoires du général baron Marcel de Marbot, Paris, Plon, 1891, réédition Paris, Mercure de France, 2001. Jean Antoine Marcelin de Marbot (1782-1854) die zowel onder het keizerrijk als onder de monarchie een mooie militaire loopbaan doorliep, blijft vooral bekend vanwege zijn levendige memoires. Hij vermeldt de Viry in Volume I, hoofdstukken 37, 40, 43, 46, 47 en 48.

[137] Valérie-Noelle JOUFFRE, Le Panthéon, Rennes, 1989; Alexia LEBEURRE, Le Panthéon, Paris, Editions du Patrimoine, 2000.

[138] J.-P. LAVERRIERE, a. w., blz. 322.

[139] A. ROBERT, etc, a. w.

[140] Biografische gegevens (met vergissingen) over verschillende Chauvelins in: Biographie Universelle, Brussel, 1843-47, deel I, blz. 318-319; M. PREVOST, Bernard François Chauvelin (en andere leden van de familie) in: Dictionnaire de Biographie française, Tome 8, col. 905-906; Encyclopedia Britannica, Chauvelin; J. DE SMET, L’administration du département de la Lys,  in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1931, blz. 137-38.

[141] Comte Amédée CAIX DE SAINT-AYMOUR, Une famille d'artistes et de financiers aux XVIIe et XVIIIe siècles : Les Boullongne, Parijs, H. Laurens, 1919.

[142] J. M. J. ROGISTER, A minister’s fall and its implications: the case of Chauvelin (1737-46), in D. J. MOSSOP et al. (editors), Studies in the French Eighteenth Century, presented to John Lough, Durham 1978; Alix BREBAN, Germain Louis Chauvelin (1685-1762), ministre de Louis XV, Thèse de doctorat, Ecole des Chartes, Parijs, 2004, (onuitgegeven).

[143] Een familietak de Beauregard heeft 1597 als begindatum, met Vincent de Chauvelin als stamvader. Het is de enige tak die tot op vandaag nazaten heeft. Vertegenwoordigers hiervan zijn markies Louis de Chauvelin (°1924) en zijn drie kinderen François (°1956), Béatrice (°1957), echtgenote Bréban en Bruno (°1959) en hun nakomelingen. De familietak de Beauséjour (uitgestorven) begon in 1605 met Louis de Chauvelin, broer van Vincent. Van die tak was Bernard-François de laatste vertegenwoordiger.

[144] P. CHEVALLIER, Les Ducs sous l’Acacia, Parijs, 1964, blz. 55-60.

[145] CASANOVA, Mémoires, Deel II, Parijs, Ed. de la Pléiade, 1959, blz. 402, 416-420,  958, 962-963, 966-968

[146] Yale University, Beinecke rare book and manuscript library, The James Marshall and Marie-Louise Osborn collection, Osborn Shelves FC, Correspondence, 9955, 76/II/100, brief van Voltaire, 19 oktober 1762, handelt over het toneelstuk waar hij aan werkt en waarvan hij de tekst aan Chauvelin heeft toegestuurd.

[147] Het boek is integraal beschikbaar op Internet. (website met de werken van Alexandre Dumas).

[148] Erich Kästner (1899-1974) heeft hieraan ook een vrolijke éénakter gewijd onder de titel Chauvelin, oder lang lebe der König (1940).

[149] VOLTAIRE, Oeuvres complètes, Tome X, Poésies mêlées, A Mme la marquise de Chauvelin, dont l’époux avait chanté les sept péchés mortels. (1758).

[150] A. LE BIHAN, Loges et Chapitres de la Grande Loge et du Grand Orient de France (2e moitié du XVIIIe siècle), Parijs, 1967, blz. 346-347.

[151] A. BERTRAND de MOLLEVILLE, Mémoires Secrets pour Servir à l’Histoire de la Dernière Année du Règne de Louis XVI, Roi de France, Londen, 1797, 3 vol.; IDEM,  Mémoires particuliers pour servir à l’histoire de la fin du règne de Louis XVI, Parijs, 1816, 2 vol.

[152] Augustin CHALLAMEL, Les clubs contre-révolutionnaires, Parijs, 1895.

[153] Idem.

[154] H. LECLERCQ, Feuillants et Girondins (août 1791 – 20 avril 1792), Parijs, 1940, blz. 281-307.

[155] A. MARTIN: François Barthélémy, in: Dictionnaire de biographie française, Tome V, col. 663.

[156] Ridder Yves Hirsinger behoorde tot een oude familie uit de Elzas. Onder Consulaat en Empire werd hij Frans gezant, achtereenvolgens bij het Zwitsers kanton Grisons, en bij de groothertogen van Hessen (Frankfort) en Wurzburg.

[157] J. ORIEUX, Talleyrand, Parijs, Flammarion, 1970; Emmanuel de WARESQUIEL, Talleyrand, le prince immobile, Parijs, Fayard, 2003.

[158] Albert SOREL, L’Europe de la révolution française, Tome II, la chute de la royauté, Parijs, 1891, blz. 391.

[159] H. LECLERCQ, a. w., blz. 445.

[160] Christophe MARCHEUX, Le parcours de Dumouriez sous l’Ancien Régime (1739-1789), Chapitre III. (mémoire de maîtrise, Université de Valenciennes, 2001).

[161] Albert SOREL, a. w., blz. 419.

[162] J. BENETRUY, L'Atelier de Mirabeau. Quatre proscrits genevois dans la tourmente révolutionnaire, Parijs, A. et J. Picard & Cie, 1962.

[163] Etienne DUMONT, Souvenirs sur Mirabeau et sur les deux Premières Assemblées Législatives, Parijs, 1832, blz. 294-297; J. BENETRUY, Souvenirs d’Etienne Dumont sur Mirabeau et les deux premières Assemblées, 1951, blz. 220-229 en 421 en volgende.

[164] Eloge de M. le comte Reinhard, prononcé à l’Académie des sciences morales et politiques, par le Prince de Talleyrand, dans la séance du 3 mars 1838, Parijs, Firmin Didot Frères, 1838.

[165] Het voorstel vond geen ingang. Pas in 1814, na de val van Napoleon, werd Tobago een Britse kolonie.

[166] Pierre-Victor MALOUET, Mémoires de Malouet, publiés par son petit-fils le baron Malouet, Parijs, 1868, 2 vol.; Louis BAUDEZ, Een nobele figuur: Pierre-Victor Malouet, marine commissaris-generaal en zeeprefect te Antwerpen, 1803-1810, in: Een kompas met vele streken: studies over Antwerpen, scheepvaart en archivistiek aangeboden aan dr. Gustaaf Asaert (Griet Maréchal, edit.), Antwerpen, 1994, blz. 24-30.

