DRUKKER-UITGEVER JOSEPH BOGAERT (1752-1820)

OF DE STANDVASTIGE TAALIJVERAAR

door

Andries VAN DEN ABEELE

Joseph Bogaert (Brugge 18 maart 1752-10 november 1820), stamvader van de verschillende drukkers die wij in Brugge onder de naam Bogaert terugvinden, is de enige onder hen over wie al méér dan een paar rudimentaire gegevens gepubliceerd werd (1). Hij werd tot hiertoe vooral bestudeerd in verband met nieuwsbladen die hij drukte ("De Rapsodisten" van B. Detert) of uitgaf ("Vaderlandsch Nieuwsblad") (2). Er is echter veel meer te vertellen over deze eerste onder de Bogaerts (3). We hebben hem voor Brugse lezers gesitueerd in zijn familiale omgeving en in verband met zijn opvolgers en nakomelingen. We hebben hierbij tevens de aandacht gevestigd op de opmerkelijke unstverzameling die hij wist aan te leggen (4). Wij willen thans twee aspecten uit het leven van Joseph Bogaert nader belichten : zijn activiteiten als drukker-uitgever en zijn rol als rederijker en taaipropagandist. Wij hopen hiermee aan te tonen dat hij in zijn tijd een niet onbelangrijk figuur is geweest.

HOOFDSTUK I -DE DRUKKER-UITGEVER.

Toen Bogaert zich, waarschijnlijk in 1783, in Brugge kwam vestigen, na een tiental jaren drukkersactiviteit in Brussel, was de stad al goed voorzien van drukkerijen.

De twee voornaamste drukkers waren Joseph Van Praet in de Kuipersstraat, sinds 1762 gezworen drukker van de stad Brugge en van het Brugse Vrije, uitgever van de jaarlijkse almanak "Generalen Staet van den Vrijen", drukker van een aantal boekwerken, uitbater van een goedvoorziene boekhandel en Joseph De Busscher, sinds 1771 opvolger van Pieter De Sloovere in de Braambergstraat, uitgever van de jaarlijkse "Grooten Comptoir Almanach", drukker van auteurs zoals Beaucourt de Noortvelde en kanunnik Florizoone, en eveneens belangrijk boekhandelaar en antiquarisch expert.

Verder waren ook nog actief de generaties oude drukkerij Beernaert en de drukkers Jean Baptiste Macqué in de Breidelstraat, Martinus De Sloovere gevestigd "In St. Lucas" in de Vlamingstraat, Cornells De Moor in de Philip Stockstraat (sedert 1764), Petrus Parrain in de Breidelstraat (sedert 1776) en Macarius Lacroix in de Steenstraat (sedert 1778). Na Bogaert zouden zich nog Frans Van Eeck aan de Molenbrug (in 1785) en Frans Van Hese aan het Vleeshuis (in 1789) als drukkers komen vestigen (5).

Ieder van deze drukkers had een eigen, meestal trouw cliënteel : het was ongetwijfeld niet gemakkelijk voor een nieuwkomer, zich een plaatsje onder de zon te veroveren. Des te meer omdat er veel exclusiviteiten bestonden, die een dynamische nieuweling de pas afsneden. Zo was het uitgeven van kranten verboden : de "Gazette van Ghent" had het monopolie. Het uitgeven van almanakken was aan octrooi onderhevig. Alle overheidsdrukwerk voor de stad en het Vrije werd exclusief aan Van Praet toevertrouwd. Het bisdom, de kloosters, de verschillende burgerlijke besturen, de ambachten en neringen, de rederijkers en schuttersgilden : ze hadden allemaal hun vaste drukker.

Bogaert en Beaucourt de Noortvelde.

Bogaert veroverde niettemin tamelijk vlug een eigen plaats. De bekende Brugse auteur Patrice Antoine Beaucourt de Noortvelde (1720-1796) zou hem hierbij behulpzaam zijn door van drukker De Busscher naar hem over te stappen (6).

Maar hun eerste samenwerking werd geen succes : Bogaert gaf halfweg 1784 een prospectus uit voor intekening op het driedelig werk van Beaucourt, getiteld "La Troye Belgique" (7). Aangezien de minimum oplage van 400 exemplaren niet werd bereikt, ging de uitgave niet door. Pas in 1794, en dan in het Latijn, zouden de eerste 350 verzen van dit ambitieuze epos van Beaucourt door Bogaert uitgegeven worden (8).

In 1785 hadden auteur en drukker meer succes met de publikatie van de bekende "Jaarboeken", die voortaan in geen enkele Brugse bibliothèque d'honnête homme" zouden ontbreken (9). Het jaar daarop drukte Bogaert een hulde die Beaucourt had geschreven naar anleiding van de Blijde Intrede in Brugge van Keizer Jozef II (10).

Bogaert en Detert.

Bogaert verbond ook zijn drukkersloopbaan aan de rusteloze, onlangs in Brugge "aangespoelde" Hollandse publicist Bernardus Detert (1727-na 1792) (11).

Einde 1783 drukte hij voor hem "Het gedrag van zijn K. en K. Majesteyt Josephus II verdedigt voor de vierschaar der billijkheid". Het werkje, waaraan ook Beaucourt had meegewerkt, verscheen on der de schuilnaam "Justinus Flandricus" en vermeldde Alkmaar als stad waar het gedrukt was (12). In werkelijkheid kwam het van de persen van Bogaert (13).

Bogaert achtte toen het ogenblik aangebroken om enig risico te nemen, en tegen het monopolie in te gaan van de "Gazette van Gent". Van 10 juli 1784 tot einde juni 1785 verzorgde hij de druk van Deterts' spectatoriaal half maandelijks blad "De Rapsodisten of Mengelaers". De tekst was opgemaakt in de vorm van samenspraken tussen "Sincerus" de Vlaming en "Philalethes" de Hollander (14). Al zal de tekst wel hoofdzakelijk door Detert geleverd zijn, het is niet uitgesloten dat Bogaert, die zelf over een vaardige pen beschikte, ook zijn inbreng had.

Nog in 1785 werd aangekondigd dat Bogaert een vertaling door Detert zou publiceren van het succesepos "De dood van Abel", van de hand van de Zwitserse dichter en dramaturg Salomon Gesner (17301788). We hebben geen zekerheid dat dit ook werkelijk werd gedrukt.

In 1785, 1786 en 1787 verschenen van Detert verscheidene kleine werkjes, die van de persen van Bogaert rolden. Vier ervan waren literaire opstellen in rederij kerst rant, één lag in de lijn van de inspanningen die Detert zich getroostte om de tolrechten op Hollandse gezouten haring te doen verminderen en één was een historisch-toeristisch opstel over de Burg en het stadhuis (15).

De revolutionaire periode kwam in zicht. In juli 1787 drukte Bogaert in zijn "Patriotyksche Drukkerij" het pamflet van Detert "De Bruggelingen uyt hunne sluymeringe ontwaekt", dat meteen ingevolge de verbanning die Detert hiervoor trof het laatste geschrift van hem was dat door Bogaert gedrukt werd (16).

Bogaert en andere auteurs.

Beaucourt en Detert waren de voornaamsten maar niet de enigen die in de beginperiode aan de drukkerij Bogaert werk bezorgden. De Brugse geneesheer J.B. Versluys (1761-1799) had een Vlaamse vertaling gemaakt van een soort seksueel voorlichtingsboek met als titel ''L'homme et la femme considérés physiquement dans l'état de mariage". J. Bogaert wou deze vertaling in 1786 drukken maar hij kreeg publikatieverbod van de overheid (17).

Méér geluk had Bogaert in datzelfde jaar met werken van een andere Brugse medicus die tot zijn vriendenkring behoorde, Francisais Augustinus Van Zandycke. Eén van die werken lijkt een persoonlijk samengestelde geneeskundige "encyclopedie" te zijn geweest, de overige waren vertalingen uit het Engels (18). Nog uit het Engels werd een werk in het Frans vertaald (wellicht ook door Van Zandycke), gewijd aan de menopauze, van de hand van de vermaarde dokter John Fothergill (1712-1780) (19).

Bogaert specialiseerde zich trouwens in vertalingen. Zo publiceerde hij in 1791 de biografie van Keizer Jozef II, door de markies de Caraccioli (20). In vertaling van de geneesheer J.B. Versluys verscheen de "Telemachus" van Fénelon, die Bogaert van 1792 tot begin 1794 in de vorm van 24 afleveringen aan de intekenaars liet geworden, met een inleidende verhandeling van de dokter "over de heldendichtkunde en uytmuntentheyd van het dichtkundig werk van Telemachus" (21). Bogaert was niet de enige om het merkwaardige en omvangrijke vertaalwerk van Versluys te publiceren : ook De Busscher en Van Eeck drukten volumineuze vertalingen van de hand van de Brugse geneesheer (22).

Uit de vroegste periode van de drukker vermelden we tenslotte nog de studie zonder auteursnaam over landbouwproblemen in België. Het werk verscheen blijkbaar zonder toestemming van de overheid en werd dan ook fictief (naar de gewoonten van de tijd) vermeld als in Londen gedrukt (23).

"Abraham de Aartsvader".

In 1788 drukte Bogaert "Abraham de Aartvader", het als een meesterwerk beschouwde epos in verzen van de Vlaardingse boekhouder en rederijker Arnoldus Hoogvliet (1687-1763) (24). Deze uitgave werd aangekondigd als negende druk. Dit betekende niet dat er acht drukken bij Bogaert aan voorafgegaan waren, maar dat het een vervolg was van de verschillende drukken die van 1728 tot 1780 te
Rotterdam, Haarlem en Nijmegen waren uitgegeven (25).

J. Bogaert nam het werk over zoals hij het in de Noordelijke uitgaven aantrof, met de inleiding in proza door Hoogvliet zelf en met de lofdichten op de auteur door zijn tijdgenoten : Johannes van Dam (+ 1761) de geleerde aardrijkskundige en classicus (een lofdicht in het Latijn), Kornelis Boon van Engelant (1680-1750), de toneeldichter, Dirk Smits (1702-1752), de gevoelige en lieflijke dichter uit Rotterdam (diens verzen kwamen er naar aanleiding van de vierde druk) en Frans de Haes (1708-1761) de medeoprichter van het dichtgenootschap "Natura et Arte" (26).

Bogaert hield het echter niet bij een slaafse kopie en plaatste er zijn persoonlijke stempel op. Hij verrijkte het werk met een originele gravure van Jean Louis Wauters (°Gent 1731) (27) waarop, onderaan het beeld van Abraham, de titel van het werk, de naam van de auteur, de drukker en het jaartal van de druk voorkwamen. Daarbij publiceerde hij een gedicht van J.L. Wauters "Op de tytel-prent", waarin de auteur uitleg over de allegorische voorstellen verstrekte.

En in de reeks lofdichten voegde hij er twee nieuwe aan toe. De eerste was van de Ieperse schilder, rederijker en dramaturg Karel Lodewijk Foumier (1730-1803) (28). Het tweede gedicht was van de hand van zijn vriend, kunstgriffier van de hoofdkamer van de H. Geest en deken van de kamer van hetH. Kruis, Pieter Alleweireldt (1739-1800) en droeg de titel : "op den negensten druk van Abraham den Aertsvader door Arnold Hoogvliet".

Gelegenheidsdrukwerken en almanakken.

Naast de boekwerken publiceerde Bogaert uiteraard ook veel gelegenheidswerk voor huwelijken, jubilea, nieuwjaars wensen, enz., o.m. van de hand van Pieter Alleweireldt, van Bernardus Detert en van heel wat anoniemen (29).

Ook, zoals we verder zullen zien, drukte Bogaert veel klein werk voor de rederijkerskamer van het H. Kruis. In 1788 rolde van zijn persen een superstitieus "crachtig gebet" dat echter op last van de bisschoppelijke censuur uit circulatie genomen werd (30). Voor de op sensatie belust lezer waren er, bij gebrek aan lokale kranten, de bijzondere uitgaven naar aanleiding van grote misdaden of opzienbarende processen. Ook Bogaert drukte zulke werkjes (31).

Bogaert begaf zich eveneens op het druk bezette terrein van de almanakken. Niet alleen waren er de Brusselse en Gentse almanakken, maar ook in Brugge verscheen er heel wat.

De voornaamste waren de "Grooten Brugschen Comptoir Almanach", al bijna een eeuw oud en sedert 1771 uitgegeven door Joseph De Busscher, en de "Generaelen Staet 's landts van den Vrijen", in 1766 voor het eerst uitgegeven door Joseph Van Praet. Martinus De Sloovere gaf een "Nieuwen Brugschen Wegwijzer ofte Almanach" uit, weduwe Franciscus Beernaerts een "Nieuwen Brugschen Almanach", Cornells De Moor een "Vermaekelijken Brugschen Almanach" en Petrus Parrain een "Nieuwen Brugschen Comptoir Almanach". Het leek dus wel onmogelijk een gevestigde boekhandel en drukkerij te zijn, zonder een eigen jaarlijkse almanak op de toonbank te hebben (32).

De eerste ons bekende almanak van Joseph Bogaert is voor het jaar 1789. Het was een bescheiden boekje, half zo dik als dat van de concurrenten, dat hij de naam "Noodzaekelijken Almanach" meegaf. De gewone gegevens van elke almanak kwamen er in voor (bestuur van stad en Vrije, markten, post, boden, enz.). Heel wat ruimte werd vrijgemaakt voor allerhande kronieken en verhalen over voorname personages van het ogenblik en over de op 1 januari 1789 te verwachten verschijning van de komeet van Halley (33).

Werd de almanak tijdens de volgende jaren regelmatig uitgegeven ? We hebben er geen zekerheid over, bij gebrek aan bewaarde xemplaren. De snelle opvolging van regimes en de revolutionaire onrust waren niet bevorderlijk voor het publiceren van praktische gegevens over bestuurlijke en commerciële instellingen.

Pas voor het jaar 1796 beschikken we opnieuw over een bewaarde "Noodzakelijken Almanach" bij J. Bogaert en Zoon : het was ondertussen een keurig uitgegeven almanak geworden in mooie druk. Het boekje bevatte o.m. twee volkse gedichten . "Klachten van eene Verlaetene Moeder" en "De Naewee", twee frisse versjes zonder pretentie maar ook zonder rederijkersballast. Het is niet itgesloten dat ze van de hand van Joseph Bogaert waren (34).

De vriendschapsbanden van Bogaert en zijn "letterkundig cabinet".

Het bij elkaar brengen van de namen van auteurs die bij Bogaert publiceerden en van de peters en meters van de kinderen Bogaert, brengt ons tot de interessante vaststelling dat de relaties niet louter commercieel waren.

Drie van zijn auteurs traden als peter op voor één van zijn kinderen : Petrus Alleweireldt (in 1786), Franciscus Van Zandycke (in 1787) en Patrice Beaucourt (in 1790) terwijl ook de vrouw van Bernard Detert als meter optrad (in 1786). Zeepzieder Charles De Net (in 1788) en zijn echtgenote Isabelle Reylandt (in 1790) waren ook peter en meter van kinderen Bogaert. Hij was de broer van makelaar Jacques De Net-Van den Berghe (1752-1834) die door Bernardus Detert als zijn weldoener werd betiteld en voor wiens huwelijk hij in 1784 een huidelied lit drukken bij Bogaert. Een andere peter, de behanger Franciscus Haenecaert (in 1791), was stadhouder van de Rederijkerskamer van het H. Kruis (35). Het is onbetwijfelbaar dat wij ook met de andere peters, de schoolmeester Emmanuel Boonaert en de aannemer Carolus Van Heerswingels en met de meters, andere dan familiale banden zouden aantreffen, indien wij hierover nadere gegevens vonden.

Al deze namen geven een idee van de vriendenkring waarin Bogaert zich bewoog, en die waarschijnlijk - om niet te zeggen zeker - een groep stadsgenoten uit de middengroepen samenbracht die over de evolutie van de tijd discussieerden, schreven en soms publiceerden en die ook gemeenschappelijke literaire belangstellingen cultiveerden, voornamelijk in de schoot van de Rederijkerskamer van het H. Kruis.

Het zal niet ver van de werkelijkheid zijn te veronderstellen dat deze heren zich af en toe samen in de drukkerij en de boekhandel van Bogaert bevonden en dat hieruit het idee bij Bogaert ontstond om naar het voorbeeld van de "Société littéraire" (gesticht in 1786) in zijn woning in de St.Jacobsstraat vanaf mei 1788 een "Cabinet littéraire" te organiseren, waar hij tegen een bescheiden toegangsprijs een ruime bibliotheek en dertig kranten en tijdschriften ter lezing aanbood (36). Het was dan ook zeker dit leeskabinet, méér dan zijn drukkerij en boekhandel, dat er hem toe aanzette om begin 1791 naar de Markt te verhuizen en zo beter bereikbaar te zijn, niet alleen voor Bruggelingen, maar ook voor buitensteedse bezoekers en rechtstreeks de concurrentie aan te gaan met de "Société littéraire", die eveneens op de Markt gevestigd was.

De Brabantse omwenteling en de eerste restauratie.

Vanaf 1787 werd Brugge meegesleept in de stroomversnelling van de revolutionaire bewegingen en Bogaert zou zich hierbij allerminst onbetuigd laten.

We vermeldden al het patriottische geschrift "De Bruggelingen uit hun sluimeringe ontwaakt", dat, in tegenstelling tot de vorige geschriften van Detert, anti-keizersgezind was. Bogaert volhardde op dezelfde weg en verkocht begin 1790 samen met C. De Moor, de drukker van het bisdom, "De Arend door den Nederlandschen Leeuw verslagen". Het werkje verscheen met kerkelijke goedkeuring, verleend door L.A. Caytan (37).

Hieruit blijkt dat Bogaert, net zoals Detert en veel anderen, de rug toegekeerd had aan Jozef II en de kant van de Brabantse Omwenteling had gekozen, hierbij de zijde van de traditionalistische fractie kiezend. Ook De Busscher koos hetzelfde kamp. In tegenstelling met hen bleven hun collega's Joseph Van Praet en Frans Van Hese aanhangers van het keizerlijk gezag en o.m. tegenstanders van de geestelijkheid, belangrijke ondersteuner van de Brabantse omwenteling (38).

Bogaert deed zelfs aan proselitisme met volkse pamfletten, die de vrij keizersgezind gebleven landelijke bevolking aanzetten tot steun aan de revolutie (39). Ook drukte hij 35 afleveringen van een "Bulletin de l'armée Belgique", dat aan de activiteiten van het patriottenleger gewijd was (40).

Het is alvast zeker dat Bogaert in de kringen van de Brugse "patriotten" verkeerde. Het feit dat hij op 28 mei 1787 lid werd van de schuttersgilde van St-Sebastiaan, toont aan dat hij gevoelig was voor de taken van ordehandhaving die de gilden in stijgende mate op zich namen (41).

Na de Brugse volksopstand van einde juli 1787 en het verbod van gouverneur de Murray tegen de georganiseerde "Patriotten", kwamen deze nog semi-clandestien samen in herberg "de Meiboom" in de Dweersstraat (42). Dit was ook het lokaal van de Rederijkersgilde van het H. Kruis, waarvan Bogaert één der steunpilaren was.

Dat Bogaert voorstander was van de "klerikale" revolutie in 1790, belette hem niet om in 1791 de hevig anti-klerikale autobiografie van de ex-kapucijn Pieter Vervisch (1749-1793) samen met zijn collega Frans Van Hese te drukken (43). Anti-keizers in 1790, werd hij hierdoor al evenmin gehinderd om in 1791 de vertaling van Caraccioli's lovende biografie van de inmiddels overleden Jozef II uit te geven.

Zo liep Bogaert dan in 1791-92 opnieuw in het orthodoxe spoor als goed Habsburgs onderdaan en drukte hij restauratiegezinde geschriften en zelfs het relaas van de Blijde Intrede in Gent van de ieuwe keizer (44). Revoluties waren voortaan voor hem "des duivels", vooral dan de Franse revolutie, die erg ongunstig aan het evolueren was.

Tijdens de augustusdagen 1792 werd in Parijs een beslissende stap gezet in de republikeinse richting. Onder druk van de straat werd Lodewijk met zijn gezin uit de Tuileriën verjaagd en in de Temple opgesloten. De monarchie werd afgeschaft en de republiek uitgeroepen : onafwendbare uitmonding van drie jaar revolutionaire en bloedige gebeurtenissen. Er bleven Lodewijk XVI nog slechts enkele maanden te leven : op 21 januari 1793 zou hij het schavot bestijgen op de Place de la Révolution.

Joseph Bogaert publiceerde een pamflet over de schokkende gebeurtenissen van de augustusdagen en over de handelingen van degenen die hij "het Jacobijner gespuys" noemde (45). Drie maanden later zou hij zelf lid worden van het "Genootschap der Vrienden van Eendragt, Vrijheyd en Gelykheyd" in Brugge.

De eerste Franse tijd : het "Vaderlandsch Nieuwsblad".

11 november 1792 : de Franse troepen veroverden Brugge en bleven er tot 26 maart 1793. Het waren de wittebroodsweken van de revolutie : de patriotten waren overtuigd dat de Franse revolutionairen hun de onafhankelijkheid kwamen brengen.

Bogaert doopte onmiddellijk - zij het kortstondig - zijn zaak om tot "Drukkerij van Vriendschap en Liberteyt" (46). Vooral nam hij een initiatief dat hij al lang van zins was : op 21 december 1792 verscheen het eerste nummer van "Het Vaderlandsch Nieuwsblad" (47). Het verscheen op hetzelfde formaat en papier als het anti-Jacobijnse pamfletje van augustus. De eerste nummers bevatten niets anders dan de verslagen van de bijeenkomsten van het "Genootschap der Vrienden van Eendragt, Vrijheyd en Gelijkheyd", gewoonlijk - en dan vooral door de tegenstanders ervan - de "Club" genoemd.

Bogaert was op het eerste gezicht niet de meest logische keuze om, met instemming van de Clubleiding, de exclusieve publikatie van deze verslagen te verzekeren. Des te minder omdat een andere drukker, François Van Praet, tot de actieve leiders van de Club behoorde, en zeer intensief allerhande revolutionair drukwerk van de eigen persen liet rollen (48). Bogaert had in ieder geval erg handig op de gewijzigde toestand ingespeeld. Hij werd een - overigens discreet lid van de Club, onder het nummer 166. De drukkers François en Auguste Van Praet, en Guillaume De Busscher, de jonge zoon van drukker Joseph De Busscher, waren hem hierin vóór geweest (49).

Het "Vaderlandsch Nieuwsblad" werd dus de informatiebron voor alwie wenste te weten wat er in de Club gebeurde. In de volkstaal geschreven, bestemd voor de middenstand en de kleine burgerij, werd het blad de quasi-officiële spreekbuis van de aanhangers van de revolutie.

Dit belette Bogaert evenwel niet om in dit zelfde "Vaderlandsch Nieuwsblad" met sympathie en in dramatische bewoordingen te schrijven over Lodewijk XVI, diens proces en terechtstelling (50). Het testament van Lodewijk XVI gaf hij trouwens ook als afzonderlijk drukwerk uit (51). Anderzijds was hij dan ook de drukker van de nieuwjaarswens die aan Valentin Jacoby, de voorzitter van de Club, op 1 januari 1793 werd aangeboden (52).

Uit het Ancien Regime is ons geen enkel drukwerk van Bogaert ten behoeve van de overheid bekend. Het monopolie van drukwerk voor de stad Brugge en voor het Brugse Vrije was in handen van Joseph Van Praet. Het enige wat we vonden is een "aanspraek" met betrekking tot de Kortrijkse Armenkamer, wat eerder in de marge van de officiële instellingen lag (53).

Pas in de Franse tijd slaagde Bogaert erin om een gedeelte van het overheidsdrukwerk te verkrijgen. Terwijl de weduwe Van Praet verder bleef drukken voor de nieuwe besturen van de stad en van het Vrije, werd Bogaert de drukker van de Franse bezetter. Zo rolden enkele van de hevigste revolutionaire proclamaties van zijn persen (54).

Bogaert bezorgde hiermee slechts een klein gedeelte van het vele drukwerk dat toen werd geleverd. Van Praet en De Busscher waren immers ook voorstanders van de revolutie, en hadden waarschijnlijk meer invloed en betere introducties dan Bogaert. Het is daarbij niet zeker dat hij voor het geleverde werk betaald werd (55).

De tweede Oostenrijkse restauratie (1793-1794) en de Franse Tijd (1794-1814).

Op 26 maart 1793 waren de Oostenrijkers opnieuw in Brugge. Bogaert doopte zijn krant onmiddellijk om tot "Brugsch Nieuwsblad" en drukte in het nummer van 29 maart - slimme voorzorg ! het manifest af van de keizer, waarin deze volledige amnestie beloofde. De Oostenrijkers waren wel bereid de spons over het verleden te vegen, maar wilden tevens orde op zaken stellen. Op 2 april 1793 verscheen dan ook het laatste nummer van het "Brugsch Nieuwsblad".

Voortaan hield Bogaert zich met minder explosieve literatuur bezig, zoals de in afleveringen verspreide "Telemachus" en Beaucourts' "Troja Belgica". Politiek of ambtelijk drukwerk van Bogaert is ons uit die tijd niet bekend.

Einde juni 1794 waren de Fransen weer in Brugge en werd zonder verdere discussie het "departement de la Lys" integrerend deel van de Franse republiek.

Het gezin Bogaert verliet de Markt en nam in de eerste helft van 1795 zijn intrek in de Kuipersstraat, op enkele huizen van drukker Van Praet. Vanaf januari 1795 verscheen op de drukwerken : "Bogaert et fils" of "Bogaert en zoon" (56). Eén van de zoons, waarschijnlijk Daniel, die juist 18 jaar geworden was, was dus met zijn vader werkzaam. Later, vanaf 1806 zou de andere zoon, Jan Frans in de zaak komen en zou Daniel zijn eigen drukkerij en boekhandel oprichten.

Voortaan was Bogaert niet langer meer een buitenbeentje onder de drukkers, maar stond hij op hetzelfde niveau als Van Praet en De Busscher, als hij ze al niet overvleugelde.

Joseph Van Praet (1724-1792) was overleden en zijn weduwe had weinig steun aan haar drie zoons . Joseph Van Praet (1754-1837) zette zijn glansrijke loopbaan voort in de Bibliothèque Nationale, Auguste Van Praet (1770-1831) werkte als ambtenaar van het keizerrijk en François Van Praet (1759-1832) bekleedde politieke mandaten. Weduwe Van Praet, geboren Marie-Anne Hergosse, overleed op 1 maart 1808 en dit betekende het einde van de drukkerij en de boekhandel Van Praet : de hele inboedel werd het jaar daarop openbaar verkocht (57).

Joseph De Busscher (1741-1826) had zijn drukkerij in 1796 overgedaan aan zijn zoon Guillaume (1774-1852) die slechts 22 jaar was en die ook werkzaam was als gemeentelijk ontvanger van belastingen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat men voortaan Bogaert op talrijke domeinen terugvond. Vanaf januari 1795 vermeldde hij als titel op één van zijn drukwerken, dat hij "extraordinairen drukker der stad en het arrondissement" geworden was (58). Weldra werd hij drukker van het Leiedepartement (59) en wat later ook van de "mairies des communes rurales" (60).

In dit tijdperk, toen over alles en nog wat op intensieve wijze gelegifereerd en gereglementeerd werd, was er overvloed aan werk voor de drukker van het departement : talrijke grotere en kleinere drukwerken rolden van Bogaerts persen (61).

Eén van de omvangrijkste ambtelijke stukken die Bogaert te drukken kreeg, was het 70 bladzijden tellende 'Vonnis" in de ophefmakende zaak van de roversbende Salenbier, waarin de snode misdaden van de bende werden beschreven (62). Ook nadien zou Bogaert nog processen uitgeven, en dan wel opnieuw, zoals vóór de revolutie, voor eigen rekening : dit was duidelijk aantrekkelijke lectuur voor zijn klanten (63).

Of er een politieke of gewoon een commerciële oorzaak voor was, feit is dat vanaf 1800 Bogaert geen opdrachten vanwege het eiedepartement meer ontving : Guillaume De Busscher werd van toen af en tot in 1814 de bijna exclusieve drukker van de prefectuur.

Bogaert drukte ook voor quasi officiële instellingen, zoals voor de Kunstacademie (64) of de Ecole centrale (65). Hij publiceerde ook weer zijn jaarlijkse almanak, met gewijzigde naam en aangepaste inhoud en dit zeker vanaf 1799 (66). Het was nu een heel ambtelijk en ernstig geschrift geworden, zonder kroniekjes of verzen, en in het Frans (67).

Ten laatste vanaf 1807 werd de almanak, ongewijzigd wat de inhoud betreft, opnieuw in het Nederlands uitgegeven (68). Dit was op het eerste gezicht wel tegen de normale stroom van de invloeden die tot verfransing aanzetten. Die zullen bijgevolg niet in alles zo dwingend geweest zijn. Vanaf 1808 gaf Bogaert ook nog een meer volkse almanak uit, de "Nieuwen nuttigen almanach voor het Jaer O.H.J.C. 1809, of den vermaeklijken Brugschen kluchtvertelder".

Bogaert bleef boekdrukker, gespecialiseerd in Vlaamse uitgaven. Naast de bellettrie (waar we in ons volgend hoofdstuk op terug komen) publiceerde hij werken, origineel Vlaams of vertaald, die aansloten bij de actualiteit van het ogenblik (69). Daarnaast gaf hij talrijke praktische boeken en brochures uit, ook meestal in het Nederlands, die de burger moesten helpen zijn weg te vinden in de doolhof van nieuwe wetten en reglementen (70). Dezelfde teksten drukte hij ook vaak in het Frans en onvermijdelijk drukte hij ook Franse stukken die bij de politieke actualiteit aansloten (71). Zowel in het Nederlands als in het Frans drukte hij allerhande boeken en brochures die betrekking hadden op spectaculaire gebeurtenissen, terwijl geneeskundige werken ook verder tot de belangstellingssfeer bleven behoren (72).

Bogaert verwaarloosde al evenmin de boekhandel. Hij bleef de boeken verkopen die hij onder het Ancien Regime zelf gedrukt had, maar daarnaast volgde hij de actualiteit op de voet. Tijdens de periode 1795-1814 adverteerde hij voor honderden nieuwe boeken : politieke geschriften (73), romans, woordenboeken (74), wetboeken en codices, rekenboeken en schoolboeken, geneeskundige werken (75) en culinaire boeken (76).

Vanaf juni 1809 verkocht hij ook de "Jaerboeken der stad Brugge" van Ch. Custis, namelijk de tweede verbeterde en aangevulde uitgave in 3 delen. Dit werk was in 1765 door Joseph Van Praet uitgegeven, en vóór 1809 had Bogaert nooit voor dit werk geadverteerd. Dat hij het nu toch deed, toont aan dat hij aankopen had gedaan op de uitverkoop van drukkerij en boekhandel Van Praet die in mei 1809 had plaatsgevonden (77). Vanaf 1795 werd Bogaert ook aangesteld als expert en organisator bij het veilen van bibliotheken en nalatenschappen (78).

Bij al deze activiteiten vergat Bogaert het "Cabinet littéraire" niet. Hij had het mee verhuisd naar de Kuipersstraat, zodat zijn drukkerij en boekhandel ook verder een plaats voor ontmoeting, lectuur en discussie bleven (79).

En om dit alles nog te vervolledigen verkocht Bogaert een "levenselixir", allerhande hoestpillen, gezondheidstabletten, balsems, schoonheidsprodukten en afrodisiaca, waarvoor ook weer in de "Brugsche Gazette" regelmatig publiciteit gemaakt werd. Ook speciale schoensmeer werd te koop aangeboden en natuurlijk alle mogelijk kantoor- en tekengerei (80).

De Brugsche Gazette

Joseph Bogaert was echter in hart en nieren een kranteman, en pas was de eerste revolutionaire koorts wat geluwd of hij gaf opnieuw een nieuwsblad uit. Op 23 juni 1795 verscheen het eerste nummer van "De Brugsche Gazette". Hij zal wel niet vermoed hebben dat deze krant het meer dan 120 jaar zou uithouden (81).

Driemaal per week verscheen voortaan de "Brugsche Gazette", die tot in 1804 het enige Brugse nieuwsblad bleef. Het blad gaf vooral Parijs en ander buitenlands nieuws. Persoonlijke beschouwingen kwamen er niet bij te pas : de censuur waakte. Maar een nuttig blad voor de Bruggelingen wou Bogaert er ongetwijfeld van maken : beurs- en havenberichten, marktprijzen, notariële en handelsaankondigingen en verordeningen van het departementaal en gemeentelijk bestuur vonden er gaandeweg hun plaats.

Helemaal zonder concurrentie bleef hij niet. Van begin augustus tot einde oktober 1797 probeerde drukker Van Eeck het met zijn "Nieuwe Brugsche Gazette". Het werd geen succes. Vanaf april 1798 publiceerde Guillaume De Busscher een "Brugsche Gazette van Staatkunde en Koophandel". Het was evenmin een succes en midden augustus staakte hij al de publikatie (82). Er was toen duidelijk geen plaats voor een tweede Brugse krant en Bogaert behield zijn monopolie.

In 1804 waagde De Busscher het opnieuw, nu met een franstalig nieuwsblad, het "Journal de la Lys". Ditmaal had hij meer succes, en het blad bleef zeven jaar naast de uitgave van Bogaert bestaan, tot de prefect van het Leiedepartement beide nieuwsbladen verplichtte samen te smelten. Voortaan waren Bogaert en De Busscher de solidaire uitgevers van het "Journal du Département de la Lys" dat, ondanks de Franse titel, een tweetalig blad was (83).

Dit was evenwel voor Joseph Bogaert niet genoeg, want daarnaast begon hij in 1811 met een reclameblad onder de titel "Feuille d'affiches, d'annonces et d'avis divers de Bruges. Blad van Waerschouwingen, Bekendmakingen en van alle slag van Berigten der stad Brugge". Dit blad zou tot in 1814 driemaal per week verschijnen, als supplement op het "Journal de la Lys" (84).

Het "Journal de la Lys" was duidelijk méér de zaak van De Busscher dan van Bogaert, Onderaan de krant werd De Busscher als drukker-uitgever en Bogaert slechts als verkoper aangeduid (85).

De inhoud van de "Brugsche Gazette" analyseren over de periode 1795-1811 met daarbij de "Journal de la Lys" tot 1814, zou een aparte studie vergen. Alles is immers niet gezegd wanneer men stelt dat de redacteur zich vanwege de censuur moest beperken tot het brengen van nieuws, zonder commentaar. Een diagonale lezing van deze massa drukwerk brengt ons tot enkele conclusies.

Vooreerst was de hoeveelheid plaatselijk nieuws niet onbelangrijk, vooral dan wat betreft benoemingen in departementele en gemeentelijke instellingen, verslagen over belangrijke feestelijkheden, afkondigingen van "hallegeboden" en prefectorale onderrichtingen, verkopingen, processen, echtscheidingen, faillissementen, enz. Van bepaalde militante pro-Franse stukjes mag men aannemen dat het om opgelegd of ingezonden proza ging.

Wat het buitenlands nieuws betreft, kan men niet zeggen dat het in pejoratieve of vijandige stijl was opgesteld tegenover de naties met wie de republiek in oorlog was. Het nieuws over Parijs en de Franse republiek was overvloedig, maar ook hier kan men niet zeggen dat er grote passie bij te pas kwam en zeker niet dat er met sympathie geschreven werd over de radicale menners van het ogenblik.

Het blijkt duidelijk dat Bogaert alleen een gematigde politiek genegen was. Hij had het dan ook heel zeker moeilijk tot aan het Consulaat en dan vooral tijdens de "beloken tijd" (1797-1799). Het is voor deze periode vooral belangrijk na te gaan wat hij niet schreef. Over de sluiting, verkoop en afbraak van talrijke gebouwen van de eredienst, over de wegvoering of het onderduiken van de meeste geestelijken en over het slechte politiek en economisch klimaat tijdens het Directoire werd nauwelijks geschreven. Met de "Brugsche Gazette" als enige bron zou men een wel heel vertekend beeld krijgen van wat toen in Brugge en in onze gewesten allemaal gebeurde en wat hierover leefde bij de publieke opinie.

Kon hij niet schrijven wat hij dacht over het Directoire, dan kon hij des te meer het jacobijnse fanatisme hekelen met het boek dat hij in één der moeilijkste periodes uitgaf, enkele weken na de radicale en anti-klerikale staatsgreep van 18 fructidor V (4 september 1797), en waarin de snode daden van Robespierre gehekeld werden (zie B.B. nr. 48).

Wat Bogaert in ieder geval met klem ondersteunde was ieder teken dat in de richting van beëindiging van oorlogen en vijandelijkheden wees. Een wapenstilstand, een militair akkoord, een vredesverdrag werd steeds dik in de verf gezet en gaf aanleiding tot het drukken van extra edities waarin het nieuws in grote koppen aan de lezers werd aangekondigd.

Het consulaat betekende duidelijk een verademing, en tot in de nieuwe belangstelling voor schuttersfeesten, toneel, opera en kermisattracties bemerken we de ingetreden ontspanning.

In zijn houding tegenover Napoleon zou Bogaert de normale evolutie doormaken, van de verafgoding van de "held van de eeuw" tot aan de verafschuwing van de "Corsikaenschen bandiet".

Een kenmerk van zijn traditionele ingesteldheid was zijn grote tegenzin voor de republikeinse kalender. Pas op 11 april 1798 verving hij de gregoriaanse tijdrekening en dat deed hij alleen, zo schreef hij, op bevel van de overheid. Zodra het even kon, keerde hij terug tot de oude datering. Vanaf september 1800 liet hij in de berichtgeving iedere vermelding van de republikeinse kalender tussen haakjes volgen door de gregoriaanse datum, en vanaf februari 1803 verscheen opnieuw de volle datum volgens de oude tijdrekening in het titelblok van zijn krant.

De Hollandse Tijd

De associatie met De Busscher was zeker niet naar de zin van Bogaert en pas waren de Fransen weggetrokken of op 28 februari 1814 verscheen opnieuw de "Brugsche Gazette" onder zijn uitsluitende verantwoordelijkheid, na — zoals hij op de voorpagina van de krant drukte — "drie jaeren gesupprimeert door het fransch gouvernement" te zijn geweest (86).

Bogaert werd als het ware gedwongen zijn aanwezigheid te bevestigen, want enkele dagen vroeger, op 15 februari, was Pieter De Vliegher als kaper aan de kust verschenen met een nieuwe krant die hij "De Nieuwe Gazette van Brugge" genoemd had, duidelijk in het vooruitzicht dat de krant van de collaborerende De Busscher met de aftocht van de Fransen, mee zou verdwijnen (87).

Korte tijd daarop kreeg Guillaume De Busscher inderdaad de terugstuit van zijn actieve collaboratie als ontvanger van belastingen en werd zijn drukkerij geplunderd. Hij zou daarop Brugge verlaten en in Gent een nieuwe drukkerscarrière aanvatten (88). Bogaert overleefde weer maar eens de regimewisseling en bleef sterker dan ooit achter. Het Verenigd Koninkrijk lag hem duidelijk beter dan het keizerrijk en na de verdwijning van Van Praet en De Busscher was hij de kopman van de Brugse drukkers, met alleen nog C. De Moor als even belangrijke concurrent.

Had de censuur hem in de Franse tijd belet zich op het politieke vlak duidelijk te affirmeren, dan kon hij nu de vrije loop geven aan zijn enthousiasme over het aanvaarden van het Verenigd Koninkrijk. Bij het bezoek van Willem I aan Brugge schreef hij dan ook dat de
"minzaemen Vorst (...) het geluk der Belgen zal grondvesten" (89). En na de beslissing van het Congres van Wenen was zijn enthousiasme
overweldigend. "Het lot van ons Vaderland (90) is beslist : wij zijn vrij en onafhankelijk : wij worden eyndelinge eene natie, naer zoo veel jaeren slaverny ! " (91). En ook schreef hij : "Leert, Nederlanders dat wij sedert vierhonderd jaeren geen vaderland meer hadden, dat wij eene kleine provincie van een groot Rijk geworden waren". Nu kon men eindelijk het teruggevonden vaderland bezingen (92).

De "Brugsche Gazette" die op 18 maart 1814, wellicht vanwege de concurrentie van De Vliegher, omgedoopt werd in "Gazette van Brugge", vermeldde vanaf november 1814 dat het blad verscheen "met autorisatie van Z.K.H, den Prins Souvereyn der Vereenigde Nederlanden", wat vanaf 22 maart 1815 - een maand na de beslissing van het Congres van Wenen om het Verenigd Koninkrijk op te richten - werd : "met autorisatie van Zijne Majesteyt denn Koning van de Nederlanden". In 1817 werd de titel : "Gazette van de provincie van West-Vlaanderen en der stad Brugge". Hiermee onderstreepte Bogaert dat zijn ambities verder reikten dan alleen maar Brugge, zoals hij het ook uitvoerig in het nummer van 1 januari 1817 uiteenzette.

De drukkerij en uitgeverij werkte voor het overige gewoon door. De jaarlijkse almanak werd verder gepubliceerd, met dezelfde vormgeving en inhoud als de vorige jaren en alleen aan de namen van de nieuwe leiders kon men zien dat er een wisseling van regime was gebeurd (93).

Minstens vanaf 1815 publiceerde Bogaert ook nog een minuscuul duimalmanakje, dat duidelijk voor de gewone man bestemd was. Naast de kalender, de efemeriden, de markten, beurten en boden, vond men er een "merkweerdige kronyke", een rubriek "merkweerdige anecdoten" en volkse liefdesgedichten, in de stijl zoals Bogaert er ook al in de almanak van 1796 had gepubliceerd (94).

Begin 1815 publiceerde hij de zwanezang van de Brugse publicist Philippe Veranneman de Watervliet (1762-1815), waarin deze zijn voorstel van nieuwe grondwet deed (95) en enkele maanden later drukte hij de Nieuwe Nederlandse grondwet (96). Ook nog in 1815 drukte hij het reglement van een anglofiele vereniging, waarvan o.m. zijn zoon Charles Bogaert, die met een Engelse getrouwd was, deel uitmaakte (97).