[167] Tussen 1804 en 1810 zouden Malouet en Chauvelin elkaar terugvinden in de Zuidelijke Nederlanden, de ene als maritiem prefect in Antwerpen, de andere als prefect van het Leiedepartement, verantwoordelijk voor de haven van Oostende. In 1810-1812 zouden ze collega’s zijn in de Conseil d’Etat.

[168] J. BENETRUY, a. w., blz. 432-433.

[169] Th. CARLYLE, The French revolution, Londen, 1837 (reprint 2002), Vol. II, The Constitution. Chapter 2.5.1. (‘ambassador’s cloak’ te begrijpen als: pseudo-ambassadeur, dekmantel voor de echte ambassadeur).

[170] Met mijn dank aan mevrouw Kate JARAM en de heer Paul COX, National Portrait Gallery, Londen

[171] [DUMOURIEZ], Réflexions pour la négociation d’Angleterre, 30 mars 1792; [DUMOURIEZ], Instructions pour MM. Chauvelin, Talleyrand et Duroveray, 19 avril 1792.

[172] Lettres de la marquise de Coigny et de quelques personnes appartenant à la société du XVIIIe siècle, Parijs, 1884, Brief van 4 mei 1792 van Mme de Coigny aan Biron.

[173] Joseph GREGO, The Works of J. Gillray, the Caricaturist; with the history of his life, Londen, 1873; GODFREY & HALLETT, James Gillray: The Art of Caricature, Londen, Tate Gallery, 2001; Robert WILLIAMS, James Gillray, in: Dictionary of English biography; Jane TURNER, (ed.), James Gillray, in: The dictionary of Art, Vol. XII, 1996.

[174] J. BENETRUY, Souvenirs d’Etienne Dumont, a. w., blz. 302.

[175] J. CHASTENET, William Pitt, Parijs, Fayard, 1941(rééd. 1959), blz. 148.

[176] Pas in het begin van de jaren 1830 deed Talleyrand (die met zijn klompvoet trappen vervelend vond) de ambassade overplaatsen naar Hanover Square. In de 20ste eeuw was de eigenaar-bewoner van Home House, Samuel Courtauld (1876-1947), die het huis schonk aan het Courtauld Institute of Art dat er van 1932 tot 1989 gevestigd was. De kunsthistoricus, Poussinkenner en KGB-spion Anthony Blunt woonde er vele jaren. Thans is er het hotel en de privé-club Home House gevestigd. Het gebouw bezit nog steeds de dubbele monumentale trap en een oorspronkelijk ‘Etruskisch’ salon.

[177] J. ORIEUX, a. w., blz. 189-191; Emmanuel de WARESQUIEL, a. w., blz 158-165.

[178] G. PALLAIN, Correspondance diplomatique de Talleyrand. La mission de Talleyrand à Londres en 1792, Parijs, Plon, 1887, blz. XXVIII.

[179] Archives du Quai d’Orsay, Fonds anciens, correspondance politique, ambassadeur Chauvelin, 1792-93.

[180] Idem, Lebrun aan Chauvelin 29 november 1792.

[181] Eugène CAUCHY, Du respect de la propriété privée dans la guerre maritime, Parijs, Guillaumin, 1866, Annexe 4.

[182] Archives Quai d’Orsay, Chauvelin aan Lebrun 17 november 1792.

[183] J. L. G. N., William Augustus Miles, in: Dictionary of National Biography, Vol. XIII.

[184] Ch. P. MILES, The correspondence of W. Augustus Miles, Londen, 1890.

[185] A. THIERS, Histoire de la révolution française, Tome II, Bruxelles, 1838, blz. 275.

[186] Moncure Daniel CONWAY, The life of Thomas Paine, Volume II, Chapter I “Kill the King, but not the Man”, New York, 1892 (reprint 1973); John KEANE, Tom Paine. A political life, Londen, 1995.

[187] M. J. TURNER, Pitt the Younger. A life, Londen, 2003.

[188] D. GREER, The incidence of the immigration during the French revolution, Cambridge (USA), Harvard University Press, 1951; K. BERRYMAN, Great Britain and the French refugees, 1789-1802: the administrative response, Canberra, Australian national university, 1980.

[189] Michael T. DAVIES, London Corresponding Society, 1792-1799, 6 vol., Londen, 2002.

[190] The authentic state papers which passed between Monsieur Chauvelin, Minister Plenipotentiary from France, and the Right Hon. Lord Grenville, Principal Secretary of State for Foreign Affairs, from 12th May 1792, to 24th January 1793. And presented to the House of Commons, January 28th, 1793, Londen, J. Ridgway, 1793.

[191] Gerhard WOLF, Scipion de Chambonas : ministre des Affaires étrangères sous la Législative, juin-juillet 1792 : une contribution à l'histoire du parti Feuillant, Parijs, les Éd. La Bruyère, 2000.

[192] Zie voetnota 51, alsook: The memorial of Monsieur Le Brun...on the situation of affairs between Great Britain and France, delivered 17th December, 1792 by Monsieur Chauvelin to lord Grenville...with his lordship’s answer, Londen, J. Ridgway, [1792]; Lettre du ministre des affaires étrangères [Lebrun] au président de la Convention nationale [Grégoire], en date du 30 janvier 1793... Suivie de la lettre de lord Grenville au citoyen Chauvelin...et de la traduction de l’ordre du Roi d’Angleterre...communiquée au citoyen Chauvelin, Parijs, Imprimerie nationale, 1793.

[193] A. SOREL, L’Europe et la Révolution française, 8 volumes, Parijs, 1885, Tome II, 2e partie. La Chute de la royauté (1789-1795), blz. 419 (rééd. Parijs, Claude Tchou, 2003).

[194] J. CHASTENET, a. w., blz 132-157.

[195] Idem, blz. 148.

[196] O.m. in Deel I, hoofdstuk XVII.

[197] Met in de hoofdrollen Leslie Howard (Pimpernel), Merle Oberon (Marguerite) en Raymond Massey (Chauvelin). Verkrijgbaar op DVD.

[198] The return of the scarlet pimpernel, met Bary K. Barnes (Pimpernel), Sophie Stewart (Marguerite) en Francis Lister (Chauvelin).

[199] Met opnieuw Leslie Howard in de hoofdrol (hij regisseerde tevens), Mary Morris (Marguerite) en Francis L. Sullivan (de nazi Chauvelin).