In 1819 was Joseph Bogaert de aangewezen man - zoals we in ons volgend hoofdstuk zullen aantonen - om de brochure te drukken die bij de oprichting van de "Koninklijke Maatschappij van Vaderlandsche Taal- en Letterkunde" werd uitgegeven (99).

Bogaert adverteerde in 1814 voor een tiendelige vertaling door G. Klinkhamer van Voltaires' "Hendrik de Vierde". We hebben geen zekerheid of hij er de drukker-uitgever van was (100). Hetzelfde jaar begon hij, samen met drukker Van de Vijver van leper, aan de publikatie op inschrijving, van de vertaalde werken van Ovidius, waarvan in ieder geval een eerste deel verscheen (101) en een paar jaar later adverteerde hij voor een integrale vertaling van de Ilias door Jan van 's Gravenweert (102).

Verder adverteerde hij voor een nieuwe uitgave van P.C. Hoofts "Nederlandsche historien" (103) en voor de verzamelde werken van K.L. Fournier, die hij samen met de Ieperse drukker Annoy zou uitgeven (104). Ook adverteerde hij bij herhaling voor een "Vaderlandsch letterkundig tijdschrift" in volgende bewoordingen :"Onze Taal begint te herleven, ook in de zuidelijke gewesten van het Rijk. De tijd is dan ook rijp om, verenigd met onze noordelijke broeders, de roem der vaderen te handhaven, door het aankweken van de moedertaai''(105).

Daarnaast drukte Bogaert een spraakkunst voor de jeugd (106). In 1819 verscheen bij hem een lang huldegedicht, ter gelegenheid van de herstelling van de eredienst van het Heilig Bloed : de relikwie was immers pas dat jaar uit haar schuilplaats gehaald (107). De verzen, ongetwijfeld van een Brugs rederijker, bleven anoniem.

EPILOOG.

Toen Joseph Bogaert op 10 november 1820 overleed, na vijftig jaar drukkersactiviteit, liet hij een bedrijf achter dat hij met succes door alle hindernissen van een bewogen tijd had geloodst. De opvolging werd verzekerd door zijn weduwe en door zijn zoon Jan Frans Bogaert. Ondertussen was de oudste zoon vanaf 1806 aan de uitbouw van zijn eigen zaak begonnen onder de naam Daniel Bogaert-Dumortier.

HOOFDSTUK II - DE DRUKKER, REDERIJKER EN IJVERAAR VOOR DE MOEDERTAAL

De activiteiten van Joseph Bogaert werden vóór deze studie, belicht op twee punten : zijn samenwerking met Bernardus Detert en de uitgave van het "Vaderlandsch Nieuwsblad". Daarnaast werd ook de inventaris gemaakt van de door hem uitgegeven kranten (108).

Uit het voorgaande hoofdstuk mag men besluiten dat zijn drukkers- en uitgeversloopbaan een rijker en gediversifieerder inhoud had en hierin heel wat elementen aanwezig waren die een genuanceerder appreciatie en een preciezer situering van Bogaert in zijn tijd en in zijn Brugse omgeving mogelijk maken.

We betreden thans een ander onontgonnen terrein van Joseph Bogaert. Hij was namelijk bijzonder actief in de rederijkerskringen als organisator en als dichter en nam tevens een prominente plaats in onder de Brugse, zelfs onder de Vlaamse ijveraars voor de volkstaal.

DE REDERIJKERSKAMER VAN HET H. KRUIS

Over de rederijkerskamer van het H. Kruis werd door de Brugse stadsarchivaris A. Schouteet een interessante studie gepubliceerd, die echter over de essentiële rol die Bogaert op een bepaald ogenblik gespeeld heeft, weinig gegevens bevat (109).

De informatie die wij vinden in de "Treurdichten" die na zijn dood werden opgesteld (110), een aandachtige lezing van de "Gazette van Brugge" en van de almanakken over de periode 1795-1820 en het met het oog hierop herlezen van het resolutieboek van de rederijkerskamer, maken het mogelijk de rol van Bogaert in dit gilde nader te preciseren.

De treurdichten kwamen tot stand kort na het overlijden van Joseph Bogaert. Initiatiefnemer was één van zijn beste vrienden, de greffier van het vredegerecht François Theophile Verhaeghe (1782-1846), die later vrederechter en ook gemeenteraadslid van Brugge zou worden. Verhaeghe was tevens de zwager van Jan Frans Bogaert. Hij besloot een prijskamp uit te schrijven waarvoor hij een vergulde zilveren borstpenning als prijs uitloofde. Binnen de maand na het afsterven van Bogaert stelde hij hoofdman en eed van de maatschappij van zijn voornemen in kennis en de confraters kregen vijf weken de tijd om hun inzendingen te doen.

Ze werden hierover ingelicht met een gelegenheidsgedicht van de hand van kunstgriffier Eugeen Van Damme, die hun tot deelname aanspoorde : "Kwijt dan, ô Dichtren ! kwijt, den laetsten Broederspligt,/ En wijd aen BOGAERTS schim een troostend Treur-gedicht".

Op zondag 21 januari 1821 om zes uur 's avonds kwamen de rederijkers bijeen in hun Kunstzaal, in de herberg "De Keizerlijke Kroon" ter Predikherenstraat. "De vergaedering was luysterlijk en talrijk". Acht werken dongen naar de prijs mee. "Diepe stilzwijgendheyd en oplettendheyd heerschten geduerende de lezing, die alleen door welgepaste goedkeuringen wierd afgebroken". De stoel van de overledene bleef onbezet (111).

Drie werken werden uiteindelijk bekroond. Als eerste dat van zoutzieder Joseph Fraeys (1753-1822), als tweede dat van J.L. Van Caster (en Verhaeghe was er zo blij mee, dat hij nog een bijkomend zilveren borstsieraad schonk) en als derde dat van Sebastiaan Verbrugge. Daarbij had de Kamer zelf ook nog een zilveren sieraad uitgeloofd voor wie ter zitting een passend grafschrift op Bogaert zou dichten. Het vers in twaalf regels door A. Isenbrant geschreven, verwierf de prijs (112).

De dichtwerken, zwaar op de hand en weinig genietbaar, zouden onze aandacht niet verdienen, als ze niet een aantal inlichtingen over Joseph Bogaert verstrekten, die langs die weg tot ons zijn gekomen.

BOGAERT REDDE DE KAMER

Joseph Bogaert had vanaf zijn jeugdjaren de muze gestreeld (113) en was vermoedelijk nog vóór zijn vertrek naar Brussel, lid geworden van de Kamer van Rethorica. Men had immers al een eerste maal zijn jubileum gevierd en maakte aanstalten om het gouden jubileum te vieren (114). Dit legt uit hoe hij in 1789 (en waarschijnlijk al vroeger) hofmeester van de Kamer was (115). 1789 werd een jaar van grote problemen voor de Kamer van het H. Kruis, die op het punt stond te verdwijnen (116).

Ook al blijft het resolutieboek stom over de oorzaken, toch kan men zich voorstellen dat de revolutionaire gebeurtenissen, de discussies en ruzies tussen keizersgezinden en patriotten, tussen Statisten en Vonckisten, tussen aanhangers van de verlichting en traditionalisten, in de schoot van de rederijkerskamer wonden hadden geslagen.

Het regende ontslagen en uitsluitingen, en uiteindelijk bleven er slechts vier leden over, waaronder Joseph Bogaert, die het initiatief nam het gilde nieuw leven in te blazen, een nieuwe hoofdman en stadhouder te vinden en opnieuw een regelmatige gilde-activiteit uit te bouwen (117)

Naar aloude gewoonte was het een edelman die bereid werd gevonden de taak van hoofdman op zich te nemen, Thomas Pulinx de Cappelhoutte (Gent 1718 - Brugge 1792), voor wie dit, gelet op zijn leeftijd, zeker niet méér dan een erefunctie zal zijn geweest (118). Tot stadhouder werd de behanger Franciscus Haenecaert aangesteld, die tot de vriendenkring van Bogaert behoorde, terwijl aannemer Frans de la Veyne deken en priester J.B. Van Diensbergen (1756 1812) proost werd (119).

Vanaf 17 november 1789 stond Brugge niet meer onder Oostenrijks gezag r het was rond die datum dat Bogaert de Rederijkerskamer nieuw leven inblies. Al op 3 januari 1790 schreef de hoofdman een eerste prijsvraag uit, die (natuurlijk) bij Bogaert gedrukt werd (120). De Kamer vergaderde voortaan in "De Kroon", Predikherenstraat (na 1850 rue Impériale genoemd) en als we de huidedichter goed begrijpen, was ook dit aan Bogaert te danken (121).

ACTIEF "RHETORICA" IN DE FRANSE TIJD

Van 1790 tot 1814 werd door de Kamer van het H. Kruis een regelmatige activiteit ontplooid, die in de Franse tijd zelfs in stijgende lijn ging. Het is dan ook ten onrechte dat werd geschreven -"De Maatschappij van Rhetorica, onder tytel Kunst en Eendragt, en kenspreuk Slaet d'Oog op Christi Kruys, die de Franse overheersing nauwelijks had overleefd, wist weldra weer enkele "liefhebbers en oeffenaars der dichtkunst" te verzamelen (122).

De talrijke "prijskaarten" die tot ons zijn gekomen maken het mogelijk de activiteiten van de Kamer gedeeltelijk maar toch voldoende te kennen.

Na de heroprichting door Bogaert, einde 1789 volgde een eerste periode van bloei. De rederijkers van het H. Kruis wilden niet ten achter blijven bij andere kamers en adverteerden in 1792 dat ze hun prijzen "merkelijk vermeerdert" hadden : "zo groot ende gelijk aen die der Santinnengilde" (123). Hun reglementen en werkmethodes waren gedetailleerd, en vergden ongetwijfeld zorgvuldige aandacht vanwege de bestuursleden (124).

Van eind 1792 tot einde 1796 heeft men de indruk, op grond van de bewaarde prijskaarten, enige verslapping waar te nemen : slechts 4 kaarten zijn uit die jaren bewaard.

Vanaf 1797 - nochtans nog een woelig jaar - kan men de regelmaat van de poëzieprijskampen vaststellen, die meteen een aanduiding geven dat de werking van de Kamer normaal doorging en naarmate de jaren verliepen zelfs in stijgende lijn ging. Vanaf 1800 werden jaarlijks een achttal prijskampen uitgeschreven. Toen de "beloken tijd" definitief voorbij was, werd Willem Van den Bogaerde de Merlebeke (Brugge 1750 - 1839) (125), die al geruime tijd als hoofdman fungeerde, plechtig geïnstalleerd en werd tevens zoutzieder Jozef Fraeys tot stadhouder aangesteld (126).

De werking gedurende de hele periode van het consulaat en het keizerrijk was dynamisch. Men beperkte zich hierbij niet tot activiteiten binnen de eigen vereniging, maar trad in competitie met andere rederijkersgezelschappen. In het kader van een "concordaat" gesloten met de kamers van leper, Kortrijk en Oostende, organiseerde het H. Kruis een 'landjuweel" in 1805 en in 1810 en nam het ook deel aan de prijskampen die door de zusterverenigingen werden georganiseerd. In 1809 ging de eerste prijs naar de Bruggeling Pieter Albert Priem. Vanaf 1810 - met uitzondering wellicht van de jaren 1814 en 1815 - had dit "concordaat" elk jaar plaats (127).

Vanaf 1807 had Bogaert zich voorgenomen de bekroonde prijswerken van het werkjaar te publiceren. Weliswaar kwam hij er pas toe om in 1809 de werken van 1807 te drukken, maar meteen opende hij al de inschrijvingen voor de volgende jaren (128).

BEKRONING IN DE HOLLANDSE TIJD

Aldus,verre van een zichzelf overlevende vereniging te zijn, was de Kamer van het H. Kruis een bloeiende vereniging, die, na de verfransingsdruk te hebben weerstaan, ongewijzigd bleef doorwerken in het Verenigd Koninkrijk en nu zo representatief was geworden, dat ze bij bezoeken van de koning of van leden van de koninklijke familie in audiëntie werd ontvangen.

Bij deze gelegenheden werden door de kamer lofdichten "uitgegalmd" en nadien gepubliceerd in "De Gazette van Brugge", die voor het overige vrij weinig nieuws over Rhetorica publiceerde : de uitnodigingen en verslagen bereikten de leden langs rechtstreekser wegen. Wel drukte Bogaert in zijn krant het lofdicht dat bij de Blijde intrede van koning Willem werd voorgelezen (129), evenals de gedichten die ter ere van de Brugse burgemeester De Croeser werden gemaakt (130).

Naast de eigen werking nam Rhetorica regelmatig verder deel aan interstedelijke "concordaeten". In 1816 trad de Oostendse kamer als organisator op en in 1817 was het opnieuw de beurt aan Brugge. Een uitgebreid verslag van dit evenement werd samen met het bekroonde gedicht "De Wanhopende Oedipus" in de krant gepubliceerd (131).

In 1818 trokken de rederijkers naar leper en in 1819 naar Kortrijk. Hun favoriete auteur Von Kotzebue was zopas in Mannheim vermoord, zodat het thema voor de prijsvraag voor de hand lag. Drie Bruggelingen, apotheker Thomas Van Loo, Eugeen Van Damme en Beckers, brachten prijzen naar Brugge mee en hun lofdichten op Von Kotzebue vonden als vanzelfsprekend hun plaats in de Gazette van Brugge (132).

In 1820 was het opnieuw de beurt aan Oostende dat een wel erg actuele prijsvraag voorstelde, in volle oprichtingsperiode van de "maatschappijen voor Vaderlandsche Taal en Letterkunde": "Verheft den lof van hun, die thans de Moedertaal beschermen (...)" (133).

Bij deze activiteiten bleef Bogaert ook als drukker nauw betrokken. Van de circa 150 prijskaarten die uit de periode 1790 tot 1820 bewaard zijn gebleven, werd iets meer dan een derde bij Bogaert gedrukt. De drukkers Van Eecke (later Teirlinck) en De Moor, die ook lid van de kamer waren (134), kregen eveneens hun deel. Aanvankelijk drukten ze afwisselend elk een kaart, vanaf 1809 werden ze volgens toerbeurt telkens voor een volledig jaar aangesteld. Bogaert nam de jaren 1811, 1814, 1817 en 1820 voor zijn rekening (135).

De onderwerpen die in de rederijkersbijeenkomsten via de prijsvragen aan de orde gesteld werden, lagen meestal in de traditie van wat rederijkers sinds vele generaties op hun tamelijk opgeblazen manier op rijm zetten. Toch werd ook af en toe over de grote evenementen en personages van het ogenblik gerijmd. Wij hebben al vroeger aangetoond dat hierbij geen risico's genomen werden en steeds de loftrompet weerklonk voor de machthebber van het ogenblik, om pas na diens verdwijning eventueel al het kwaad te schrijven dat men plots in hem had ontdekt. De "soepele oprechtheid" van onze voorvaderen in deze tijd van snel mekaar opvolgende regimes, is voldoende bekend (136).

BOGAERT ALS DICHTER EN SCHRIJVER

Dit was dus het milieu waarin Joseph Bogaert zijn rederijkersactiviteiten uitoefende en dit in een Kamer waar hij door zijn confraters beschouwd werd als degene die de vereniging op een cruciaal ogenblik van de ondergang had gered. Van in zijn jeugd moet zijn dichterstalent bekendheid hebben verkregen en hem een vleiende reputatie hebben bezorgd (137).

Vanaf de heropstanding van de Kamer was hij geen gewoon bestuurslid gebleven, maar was hij tot kunstrechter aangesteld, wat hij dertig jaar lang bleef. Dit betekent dat hij als één der beste dichters van het gezelschap werd beschouwd en als kenner en onpartijdig rechter, uitspraak moest doen over de waarde van de dichtwerken die voor de prijskampen werden ingediend. Dit hield dan meteen in dat hij niet zelf aan deze prijskampen deelnam, maar eventueel de prijsvraag op rijm stelde (138).

Het is waarschijnlijk dat van de 150 prijsvragen die uit die tijd bewaard werden, een aantal door Joseph Bogaert werden opgesteld. Al deze dichtwerken bleven evenwel naamloos, als "officiële" dichtstukken die uitgingen van het bestuur. Ze waren trouwens allemaal in de karakteristieke rederijkersstijl opgesteld, zodat het ons weinig over Bogaerts talenten zou vertellen, als wij sommige van deze "grove parels" aan hem zouden kunnen toeschrijven.

Bogaert had echter ook een duidelijke belangstelling voor het lichtvoetige, anekdotische en volkse vers. Dit kwam tot uiting in zijn almanakken, waarin hij er enkele publiceerde. Een paar titels :
- Klagten van eene Verlaete Moeder
- De naewee
- Vreugdezang over 't verlies van een lief
- Cupido zelve gewond (139).
Ook deze verzen bleven anoniem en zekerheid dat ze van Bogaert zijn, hebben we dus niet. Toch kunnen we ons de vraag stellen of hun anonimiteit niet precies een aanwijzing is dat ze van zijn hand waren. Hij zou anders toch wellicht in deze door hem uitgegeven drukwerken de naam van de auteur(s) vermeld hebben, zoals hij meestal deed (al was het maar met initialen) bij verzen die hij in de "Gazette van Brugge" publiceerde. Grote poëzie waren deze versjes uiteraard ook niet, maar als frisse, pretentieloze verhaaltjes,die dan nog goed op maat en op rijm in mekaar gestoken waren en gezongen konden worden op populaire melodieën, mochten ze er best zijn.

Het is alvast een opdracht om in verzenbundels van die tijd, wellicht onder één of ander gedicht de naam Joseph Bogaert te ontdekken en zo meer duidelijkheid te krijgen over de mate van zijn talent.

Joseph Bogaert werd vanwege zijn dichterskwaliteiten opgenomen als één van de dertien bestuursleden van de hoofdkamer van de Heilige Geest, waar zijn vriend Pieter Alleweireldt kunstgriffier was (140). Zo behoorde hij tot wat we de elite van de Brugse en Westvlaamse rederijkers kunnen noemen (141).

Naast dichter was Bogaert ook een prolifiek prozaschijver. Het is duidelijk dat hij de voornaamste, zoniet vaak de enige redacteur van de "Brugsche Gazette" was. Het is ook waarschijnlijk dat een aantal van de vertalingen die hij uitgaf, door hem waren gemaakt. We hebben hiervoor geen sluitend bewijs, tenzij dan het feit dat bij sommige werken de naam van de vertaler vermeld werd (Van Zandycke of Versluys), terwijl dit voor andere boeken niet het geval was. Men mag wellicht aannemen dat hij als uitgever de eigen vertalingen niet op eigen naam plaatste.

TONEEL IN DE VOLKSTAAL IN BRUGGE

Waren Bogaert en zijn gezellen ook toneelspelers ? We vonden hierover geen aanwijzingen, hoewel dit wel in de normale lijn zou hebben gelegen van de gewone rederijkersactiviteiten. Dat hierover geen berichten verschenen in de "Brugsche Gazette", is een onvoldoende negatief bewijs. Immers, ook over de prijskampen die door "Rhetorica" werden gehouden en waarvan we weten dat ze talrijk waren, kwamen geen berichten in de krant. Er kwamen alvast vreemde gezelschappen naar Brugge en die vonden in de "Brugsche Gazette" een trouwe supporter en in de leden van "Rhetorica" een goed publiek.

Zo verbleef in Brugge van begin april tot einde mei 1806 het "Dramatisch Neder-Duitsch Toneelgezelschap" en bijna dagelijks werd de lezer van de "Gazette" ingelicht over wat opgevoerd zou worden. Het gezelschap had een uitgebreid repertorium en gedurende de twintig voorstellingen die zij gaven, voerden ze meer dan dertig verschillende stukken op, aangezien er vele avonden waren waarop twee werken werden opgevoerd.

Naast een werk van de toen nog jonge Hendrik Tollens (1780-1856), later bekend door zijn lied "Wiens Neerlands bloed" (1815) en zijn verhaal "Een overwintering op Nova Zembla" (1819), en een opera van François Hoffman (1760-1828), was het overgrote deel van de opgevoerde werken van de hand van de razend populaire Oostenrijkse dramaturg August von Kotzebue (1761-1819). Voltaire, de succesauteur op het einde van het Ancien Regime, ontbrak nu volledig op het repertoire.

Zo dankbaar was A. Hoetinck, de directeur van het gezelschap, voor het in Brugge genoten onthaal, dat hij na de laatste voorstelling een dankgedicht voorlas dat ook in de "Brugsche Gazette" werd gepubliceerd en waarin zijn Grootnederlandse gevoelens tot uiting kwamen. Zo declameerde hij o.m. :

"Van Bato's erf, den grond waar op wij zijn geboren,
tot 't vrugtbaar Belgien bestaat een nauwen band;
Dees broeder-band kon ligt ons zwakke kunstwerk schooren,
Van ouds was beider grond het zelfde Vaderland.
...
Dit denkbeeld, het begrip van een en zelfde zeden
Van overeenkomst in gewoonten en in taal;
Uwe toegevendheid en gulle minzaemheden
Dank ik, o Vriendenkring ! voor dit bemind onthaal" (142).

Het is opmerkelijk dat zoiets niet dateert van na 1814, maar in 1806 gedeclameerd en gepubliceerd werd.

Ook in volgende jaren kwam Hoetinck met zijn Neder-Duitsch Toneelgezelschap naar Brugge. In ieder geval was hij er terug in 1811 (143).

In 1813 was het de beurt aan de "Hollandsche Toneellisten" onder leiding van H. Kup om een toneelseizoen in Brugge te komen voeren, met stukken door Zshokke, Westerman en natuurlijk Von Kotzebue. In grote première voor Brugge werd het kluchtig blijspel "Uilenspiegel" opgevoerd (144).

In 1814 kwam een andere Hollandse groep onder leiding van Martin in Brugge spelen (145). Begin 1815 was het "Hollandsen Spectakel" in Brugge te gast met weer veel Von Kotzebue-stukken (146). In 1816 verschenen de "Nederlandsche Toneellisten" onder leiding van H. Kraeyesteyn (147).

De volgende jaren werd in de Gazette van Brugge niet meer voor het Nederlands Toneel geadverteerd.

DE TAALPROPAGANDIST

Er is een ander en nog interessanter aspect te ontdekken in de literaire belangstelling van Bogaert. Ze was namelijk uitsluitend gericht op de moedertaal, die hij door dik en dun zijn leven lang bleef propageren.

Bernardus Detert had al in 1784 de grieven van de ijveraars voor de eigen taal verwoord : "De moedertaal Vriend, is in zoodanig een veragting, dat veele het haar zelve voor een schande zouden rekenen eenige werken in het Nederlandsen te lezen" (148). Men mag veronderstellen dat de nauwe samenwerking tussen Detert en Bogaert invloed heeft gehad op diens taalkennis en op zijn belangstelling voor de Noordnederlandse literatuur.

Bogaert zelf drukte al in 1785 zijn passie voor het eigen vaderland als volgt uit : "Want is 't geboorteland by ider hoog geagt, / Geen land by Vlaenderen, dat meerder uyt kan munten" (149). blad" in 1792 in het Vlaams verscheen. Meer zelfs :in de prospectus die deze publikatie aankondigde, legde Bogaert er heel speciaal de nadruk op dat zijn blad wel degelijk in de moedertaal zou verschijnen (150).

EEN "MANIFEST" VAN BOGAERT

In 1795 verscheen dan zijn "Brugsche Gazette", waarin hij o.m. uitgebreide en duidelijk officiële verslagen bracht over de feesten die in Brugge gehouden werden ter gelegenheid van de definitieve integratie van onze gewesten in de Franse Republiek en de oprichting van het departement van de Leie en over de pueriele feesten die werden georganiseerd ter ere van de Jeugd, de Echtgenoten, de "Overvloed des Landbouws", enz.

Uitgerekend op hetzelfde tijdstip verscheen op drie bladzijden van zijn krant een spectaculair manifest onder de plechtige titel "Den Uytgever der Brugsche Gazette aen alle syne stad- en landgenooten". Dit stuk is van een dergelijk gehalte, - een echte geloofsbelijdenis kan men wel zeggen - dat we hierop meer uitgebreid moeten ingaan, des te meer omdat deze tekst nooit eerder gebruikt werd in studies over de geschiedenis van het Vlaamse taalbewustzijn (151).

Het "manifest" van Bogaert had als concreet doel inschrijvingen in te zamelen voor de boekenreeeks die hij op de markt wou brengen onder de algemene titel "Nuttig en Vermaeklijk Tijdverdrijf, of Verzaemeling van uytgelezene Geschiedenissen, treurige en aengenaeme gevallen, merkweerdige reyzen, enz., van verscheyde tyden en landen". Het zouden vertalingen worden van "goede" en "deugdzame" boeken (152).

De Vlaamse motivatie die hierbij werd gegeven, verdient aan de hand van de voornaamste zinnen uit de tekst, te worden onderstreept. "Een groote menigte onzer Land-Genoten laet zich misleyden door onkundige weetnieten die hun doen gelooven dat onze moedertael zoo zinrijk niet is als die van onze Naebueren, en by gevolge onbekwaemer om aen de Lezers een smaekelijk Boek-werck op te disschen tot voldoening van hunne lees-lust. (...) Hieruyt spruyt het ook dat onze tael, die nogtans zoo regelmaetig en zoo bekwaem is als eenige andere, om alles 't zy op eene nette, 't zy op eene aangenaeme, 't zy op eene deftige wyze uyt te drukken, by vele in veragting geraekt, van weynige geleerd, en van nog weyniger gekend word : hier uyt spruyt het dat onze tael zoo onvrugtbaer is in goede boeken".

"En is het niet eene schande voor ons Vaderland, voor alle onze Landgenooten, dat ze hunne moedertael, die zoo zuyver en zoo verheven is, als eenige andere, aldus veronagtzamen ! dat ze zoo weynig gevoordert zyn in hunne eyge letterkunde". "Indien wij eenmael het geluk hebben van te zien, dat onze poogingen voordelig geweest hebben om onze Landgenooten den smaek der goede boeken, en de agting van hunne moedertael in te boezemen, wij zullen genoegzaam betaelt zijn voor onze arbeyd".

Bij het aankondigen van zijn publikaties wees hij daarbij niet enkel op de intrinsieke waarde of de actualiteitswaarde van het werk, maar riep hij zonder meer op tot aankoop om hiermee de inspanningen te ondersteunen die hij zich voor de moedertaal getroostte :"De uitgevers aanzoeken alle hunne landgenooten, die begeerig zijn om in hunne moedertael een werk te zien verschijnen, 't welk op eene heel schoone wijs geschreven is (...)" (153).

Bogaert was natuurlijk niet de eerste en ook niet de enige om dergelijke stellingen in te nemen, in de lijn van wat Willem Verhoeven (1738-1809) in zijn "Oordeelkundige Verhandelingen op de noodzaekelijkheyd van het behouden der nederduytsche taele" (1780) en Jan Baptist Verlooy (1746-1797) in zijn "Verhandeling op d'onacht der moederlijke tael in de Nederlanden" (1788) hadden geschreven.

Jozef Smeyers heeft duidelijk aangetoond dat Verlooy niet de alleenstaande denker was aan wie men in onze eeuw, bij het herontdekken van zijn betekenis, de titel van "eerste flamingant" heeft gegeven (154).

De nauwe samenwerking met Detert en al zijn activiteiten vanaf 1783 (over de Brusselse periode hebben we vooralsnog geen gegevens) toonden aan dat Bogaert niet op anderen had gewacht om zich als verdediger van de moedertaal op te werpen.

En terwijl Verhoeven en Verlooy hun ideeën verkondigd hadden in de Oostenrijkse tijd, publiceerde Bogaert zijn tekst in 1795, onder het Frans regime en op een ogenblik waar de formidabele verfransingsoperatie in volle actie trad en alle wetgevende, rechterlijke, bestuurlijke en authentieke akten voortaan alleen nog in hun Franse versie rechtsgeldigheid hadden (155).

Het is niet duidelijk of de in 1795 aangekondigde boeken ook werkelijk het daglicht zagen. De "Brugsche Gazette" ging er alvast niet verder op in, zodat er wellicht onvoldoende inschrijvers waren. Dit doet uiteraard niets af aan de intenties van de uitgever, die trouwens veel andere werken in de moedertaal drukte, ook in de Franse tijd.

MOEILIJKE FRANSE TIJD

Het is onbetwijfelbaar dat de jaren vanaf 1795 de moeilijkste waren voor het uitgeven in de volkstaal. Pas was Bogaert aan de uitgave van zijn blad begonnen of hij kreeg een eerste ambtelijk bericht te publiceren van het departement. Hij drukte het enkel in het Nederlands. Zonder dralen werd hij op de vingers getikt en moest hij voortaan de talrijke officiële teksten ook in het Frans drukken (156). Maar hij bleef ondanks plaatsgebrek steeds de Nederlandse tekst ernaast drukken.

Dat er derhalve enorm veel vertaalwerk bij het uitgeven van zijn krant te pas kwam, is duidelijk. De berichten die hem bereikten, waren immers meestal in het Frans en moesten in de volkstaal worden omgezet. Bogaert en zijn zoon hielden deze inspanning jarenlang vol, wat op zichzelf een niet onbelangrijke bijdrage betekende tot het levendig houden van de kennis van de moedertaal bij zijn Brugse lezers, die voor het overige meer en meer onder de invloed kwamen van de overal om zich heen grijpende verfransing.

Bogaert legde er bij herhaling de nadruk op dat hij geen slaafs vertaalwerk leverde, maar zoveel mogelijk oorspronkelijk werk aanbood met gegevens die de lezer niet in het Frans zou vinden. Zo kondigde hij aan dat het boek van Chateaubriand dat hij uitgaf, "door een vertaelder met aenbelangende noten vermeerderd" was. En voor de biografie van Bonaparte adverteerde hij dat het niet mocht "aanzien worden als een overzetting uit enig fransen werk, maar wel als een oorspronkelijk stuk, uyt geloofweerdige schriften in onze vlaemsche taal opgesteld" (157).

En wanneer hij een nieuwe en aanzienlijke bijgewerkte uitgave aankondigde van het gezaghebbende "Nederduytsch en Fransch Woordenboek" van J. Des Roches, — dat hij niet zelf drukte maar in de boekhandel verkocht — vermeldde hij dat dit werk was 'Voltrokken tot nut des vaderlands" (158).

IJVER VOOR TAALUNIE

De ijver voor de volkstaal bleef ook in de Hollandse tijd een voorname doelstelling, waarbij Bogaert "de liefhebberen en beoefenaars van onze zoo rijke moedertael" uitnodigde hem met "eenige artikelen over geestrijke onderwerpen te willen begunstigen" (159).

Alvast één met name bekende Bruggeling, Pieter Van Lede (17681836), publiceerde enkele pennevruchten in de "Gazette", o.m. gewijd aan graaf Karel de Goede (160) terwijl voortaan een aantal initialen werden aangetroffen zoals Boy...s, M.D., P. I.G. en V (161). Een gedicht ter ere van de Brugse dichter Van Loo werd ondertekend met de initialen D.B. : wellicht de Wakkense poëet De Borchgrave (1758-1819) (162). Een paar prozastukken over juridische problemen, waren ondertekend F.T.V., ongetwijfeld Bogaerts vriend François Th. Verhaeghe (163). En dat een "gelukwensen aan den burgemeester van Staden" werd gepubliceerd, wijst op mogelijke contacten met de Stadense rederijker Daniel De Simpel (1778-1851) (164).

Onmiddellijk na de hereniging van de Nederlanden verkocht Bogaert "De hand der Broederschap door de Noordelijke aan de Zuiderlijke Nederlanders toegereikt" en de begeleidende tekst meldde, in navolging van de uitgebreide titel van het boek, dat dit werk strekte "ter aenmoediging om de Fransche taal voortaan als eene vreemde aen te merken en de Nederduitsche Moedertaal en Nederduitsche Letterkunde te beschaven en te beoefenen" (165). En in lange en gedocumenteerde teksten sprak Bogaert bij herhaling zijn vertrouwen uit in de toekomst van de moedertaal (166).

In de "Gazette van Brugge" trof men voortaan naast anonieme poëzie (167) gedichten aan van eigentijdse Noordnederlandse auteurs, zoals Hendrik Tollens (1780-1856) (168), Willem Bilderdijk (1756-1831) (169), D.H. Ten Cate van Loo (170), Barend Kleyn (1774-1829) (171) en Rheynvis Feith (1753-1824) (172).

Als enige Vlaming, buiten de kring van de Westvlaamse rederijkers, kwam Jan Frans Willems (1793-1846) voor. Zijn ophefmakend gedicht "Aen de Belgen" (1818) werd enthousiast door Bogaert begroet als "een schitterend gedicht om de Belgen van de innerlijke waarde van hun rijke moedertaal en letterkunde te overtuigen". Tevens kondigde hij het aan als de voorloper van Willems' te verwachten. "Verhandeling over de Neder-Duytsche Taal en Letterkunde opzigtelijk de Zuidelijke provinciën" (173).

EEN POLEMISCHER OPSTELLING

Vanaf 1818, wellicht ongeduldig over de traagheid waarmee het vervlaamsingsproces zich voortsleepte, werd Bogaert agressiever. Zo nam hij een heel polemische houding aan tegenover de "Journal de la Flandre Occidentale", die door de Portugees Candido d'Almeida y Sandoval vanaf augustus 1818 te Brugge werd uitgegeven en schreef hij :"... nu komt een portugies die zegt dat er ons nog een dagblad in de fransche taal ontbreekt... niemand was dit nog gewaar geworden" (174).

Voortaan volgde hij kritisch en op de voet de evolutie en met name de achteruitgang van deze krant tot hij met genoegen kon melden dat de uitgever op de vlucht was geslagen en failliet verklaard (175).

Nog scherper viel Bogaert uit tegen "Le Constitutionel d'Anvers" en zijn redacteuren, die hij met name noemde : Tarte, Barafin, Plasschaert en Donny. Hij beschuldigde ze de "Nederduytsche taal veragtelijk te maken en de Fransche taal op te hemelen". Hij vond het te min om hierop met argumenten te antwoorden, want "goede waer prijst haer zelven" vond hij, maar voortaan zou hij regelmatig pennevruchten van eigentijdse schrijvers publiceren (176). En hy besloot met de verzen van J. Fr. Willems : "Welaan mijn Broeders ! Laet ons dan die tael beminnen !/Laet ons het heerlijk werk van onzen roem beginnen" (177).

Ook voor abnormale taaitoestanden die hij in Brugge vaststelde was hij niet mals. Het feit dat men op de prijsuitreiking van de ogaerdenschool
een toespraak in het Frans had laten voordragen door een leerling, kwam hem zeer ongepast voor en hij schreef : "Waerom dat fransen ? Waerom het kind doen spreken in eene tael die het grootste en het belangrijkste deel der aanhoorders, de nabestaanden der kinderen en de kinderen zelve niet verstaan ? Zoude hij niet beter hebben gevoeld wat hij zeggen moest en het gevolgentlijk ook beter gezyd hebben in zijn moedertaal ?" (178).

Het was dan ook met des te groter voldoening dat Bogaert verslag uitbracht over de prijsuitdeUng van het Atheneum. Daar had men leerling Jan de Lombarde - die pupil in de Bogaerdenschool was ! een 'Verheerlijking van de moedertaal" laten uitspreken : de tekst ervan werd in extenso in de "Gazette van Brugge" gepubliceerd, met de passende lovende commentaar (179).

EEN NIEUWE EVOLUTIE : DE "MAATSCHAPPIJEN"

Het koninklijk besluit van 15 september 1819 waarbij vanaf 1 januari 1823 alle officiële stukken in het Vlaamse land definitief en uitsluitend in "de taal des lands" zouden worden opgesteld, betekende een stroomversnelling in de acties voor betere kennis en grotere waardering van de moedertaal.

De eerste concrete realisatie om de overgang voor vele fransopgevoede ambtenaren te vergemakkelijken kwam in Brugge heel vlug tot stand. Onder impuls van de magistraten H.J. Schuermans (1789-1852), J.C. Spruyt (1778-1848) en vooral P.A. Sandelin (1777-1857) en van de jonge atheneumleraar P. Van Genabeth (1793-1853) werd een "Maatschappij van Vaderlandsche Taal- en Letterkunde" opgericht (180).
Nog vóór de officiële installatiezitting op 1 december 1819 plaats vond, werd de Maatschappij met de eretitel "Koninklijk" begiftigd (181).

Het is duidelijk dat Joseph Bogaert met volle overtuiging deze nieuwe organisatie ondersteunde. In zijn krant bracht hij uitgebreide verslagen over de werkzaamheden van de "maatschappij", een toespraak van Sandelin drukte hij als supplement bij het nummer van 28 februari 1820, een redevoering van Petrus Van Genabeth kreeg bij hem de eer van twee opeenvolgende drukken (182), zowel de standregelen van de maatschappij (183) als verslagen van de werking (184) werden bij hem gedrukt en hij plaatste dan ook onderaan de vermelding : "drukkers der maatschappij".

Hijzelf trad in de werking van de nieuwe "maatschappij" niet meer op de voorgrond - op 10 november 1820 stierf hij - maar zijn zoon Jan Frans Bogaert en zijn vriend François T. Verhaeghe lieten zich allerminst onbetuigd. Werkende leden van het eerste uur, waren ze onder de eersten om een lezing te houden, Bogaert over de problemen van verschillende spelling in Noord en Zuid en Verhaeghe over de geschiedenis van de rederijkerskamers (185).

Joseph Bogaert en zijn zoon waren duidelijk aanhangers van de taalunie, ook al moest dit het zwichten betekenen van de "Nederduytsche" uitspraak en schrijfwijze voor de "Hollandsche".

Hiermee stond "De Gazette van Brugge" als persorgaan geïsoleerd, althans in Brugge. Al spoedig kwam verzet tot uiting, natuurlijk in de "Spectateur Belge" van priester L. De Foere (1787-1851), die het Hollandse "despotisme littéraire" aanklaagde (186), maar ook in de "Nieuwe Gazette van Brugge", die haar kolonnen opende voor de Torhoutse gezaghebbende schooldirecteur Petrus Behaeghel (1783-1857), om hem ten strijde te laten trekken tegen de Noordelijke spelling (187).

Dit was nog niet alles. In de geest van de Verlichting was in 1784 in Edam de "Maatschappij tot nut van 't algemeen" ontstaan en nu werden ook in de Zuidelijke Nederlanden afdelingen van deze invloedrijke en in christelijke kringen als "goddeloos" of "filosofisch" beschouwde vereniging opgericht.

Brugge kwam spoedig aan de beurt : half juni 1820 en onder impuls van dezelfde hoge ambtenaren die de "Maatschappij voor Vaderlandsche Taal en Letterkunde" hadden opgericht, werd de Brugse afdeling van de "Maatschappij tot nut van 't algemeen" gesticht. Weer was Bogaert de eerste om deze stichting daadwerkelijk via zijn krant te ondersteunen (188) en hij trad hierover zelfs in polemiek met "De Nieuwe Gazette van Brugge", die natuurlijk tegen het "Nut" gekant was (189). Op 20 oktober werd de "Maatschappij tot nut van 't algemeen" plechtig opgericht en dit gebeurde in de kunstzaal van Bogaerts kamer van het H. Kruis (190). Zijn vriend F.T. Verhaeghe werd penningmeester (191).

"RHETORICA" NEEMT WEER INITIATIEF

Hoezeer Bogaert en zijn gezellen de nieuwe initiatieven ook ondersteunden, toch zagen zij hierin geen reden - wellicht integendeel om de traditionele activiteiten van hun rederijkerskamer op een lager pitje te zetten.

De Kamer van het H. Kruis, genaamd Rhetorica, had een reputatie hoog te houden. Bij bezoeken van koning Willem waren ze aan de vorst voorgesteld en zopas hadden ze bij het bezoek aan Brugge van de prins en prinses van Oranje audiëntie verkregen en was de prins bij hen erelid geworden (192).

Zij wilden dan ook niet onderdoen voor een nieuwbakken, weze het dan quasi officiële vereniging. Daarom kwamen op 23 november 1819 vijftig leden van Rhetorica onder voorzitterschap van hoodman Willem Van den Bogaerde in het lokaal bijeen en werd beslist "ten eynde de vaderlandsche tael- en letterkunde te bevorderen", dat zij voortaan dagelijks bijeenkomst zouden houden en in het lokaal boeken, tijdschriften en nieuwsbladen ter exclusieve beschikking van de leden aanwezig zouden zijn (193).

De overheid moet dit initiatief, dat natuurlijk ongunstig onthaald werd door "De Nieuwe Gazette van Brugge" (194) met een goed oog bekeken hebben. De "Maatschappij voor Vaderlandsche Tael- en Letterkunde" had immers allereerst tot doel de moedertaal bij de ambtenaren te bevorderen. Een zelfde doel bij de middenklasse van burgerij en neringdoeners laten nastreven, kon de overheid alleen maar welgevallig zijn.

Zo kwam het dan dat op 1 december 1819 's morgens de plechtige installatie plaats vond van de "Maatschappij voor Vaderlandsche Taal- en Letterkunde" en 's avonds in de kunstzaal van Rhetorica, de nieuwe editie van het vroegere "Leeskabinet" werd ingewijd. Bogaert herinnerde er hierbij niet zonder trots en met kennis van zaken aan dat Rhetorica "steeds het hoofd had opgehouden, zelfs dan wanneer onze jongelingen van goede smaak, zig schaemden hunne moedertaal te spreken" (195).

Hoezeer het genomen initiatief op prijs werd gesteld, bleek toen aan de Kamer van het H. Kruis in december 1819 de titel "Koninklijk" werd gegund. Met groot omhaal werd dit gevierd : tachtig leden zaten aan in de eigen kunstzaal, voor een groot banket, dat plaats vond "vóór het borstbeeld van den geliefden koning onder de lommer van levende en vrugtdragende oranjeboomen" (196).

Dit waren uren van feestvreugde en triomf, die, wat Joseph Bogaert betreft, een passend orgelpunt betekenden in de herfst van een leven waarin hij onafgebroken aan de strijd voor de moedertaal het beste van zichzelf had gegeven.