[200] The elusive Pimpernel, met David Niven (Pimpernel), Margaret Leighton (Marguerite) en Cyril Cusack (Chauvelin).

[201] The adventures of the scarlet pimpernel, met Marius Goring (Pimpernel), Lucie Mannheim (Marguerite) en Stanley van Beers (Chauvelin).

[202] Serie opgenomen in Blenheim Palace, met in de hoofdrollen Anthony Andrews (Pimpernel), Jane Seymour (Marguerite) en Ian McKellen (Chauvelin). Verkrijgbaar op DVD.

[203] Met Martin Shaw (‘The professionals’, ‘Rhodes’ en ‘Judge John Deed’) in de rol van Chauvelin en Richard E. Grant en Elisabeth McGovern in de twee andere hoofdrollen. Verkrijgbaar op DVD.

[204] De hoofdacteurs in de rol van Pimpernel waren Douglas Sills en Ron Bohmer. De rol van Chauvelin werd door minstens vier acteurs gespeeld en gezongen: Rex Smith, Terence Mann, William Michals en Mark Kudisch.

[205] In 2000 tot 2002 onder meer in Finland, Mexico, Ierland, Nieuw Zeeland. In 2003 en 2004 onder meer in Nederland, Duitsland, Denemarken, Canada, Australië.

[206] Zodra iets zoek is dat men graag wil vinden, wordt het versje over de ‘scarlet pimpernel’ geciteerd:

They seek him here

They seek him there

Those Frenchies seek him everywhere

Is he in heaven or is he in hell

That demmed elusive Pimpernel.

Op 30 januari 2004 zegde een journalist tijdens de uitzending BBC – Newsnight dat de weapons of mass destruction in Irak de scarlet pimpernel van onze tijd waren. De populariteit van de scarlet pimpernel, blijkt ook uit het feit dat op een zoekmachine zoals Google bijna 100.000 ‘hits’ aan deze naam beantwoorden, terwijl de naam Chauvelin bijna 5.000 maal voorkomt met verwijzing naar de pimpernel.. Het eerste boek zelf is nog altijd in de handel, (Signet Classics, editie mei 2000, ISBN 0451527623) maar ook beschikbaar op Internet (project Gutenberg).

[207] Bernard GAINOT et Marcel DORIGNY, La Société des amis des noirs, 1788-1799. Contribution à l'histoire de l'abolition de l'esclavage, Collection Mémoire des peuples, Parijs, Éditions UNESCO/EDICEF, 1998

[208] Gustave BORD, La franc-maçonnerie en France des origines à 1815, Tome Ier, Les ouvriers de l’idée révolutionnaire, Parijs, Librairie Nationale, 1908, blz. 359; Alain LE BIHAN, Francs-maçons parisiens du Grand Orient de France, Parijs, BN, 1966, blz. 89.

[209] Minder dan drie maanden later, op 28 Juli verdween Coffinhal zelf onder de guillotine.

[210] Bernadette BINSAUDE-VINCENT, Lavoisier, Parijs, Flammarion, 1998.

[211] Yves DURAND, Les fermiers généraux au XVIIIe Siècle, Parijs, P. U. F., 1971 en Parijs, Maisonneuve et Larose, 1996.

[212] Amédée CAIX DE SAINT-AYMOUR, a.w.

[213] P. CHEVALLIER, Histoire de la franc-maçonnerie française, Tome I, La maçonnerie: école de l’Egalité, Parijs, Fayard, 1974, blz. 251-256; Daniel LIGOU, Dictionnaire de la franc-maçonnerie, Parijs, PUF, 1987, blz. 1087-1088; A. VAN DEN ABEELE, De kinderen van Hiram, Brussel, Roularta Books, 1991, blz. 59.

[214] A. LE BIHAN, Franc-maçons parisiens, a. w., blz. 89 en 443.

[215] Amédée CAIX DE SAINT-AYMOUR, a.w.

[216] J. BOUCHARY, Le banquier Edouard de Walckiers, in: Annales historiques de la Révolution française, XV, 1938, blz. 133-155; S. TASSIER, Figures révolutionnaires, Brussel, 1942, blz. 17-46; Guy SCHRANS, Le “Rendez-vous de la noblesse”. La loge bruxelloise ‘L’Heureuse Rencontre’ au XVIIIe siècle, in: Acta Macionica, 1998, blz. 173-292.

[217] Rapport fait à l'académie royale des sciences, sur la machine électrique nouvellement inventée par Walckiers de St. Amand. Parijs, 1784. (Extrait des registres de l'Académie Royale des Sciences, du 17 mars 1784).

[218] Gammerages is het Frans voor Galmaarden.

[219] Ange Laurent LALIVE de JULLY, baron du Châtelet, Markies de Renouville, was koninklijk advocaat, substituut procureur generaal (1744-46), introducteur des ambassadeurs (1756-73), onderresident van Frankrijk in Genève (1757-59), erelid van de Kunstacademie, miniatuurschilder, verzamelaar van schilderijen, gravures en beeldhouwwerk, gehuwd 1°) 1749 met Louise Elisabeth CHAMBON, + Parijs 10.12.1752, 2°) 1762 met Marie-Louise Josèphe de NETTINE, 1742-1808, dochter van Mathias en Barbe Louise STOUPY.

[220] Robert LACOUR-GAYET, Calonne, a. w., blz. 259-260.

[221] Officier in het Frans leger, in 1792 uit Frankrijk gevlucht en aangesloten bij Engelse troepen die tegen Frankrijk vochten. Onder het Empire werd hij burgemeester van Rennes. In 1810 baron d’Empire.

[222] We hebben hierover geen absolute zekerheid, want over dit bescheiden familielid vonden we vooralsnog niets terug. De loopbaan van zijn zoon Charles (1781-1872) toont evenwel de richting: hij was koninklijk musketier tijdens de Eerste restauratie, volgde Lodewijk XVIII naar Gent en werd nadien luitenant-kolonel van de koninklijke wacht. In 1824 werd hij royalistisch volksvertegenwoordiger voor het departement van de Maas. Ik dank Bruno en Geneviève de Chauvelin voor de inlichtingen betreffende hun familie en aanverwanten.

[223] Martine PLOUVIER & Alain SAINT-DENIS (éditeurs), Pour une histoire monumentale de l’abbaye de Cîteaux, 1098-1998, n° 8 de la Collection Studia et Documenta, ed. Revue Cîteaux commentarii cisterciences, Vitreux, 1998; Anne-Marie PARIS (dir), Grands Notables du Premier Empire, Côte d’Or, Parijs, CNRS Editions, 1992; Anne-Marie PARIS, Grands propriétaires fonciers en Côte d’Or (1789-1830), thèse du 3ième cycle, EHESS, 1995, 3 Vol.