BOGAERT ALS MODEL

Uit al het voorgaande blijkt duidelijk dat de verdedigers van de volkstaal in het laatste kwart van de 18de eeuw, niet beperkt bleven tot het paar intellectuele schrijvers die tot hiertoe voornamelijk de aandacht van de historici verkregen en evenmin, in de Hollandse tijd, tot vertegenwoordigers van het gezag en van de van boven opgelegde taaldwang.

Het curriculum van Bogaert lijkt ons in dit opzicht bijzonder interessant. Zijn activiteiten als drukker, uitgever en kranteman hebben heel wat sporen nagelaten, die alleen maar vroegen om tot een coherent geheel te worden samengevoegd.

Hierdoor kunnen we een acteur van de strijd voor de moedertaal volgen van vóór de tijd van Verlooy tot midden in de tijd van Jan Frans Willems. Over alle regimes heen : de Oostenrijkse met zijn latente verfransingsinvloed, de Franse met zijn agressieve taalpolitiek en tenslotte de Hollandse met zijn moeizame evolutie in tegenovergestelde richting, bleef Bogaert een overtuigd en militant taaiijveraar. Weinigen onder de activisten van de moedertaal kunnen over zo'n lange periode en met zoveel beschikbare gegevens gevolgd worden. Dat Bogaert in zijn taalijver blijk gaf van grote standvastigheid en principevastheid gedurende deze lange en bewogen periode, is duidelijk.

HOOFDSTUK III - JOSEPH BOGAERT IN ZIJN TIJD

Het uiteenrafelen van Bogaerts' activiteiten heeft natuurlijk slechts zin als wij hierdoor een bijkomend licht op de motiveringen en de mentaliteit van de man en zijn tijd kunnen werpen. Het verhaal van zijn leven en streven stelt ons in staat een proeve van synthese te maken van zijn professionele activiteiten en de motivaties die hem hierbij leidden, evenals van de rol die hij in het Brugge van zijn tijd heeft gespeeld.

DE DRUKKER, UITGEVER EN KRANTEMAN

Van weinig of niets vertrokken in 1783, nog gerekend bij de bescheiden belastingsbetalers in de revolutietijd, bouwde Bogaert een zaak op die vanaf 1815 de voornaamste drukkerij van de stad was geworden.

Tijdens die periode werden talrijke boeken op zijn persen gedrukt. Het waren enerzijds oorspronkelijke werken, meestal plaatsgebonden, waarvan de auteurs veelal tot zijn vriendenkring behoorden, anderzijds herdrukken van bekende werken en vertalingen van vooral Franse en Engelse auteurs.

Daarnaast was zijn activiteit als handelaar in nieuwe en antiquarische boeken, als expert voor boekenveilingen aanzienlijk.

De voornaamste verwezenlijking van Bogaert was het stichten en in stand houden van de "Brugsche Gazette", die hij als een invloedrijk instrument wist te hanteren, zowel in dienst van zijn drukkerij en handelsactiviteiten, als voor de verspreiding van de ideeën waar hij van hield.

De krant overleefde hem en overspande uiteindelijk een periode van meer dan 120 jaar, aldus een bron van allereerste belang vormend voor de geschiedenis van Brugge. Eerst verder geleid door zijn zoon Jan Frans Bogaert en door zijn kleinzoon Jules Bogaert, ging het blad in 1845 over in handen van Louis Herreboudt-Joos (1803-1874) en daarna van Louis Herreboudt-Claeys (1847-1926), wiens zoon Maurice Herreboudt-Troch (1880-1957) in 1906 het "Brugsch Handelsblad" stichtte, zodat dit nog bestaande weekblad een reèle, zij het dan onrechtstreekse filiatie met het blad van Joseph Bogaert heeft.

BOGAERT DE TRADITIONALIST

Tot hiertoe kleefde aan Joseph Bogaert het etiket van "Jacobijn" en van "progressistisch" drukker. Wij kunnen dit op basis van zijn totale loopbaan aanzienlijk nuanceren.

We noteren eerst twee beperkingen aan de mogelijkheid om zijn fundamentele gedragslijnen te bepalen. De eerste is dat hij als drukker wellicht een aantal werken, ook politieke, gedrukt heeft waarmee hij het niet noodzakelijk eens moest zijn. Een atelier doen werken en een groot gezin onderhouden waren twee redenen om niet al te kieskeurig te zijn over wat men al dan niet wou drukken.

De tweede is dat de snelle regimewisselingen en vooral de revolutionaire periodes, waarbij de woorden niet altijd overeen stemden met de daden, onvermijdelijk twijfels en verwarring moesten zaaien en dat Bogaert, net als veel anderen, tijdelijk richtingen kan hebben gekozen waarvan hij zelf moeilijk kon nagaan, of ze met zijn werkelijke overtuigingen overeenstemden.

Het lijkt wel mogelijk na te gaan welke regimes zijn voorkeur genoten, naar gelang hij ze actief steunde of lijdzaam onderging.

Wij menen de volgende evolutie te kunnen schetsen. Tot 1786 was Bogaert een trouw keizerlijk onderdaan. Vanaf 1787 keerde hij zich tegen de verlichte politiek en belandde hij in het kamp van de patriotten, waarbij hij duidelijk de zijde koos van de grote meerderheid, die van de traditionalisten.

Zijn gedragslijn en de publikaties van zijn atelier wijzen erop dat hij aan de kant stond van Van der Noot en de Statisten en geen bijzondere sympathieën koesterde voor de democratische richting van Vonck.

Zijn activiteiten tijdens de eerste Franse overheersing (1792-1793) moeten dan ook in het verlengde hiervan gezien worden. Voor hem, zoals voor zoveel anderen, was dit een tweede Brabantse revolutie en zag hij in het "Genootschap der Vrienden van Eendragt, Vrijheyd en Geleykheyd" geen Jacobijnse club, maar een nieuwe uitgave van het "Comité Patriottique" ofte "Verenigd comité der Nederlanden in het departement van Brugge" van 1789.

In het "Genootschap" was slechts een zeer kleine - weliswaar agerende en door de Fransen ondersteunde - minderheid bekeerd tot de anti-klerikale, republikeinse en fransgezinde ideeën. Geen enkele van de "heethoofden" behoorde tot de vriendenkring van Bogaert. Hij bleef koningsgezind (tot en met zijn geafficheerde sympathieën voor Louis XVI) en wou in de revolutie niets anders zien dan een mogelijkheid tot terugkeer naar de maatschappelijke orde van vóór Jozef II. Toen Leopold II deze terugkeer plechtig beloofde, kon Bogaert best met de Oostenrijkse keizer vrede nemen.

De definitieve integratie in de Franse republiek vanaf 1794 moet Bogaert als een gril van de geschiedenis hebben ondergaan. Hij had erg weinig sympathieën voor de machthebbers van het ogenblik en een afkeer voor de radicalen onder hen.

Hij zal zich daarna onder het consulaat en het keizerrijk met het regime verzoend hebben en een tijdlang, zoals de meeste van zjjn tijdgenoten, in de ban geleefd hebben van de overweldigende persoonlijkheid van Napoleon, vooral in de mate waarin deze opnieuw een conservatieve en ordelijke staat uitbouwde. Bogaert liet niet na steeds opnieuw te laten blijken dat hij vooral vrede en stopzetten van het oorlogsgeweld wenste.

In werkelijkheid had Bogaert zijn zienswijze van 1787 niet verloochend en in 1814 barstte zijn enthousiasme voor het Verenigd Koninkrijk dan ook los : dit zouden nu de "Staten" worden die aan zijn verzuchtingen beantwoordden, met een monarchie, een georganiseerde adel, een leidinggevende burgerij en intelligentsia en een conservatieve politiek die, ook al kwam men niet meer op een aantal verworvenheden terug, in grote mate steunde op de grondbeginselen waar hij vóór de revolutie in was opgegroeid en met daarbij het perspectief van vrede en rust.

Ondanks de soepelheid waar hij, zoals de meeste van zijn tijdgenoten, blijk van gaf en het aanpassingsvermogen dat hij onder de verschillende regimes betoonde, bleef Bogaert fundamenteel een voorstander van de traditie en het behoud. Het enige wat in zijn loopbaan kan wijzen op sympathie voor de "nieuwe orde" van de Franse revolutie, namelijk de publikatie van de verslagen van de "Club", waar niet zozeer de tijdgenoten maar de geschiedschrijvers het predicaat "Jacobijnse" aan hebben toegevoegd( 197), is één van de gevolgen van het historien misverstand van 1792, waarbij de meesten geloofden dat Dumouriez en zijn troepen aan de "Etats Belgiques" de vrijheid en onafhankelijkheid kwamen brengen.

Ons besluit is dan ook dat Joseph Bogaert veel beter begrijpelijk wordt wanneer men aanneemt dat hij tot de traditionalistische en conservatieve bevolkingsgroep behoorde. Hij was zeker nooit een "democraat" of een "progressist", nog minder een Jacobijn.

BOGAERT ALS IJVERAAR VOOR DE MOEDERTAAL

Het belangrijkste punt van belangstelling en actie, dat als een rode draad door het leven van Joseph Bogaert liep, was zijn militante ijver voor de volkstaal. Ook dit paste in de sfeer van het traditionalisme.

Het openbaar en privé-leven in het 18de-eeuwse Brugge was Vlaams, ook bij de plaatselijke adel en burgerij. Men werd geen bisschop van Brugge, burgemeester of schepen van de stad en van het Vrije, indien men niet behoorlijk de volkstaal sprak. Het verenigingsleven, ook dat van de adel, bv. in de St-Jorisgilde, en in de Edele Confrérie van het H. Bloed, gebeurde in het Vlaams. De vrijmetselaarsloge "La Parfaite Egalité" (1765-1774) vormde hierop een betekenisvolle uitzondering.

Het gebruik van het Frans bleef in grote mate beperkt tot de huiselijke kring bij een gedeelte van de adel, wat niet abnormaal was gezien de internationale en vooral de Noordfranse aanwezigheid binnen de Brugse adel. Dat ook in de handelskringen, waarin nogal wat buitenlanders actief waren, het Frans relatief meer gebruikt werd, is niet verwonderlijk. Maar ook dit bleef beperkt.

Het laatste kwart van de 18de eeuw luidde evenwel de toename in van de verfransende invloeden. Frans was de wereldtaal aan alle hoven, ook in Wenen en Brussel : dit sijpelde onvermijdelijk door tot de lagere regionen. Daarbij namen de Franse filosofen en romanciers, evenals de Franse kunstenaars, een dominerende invloedspositie in.

Het was symptomatisch dat men in 1781, ter opvolging van de autochtone burggraaf de Vooght, de Vlaamsonkundige graaf Chrétien de Thiennes tot grootbaljuw van Brugge en het Vrije kon benoemen, zonder dat dit noemenswaardig protest uitlokte. En de oprichting in 1786 van een "Société Littéraire" toonde aan dat de verfransing, al vóór de Franse tijd, met rasse schreden vooruitging. Het is duidelijk dat wie in het gelid kwam tegen de verlichte politiek van Jozef II, die beschouwd werd als een gevaar voor de traditionele waarden, bijna automatisch ook de verdediging van de volkstaal op zich moest nemen.

Dit stellen we vast bij Bogaert en op dit punt kan hij waarschijnlijk als de meest militante Brugse activist beschouwd worden over de lange periode vanaf 1784 tot aan zijn dood in 1820.

Hij beperkte zich in zijn actie niet tot de talrijke uitspraken waarin hij het belang en de schoonheid van de moedertaal onderstreepte en waaraan hij in zijn krant ruchtbaarheid kon geven. Zelf actief beoefenaar van de "schone letteren" en bewonderaar van de Hollandse rederijkers, leverde hij concrete bijdragen tot het ondersteunen van de volkstaal.

Een eerste initiatief was de stichting van een "Literair cabinet", dat duidelijk de volkseigen repliek op de "Société littéraire" wilde zijn.

Bewust van het belang van de rederijkersgezelschappen voor de beoefening en de uitstraling van het Vlaams, redde hij de Kamer van het H. Kruis van de ondergang en bracht hij de vereniging in volle Franse tijd tot bloei.

Evenzeer bewust van het gebrek aan intellectuele lectuur in de volkstaal, bracht hij voortdurend nieuwe werken, waaronder veel vertalingen, op de markt. Hij ondersteunde ook, via zijn krant, de Nederlandse toneelgezelschappen die in Brugge kwamen optreden. In zijn krant publiceerde hij gedichten van bekende Noordnederlandse tijdgenoten.

Zijn almanakken bevatten heel wat meer literair mengelwerk dan die van zijn concurrenten en toen hij door de omstandigheden verplicht werd op een Franse uitgave over te stappen, greep hij de eerste verslapping van de verfransingsdruk aan, om opnieuw in de volkstaal te drukken.

Nooit drukte Bogaert een Franse krant, en het tweetalige blad, dat hij, erg tegen zijn zin, samen met G. De Busscher moest uitgeven, liet hij door zijn collega drukken. Onder de verschillende regimes bleef zijn "Brugsche Gazette*' niet alleen de enige of bijna enige Vlaamse krant van de streek, maar hij schreef er militante stukken in, die aantoonden hoezeer hij aan het bevorderen van de moedertaal gehecht was.

Het was dan ook niet te verwonderen dat hij zich in het Verenigd Koninkrijk, nog afgezien van de gevoerde politiek die hij goedkeurde helemaal thuis voelde, de taalpolitiek van Willem I volledig onderschreef en de initiatieven van de nieuwe plaatselijke bewindvoerders, o.m. de oprichting van een "Maatschappij van Vaderlandsche Taaien Letterkunde" sterk ondersteunde. Dat het ook anders kon uitdraaien, bewees de evolutie van zijn twee voornaamste concurrenten : de Van Praets behoorden al vóór 1789 tot de "francofielen" en ook de traditionalistische Joseph De Busscher, evenals zijn zoon Guillaume, evolueerden naar de francofonie.

En dat het ook bij de Vlaamsvoelenden anders kon uitdraaien, bewees de actie van de taalparticularisten, die fel tegen elke vorm van taalunie gekant waren, hiertegen tijdens de Hollandse periode fel ageerden en na 1830, vooral dan in West-Vlaanderen voor lange tijd de bovenhand zouden nemen.

Van 1794 tot 1814 roeide Bogaert tegen de stroom op en van 1814 tot 1820 had hij het met de verdediging van de oficiele taalpolitiek al evenmin gemakkelijk.

Onze studie heeft, menen wij, het bewijs geleverd dat hij dit bewust deed ter bevordering van "de zoo zuyvere en zoo verhevene moedertaal".

Heeft men tot hiertoe vooral de geschriften van Verlooy en Verhoeven in het daglicht geplaatst, dan moet men hierbij in één adem een man als Bogaert noemen, Niet alleen verdedigde hij hetzelfde taaiideaal, maar in tegenstelling tot deze intellectuelen beperkte hij zich niet tot verklaringen en hield hij een veertig jaar lange inspanning vol om, onder de wisselende regimes, op talrijke domeinen de kennis en het gebruik van de moedertaal en meteen de eenheid tussen Noord en Zuid te bevorderen.

Men mag uit al de voorhanden liggende gegevens besluiten dat hij tot de voornaamste ijveraars voor de moedertaal van zijn tijd behoorde en voor Brugge de onbetwistbare koploper was.

Dat dit mogelijk was, had te maken met het feit dat hij hierin niet alleen stond en zowel een brede kring van gelijkgezinde vrienden had (zijn auteurs, de bezoekers van zijn leeskabinet, de rederijkers) als een voldoende talrijk lezers- en koperspubliek. Trouwens, ook de andere Brugse drukkers, de enen meer dan de anderen, leverden hun deel aan Vlaamse lectuur.

Brugge had drie rederijkerskamers : de selecte hoofdkamer van de H. Geest en de kamers der Drie Santinnen en van het H. Kruis. Enkele honderden Bruggelingen waren er lid van en tientallen streelden regelmatig de muze. Dat ze derderangspoëzie produceerden, had minder belang dan het feit dat ze hierdoor de lamp van de taalkennis en het taalgebruik brandend hielden. Heel wat dichters mochten zich in een ruime bekendheid verheugen. Onder hen schoenmaker Johannes Quicke (1744-1803) (198), Augustijnermonnik Augustinus Baude (1734-1816) (199), messagier en lakenhandelaar Pieter Alleweireldt (1739-1800) (200), handelaar Eugeen Van Damme, Pierre-Albert Priem (1773-1829) (201), apotheker Thomas Van Loo (1777-1851) (202) en vele anderen.

Ook de Brugse prozaschrijvers bleven in het laatste kwart van de 18de eeuw en in het begin van de 19de eeuw in voldoende aantal anwezig.
Bleef de produktie bij sommigen beperkt tot (soms aanzienlijk) vertaalwerk, dan waren er toch ook verschillende auteurs van oorspronkelijk werk. Onder hen bevonden zich Joseph Van Praet (die de jaarboeken van Custis aanvulde en een geschiedenis van de St Jorisschuttersgilde schreef), Beaucourt de Noortvelde, Pieter Ledoulx (1730-1807) (203), Jan Baptist Van Diensbergen, Pieter Van Lede, Bernardus Detert natuurlijk en ook verscheidene priesters die in Brugge preekten of er hun predicaties te boek stelden, zoals Antoon Hennequin (1711-1797) (204), Petrus Valcke (1708-1787) (205), Ignatius De Vloo (1716-1775) (206) en Melchior Gailliard (1753-1817) (207).

Ook de onuitgegeven sermoenen van Jan Van Hese (1757-1802) dienen hierbij te worden vermeld (208).

Daarnaast waren er de talrijke geschriften die niet direct voor publikatie bestemd waren, zoals de deels autobiografische, deels moraliserende verzen van kanunnik Jacob Van de Walle (1734-1814) (209), zoals de prettige verzen van pastoor Pieter Vleys (210) en zoals de kronieken van J. Keukelinck (1736-1814) (211), M.F. Allaert (1712-1789) (212), J.K. Verbrugge (1756-1831) (213) en Jozef Van Walleghem (1757-1801) (214). Vooral deze laatste toonde aan dat men de taal goed beheerste en in een vlotte en meeslepende stijl de gebeurtenissen van de tijd kon optekenen.

Daarbij was Brugge niet minder goed voorzien van taalkundigen, zoals bewezen werd door de spraakkunstboeken van de schoolmeesters

P.J. Van Belleghem en D. Waarschoot (215) en van de "taelmeester" Balduinus Janssens (216). De lijn zou in 1817 doorgetrokken worden door Pieter Behaeghel met zijn "Nederduytsche Spraekkunst" in drie delen. Dat dit werk niet bij Bogaert, maar bij de weduwe De Moor en Zoon werd gedrukt, is in het licht van wat we over de strijd tussen de taalparticularisten en de voorstanders van de taalunie schreven, maar normaal (217)

Men mag evenmin vergeten dat één van de voornaamste toneeldirekteurs van die tijd, Jacob-Toussaint Neyts (1727-1794) uit Brugge afkomstig was en er zijn eerste toneelgroep had opgericht (218).

Gedragen door al de elementen die bijdroegen tot de vorming van zijn overtuiging, werd Bogaert de taaimilitant die we hier beschreven hebben.

Terwijl Verlooy en anderen rond 1795 al overleden waren en Verhoeven zoals nog anderen in zijn schelp was gekropen, terwijl nog veel anderen zich gewonnen gaven voor de verfransing, bleef Bogaert de hele Franse tijd, twintig jaar lang, onverminderd en met concrete daden verder ijveren voor zijn moedertaal. En in de Hollandse tijd zette hij de strijd onverminderd en soms met nog méér passie door.

Het is dit soort acteurs dat onvervangbaar bleek voor het overleven van het Vlaams taalbewustzijn.

EEN VEELZIJDIG EN INTERESSANT MAN

Drukkers en uitgevers zijn in elke periode interessante studieobjecten. Naast hun eigen levensloop, krijgt men immers heel wat inzichten, via hun produktie, in de mentaliteit en evolutie van hun tijd.

Joseph Bogaert is hierop geen uitzondering. Hij was daarbij niet zomaar een drukker, maar een persoonlijkheid met ideeën en overtuigingen, die hij in moeilijke tijden niet alleen door woord en geschrift propageerde, maar ook in daden omzette.

In de lange galerij van Brugse drukkers en uitgevers was hij zeker niet de minste. In de rij van de ijveraars voor de eigen taal was hij een opmerkelijk en tot hiertoe niet gewaardeerd activist en voortrekker.

 

BIJLAGE

BEKNOPTE BIBLIOGRAFIE JOSEPH BOGAERT (219)

1783

 1. JUSTINUS FLANDRICUS (B. DETERT), Het gedrag van Zijne K. en K. Majesteyt Josephus II verdedigt voor de vierschaer der billijkheid, waer klaerlijk aangetoond word dat Zijne K. en K. Majesteyt in 't geval is, het Recht der Vrije Vaart door de Rivier de Schelde met de wapenen te wedereisschen. (...) Tot Alkmaar (1783).

1784

2. Prospectus d'un nouvel ouvrage, portant pour titre "La Troye Belgique, ou les faits glorieux et intéressants des Brugeois et François, Représentés par les victoires et triomphes qu'ils ont remportés sur différentes nations". A Bruges, chez Joseph Bogaert, Imprimeur Libraire sur la vieille Bourse, près de l'Académie MDCCLXXXIV, 16 p. in 8 .