[224] Archives de l’Abbaye de Cîteaux, Dossier 3A, divers 1791-1846, correspondance entre Fromme et Boullongne.

[225] Philip MANSEL, Paris between empires, 1814-1852. Monarchy and revolution, Londen, 2001, p. 207.

[226] Pierre JOIGNEAUX, Le phalanstère de Cîteaux, in: La Chronique de Bourgogne, Dijon, 3 septembre 1843.

[227] J. ORIEUX, a. w., blz. 351.

[228] Artikel 52 van de Constitution de l’An VIII.

[229] Jean THIRY, Le Sénat de Napoléon (1800-1814), Parijs, Berger-Levrault, 1949.

[230] Albert VANDAL, L’avènement de Bonaparte, 1907, Tome I, blz. 523-525 ; C. DURAND, L’exercice de la fonction législative, de 1800 à 1814, Aix-en-Provence, 1955 ; Thierry LENTZ, Le grand consulat, 1799-1804, Parijs, Fayard, 1999, blz. 120-129.

[231] CHAUVELIN, Discours sur le mode de procéder à la formation de la loi proposé au Corps législatif par le gouvernement. Le 15 nivôse an VIII, Parijs, Imprimerie nationale

[232] CHAUVELIN, Second discours sur le projet concernant la formation de la loi proposé au Corps législatif par le gouvernement. Le 16 nivôse an VIII, Parijs, Imprimerie nationale.

[233] CHAUVELIN, Opinion sur le projet de loi concernant la division du territoire de la République et de l’administration. Le 24 pluviôse an VIII, Parijs, Imprimerie nationale.

[234] CHAUVELIN, Opinion sur le premier projet de loi relatif au complément de l’armée. Le 13 ventôse an VIII, Parijs, Imprimerie nationale.

[235] CHAUVELIN, Discours sur la proclamation et les arrêtés des consuls. Le 17 ventôse an VIII, Parijs, Imprimerie nationale.

[236] CHAUVELIN, Discours sur les projets de loi tendant à déclarer que l’armée du Rhin, l’armée Gallo-Batave, l’armée d’Italie et l’armée des Grisons ont bien mérité de la patrie. Le 13 nivôse an IX, Parijs, Imprimerie nationale.

[237] CHAUVELIN, Rapport sur une réclamation du citoyen Buat, maire de la commune de Soisé, contre la liste communale de son arrondissement. Le 16 brumaire an X, Parijs, Imprimerie nationale.

[238] CHAUVELIN, Opinion sur le projet de loi sur la dette publique. Le 13 floréal an X, Parijs, Imprimerie nationale.

[239] CHAUVELIN, Opinion sur le projet d’établissement de la Légion d’honneur. Le 28 floréal an X, Parijs, Imprimerie nationale.

[240] CHAUVELIN, Discours devant le Corps législatif prononcé par Chauvelin, orateur du Tribunat, en présentant l’adoption du traité d’Amiens. Séance du 30 floréal an X, Parijs, Imprimerie nationale.

[241] Mary BERRY, Extracts of the Journals and Correspondence of Miss Berry, 1783-1852, edited by Lady Teresa Lewis, 3 vols. Londen, 1866.

[242] Louis MADELIN, Le Consulat de Bonaparte, Parijs, 1929, blz. 149-150; Thierry LENTZ, Le grand consulat, a. w., blz. 319-321.

[243] W. H. ADAMS, The Paris years of Thomas Jefferson, New Haven / Londen, 1997, blz. 77 en 152-156

[244] Henri GAUBERT, Conspirateurs au temps de Napoléon Ier, Parijs, Flammarion, 1962; Louis de VILLEFOSSE et Janine BOUISSOUNOUSE, L’opposition à Napoléon, Parijs, Flammarion, 1969; Gérard MINART, Les opposants à Napoléon, Toulouse, Privat, 2003.

[245] N. KING, Une Lettre du marquis de Chauvelin à Madame de Staël sur "Delphine", in :
Cahiers Staëliens, Parijs, 1979, blz. 93-98. De biografische gegevens over Chauvelin in dit artikel, zijn voor verbetering vatbaar.

[246] Archives de l’abbaye de Cîteaux, Acte de vente A3 du 7 septembre 1841 et Inventaire établi par Leroudier en 1842. Ik dank Frère Luc van de abdij van Cîteaux voor de informaties.

[247] Prosper de BARANTE, Souvenirs du baron de Barante, 8 volumes, Parijs, 1890-1893, Tome I, blz. 347.

[248] AN, F1bI 15720; RAB, Lys, 1451.

[249] Jean TULARD et Louis GARROS, Itinéraire de Napoléon au jour le jour, Parijs, Taillandier, 1992, blz 262.

[250] Hij sprak evenwel al zijn  maarschalken aldus aan.

[251] Frédéric HULOT, Le maréchal Davout, Paris, Pygmalion, 2003, blz. 69-72.

[252] Een voorbeeld: CHAUVELIN, Mémoire présenté par le préfet... de la Lys au conseil général de ce département, à l'ouverture de sa session de l'an XIII, Bruges, le 30 germinal an XIII (20 april 1805).

[253] L. DEVLIEGHER, Een Westvlaamse inventaris uit 1824, in: Bulletin KCML, 1967-68; V. VERMEERSCH, Grafmonumenten te Brugge voor 1578, Brugge, 1976, Catalogus 2, blz. 379.

[254] I. DE MEYER, Analectes médicaux, (...), Brugge, 1851, blz. 283-300.

[255] A. SCHOUTEET, Gedenkweerdige aantekeningen van Jan Karel Verbrugge, Brugge, 1958, blz. 29; A. DEWITTE, Saint Napoléon 1806, in: Biekorf, 1997, blz. 58.

[256] Discours prononcé par Mr de Chauvelin,... à la distribution ordinaire des prix aux élèves de l'Académie de peinture... de Bruges, le 17 juin 1806, Brugge, G. de Busscher-Marlier, 1806;

Discours prononcé par M. de Chauvelin,... à l'hospice des orphelins de la ville de Bruges, dite école Bogaerde, le 15 mai 1808, Brugge, G. de Busscher-Marlier, 1805.

[257] I. DE MEYER, a. w., blz 269.

[258] SAB, Fonds Academie, n° 2, resolutieboeken, vergadering van 17 oktober 1811.

[259] RAB, Lys, 1451.

[260] J. ESTHER, Het Burgplein en de Mallebergplaats. De huizen en hun bewoners in de 19de eeuw, in: H. DE WITTE (red.), De Brugse Burg, Brugge, 1991, blz. 254-257; Brigitte BEERNAERT, Monument en Tijd, Open Monumentendag Vlaanderen, Brugge, 2000, blz. 26-29; Lies VAN DE CAPELLE, Gouvernementspaleis, Bouwhistorische studie, Postgraduaat Monumenten- en Landschapszorg, Antwerpen, 2004 (onuitgegeven).

[261] SAB, Fonds Academie, n° 188. Het hoogste bedrag na dat van Chauvelin, 40 fr., kwam van burgemeester de Croeser.

[262] E. HOSTEN en Eg. STRUBBE, Catalogus Stedelijk Museum voor Schone Kunsten van Brugge, Brugge, 1935, blz. 80; [Dirk DE VOS], Brugge, Stedelijke Musea, Beknopte catalogus schilderijen, Brugge, 1973, blz. 66.

[263] SAB, Fonds Academie, n° 2, resolutieboeken, vergadering van 17/10/1811 en n° 3, folio 89; H. PAUWELS, Catalogus van het Groeningemuseum, Brugge, 1960.

[264] Thans bewaard in het Musée David d’Angers in Angers.

[265] J. RICHARDOT, F. S. Delpech, in: Dictionnaire de Biographie française, Tome X, col.; Elmar STOLPE, F. S. Delpech, in: Saur Allgemeines Künstlerlexikon, München, 2000, Volume 25, p. 533.  Delpech was kunstenaar, kunstliefhebber, schrijver, criticus en lithograaf. Hij stierf aan tuberculosis en zijn weduwe publiceerde een aantal boeken met illustraties die door hem waren bijeengebracht.

[266] François-Séraphin DELPECH [éditeur],  Iconographie des contemporains ou Portraits des personnes dont les noms se rattachent plus particulièrement, soit par leurs actions, soit par leurs écrits, aux divers événements qui ont eu lieu en France, depuis 1789, jusqu’en 1829, avec les fac-simile de l’écriture de chacune d’elles lithographiés par les plus habiles artistes (...), 2 vol., Parijs, Delpech [impr. Firmin Didot frères], 1832.

[267] AN F9 164 en 203, brieven Chauvelin aan Binnenlandse Zaken van 16 juli en 24 november 1807.

[268] AN F9 178.

[269] RAB, Lys, 1451 vermeldt dergelijke rondreizen: 18 oct. - 6 nov. 1805; 11-18 dec. 1805; 28 aug. – 10 sept. 1806; 9-15 jan. 1807; 21-29 mei 1807; 19-30 maart 1808; 2-8 feb. 1809.

[270] Gazette van Brugge, verslag bezoek Napoleon en Marie-Louise, 23 mei 1810; A. VIAENE, Napoleon en Marie-Louise te Brugge, Brugge, 1957.

[271] Souvenirs du feu duc de Broglie, édités par Albert de BROGLIE, Parijs, 1886, 4 Volumes, Tome I, p. 119.

[272] Holvoet was Conseiller de la préfecture, daarna achtereenvolgens prefect van de departementen Jemappes en Loire. In de Hollandse tijd was hij o.m. gouverneur van West-Vlaanderen. Biographie nationale, Tome IX, col. 438-440.

[273] Burggraaf van der Fosse, afstammeling van P. P. Rubens, begon zijn loopbaan op het einde van het Oostenrijks regime als schepen van het Brugse Vrije. Na Conseiller de la préfecture te zijn geweest, werd hij advocaat generaal in Brussel en in de Hollandse tijd procureur generaal. Nadien werd hij ook nog gouverneur van Noord-Brabant en van Antwerpen. Hij was de schoonbroer van de bekende revolutiegezinde Bruggeling Anselme de Peellaert, die Comte d’Empire werd.

[274] RAB, Lys, 1451.

[275] Dossier AN, F1bI 15720

[276] Tijdens zijn eerste rapporten voor de Conseil d’Etat werd hij als baron vermeld.

[277] Rapports et projets de dé́cret relatifs à̀ un nouveau systè̀me d'entretien des Routes, M. le baron Chauvelin, rapporteur. 1ère ré́daction, Parijs, 14 Mai 1811.

[278] Rapports et projets de dé́cret relatifs à̀ l'entretien et à̀ l'organisation du service des Polders dans la Belgique, M. le baron Chauvelin, rapporteur, 1re ré́daction, Parijs, 14 dé́cembre 1810; Projet de dé́cret relatif à̀ l'entretien et à̀ l'organisation du service des Polders, M. le baron Chauvelin, rapporteur, 5e ré́daction, Parijs, 8 janvier 1808.

[279] Rapport et projets de dé́cret relatifs au mobilier des Hôtels de Pré́fecture, M. le baron Chauvelin rapporteur, 1re ré́daction, Parijs, 15 Mars 1811.

[280] Over zijn parlementaire mandaten, zie: Archives départementales de la Côte d’Or, Dijon, Sous-série 3 M, Plébiscites, élections, article 235 (élections 20 septembre 1817), article 237 (élections 9 et 16 mai 1817), article 240 (élections 17 et 24 novembre 1827), article 241 (élections 28 septembre 1829). Ik dank de heer Gérard Moyse en mevrouw Catherine Pelletier van de Archives départementales, Dijon.

[281] Jeannine KAKLAMANIS, Biographie du marquis Marc René Marie Voyer d'Argenson (1771-1842) : comment un noble devient-il un républicain égalitaire?, Université de Paris X Nanterre, 2001 (onuitgegeven).

[282] LANZAC, a. w.

[283] [CAPEFIGUE], Histoire de la restauration et des causes qui ont amené la chute de la branche aînée des Bourbons, Brussel, 1831-1833, Tome V, blz. 188.