3. De Rapsodisten of Mengelaers, zijnde een zamenspraak tusschen een Vlaming en een Hollander, onder de namen van Sincerus en Philalethos, inhoudende gemeenzame gesprekken over de godsdienst, regeringsvorm, landbouw, fabrieken en commercie; met opgeving van vrije gedachten ter verbetering van ider in het bezonder tot nut van alle weimenende Nederlanderen; nu en dan, tot voldoening der Nieuwsgierige, gemengd met eenige geestige hersenvruchten uyt thans ontroerde zeven Vereënigde Staten. Litt. : YVDB 3 passim en YVDB 2, p. 115.

4. B. DETERT, Op het huwelijk van mijn geachten weldoener den heer Jacobus de Net met mejuffrouw Isabella Van den Berghe, (1784). 5. Essai sur Vétat de la culture belgique et sur les moyens de la perfectionner. A Londres. Et se trouve à Bruges, chez Joseph Bogaert, inprimeur-libraire,sur la Vieille Bourse, 1784 XXIV-102 p.

1785

6. B. DETERT, Lof der geleerdheid (...) opgedragen aan alle Minnaars derNederlandsche Dicht-kunst (...) bij Joseph Bogaert, 1785,18 p.

7. P. BEAUCOURT de NOORTVELDE, Jaerboeken van den lande van den Vrijen, zedert zijn eerste beginzelen, tot en met den Jaere 1784, Jos. Bogaert, 3 vol., in 8 .

1786

8. ( P. de BEAUCOURT de NOORTVELDE,) Encomium urbis, senatuspopulusque Brugensis, nee non celeberrimi regionis terrae Francae... opusculum carmine metrico elaboration ... composition occasione laeti introitus Augustissimi Caesaris Josephi Secundi in urbem Brugensem, Brugis Flandrorum typis J. Bogaert 1786,8 ,68 p.

9. B. DETERT, Des Menschen Hoogmoed Hersteld, J. Bogaert, 1786.

10. B. DETERT, Eer-zuil tot lof der edele vergadering van de zoete dichtkunst, J. Bogaert, 1786.

11. Dictionnaire der gezondheyd; waarin men de zekere middels voorschrift om veerdiglijke hulpe toe te brengen voor verscheyde droevige gevallen die het menselijk leven bedreygen, als degene die veroorzaakt worden door vergift, venynige dampen en voor een menigte van kwaelen en ongemakken door welke wij dagelijks aengetast worden. Brugge, Jos. Bogaert, 1786 in 8 , 108 p. (geciteerd in : I. DE MEYER, Esquisses biographiques des praticiens distingués de la ville et du Franc de Bruges, depuis 1400 jusqu'à nos jours, Bruges 1852.

12. Samuelis Foart Simmons medici Londonensis, observationes practicae de htisi pulmonali quas ex anglico idiomate in latinum vertit FA. Van Zandycke, med. lie. brugis, Joseph Bogaert 1786, in 8°, 64 p. (geciteerd in : I. DE MEYER, Esquisses biographiques.)

13. Wettige afschrik der Misdaeden bespiegeld in de persoonen van drij misdaedige van Gistel, wegens vergiftiging geëxecuteerd binnen Brugge op den 4 februari 1786, tot Brugge bij J. Bogaert op de Oude Beurs, in 12 -16 p.

14. Het geneeskundig Journael van Londen door den Berugten geneesheer Samuel Foart Simmons, uyt het Engelsch vertaald door FA. Van Zanddycke, Jos. Bogaert, 1786, VI-506-IVp.

15. Korte Beschrijving en geneeswijs der Venusziekten (...), Brugge, Jos. Bogaert, zonder datum (vermoedelijk 1785-1786) in 8 , 81-IV p.

1787

16. B. DETERT,Memorie gepresenteerd aan de ed. en weerde heeren de Staaten van Braband betreffende de noodzakelijkheyd van den invoer van den Hollandsche gezoute en gedroogde haring, z.p.z.n. z.d. (Bogaert 1787), 12 p.

17. B. DETERT, Kortbondige beschrijving van den Burgt en het Stadhuys van Brugge, getrokken uit de Handschriften van den heer Beaucourt de Noortvelde, tot Brugge, bij Jos. Bogaert, boekdrukker en boekverkoper in St Jacobstraat (1787), 32 p.

18. B. DETERT, De Bruggelingen uyt hun sluymeringe ontwaakt, Uyt de patriotyksche drukkerij (Bogaert) juli 1787. Litt. : YVDB 3 passim en YVDB 2, p. 196. De tekst werd in extenso gepubliceerd in J. VAN WALLEGHEM, Merckenweerdigste voorvallen Brugge 1787, Brugge 1982, pp. 102-106.

19. ( ) Vreugde-galm uitgeboezent ter gelegenheid van het voltrokken huwelijk van MTier Louis Emmanuel van Outryve Erfagtig Ridder van het Heilig Roomsche Rijk en schepen van den Lande van den Vrijen, Heere van Ydewalle met Mevrouw Anne de VEspée binnen Brugge in de Heilige Echt vereenigt op Dinsdag den 9 januari 1787. Litt. : S. VAN OUTRYVE dTDEWALLE, Souvenirs de la familie van Outryve d'Ydewalle, Brugge 1956, pp. 72-77.

20. ( ) A Monsieur le comte de Normand sur son manage avec Mademoiselle de Coninck à Gand le 8 mai 1787, A Bruges chez Joseph Bogaert, imprimeur-libraire, rue St Jacques, 8 - 4 p. Litt. : A. V(IAENE), "Achterwege. Losse notities", Biekorf, 1977, p. 344.

21. P. ALLEWEIRELDT, Bloemen ter eeren van Petrus Jacobus van Outryve, zegepraelende als koning der hoofdgilde St. Sebastiaen te Brugge op den 22 meye 1787 Litt. : J. VAN WALLEGHEM, Merckweerdigste voorvallen 1787, pp. 59-61. - H. GOD AR, Histoire de la gilde des archers de Saint- Sebastien de la ville de Bruges, Bruges 1947, pp. 375-377.

22. J. Van Vondels overtreffende lof benevens die der andere aloude uytmuntende dichters gewroken, door Bernardus Detert, tegen een Schot-Schrijver van een zeker lof-dicht op de zede-kundige rijmwerken van Jacob Cats, in een straattaal uyt gegeven, Tot Brugge. (We hebben geen zekerheid over drukker en jaartal van dit werkje, dat we alleen op het gezag van F.A. Snellaert citeren). Meest waarschijnlijk 1787 en van de persen van J. Bogaert.

1788

23. P. ALLEWEIRELDT, Klinkdicht ter eeren van Jean Charles Veranneman Heere van Watervliet, hooftman van de hoofdgilde der Hallebardieren, onder de bescherminge van den H. Aertsengel Michael binnen Brugghe, den 25 meye 1788, eerbiedig opgedragen door J. Hardy, schermmeester der gilde. Litt. : J. VAN WALLEGHEM, Merckweerdigste voorvallen 1788, pp. 3941.

24. Arnoldus HOOGVLIET, Abraham der Aarts-Vader in XII boeken, (met een gravure door J.L. Wauters te Brugge), Tot Brugge bij Joseph Bogaert MDCCLXXXVHI, VI-250 p.

1789

25. John FOTHERGILL, Conseils pour les femmes de quarante-cinq à cinquante ans, ou conduite à tenir lors de la cessation des règles, Bruges, Joseph Bogaert 1789, in 8 (geciteerd in : I. DE MEYER, Esquisses biographiques).

26. Bemerkingen op den tegenwoordigen stoet der Arme-Kamer van Cortrijk, bij wijze van aenspraek gedaen aen de zeer Edele, Wijze, Voorzienige Heeren Burgemeester en Schepenen, Dismeesters en Borgers der zelve Stad, 't jaerl789, Brugge Joseph Bogaert 1789, 36 p.

27. ( ) Moralité à l'occasion des noces du sieur Dominique Van Wymelbeke, agent de change avec mademoiselle Catherine De Smit. A Bruges dans L’église paroisiale de Ste Walburge le 15 oct. 1789.

1790

28. Den Arend door den Nederlandschen Leeuw verslagen. Men vindse te koop bij J. Bogaert en Cornelis De Moor. in 16 ,12 p.

29. De caffé-tafel ofte vermaekelijke samenspraeke tusschen juffrouwen en boerinnen, J. Bogaert, 1790.

30. Den bekeerden boer of samenspraeken tusschen eenen patriot ende eenen boer, raekende de troebels van deze tijd, J. Bogaert, 1790.

31. Den discipel lerende zijnen meester of 't samenspraek tusschen eenen boer en eenen patriot raekende de veranderingen van den tijd en hunne onderhandelingen van het verleden jaar, J. Bogaert, 1790.

1791

32. Het leven van Joseph den II, keizer van Duytschland, koning van Hongarien en van Bohemen. Verrijkt met zeer onderrigtende aantekeningen door den Markgrave de Caraccioli. Getrouwelijk vertaelt na het egt afdruksel van den auteur, Jos. Bogaert, XII-238 p. Het origineel verscheen in 1790 bij Cuchet, Paris. Louis Antoine de Carracioli (1721-1803) was de auteur van o jn. talrijke biografieën.

33. Egte vertaeling van de merkweerdige en uytloopige vertooningen gedaen door de stoeten van Brabant aan zijn Excellentie den groeve de Mercy-Argenteau op den 15 en 17 januari en op den februari 1791, bij J. Bogaert, SWacobstraat, 1791.

34. Beschrijvinge van de plechtige intrede van hunne koninklijke hoogheden den Keyzer en Koning Leopoldus Tweeden binnen Gent den 6 juli 1791, bij Joseph Bogaert, Grote Markt, 1791.

1792

35. Kortbondig verhael van de gruweldaeden en geweldenaerijen in Parijs voorgevallen den 9,10 en 11 dezer maand Augustus 1792.

36. De gevallen van Telemachus, zoon van Ulysses, door wijlent mijnheer Franciscus de Solignac de la Motte-Fénélon, vrijelijck vertaeld na de laetste Fransche Uytgave door J.B. Versluys. Brugge Jos. Bogaert 1792, Deel I XL-324 p., Deel II IV-298 p. Litt. : A(ntoon) V(iaene) "Vlaamse Boekhandel in 1792" Biekorf, 1972, p . 354.

37. Aenmerkingen van uwen medebroeder dezer stad Brugge, om alle verschillen en oneenigheden te verheffen tusschen de zoo genoemde zwaer-dekens en het Volk. Brugge den 19 november 1792. Uyt de Drukkerij van Vriendschap en Liberteyt.

38. ( ) Nieuwjaarwensch opgedragen aan den deugdryken en menschlievenden Borger V. Jacoby, president van het Genootschap Vrijheid, Gelijkheyd en Eendragt, misgaders aan alle medeborgers van 't zelve genoodschap. Litt. : Biekorf, 1964,p. 403.

1793

39. Testament of Uytttersten Wille van Lodewijk den XVI, gewezen koning der Franschen, bij Joseph Bogaert, in 8°, 8 p.

40. Arrêté du conseil général du département du Nord, concernant la désertion des volontaires nationaux 6 février 1793.

41. Au nom de la République Française 13 février 1793 (proclamatie door de Convention Nationale : uitwijzing van alle émigrés uit de bezette gebieden).

42. Verslag van (sic) het Volk van Brugge van het gedrag der kanoniken van de Collegiale Kerke van Onze Lieve Vrouwe door den Burgerlijke Commissaris van de Uytwerkende Magt Sibuet, 24 februari 1793.

43. Den vijf en twintigsten dag van Februarius 1793, het eerste Jaar der Nederlandsche vrijheyd. (verslag Clubbijeenkomst in O.L. Vrouwekerk.

44. Woensdag den sesden maerte 1793 (proclamatie door Thomas Alexandre Dumas).

45. Le commandant de la place au peuple brugeois, 14 mars 1793 (om de bevolking gerust te stellen).

46. Du vendredi 8 mars 1793 (verslag bijeenkomst door Sibuet georganiseerd te Torhout).

1794

47. P. BEAUCOURT DE NOORTVELDE : Troja Belgica, poema heroicum sutituio guidonidos, exhibens bellum civium Brugensium advenus Philippum IV, cognomine Pulchrum Galliarum Regem. Auetore Patricio Beaucourt de Noortvelde et de Ter Hey den, Vectigalium Sacrae Caesaraeae Majestatis fisci Advocate, judice delegate, ac primario, inclytae urbis Brugensis, Plebis tribuno (etc). Brugis Flandrorum typis Bogaertianis 1794, XVI p. Litt. : A. VIAENE, "Een onvoltooid Breydel-epos uit 1794 - De Guidonide van Beaucourt", Biekorf, 1961, pp. 171-182, Biefeor/, 1984, pp. 111-114.

1797

48. Het leven, de misdaeden en de straffen van Robespierre en van zijne voornaemste medeplichtige, uyt het Frans van Desessarts. (Zie De Brugsche Gazette 20 October 1797).

49. Overwegingen de welke beweegt hebben eenen Pastoor in de negen vereenigde Departementen, om te doen den eed, de welke afeyseht het Fransch Gouvernement. (Zie De Brugsche Gazette, 8/11/1797).

1798

50. Rapport fait par Cholet (...) sur la revision (...) des Lois, relatives aux ministres des Cultes (Zie De Brugsche Gazette, 2 februari 1798).

51. Sententie uytgesproken door den criminelen regtsbank van het departement der Leye, in daten 9 Vendémiaire 7ste jaer der Fransche Republieke, één en onverdeelbaar jegens François Marie Salenbier en zijn medeplichtige. Tot Brugge bij J. Bogaert en zoon, boekdrukkers en boekverkopers in de Kuipersstraat, 1798, in 8 , 70 p., Litt. : A. VIAENE, "De bende van Salenbier (1796-1798)",Biekorf, 1972, pp. 257-270.

1800

52. Ballingschap, Zeegeweren en Schipbreuk, door J.J. Aymé, voormalig lid van het Wetgevend Lichaam. (Zie De Brugsche Gazette 17 Prairial An VIII (1800) en 24 Vendémiaire An IX (1801). Een verhaal over de deportaties naar Cayenne.

53. Nieuwe zekere en gemakkelijke maniere tot behoudenisse van alle nieuwgebooren kinderen (Zie De Brugsche Gazette 24 Nivôse An VIII).

1801

54. Egte Naemlijst der persoonen die ongelukkiglijk den 27 Fructidor Jaar 8 (14 september 1800) 's avonds om 7 uur aen den overgang der haven van Oostende verdronken zijn, door het onvoorziene zinken van de pompe. (Zie De Brugsche Gazette, 4 Vendémiaire An IX).

55. Réclamation du conseil municipal de la commune de Courtrai présentée pas ses députés au citoyen de Viry, préfet du département de la Lys (Zie De Brugscke Gazette, 19 brumaire an IX).

1803

56. Levensbeschrijving van Bonaparte, eersten consul der Fransche Republyk (...) in 2 delen (Zie De Brugsche Gazette, 7 floréal An XI (1803).

57. Sententie uytgesproken door den criminelen rechtsbank van het departement der Leye, in daete 12 Thermidor liste jaar, jegens Gerardus De Boysere, gedrukt nae de egte vertaeling van den burger J. Annoot, interprète. (Zie De Brugsche Gazette, 17/12/1803).

1804

58. Programme de la fête à l'occasion de l'entrée pompeuse de Joseph Odevaere,1804.

59. M. SIRIS, M.D., aide-major au 13ième régiment d'infanterie légère, Aperçu général sur la maladie endémique qui a régné à Ostende dans le 4ième trimestre de l'an XII (geciteerd in : I. DE MEYER, Esquisses biographiques -Zie De Brugsche Gazette, 22/10/1804)

1805

60. Couplets pour la fête donnée par l'académie de Bruges à Odevaere le 16 thermidor an XUI 1805 à l'occasion du tableau qu'il vient à donnera la dite Académie.

1807

61. Programme de la fête que MM. les présidents (...) de l'Académie de Dessin (...) de la ville de Bruges, donneront lundi 26 octobre 1807 à l'occasion de l'entrée triomphale de M. Jean Calloigne (...).

62. Règlement de police de la ville de Nieuport, 1807,(tweetalig, in 8°, 92 blz.). A Bruges, chez J. Bogaert et Fils. Imprimeurs des Mairies des Communes Rurales, rue des Tonneliers no. 16. Lift. : E.N. (A. VIAENE) : "Règlement op de uithangborden",Biekorf, 1975, pp. 250-251.

1809

63. Bekroonde prijs-werken van de Maatschappij Rhetorica voor 1807. (Zie De Brugsche Gazette, 2/8/1809).

64. Korten inhoud van de omstandigheden die het vonnis voorgegaen hebben van Pieter Joseph De Haese (zie De Brugsche Gazette, 4/10/1809).

1810

65. Het omstandig verhael van het schrikkelijk bombardement van Vlissingen door de Engelschen den 13 augustus 1809 begonst. Gevolgd door eene naem-lijst van de persoonen die hun leven verlooren hebben in dit vreselijk bombardement. (Zie De Brugsche Gazette, 6/1 en 16/2/1810).

1814

66. Het leven en de marteldood van Lodewijk XVI, koning van Vrankrijk en van Navarre (zie : Gazette van Brugge, 18/4/1814).

67. F.A. de CHATEAUBRIAND, Ven Bonaparte, van de Bourbons en van de noodzaekelijkheyd van zig te vervoegen aan onze wettige princen, voor het geluk van Vrankrijk den het gene van Europa. Vertaald uit het fransch op de leste uytgave en door den vertaelder met aenbelangende noten vermeerderd. (Zie : Gazette van Brugge, 13 en 25/5/1814).

68. De Keurdigten van Publius Ovidius Naso uyt het latijn in 'f Vlaems gedigt door... (Gazette van Brugge, 19/8/ en 30/9/1814).

1815

69. Rules of the English Philological Society at Bruges, Bruges by J. Bogaert and son, printers and booksellers, Cooperstreet n 16,1815,22 p. Litt. : J. VAN DAMME, Her bibliotheekwezen in Brugge vóór 1920, Brugge, 1971, p. 121. - L. VAN BIERVLIET, "Sporen van Engels onderwijs te Brugge vóór 1830",Biekorf, 1984,pp. 68-69.

70. Ph. VERANNEMAN de WATERVLIET, Projet de constitution pour les provinces de la Belgique, ci-devant Autrichienne, Litt. : Yv. VAN DEN BERGHE en F. SIMON, "Philippe Veranneman de Watervliet, een politiek publicist in de revolutietijd, Brugge 1790-1815", Biekorf, 1966, pp. 134-141. Advertentie in : Gazette van Brugge, 17/5/1815.

71. Grondwet van het koninkrijk der Nederlanden (Gazette van Brugge, 4/9/1815).

1818

72. Eeuwdicht ter gelegenheyd van het honderd-jaerig jubelfeest der Brugsche teeken-school, aan den weiedelen Heer François Wynckelman (...) opgedragen door de leerzuchtige Teekenjeugd in het uytreyken der prijzen op den 27 Augusty 1818. Litt. : A(ntoon) V(iaene), "Het eerste eeuwfeest van de Brugse Akamdemie voor Teken- en Schilderkunst 1818", Biekorf, 1968, pp. 367-368.

1819

73. Het Heylig Bloed Ons Heeren J.C. te Brugge berustende. Dicht-werk in acht zangen, behelzende eene volledige Beschrijving hoe het Heylig Bloed is verzaemeld, door wie, wanneer en van waer het zelve is gebragt, de mirakelen door het zelve verrigt, door wie en waer het tijdens de beroerten is gevlucht, enz. Alles gevolgt door vertaelingen der authentieke bewijsstukken. Bij J. Bogaert en zoon, 1819, XIV-58 p. Litt. : E. REMBRY, De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge, Brugge 1890-96, p. 403.

74. Koninklijke Maatschappij van Vaderlansche Taal- en Letterkunde te Brugge. Oprichting. Reglement. Bij Joseph Bogaert en Zoons, Brugge, 1819, 16 p. Lirf. : J. VAN DAMME, Het bibliotheekwezen in Brugge vóór 1920, Brugge 1971, p. 118.

1820

75. Eerste Nederlandsch spel- en leerboekje, dienstig voor alle lagere scholen. (zie Gazette van Brugge, 6/9/1820).

76. Redevoering over het noodzakelijke van de aankweeking der Volkstaal en de genoegens daarmede verbonden. Gehouden in de nieuwopgerichte Koninklijke Maatschappij van Vaderlandsche taal- en letterkunde te Brugge. Ter gelegenheid der algemeene plegtigen vergadering den achttienden van Wintermaand 1819 door P. Van Genabeth, bij J. Bogaert en zoon, drukkers der maatschappij, 2de druk. (zie : Gazette van Brugge, 2/10/1820, met een lovende aanbevelingstekst vanwege de krant). NA HET OVERLIJDEN VAN JOSEPH BOGAERT

77. Redevoering gehouden door Mr. A. Sandelin (...) ter gelegenheid van het eerste verjaarsfeest der Koninklijke Maatschappij van Vaderlandsche Taaien Letterkunde te Brugge, onder de zinspreuk Eendragt en Vaderlandsliefde den eersten van Wintermaand 1820. Uit de drukkerij van de weduwe Bogaert en zoon, drukkers der maatschappij.