[284] Enkele voorbeelden van redevoeringen die in overdruk van het Staatsblad werden uitgegeven: Opinion de M. Chauvelin,... contre le projet de loi relatif à la liberté de la presse, séance du 12 décembre 1817, Parijs, Renaudière; Opinion de M. Chauvelin,... sur le projet de loi relatif au recrutement de l'armée, séance du 15 janvier 1818, Parijs, Renaudière; Opinion de M. Chauvelin, député de la Côte-d'Or, sur la loi de finances de 1818, Parijs, Renaudière; Opinion de M. Chauvelin, député de la Côte-d'Or, sur le budget de 1818, Parijs, Impr. de Plassan; Opinion de M. Chauvelin,... sur le projet de loi relatif à la fixation définitive des budgets des années 1815, 1816, 1817 et 1818, séance du 10 mai 1819, Parijs, Hacquart; Opinion de M. Chauvelin,... dans la discussion du projet de loi des comptes, sur l'article 21 du projet amendé par la commission, séance du 24 mai 1819, Parijs, Vve Agasse; Opinion de M. Chauvelin,... sur le budget du ministère des Finances, chapitre des frais de négociation. Séance du 14 juin 1819, Parijs, Hacquart; Opinion de M. Chauvelin,... sur les donataires des 4e, 5e et 6e classes. Séance du 19 juin 1819, Parijs, Hacquart; Opinion de M. Chauvelin,... contre le projet de loi relatif à la publication des journaux et écrits périodiques. Séance du 21 mars 1820, Parijs, Vve Agasse; Opinion de M. Chauvelin,... sur le projet de loi relatif au règlement définitif des comptes antérieurs à l'exercice 1819, et proposition d'un amendement à ce projet. Séance du 6 avril 1820, Parijs, Hacquart; Opinion de M. Chauvelin,... contre l'article 2 du projet de loi relatif à la répression des délits de la presse, séance du 26 janvier 1822, Parijs, Hacquart; Opinion de M. Chauvelin,... sur le déficit du vol Mathéo, dans la discussion du projet de loi relatif au règlement définitif du budget de l'exercice 1820, improvisée à la séance du 2 mars 1822; Opinion de M. Chauvelin,... sur l'amendement proposé par M. Labbey de Pompierres pour la distribution aux Chambres des cahiers d'observations de la Cour des comptes dans la discussion du projet de loi relatif au règlement définitif du budget de 1820, improvisée à la séance du 8 mars 1822, Parijs, Hacquart; Opinion de M. Chauvelin,... sur les chapitres X et XI du budget du Ministère des Finances (monnaies) et proposition d'un amendement... Séance du 6 avril 1822, Parijs, Hacquart; Opinion de M. Chauvelin,... dans la discussion du projet de loi sur les douanes, et proposition d'une diminution des droits portés au tarif des bestiaux... Séance du 29 juin 1822, Parijs, Hacquart; Opinion de M. Chauvelin,... sur le projet de loi de finances de l'exercice 1823 (arriéré)... Séance du 16 juillet 1822, Parijs, Hacquart; Opinion de M. Chauvelin,... sur la guerre d'Espagne. Séance du 16 mars 1823, Parijs, Baudouin frères.

[285] CAPEFIGUE, a.w., Tome VII, blz. 40-41

[286] Ph. MANSEL, Paris between empires. Monarchy and revolution, Londen, 2001, blz. 176.

[287] Zie La rabouilleuse, Hoofdstuk IV.

[288] Livre quatrième, Les amis de l'A B C - Chapitre I, Un groupe qui a failli devenir historique

[289] Discours prononcés dans le comité secret du 31 janvier 1821, par MM. Manuel, le général Sébastiani, Bernard Chauvelin, Camille Jordan, Benjamin Constant, le comte Alexandre de Lameth, le général Foy, Stanislas de Girardin, le général Demarçay et Casimir Perier, Parijs, A la librairie constitutionnelle,  1821.

[290] P. CHEVALLIER, Histoire de la Franc-maçonnerie française, Tome II, Parijs, Fayard, 1974, blz. 160-168; Alan B. SPITZER, Old Hatreds and Young Hopes: The French Carbonari against the Bourbon Restoration, Cambridge, Mass., 1971.

[291] E. de WARESQUIEL et B. YVERT, Histoire de la Restauration, 1814-1830, Parijs, Perrin, 1996, blz. 308 en 418.

[292] Archives départementales de Dijon, Sous-série 3 M, article 241.

[293] De markiestitel, na 1789 weinig of niet meer gebruikt door Bernard-François, werd na zijn dood overgenomen door zijn neef Joseph de Chauvelin de Beauregard (1786-1844), voorvader van de huidige Chauvelins.

[294] A. WAUTERS, Zoé de Gamond, in: Biographie nationale de Belgique, Tome VII, col. 474-481, Brussel, 1880; A. PERRIER, Zoé de Gamond, épouse Gatti, in: Dictionnaire de biographie française, Tome XV, col. 670, Parijs, 1982.

[295] Homoniem maar geen familie van de befaamde landbouwspecialist Arthur Young (1741-1820) en van zijn zoon dominee Arthur Young (1769-1825), eveneens landbouwdeskundige. De Fourierist Young en zijn vier broers weken in 1847 uit naar Australië. In 1856 wordt Arthur Young nog vermeld in verband met een Fourieristisch initiatief in de Verenigde Staten, waarna men zijn spoor bijster is.

[296] Eric BARATAY, Le père Joseph Rey, serviteur de l’enfance défavorisée, Paris, Beauchesne, 1996.

[297] Thomas VOET, La colonie phalanstérienne de Cîteaux, 1841-1846. Les fouriéristes aux champs, Dijon, Éditions universitaires de Dijon, 2001.

[298] Martine PLOUVIER & Alain SAINT-DENIS, o. c., blz. 190-197; Thomas VOET, a. w., blz. 71-75 en 171-173.

[299] Stanislas de GIRARDIN, Discours et opinions. Journaux et souvenirs, Paris, 1828, Tome IV, blz. 417-421; Biographie Universelle, Tome V, Brussel, 1843-47, art. Girardin; A. ROBERT (dir.), Dictionnaire des parlementaires français, Vol. F-L, Paris, 1891, blz. 176-177; A. D’ESNEVAL, Stanislas de Girardin, in: Dictionnaire de biographie française, Tome XVI, 1985, col. 209; Ph. SEGUIN, 240 dans un fauteuil. La saga des présidents de l’Assemblée, Parijs, 1995, blz. 263-264.

[300] Ik ben voor deze biografische nota dank verschuldigd aan Mevrouw Carina Avogadro di Collobiano - Morello (Milaan) en aan Mevrouw Carpo van de Biblioteca Civica dell’Archivio di Stato di Vercelli. ‘Carrezane’ vond ik ook geschreven ‘Caresana’.

[301] Het Palazzo Arborio Biamino is thans de zetel van de prefectuur in Vercelli.

[302] D. DESTOMBES, Notice sur M. Pierre Arborio baron de l’Empire, chevalier de la Légion d’Honneur, préfet de la Lys, Cuneo, 1812; Gaspare de GREGORY, Istoria della Vercellese Letteratura ed Arti, Torino, Chirio e Mina, 1819-1824, in 8°, vol. 4 in tomi 3, parte IV, pp. 85-87; Biographie Universelle, a. w., art. Arborio; Carlo DIONISOTTI, Memorie storiche della città di Vercelli, precedute da cenni statistici sul Vercellese, Biella, G. Amosso, 1861-1864, Vol. II, p. 339; Antonio MANNO, Il Patriziato subalpino, Firenze, 1895-1906, Vol I, blz. 107-109, Vol. II blz. 73-74; Armorial du premier Empire; titres, majorats et armoiries concédés par Napoléon Ier, Paris 1899, 4 Vol. (herdruk 1974) ; A. M. LAUTUN, Pierre Arborio, in : Dictionnaire de biographie française, Tome III, col. 285, Parijs, 1939 ; J. ESTHER, Het Burgplein en de Mallebergplaats, a. w., blz. 253.

[303] Poesie per le nozze dei cittadini Pietro Arborio ed Ernesta Morosini, Vercelli, Felice Ceretti, Anno IX Republicano [1801], pp. 104.

[304] A. SCHOUTEET, Aantekeningen J. K. Verbrugge, a. w., blz. 41.

[305] Alle gegevens, tenzij anders vermeld, uit: Archivio Storico Communale di Vercelli (ASCV), Archivio Biamino Arborio, Bundels XVII.B., XVII.C., XVII.D.

[306] Hij zou later, in de jaren 1820-1830 burgemeester van Vercelli zijn.

[307] In sommige teksten vond ik dat Arborio ook sous-préfet in Douai was. Ik heb hierover evenwel geen enkele documentaire bevestiging gevonden. Misschien was hij tijdelijk verantwoordelijk voor deze naburige onder-prefectuur, in afwachting van een nieuwbenoemde collega.

[308] Gazette de la Stura, 1810, n° 99

[309] Annuaire statistique du département de la Stura pour l'an 1809, fesant suite a celui de 1806, rédigé sur l'invitation de M. Pierre Arborio,... par D. Destombes, son secrétaire... - A Coni [i.e. Cuneo], chez Pierre Rossi, imprimeur de la Préfecture, [1810].

[310] A. SCHOUTEET, a. w., blz. 38-39.

[311] J. ESTHER, a. w., blz. 260.

[312] ASCV, Archivio Arborio Biamino, bundel XVII C.

[313] SAB, Archief Sint-Jorisgilde, Resolutieboek 1806-1845, f° 51 r. Er is een mogelijkheid dat niet de prefect, maar de sous-préfet (er was op 1 maart 1811 voor het eerste een sous-préfet voor het arrondissement Brugge benoemd) ontving. Er wordt immers vermeld ‘le Préfet de l’arrondissement’.

[314] G. DE GREGORY, a.w.

[315] idem.

[316] SAB, Begrafenisboeken, op datum van 16 augustus 1811.

[317] S. BOSSOLO, Elogio funebre alla chiarissima memoria del fu signor Pietro Arborio Biamino-Carezzana, barone dell’Impero, cavaliere della Legion d’Onore, già prefetto del Dipartimento della Stura, poscia di quello del Lys, pronunziato nella chiesa parrocchiale di Centallo li 28 settembre 1811, Torino, Vincenzo Bianco, s.d. [1811] 18 blz.

[318] Baron GUILLAUME, Claude Fisco, in: Biographie nationale de Belgique, T. VII, col. 74.

[319] SAB, Overlijdensakten, 1813, n° 621;  A. DUCLOS, Bruges, histoire et souvenirs, Bruges, 1910, p. 512; V. VERMEERSCH, Grafmonumenten te Brugge voor 1578, Brugge, 1976, Deel III, Catalogus, n° 393; H. DE BRUYNE, De godshuizen in Brugge, Roularta Books, 1994, p. 34-40.

[320] Stefano BOSSOLO, a. w.

[321] Nel solenne funerale del signor barone Pietro Arborio, cavaliere dell’Impero, già prefetto della Stura, poscia della Lys, celebrato in Cuneo il 14 settembre 1811, dai signori consiglieri, segretario generale ed impiegati della prefettura. Orazione funebre detta del teologo Michele Revelli, canonico della collegiata e principale del collegio di Cuneo, Cuneo, Presso Pietro Rossi, 1811, 24 blz. (ASCV, Archivio Arborio, bundel XVII.D.)

[322] V. BOUCKAERT e. a., De Centrale begraafplaats te Assebroek-Brugge, in: Brugs Ommeland 1993, blz. 54.

[323] J. VALYNSEELE, Les maréchaux du premier Empire, leur famille et leur descendance, Paris, 1957, blz. 122; Nicole GOTTERI, Le maréchal Soult, Paris, Bernard Giovanangeli, 2000; Frédéric HULOT, Le maréchal Soult, Paris, Pygmalion, 2003; AN, dossiers de préfets, F1b I 17319. Ik ben voor gegevens over Soult dank verschuldigd aan mevrouw Nicole Gotteri, directeur bij de Archives Nationales, Parijs en vice-voorzitter van het Institut Napoléon, evenals aan de graven Hugues en Guillaume de Guitaut en gravin Marguerite de Guitaut, nazaten van maarschalk Soult.

[324] C. VILLAGRE,  Notice nécrologique sur le lieutenant général Baron Soult, Paris, ‘La Renommée’, 1843.

[325] N. GOTTERI, a. w., blz. 27, 138-139.

[326] Archieven Charleston, NC, USA, collectie lokale kranten, City Gazette 13 februari en 11 april 1805.

[327] N. GOTTERI, a. w., blz. 257.

[328] N. GOTTERI, a. w., blz. 260.

[329] J. LUCAS-DUBRETON, Napoléon devant l’Espagne. Ce qu’a vu Goya, Paris, 1946, blz. 248.

[330] Correspondance de Napoléon Ier, Paris, 1858-1870, Brief naar Clarke, 11 juni 1809, n° 15332.

[331] Mémoires du Général Sarrazin, escrits par lui-mème: depuis 1770, jusqu'en 1848, Bruxelles, 1848.

[332] G. F. GIJSBERT HODENPIJL, Napoleon in Nederland, Haarlem, 1904

[333] A. SCHOUTEET, a. w., blz. 42.

[334] Jean TULARD & Louis GARROS, a. w., blz 439.

[335] SAB, VW, MV, 1798, folio’s 30-34.