78. Algemeen verslag der werkzaamheden gedurende het afgeloopene maatschappelijk jaar 1819-1820 gedaan in de Koninklijke Maatschappij van Vaderlansche taal- en letterkunde te Brugge onder de zinspreuk Eendragt en Vaderlandsliefde den eersten Wintermaand 1820 door Mr H.J. Schuermans (...). Uit de drukkerij van de weduwe Bogaert en zoon, drukkers der maatschappij.

1821

79. Treurdichten over het afsterven van den heer Joseph-Emmanuel-Robertus Bogaert, in zijn leven kunst-rechter, jubilaris, dichter en een der oudste en iverigste medeleden der Koninklijke Maatschappij van dichtkunde, gezeyd Rhetorica, te Brugge, onder Tytel : Kunst en Eendragt, en Kenspreuk : Slaet d'oog op Christi Kruys". Tot Brugge, uyt de Drukkerij van de Weduwe Bogaert en Zoon, 12 p.

80. "Catalogue d'une belle collection de tableaux receuillie en nombre d'années par feu Monsieur Joseph Bogaert, en son vivant imprimeur-libraire, à Bruges, dont la vente se fera publiquement aux plus offrons et dernier enchérisseur, dans la maison mortuaire, rue des Tonneliers n 16, en argent des Pays-Bas, par De Franco-De Breuck, agent d'affaires, payable en trois mois, avec augmentation de dix cents par florin, chez ledit De Franco-De Breuck, rue de Laine n 18, le mardi 18 septembre 1821, le matin à dix et Vaprès-diné à deux heures et demie précises". Bruges, de 1 Imprimerie de Bogaert-Verhaeghe, rue des Tonneliers, n 16.


 

JOS. BOGAERT, IMPRIMEUR-EDITEUR ET ZELATEUR

CONSTANT DE LA LANGUE FLAMANDE

par

Andries VAN DEN ABEELE

RESUME

Joseph Bogaert (1752-1820) s'installa à Bruges en 1783 et y fonda une imprimerie qui devint bientôt une des plus importantes de la ville. Plusieurs auteurs, dont Bernard Detert et Patrice Beaucourt le prirent pour éditeur et autour de la librairie-imprimerie, pourvue d'un "cabinet littéraire", une activité intellectuelle et politique se développa, bientôt amplifiée par l'édition d'un journal, d'abord le "Vaderlandsch Nieuwsblad" puis à partir de 1795 le "Brugsche Gazette".

Lors des événements de 1789-1790, Bogaert et la plupart de ses amis choisirent le camp des patriotes traditionalistes. C'est à tort que certains l'ont décrit comme un progressiste Jacobin, et s'il alla un bout de chemin avec le "Club" brugeois en 1792-93, il faut l'imputer au malentendu historique qui laissait croire que les troupes de Dumouriez apportaient l'indépendance aux provinces belges.

Bogaert parvint à se maintenir à travers les régimes et, d'autres imprimeurs brugeois n'y ayant pas si bien réussi, il se retrouva le plus fort en 1814, sous un régime qui lui convenait parfaitement et qull soutint de toutes ses forces : le Royaume-Uni, pays indépendant des grandes puissances, avec un régime monarchique tempéré de quelques ingrédients démocratiques et une politique conservatrice mais ouverte aux nécessités du commerce et de l'industrie.

Si Bogaert se trouva si satisfait de P'amalgame" de 1815, il y avait une raison majeure : il voyait enfin apparaître l'heure où tous ses efforts en faveur de la langue flamande pourraient porter leurs fruits.

En effet, toute sa vie il fut un ardent militant et propagateur du flamand. Ses journaux et les livres qu'il imprimait en flamand, jouèrent un rôle important dans les efforts qull soutint, même au plus fort de la période de francisation.

Pendant plus de quarante ans, Bogaert fut le principal animateur de la chambre de rhétorique de la Ste-Croix et en fut même le sauveteur et réanimateur à un moment de débandade. Il y prêcha d'exemple en maniant lui-même la plume et en devenant un des poètes-lauréats de la chambre de rhétorique du St-Esprit.

Organisateur de rencontres en son "Cabinet-littéraire", propagateur du théâtre en flamand, auteur de textes militants et même d'un véritable manifeste en faveur de la langue flamande et cela à une époque où une telle activité n'était pas du tout évidente : c'est ainsi que J. Bogaert devint une des figures de proue de ce mouvement flamand naissant qui avec des hommes tels que lui et tels que Willem Verhoeven et Jan Baptist Verlooy, dont les historiens ont retenu les noms, cherchait peu à peu à s'exprimer.

La période hollandaise constitua dés lors, pour J. Bogaert, une apothéose au soir de sa vie. Il milita pour l'uniformité du flamand et du hollandais (sujet très controversé); il propagea les auteurs hollandais; il se mêla dans toutes les polémiques concernant l'emploi des langues, se tourna surtout contre les défenseurs de la langue française et s Impatienta des lenteurs du processus de néerlandisation; enfin, il salua de tous ses voeux la fondation de sociétés littéraires et politiques dInspiration hollandaise.

Joseph Bogaert fut donc un des chefs de file — non reconnu comme tel jusqu'à présent — dans la lutte pour l'emploi de la langue flamande. Sa contribution s'étendit sur plus de quarante années et sous les différents régimes : d'avant Verlooy jusqu'à Jan Frans Willems. Peu de ses contemporains actifs dans la même lutte, peuvent être suivi pendant une aussi longue période et avec autant d'informations disponibles.

La conclusion de l'étude est dès lors que Jos. Bogaert fut un des zélateurs les plus constants et les plus articulés dans la lutte pour l'emploi de la langue flamande.

 

JOS. BOGAERT, PRINTER, EDITOR OF BOOKS AND NEWSPAPERS

AND CONSTANT MILITANT FOR THE FLEMISH LANGUAGE

by

Andries VAN DEN ABEELE

SUMMARY

When Jos. Bogaert (1752-1820) came back in Bruges, after ten years printing activity in Brussels, he started as a printer and publisher and became rapidly prominent in his field. Local autors took him as their publisher, he opened a "cabinet littéraire" and from 1792 on he edited the local newspaper.

In 1789 Bogaert, like most of his friends, chose the side of the traditionalist patriots. Later historians have described him wrongly as a Jacobin. If he mingled indeed a short time with the club of Jacobins in Bruges (1792-93), this was in the period when the general feeling was that the french troops were bringing the indépendance to Belgium, which had avorted in 1790.

Bogaert maintained his activities through the different regimes, and after Waterloo he had definitely become the leading printer in Bruges. The United Kingdom of the Netherlands had his full support. The monarchic and aristocratic regime, politically conservative but very much in favor of commerce and industry, was the sort of state which he had always hoped for.

The main reason for his staunch support was the fact that he found himself at last in a state where the dutch language was prominent. He had indeed been, all his life, fighting for recognition of the flemish, all through the austrian period and the french regime which imposed the french in all public writings and in education.

He countered this policy in his newspaper and with his other printings. He was also the lifelong leader of one of the litterary-societies in Bruges and was poet-laureate in an other one. Not only did he run his "Cabinet littéraire" and was he a propagandist of flemish spoken theatre, but he wrote militant texts, even a whole manifesto, in support of the flemish language. There were other prominent figures who did the same (e.g. W. Verhoeven and J.B. Verlooy) but they kept quite during the French occupation, there whereas Bogaert was most outspoken precisely during that period.

The United Kingdom of the Netherlands meant henceforth a real apotheose in his life. He took a militant view on the controversial issue of the unification of flemish and dutch written language and supported all initiatives which were taken by king William I and his government.

This study shows clearly that J. Bogaert was one of the prominent militants for the flemish language, even if he has not been recognised as such up till now. His story is the more interesting, while his activities cover more then 40 years, which is considerably longer then of any other compatriot fighting for the flemish cause in the same period.

 


(1) Zie o jn. Albert VISART de BOCARME, Recherches sur les imprimeurs brugeois, Brugge 1928, blz. 60. R. VANEENOO, De pers te Brugge 1792-1914, bouwstoffen, Leuven-Parijs, 1961. A. VIAENE, "De drukkersfamilie De Busscher, Brugge en Gent, 1770-1852", Biekorf, 1962, pp. 3340.

(2) Yv. VANDEN BERGHE, "Het Vaderlandsch Nieuwsblad", Biekorf, 1964, pp. 311-314 (hierna geciteerd als YVDB 1). Yv. VANDEN BERGHE, Jacobijnen en Traditionalisten, de reacties van de Bruggelingen in de revolutietijd 1780-1794, Brussel, 1972 (Pro Civitate, reeks in 8°, nr. 32) (hierna geciteerd als : YVDB 2). Yv. VANDEN BERGHE, "De "verlichte" wereld van de oud-katholiek B. Detert : de "Rapsodisten", een onbekende economische periodiek (Brugge 1784-1785)", Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 1972, pp. 217-233 (hierna geciteerd als YVDB 3).

(3) Het kon niet de bedoeling zijn onze studie te vervolledigen met een exhaustieve bibliografie, die een boekdeel op zich zou uitmaken. We hebben ons in bijlage beperkt tot een beknopte bibliografie (B.B.) van de drukwerken die we in ons verhaal citeren. Wij danken Prof. Dr. R. Van Eenoo en Dr. F. Debrabandere, die ons bij het tot stand komen van deze studie raad verstrekten.

(4) A. VAN DEN ABEELE, "De Brugse drukkers Bogaert. Enkele biografische toetsen",Biekorf, 1985,pp. 47-74. Zie ook :B.B., nr. 80.

(5) ARCHIVES NATIONALES PARIS (ANP), nr. F 18-24/3 -Lys : "Etat général des imprimeurs existants dans le Departement de la Lys - Juin 1810". (Met dank aan Prof. R. Van Eenoo voor de mededeling van dit stuk). - Zie ook YVDB 2, pp. 108-109 en Y. VAN DEN BERGHE, "Drukker F. Van Hese in het gedrang", Biekorf, 1966, pp. 77-79.

(6) F. VANDEPUTTE, "Patrice Beaucourt de Noortvelde", : Biographie Nationale, II, 30.

(7)B.B.,nr.2.

(8) idem, nr. 47.

(9) idem, nr. 7.

(10) idem, nr. 8.

(11) Yv. VANDEN BERGHE, "Detert Bernardus, publicist", Nationaal Biografisch woordenboek, VI, p. 220.

(12) B.B.,nr. 1.

(13) Een exemplaar van het pamflet is gehecht aan een brief van Patrice Beaucourt gedateerd 1 januari 1784 en moet dus vóór die datum gedrukt zijn. (ALGEMEEN RIJKSARCHIEF BRUSSEL (ARA), Secretarie van Staat en Oorlog, 19591)Cfr. YVDB 3.

(14) B.B.,nr.3.

(15) idem nrs. 6,9,10,16,17,22.

(16) idem nr. 18.

(17) YVDB 2, p. 122. - A. DEWITTE, "Brugse geleerden en Brugse literatuur in de 17de en 18de eeuw, Biekorf, 1974, pp. 282-283.

(18) B.B., nis. 11,12,14,15.

(19) idem nr. 25.

(20) idem nr. 32.

(21) idem nr. 36.

(22) Kort begrip der Kerkelijke Historie van den Heer Fleury (...), bij Franciscus Van Eeck, boekdrukker en boekverkoper, 17 vol., 1787-89. Kort begrijp van een werk getytelt Historie en onheylen der Heyligschendingen door Henricus Spelman, overgestelt uyt het Engelsen in Y Frans tot Brussel 1787 en alsnu in het Nederduyts gebragt en merkelijk vermeerdert door J.B.V., Brugge F. Van Eeck, 1790. De levens der H.H. Vaders, der Martelaeren en van d'andere voomaemste Heyligen (...) beschreven in d'Engelsche Taele door (...) Albanus Butler (...), vol. I, 1791, vol II en in, 1792, vol. IV, 1793, vol. V en VI1794, bij Jos. De Busscher vol. VU z.d. (1795) bij Jos. De Busscher en zoon.

(23) B._9.,nr. 5.

(24) idem nr. 24.

(25) A.J. VAN DER AA : Biographisch Woordenboek der Nederlanden, Haarlem 1852, (herdruk Amsterdam 1969), art. "Hoogvliet Arnold". Er wordt in dit art. opgave gedaan van 13 druk-jaartallen, maar er werd waarschijnlijk niet bij ieder herdruk vermeld dat het de zoveelste was; bij het negende jaartal in de rij wordt vermeld : 7de druk. Zie ook Hermine J. VIEU-KUIK, "De Nederlandse letterkunde in het Noorden", Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, deel VI, De letterkunde in de achttiende eeuw in Noord en Zuid, Amsterdam-Brussel 1975, pp. 103 en w.

(26) Over deze verschillende dichters zie : A.J. VAN DER AA, op. cit., op de desbetreffende artikels.

(27) Zie : THIEME-BECKER en BENIZET.

(28) G. DE GROOTE, "Poetae Minores", Miscellanea J. Gessier, deel I, pp. 364-375. Het gedicht van de Ieperling was ondertekend : Fournier-Nègre, schilder. Karel Fournier was op 9 februari 1784 te leper gehuwd met Benedicta Nègre (RIJKSARCHIEF BRUGGE (RAB), registers Burgerlijke Stand leper).

(29) B.B., nrs. 4,19,20,21,23,27,38.

(30) J. GELDHOF, "Het gebed van Keizer Karel in de leurhandel te Brugge", Biekorf, 1963, pp. 87-88.

(31) &B.,nr.l3.

(32) L. DEPRAETERE, Brugse almanakken (1683-1850), Antwerpen, 1979, pp.XLtotXLV.

(33) Noodzakelijken Almanach voor het Jaer OHJC 1789 (...), tot Brugge, bij J. Bogaert, Boekdrukker en Boekverkoper in de Sint Jacobsstraat. Dat slechts een almanak voor 1789 in de openbare bibliotheken bewaard bleef, is uiteraard geen bewijs dat er ook voor de vorige jaren niet zo'n almanak zou zijn geweest.

(34) Noodzaekelijken Almanach voor het schrikkeljaar OHJC 1796 (...) tot Brugge bij J. Bogaert en Zoon, boekdrukkers en verkoopers in de Kuipersstraat.

(35) Al deze gegevens uit : STADSARCHIEF BRUGGE (SAB),parocftfeboeken, geboorteregisters.

(36) YVDB 2,pp. 131-132.

(37) B.B.,nr.28.

(38) YVDB 2, pp. 250-251.

(39) B._S.,nrs29,30,31.

(40) A(NTOON) V(IAENE), "Een laatste Breydel van Brugge", Biekorf, 1970, pp. 266-268. - A. SCHOUTTEET, "R. Van Eenoo, De pers te Brugge 1792-1914",/-ranaWingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1962, p.134.

(41) H. GODAR Histoire de la gilde des archers de Saint Sebastien de la ville de Bruges, Bruges, 1947, p. 378.

(42) YVDB 2, p. 198.

(47). Het verscheen op hetzelfde formaat en papier als het

(43) Y. VANDEN BERGHE, "P. Vervisch, publicist." Nationaal Biografisch Woordenboek, III, p. 906.

(44) _3.B.,nr.33.

(45) idem nr. 35.

(46) idem nr. 37.

(47) YVDB1.

(48) STADSBIBLIOTHEEK BRUGGE (SBB) Miscellanea Van Huerne 1792, bevat o.a. een pamflet "Voorstel gedaen door de vrienden van Eendragt, Vrijheyd, Gelijkheyd tot de verkiezinge van de provisionele administrateurs"(...)

(49) YVDB 2, deel 2, p. 198.

(50) Vaderlandsch Nieuwsblad, pp. 107-113.

(51) B.B., ra. 39.

(52) idem nr. 38.

(53) idem nr. 26.

(54) idem nr. 40 tot en met nr. 46.

(55) Vaderlandsch Nieuwsblad, p. 280 : "Den borger Bogaert brengt in zijne pretentie voor gedaene drukkingen op order van den commissaris Sibuet; geresolveert hem te zenden tot den gonen die hem te werke gestelt heeft, als zijnde geene materie van onze deliberatie" (zitting van de "club" op 15 maart 1793 : enkele dagen vóór de aftocht van de Fransen).

(56) Advertentie (1 blad) van een verkoop door makelaar Govaert in januari 1795 vermeldt : "uit de drukkerij van J. Bogaert en zoon" (SBB, Miscellanea Van Heurne 1795) - Vonnis (...) J.B.A. (Deghens (...), Te Brugge bij Joseph Bogaert en zoon, de 22 januari 1795 (SAB, Plakkaten II nr 2994).

(57) De Brugsche Gazette, 28.4 en 35.1809.

(58) SAB, Plakkaten II nr 3025 : Bekentmakinge oen de borgers door de weduwe Van den Berghe die ten onplichte van twee valsche assignaten betigt is (...) alsook II nr 2993,2994, enz.

(59) SAB, Plakkaten vanaf begin 1796.

(60) B._B.,nr.62.

(61) SAB, Verzameling Plakkaten. In deze verzameling komen volgende door Bogaert (en zoon) gedrukte ambtelijke berichten voor : 1794 : 1; 1795 : 7; 1796 : 66; 1797 : 48; 1798 : 68; 1799 : 31; 1800 : 9. Dat het overheidsdrukwerk door Bogaert geleverd heel wat omvangrijker was dan de cijfers hierboven aantonen, leren we in RAB, Archief Leiedepartement, bundels 1109 tot 1113. In het jaar VI leverde Bogaert minstens 200 en in het jaar VII 300 drukwerken aan het departement, met een oplage variërend van 50 tot 1800 exemplaren. In hetzelfde jaar VII leverde Van Praet 125 drukwerken, Van Hese 60, De Moor 59 en De Busscher-Marlier 44.

(62) B.B. nr.51.

(63) Idem, nrs. 57,64.

(64) Idem, nrs. 58,60,61,72.

(65) A. VAN HOUTRYVE, Bibliografie van de geschiedenis van Brugge, nrs. 2068, 2070, 10.324,10.319, 10.321, 10.322. Zie ook : SAB, Plakkaten I, nrs. 588,591,593,595.

(66) Annuaire républicain du département de la Lys pour l'an VIII de la république française (in 8°, 68 blz.). De almanak voor l'An VIII liep over de periode 23 september 1799 tot 22 september 1800.

(67) Annuaire (...) pour VAn IX, pour VAn X, pour l'An XI, pour VAn XII. Voor het eerst werd voor het jaar XJJ (1804) opnieuw de gregoriaanse kalender naast de republikeinse gebruikt.

(68) Almanach voor het eerste arrondissement van het departement der Leie voor het Jaar O.H J.C. 1807.

(69) B.B.,nrs.48,49,52,56.

(70) Voorbeelden : Wet over de oprechting van het recht van patente (Zie De Brugsche Gazette, 11.1.1797); Instructie voor de procedure voor het civiel gerechtshof van het departement der Leie (id); Verzaemelingen van de wetten roekende den civielen staet der Burgers voor de negen verenigde provinciën (id); Generaele verzameling der wetten over confiscatie, bestiering, verkooping, etc. van de goederen der emigranten en hun bloedverwanten (Zie De Brugsche Gazette, 27.2.1797); Verzaemeling van wet over de maeking van eenen Grootenboeck (...) (id); De prijzen die men betaelen moet aen de Rechters van Vrede, aan hunne greffiers en deurwaerders (zie De Brugsche Gazette 1.3.1797); Constitutie van de Fransche Republiek (Zie De Brugsche Gazette, 16 Prairial An VI); Verklaering der Regten en Pligten van den Mensch en van den Burger (id); Concordaet tusschen het Fransch Gouvernement en ZM. Pius den VII (Zie De Brugsche Gazette, 26 Germinal An X); Decreet van ZM. Napoleon (...) gegeven te Preussisch-Eylau den 12 februari 1807 : volledig overzicht van alle rechterlijke vacaties en taksen (Zie De Brugsche Gazette 6.4.1807). Het is niet altijd zeker of hij deze werken drukte dan wel alleen maar verkocht.

(71) B.B.,nrs.50,55.

(72) Idem,nrs. 53,54,59,65.

(73) o-m. Bonaparte au Caire ou mémoire sur l'expédition de ce général en Egypte; Mémoires historiques et politiques sur Pie VI et son pontificat jusqu'à sa retraite en Toscane, 2 vol.; Coup d'oeil rapide sur la révolution française.

(74) o jn. de Dictionnaire de l'Académie Française.

(75) o JU. Pharmacopée manuelle.

(76) o m. La cuisine bourgeoise.

(77) De Brugsche Gazette, 28.4.1809.

(78) De Brugsche Gazette, jaar 1795, nr. 6, 12, enz. Gazette van Brugge,

5.3. en 30.4.1813,7.9.en 7.11.1814, enz.

(79) De Brugsche Gazette, jaar 1795, regelmatige advertenties voor het "Cabinet littéraire".

(80) De Brugsche Gazette, ojn. 22.2.1809. Feuille d'affiches, 3.5.1813. Gazette van Brugge, 12.12.1817, enz.

(81) R. VAN EENOO, op.cit., pp. 60-68. - A. SCHOUTEET, "De Gazette van Brugge", Brugsche Courant, 22.11,3,13 en 14.12.1947.