[336] N. GOTTERI, a. w., blz. 46-49.

[337] AN, F 1c III Lys 5, brief Soult 14 oktober 1813 aan de minister van Binnenlandse zaken

[338] Archief Engels Klooster, Brugge, Annalen 1802-1826, 22 augustus 1813.

[339] P. J. VAN DER MOERE, De jonge levieten van het seminarie van Gent te Wezel, te Parijs, ..., Brussel, 1856; E. REMBRY, De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge, Brugge, 1890-96, blz. 318-320; A. SCHOUTEET, a. w., blz. 47.

[340] AN, F 1c III Lys 5, brieven van Soult; J. DESMET, Het einde van het fransch bewind in West-Vlaanderen, in: Biekorf, 1930, blz. 22-27.

[341] A. SCHOUTEET, a.w., blz. 45.

[342] A. VAN DEN ABEELE, De zoons van drukker-uitgever Joseph Van Praet, in: Biekorf, 1997, 206-221

[343] A. SCHOUTEET, a. w., blz. 48-55.

[344] AN, F1c III, Lys 5.

[345] RAB, Lys, 1451.

[346] L. DE WOLF, De beschieting van Brugge door de Franschen op 12-03-1814, in: Biekorf, 1924, blz. 73-79; J. DESMET, Het einde van het Frans bewind in West-Vlaanderen, a.w.; J. DESMET, Van Departement tot Provincie, in: West-Vlaanderen (o. l. v. A. VIAENE), Brussel, 1958, blz. 117-121.

[347] AN, AF IV, 1019, verslag Fourcroy.

[348] N. GOTTERI, a. w., blz. 602, 607, 610, 613, 618, 625.

[349] N. GOTTERI, a. w., blz. 636-639, 727.

[350] In duizendtallen was het inwonertal rond 1810 als volgt: Schelde (525), Leie (490), Jemappes (443), Dyle (363), Ourthe (313), Twee Nethen (249), Neder-Maas (232), Wouden (225), Samber en Maas (165).

[351] Guy THUILLIER, Témoins de l'administration, Paris, Berger-Levrault, 1967; Jacques-Olivier BOUDON, La création du corps préfectoral en l’An VIII, Revue du souvenir napoléonien, 2000.

[352] Comte DE LAS CASES, Le Mémorial de Sainte-Hélène, Bibliothèque de la Pleiade, Volume II, Paris, 1957, blz. 286-288.

[353] L. VAN ACKER, Het politiereglement van Izegem uit 1806, in: Biekorf, 2003, blz. 236-239.

[354] E. N. [A. VIAENE], Reglement op de uithangborden, in: Biekorf, 1975, blz. 250.

[355] L. VAN ACKER,  Het ontstaan van de Handelskamer te Oostende, in: Biekorf, 1987, blz. 375-383; L. VAN ACKER, De vloot van Oostende in 1803, in: Biekorf, 1995, blz. 154.

[356] M. C. VIRY,  Mémoire statistique du département de la Lys, adressé au ministre de l'intérieur, d'après ses instructions, Imprimerie impériale, 1804, herdruk, Paris, Hachette & Bibliothèque nationale, 1975. Ook te vinden op Internet: Bibliothèque nationale, projet Gallica.

[357] J. FESTJENS, De mémoire statistique van Viry, prefect van het Leiedepartement. Episode uit de moeilijke opgang naar een wetenschappelijke statistiek, Leuven, 1967, onuitgegeven licentiaatsverhandeling; Jozef FESTJENS, De mémoire statistique van het Leiedepartement,  in: Standen en Landen, n° 58, 1972, blz. 135-170.

[358] J. MERTENS en W. VANDERPIJPEN, Schets van de West-Vlaamse landbouw eind 18e – begin 19e eeuw, in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis in Brugge, 1970, blz. 277-301.

[359] A. VAN DEN ABEELE, De noblesse d’Empire in West-Vlaanderen, in: Biekorf, 2002, blz. 309-332.

[360] Idem.

[361] A. VAN DEN ABEELE, Andries Van den Bogaerde, in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis in Brugge, 2002, blz. 80-124. Deze primus van Leuven werd conseiller de préfecture.

[362] B. BEERNAERT, Open Monumentendag Vlaanderen, Monument en Metaal, Brugge, 2001, blz 85-93. De Deurwaerder was advocaat, lid van de Conseil général du département en later voorzitter van de Burgerlijke rechtbank.

[363] Annuaire de la Noblesse, 1857, blz. 109. De Croeser was voorzitter van de administration centrale du département in 1797, voorzitter van de Conseil général du département in 1802 en datzelfde jaar tot in 1813 maire van Brugge.

[364] Annuaire de la Noblesse, 1860, blz. 157.

[365] Paris, l’Imprimerie impériale, an XII (dus gepubliceerd na 18 mei 1804, stichtingsdatum keizerrijk).

[366] P. VERHAEGEN, Biographie nationale, de Viry, a. w.

[367] L. VAN ACKER, Handel en nijverheid te Kortrijk in de Franse tijd, in : Biekorf, 1989, blz. 37-44; RAB, Lys, 2865.

[368] L. VAN ACKER, Brugse blekers naar Parijs, in: Biekorf, 1994, blz. 392.

[369] L. VAN ACKER, Brugse deelname aan de expositie van Parijs in 1806, in: Biekorf, blz. 111.

[370] L. VAN ACKER,  Heideontginning ten zuiden van Brugge, in: Biekorf, 1960, blz. 235-238; A. VAN DEN ABEELE, Andries van de Bogaerde (...), a. w.

[371] J. TULARD, Napoléon et la noblesse d’Empire, Paris, 1974 (heruitgave 2001).

[372] A. VAN DEN ABEELE, De filosoof Thomas Paine en zijn Brugse vriend Joseph van Huele, in: Brugge die Scone, 1993, n° 4, blz. 7.

[373] M-R. THIELEMANS, Bestuursambtenaren en militairen onder de Republiek en het Empire, in: België onder het Frans bewind, 1792-1815, Brussel, 1993, blz 253-269. Het betrof o. m. graaf d’Arberg junior (Wezer), Boucquéau de Villeray (Rijn-en-Moezel, Saar), Pycke de ter Aerden (Scheldemonding), de Stassart (Vaucluse, Maasmonding), graaf Vischer de Celles (Loire-inférieure, Zuiderzee), Graham (Indre-et-Loire), prins de Gavre (Seine-et-Oise). De meesten onder hen werden in de Empire-adelstand opgenomen.

 

www.andriesvandenabeele.net