(82) J. HUYGHEBAERT, "Den Vriend van t Vaderland of Nieuwe Brugsche Gazette", Biekorf, 1984, pp. 304-309. - A. VIAENE, "De drukkersfamilie De Busscher",Biekorf, 1962,p. 36.

(83) R. VAN EENOO, op.cit.,pp. 92-94.

(84) R. VAN EENOO, op.cit., p. 54.

(85) Vanaf 25 november 1811 luidde de vermelding : "A Bruges de l'imprimerie de G. De Busscher-Marlier. On s'abonne chez J. Bogaert et fils".

(86) Gazette van Brugge, 28.2.1814 en volgende nummers.

(87) R. VAN EENOO, op.cit.,p. 113.

(88) A. VIAENE, "De drukkersfamilie De Busscher", Biekorf, 1962, p. 36.

(89) Gazette van Brugge, 14.9.1814.

(90) Nog steeds de terminologie die verwees naar de Patriotten tijd van 1787 en het eerste verzet tegen de Oostenrijkers : voor Bogaert en zijn geestesgenoten was 1815 eindelijk de realisatie van de doelstellingen van 1787.

(91) Gazette van Brugge , 27.2.1815.

(92) Gazette van Brugge, 27.3.1815.

(93) Almanack voor 't eerste arrondissement der provincie West Vlaanderen voor het schrikkeljaar 1816, en volgende jaren.

(94) Brugschen Almanack voor het Jaer O.H.J.C. 1815, gecalculeert door Jan van Vlaanderen.

(95) B._9.,nr.7O.

(96) idem nr. 71.

(97) idem nr. 69.

(98) idem nr. 74.

(99) idem nr. 66,67.

(100) Gazette van Brugge, 18.3.1814.

(101) B.B.,nr.68.

(102) Gazette van Brugge, 8.4.1818.

(103) Gazette van Brugge, 15.3.1820.

(104) Gazette van Brugge, 31.7.1820.

(105) Gazette van Brugge, 25.9.1820.

(106) B.B.,nr,75.

(107) idem nr. 73.

(108) Zie voetnoten 1 en 2.

(109) A. SCHOUTEET, "Het Rederijkersgilde van het Heilig Kruis te Sint-Michiels en te Brugge", Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal-en Letterkunde, 1969, aflevering 2, pp. 257-285.

(110) ZieB.B.,nr.79.

(111) J. FRAEYS : **Geen plaets, geen hoek, geen kant, die hem niet en bevat; / Zie daer is nog den stoel waer op dat BOGAERT zat !".

(112) Al deze gegevens zijn gehaald uit de geciteerde brochure "Treurdichten (...), zie B3., nr. 79.

(113) J.L. VAN CASTER : "Die in zijn vroeger jeugd zoo ivrig zijnen tijd/ Aen u, als Künste-vriend, heeft vlijtig opgedragen" - S. VERBRUGGE : "Die in zijn tedre jeugd zoo zoet heeft uytgescheenen/in letteroefeningen,...".

(114) S. VERBRUGGE : "Ons Kunst-Rechter is heen, die meer dan veertig jaeren /was eene vaste schoor bij d'andre steun-pilaerenjWiens eersten Jubilé gevierd wierd op Parnas,/Nu 't volle Jubel-jaer bijna aen 't schijnen was.".

(115) SAB : Gilde van de H. Geest, nr. 3, fol. 26.V.

(116) A. SCHOUTEET, op. cit., p. 269.

(117) J.L. VAN CASTER : "Maar ach, voor altijd weg, geworden t aes der wormen,/zijn wij zijn trouwe zorg, vernuft en diensten kwyt^Die hij ons heeft betoond, in weerwil van de stormen,/in woelend tijdsgedrang, en toen de zwarte nijd/de Maetschappij bedreygde en bijna had verslonden./Toen zij verlaeten was en haest tot niet gedrukt ./Toen er vier leden slechts nog tot haer heyl bestonden,/Waer in men Bogaert zag, die haer 't gevaar ontrukt./1 is hij die

(118) F. VAN DYCKE, Receuil héraldique (...) de familles nobles et patriciennes de la ville et du franconat de Bruges, Brugge 1851, p. 355. Thomas Pulinx was een achterneef van de Brugse beeldhouwer en architekt Hendrik Pulinx.

(119) Over Van Diensbergen, zie : E. DE VOS, "Het kuipersambacht te Brugge", Biekorf, 1901, pp. 265-271, 326-330, 360-366, alsook : J. SMEYERS, "Achttiende-eeuwse en vroegnegentiende-eeuwse Zuidnederlandse manuscripten uit de Bibliothèque Nationale te Parijs", Liber Alumnorum prof. dr. E. Rombauts, Leuven 1968, pp. 251-265.

(120) SBB, B508A, Prijsvragen voor dichtkunst, bundel H. Kruisgilde.

(121) J. FRAEYS : "Uw schoone Künste-zael, uw prachtig hof-gebouw/ Ligt als een schaemle wees gedompeld in den rouw".

(122) Karel DE CLERCK, Letterkundig leven te Brugge in de Hollandse tijd, Antwerpen, 1963,p. 271.

(123) SBB, B508A, prijskaart van 19 maart 1792.

(124) A. SCHOUTEET, op. cit., pp. 271-275.

(125) F. VAN DYCKE, op. cit.,p. 156 en BURGERLIJKE STAND BRUGGE, overlijdens 1839.

(126) Gelukwensch en Eerzang, tot Brugge bij Joseph Bogaert en Zoon. Litt, en tekstpublicatie : G. FRANCHOO, "Een onbekende gelukwens van de Rederijkerskamer van het H. Kruis", Biekorf, 1977, pp. 335-339.

(127) A. SCHOUTEET, op. cit., pp. 275-277. - J. HUYGHEBAERT, "Het kunstverdrag van de Rederijkers uit Brugge, leper, Kortrijk, Oostende 1810-1820", Biekorf, 1977, pp. 65-76. - J. HUYGHEBAERT, "Westvlaams rederijkersteest in Napoleons tijd, Kortrijk 1813", Biekorf, 1978, pp. 218-219. - J. HUYGHEBAERT, "Dichtwedstrijden in Vlaanderen in de negentiende

(128) B.B. nr.63.

(129) Gazette van Brugge, 8.9.1815.

(130) Gazette van Brugge, 27.8.1817.

(131) Gazette van Brugge, 13.8.1817.

(132) Gazette van Brugge, 18.8.1819.

(133) Gazette van Brugge, 19.4.1820.

(134) A. SCHOUTEET, op.cit., pp. 282-283.

(135) SBB, B508A.

(136) A. VAN DEN ABEELE, "De Brugse Rederijkers van het H. Kruis onder opeenvolgende regimes (1791-1824)", Biekorf, 1981, pp. 282-286.

(137) J.L. VAN CASTER : "Die in zijn vroeger Jeugd zoo ivrig zijnen tijd / Aan u, als Kunste-vriend, heeft vlytig opgedraegen, / Die aen uw nut en schoon zijn daegen heeft gewijd ! / 't Was hij die t Brugsch Parnas, met helde Puyckgedichten, / Uyt eygen breyn geteeld, zoo dikwijls heeft gevleyd, / Gedichten die en hert, en geest, en ziel verlichten, / vol kracht, en vuer en klem, en vlugge schranderheyd;" S. VERBRUGGE : "Hij die... / Met Zangen en Gedicht, op een verheven toon,/ En dikwijls heeft gepraeld met d'agtbVe Lauwer-kroon."

(138) J.L. VAN CASTER : "'t Was om zijn Dicht-vernuft, welk hij wist uyt te breyden, / Dat hem Rhetorica tot Künste-Rechter nam. / ... / Zoo zag men Bogaert haest ten Rechter-stoel verheven, / Welk ampt hij heeft bekleed ruym dertig jaeren tijd."

(139) Almanakken 1796 en 1815. (Zie voetnoten 34 en 93).

(140) SAB, Archief Hoofdkamer H. Geest

(141) S. VERBRUGGE : "Hij die den Heiicon der Edle Dertien Heeren, / In düeylig-Geesters-School, als broeder kwam vermeeren, / Met Zangen en Gedicht, op een verheven toon, / En dikwils heeft gepraeld met d'agtbVe Lauwerkroon." Als "derthiene" aanvaard worden betekende lid worden van het bestuur of "poëten-schaer" van de hoofdkamer, dat uit dertien leden bestond. (Zie Brugsche Gazette, 8.11.1802).

(142) De Brugsche Gazette, 2.6.1806.

(143) Journal du département de la Lys, 16 en 21.8.1811.

(144) Journal du departement de la Lvs. 25 en 28.7,4,13 en 27.8.1813.

(145) Gazette van Brugge, 13.5.1814.

(146) Gazette van Brugge, 16 en 27.1.1817.

(147) Gazette van Brugge, 27.5.1816. Over "Arent Hoetinck", "H. Van Üvervest Kup" en "ttenanK ivraeyesteyn", zie A.J. VAN DER AA, op.cit, "Martin" wordt in dit biografisch woordenboek niet vermeld. Zie ook : G. DELAUNOIS, "Nederlandstalig toneel in Gent tijdens het Verenigd Koninkrijk", Uitgerekend op hetzelfde tijdstip verscheen op drie bladzijden van Kon. Vereniging Hoofdkamer van Retorika "De Fonteine" Gent, Jaarboek 1976-77, pp. 120-136.

 (148) Rapsodisten pp. 246-247.

(149) Bericht van de uitgever, in fine van Rapsodisten.

(148) Rapsodisten pp. 246-247.

(149) Bericht van de uitgever, in fine van Rapsodisten.

(150) BIBLIOTHEEK RIJKSUNIVERSITEIT GENT 160 M 47.

(151) De Brugsche Gazette 10.8.1795. DP. 102-104. COOPMAN en BROECKAERT, Bibliographie van den Vlaemschen taalstrijd, deel 1, Gent 1904. - M. SABBE, Uit den taalstrijd in Zuid-Nederland tusschen 1815-1830, Antwerpen, 1939. - Zie ook voetnoten 154 en 155.

(152) Het eerste programma kondigde aan : Numa Pompilius, door Florian - De verlossing van Jeruzalem door Tasso - De verwoesting van Peru door Marmontel -De dood van Abel door Gesner.

(153) De Brugsche Gazette, 17 Prairial VIII (6.6.1800).

(154) F.A. SNELLAERT, Schets eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, Gent-Utrecht 1866. -K. ANGERMILLE, "De eerste flamingant", Volkskracht, 1912, pp. 3-14. - J. SMEYERS, Vlaams taal-en volksbewustzijn in het Zuidnederlands geestesleven van de 18e eeuw, Gent 1959. - J. SMEYERS, "Het literaire leven", in : Y. VANDEN BERGHE, J. SMEYERS en A. VAN DEN ABEELE, Het culturele leven in onze provincies in de 18de eeuw, West-Vlaanderen, Driemaandelijks Tijdschrift van het Gemeentekrediet van België, april 1983. - J. SMEYERS, "De Nederlandse letteren in het Zuiden" Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, deel VI, De Letterkunde in de achttiende eeuw in Noord en Zuid, Amsterdam-Brussel 1975. - H J. ELIAS, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, Eerste deel, De grondslagen van de nieuwe tijd, 1780-1830, Antwerpen, 1963.

(155) A. DE JONGHE, De taalpolitiek van Willem I in de Zuidelijke Nederlanden (1814-1830), Brugge 1967, pp. 23-24 (eerste druk Brussel 1943).

(156) De Brugsche Gazette, 1796, pp. 48 en 55.

(157) De Brugsche Gazette, 7 Floréal XI.

(158) De Brugsche Gazette, 31.7.1805.

(159) Gazette van Brugge, 1.1.1817.

(160) Gazette van Brugge, 11, 20 en 23.12.1816. J. HUYGHEBAERT, "Karel de Goede en de hongersnood van 1816", Biekorf, 1978, pp. 186-187. Over P. Van Lede zie : Biekorf, 1901, p. 273.

(161) Gazette van Brugge, 30.12.1818, 7.5, 10 en 24.12.1819, 29.3, 21.4. 1820.

(162) Gazette van Brugge, 30.8.1819. - W. MUYLAERT, P.J. de Borchgrave, V.W.S.-cahier nr. 78,1979. - J. DE BORCHGRAVE, Gedichten van De Borchgrave, Gent, 1861.

(163) Gazette van Brugge, 10.3 en 14.4.1819.

(164) Gazette van Brugge, 17.9.1819. - J. HUYGHEBAERT, David de Simpel. Met mijn oud verzenkraam, VWS-cahiers nr. 70,1977.

(165) De hand der broederschap door de noordelijke aan de zuiderlijke Nederlanders toegereikt bij de heuchlijke hereeniging tot een volk in de monarchy van Willem den eersten, koning der Nederlanden, prins van Oranje en Nassau, groothertog van Luxemburg, in den jare 1815 (...) Te Arnhem, bij J.H. Modern an. - Gazette van Brugge, 23.10.1815.

(166) Gazette van Brugge, 5.8.1816 en 22.12.1819.

(167) Gazette van Brugge, 22.6.1818,7.5,17.9 en 6.10.1819.

(168) Gazette van Brugge, 8.9.1819.

(169) Gazette van Brugge, 30.8.1819.

(170) Gazette van Brugge, 26.2 en 8.3.1819.

(171) Gazette van Brugge, 12.1.1820.

(172) Gazette van Brugge, 14.10.1818.

(173) Gazette van Brugge, 20.1.1819.

(174) Gazette van Brugge, 2.9.1818.

(175) Gazette van Brugge, 17 en 22.2, 27.8 en 1.12.1819, 12.1, 28.2 en 10.3. 1830. - F. SIMON, "De Journal de la Flandre Occidentale". Een regerings- en logekrant te Brugge in de Nederlandse tijd (26.8.1818-27.2.1820, Handelingen van het genootschap voorgeschiedenis te Brugge, 1965, pp. 106-124.

(176) Zie voetnoten 167 en 173. Over advocaat J. Tarte cadet (1766 - na 1827), greffier van het vredegerecht - P.P.J. Barafin (1774-1841) en burgemeester van Leuven J.B.J. Plasschaert

(1769-1821), zie : M. SABBE, "P.P.J. Barafin" en "Jean Baptiste Joseph Ghislain Plasschaert", in M. SABBE, op. cit., pp. 2547. - Ook : P. VERHAEGEN, "Jean Joseph Tarte, aine", en "Jean Henri Tarte, cadet", Biographie Nationale, T. XXIV-588 en 589. - Baron de SAUNT-GIUNOIS, "P.P.J. Barafin", Biographie Nationale, T. 1-683. - E. CLOSSON, "J.B.J.G. Plasschaert", Biographie Nationale, T. XVII-761.

(177) Gazette van Brugge, 14,10.1818 en 20.1.1819.

(178) Gazette van Brugge, 9.8.1820.

(179) Gazette van Brugge, 1 en 4.9.1820.

(180) De volledige historiek van deze maatschappij zal men vinden in : K. DE CLERCK, Letterkundig leven te Brugge in de Hollandse tijd, Antwerpen 1963. Zie ook : M. S ABBE, "Petrus Van Genabeth op de voorposten te Doornik en te Brugge, M. SABBE, op. cit., pp.49-68. - A. DE JONGHE, op. cit., voetnoot 100 "H. J. Schuermans" - E. JORDENS, "Pierre A. Sandelin", Bibliographie Nationale,

T. XXI - 307. - L. SCHEPENS, De provincieraad van West-Vlaanderen 1836-1921, Tielt, 1976, p. 561, art. "Spruyt Joseph".

(181) Gazette van Brugge, 22./11/1819.

(182) B.B., nr.76.

(183) idem nr. 74.

(184) idem nr. 78.

(185) &B.,nr.78.

(186) Le Spectateur belge, 1820, p.43.

(187) De Nieuwe Gazette van Brugge, 23.3, 13 en 17.4, 11 en 18.5.1820. Zie : M. SABBE, "Petrus Behaeghel of het krakeel der spraakkunstenaars" en "De E.H. Leo De Foere of Taalkunde en Politiek", M. SABBE, op. cit., pp. 69-100. - Zie ook :H. LIPPENS-BEHAEGHEL, "Esquisse biographique de Pierre Behaeghel, savant grammairien (...)", Annales de la société d'Emulation de Bruges, 1872, pp. 179-216 en F. SIMON, "Leo de Foere, publicist en politicus", Nationaal Biografisch Woordenboek. III, pp. 313-324.

(188) Gazette van Brugge, 21.6.1820.

(189) Gazette van Brugge, 18.10.1820.

(190) Gazette van Brugge, 20.10.1820.

(191) K. DE CLERCK, op. cit., p. 296.

(192) Gazette van Brugge, 21.6.1819.

(193) Gazette van Brugge, 24.11.1819.

(194) De Nieuwe Gazette van Brugge, 27.11.1819.

(195) Gazette van Brugge, 1, 3, 8,17, 20.12.1819.

(196) Gazette van Brugge, 7.1.1820.

(197) Een felle tegenstander van de revolutie en aanhanger van de Oostenrijkse verlichte politiek, priester Jan Van Hese, noemde in zijn dagboek (althans in het gepubliceerde deel dat ons bekend is) de "Club" slechts een paar maal "jacobitique" en maakte duidelijk onderscheid tussen de "Clubisten", die Fransgezind waren, en degenen die uit de "parti révolutionnaire de 1790" voortkwamen en die hij les "democratico-patriottes" noemde. (198) E. DE SEYN, Dictionnaire des écrivains belges, bio-bibliographie, 2 dl., Brugge 1930-1931, p. 1504. - M. SABBE, "Een achttiende-eeuws plagiaat", Mélanges Paul Fredericq, Bruxelles 1904, pp. 119-123.

(199) J. POLLET, "Jean-Baptiste Baude, de achttiende-eeuwse Brugsche gelegenheidsdichter",Biekorf, 1931, pp. 97-103.

(200) A. VAN DEN ABEELE, Architect Isidore Alleweireldt (onuitgegeven).

(201) L. WILLEMS, 'Tierre-Albert Priem", Biographie Nationale, T. XVII-248.

(202) E. DE SEYN, op. cit., p. 1926.

(203) A. DE POORTER, Brugsche kunstenaars van voorheen, Brugge 1934-15, p. 95.

(204) A. V(iaene), 'Tastoor Antonius Hennequin", Biekorf, 1966, pp. 119-12.

(205) B. JANSSENS de BISTHOVEN, "Petrus Francisais Valcke", Handelingen genootschap voorgeschiedenis Brugge, 1984, pp. 137-147.

(206) A.T. VAN BIERVLIET, "Ignaas Albert De Vloo", Nationaal Biografisch Woordenboek III-921. - E. DE SEYN, a.w., p. 673.

(207) E. REMBRY, De bekende pastors van Sint-Gillis, Brugge 1890-96, pp. 200-284. - N. HUYGEHBAERT, "Melchior Jean GaUliard", Biographie Nationale, XXXIV - 382.

(208) Bewaard in RAB.

(209) A.T. VAN BIERVLIET, "Borgers van Brugge in Empire-spiegel. het zedenkundig tijdverdrijf van J.H. Van de Walle, rustend kanunnik van St.-Donaas", 1792-1814, Biekorf, 1963, pp. 161-168.

(210) P. VLEYS, Charitas Calendarium ofte den Noortschen Almanack der Liefde voor het jaar OJI.J.C. 1758, uitgegeven en van aantekeningen voorzien door Jozef GELDHOF, Brugge 1974.

(211) Y. VANDEN BERGHE, "Een onbekende Brugse kroniek. Het Journal van kruidenier Johannes Keuckelinck", Biekorf, 1969, pp .203-205.

(212) A. SCHOUTTEET, Ghedinckboek van M.F. Allaert. Brugse Kroniek over 1713-1787, Brugge 1953.

(213) A. Schouteet, Gedenkwaardige aenteeckeningen van Jan Karel Verbrugge, Brugge 1958.

(214) J. VAN WALLEGHEM, Merckenweerdigste Voorvallen, handschrift bewaard in SAB. Reeds in druk verschenen : 1787, Brugge 1982,1788, Brugge 1984 en 1789, Brugge 1984.

(215) P.J. VAN BELLEGHEM en D. WATERSCHOOT, Deure ofte ingang tot de Nederduytsche Taele, des zelf Letter-greep Schrijf-en Uytspraek-konste (...), Brugge, J. Van Praet (approbatio 1773).

(216) J. SMEYERS : "Baldinus Janssens, publicist (18de E.y Nationaal Biografisch Woordenboek III-444. -B. JANSSENS, Verbeterde vlaemsche spraeken spelkonste (...), Brugge, J. De Busscher z.d. (1775)

(217) TH. COOPMAN en J. BROECKAERT, op. cit., p. 18.

(218) A.J. VAN DER AA, op. cit. - M. SABBE, L. MONTEYNE en TH. COOPMAN, Het Vlaamsch Toneel inzonderheid in de 19de eeuw, Brussel 1927, pp. 4142. - J. STECHER, "Jacques-Toussaint Cary dit Neyts", Biographie Nationale, T. XV-655.

(219) We hebben in deze bibliografie niet opgenomen : de kranten van Bogaert, de jaarlijkse almanakken, de prijskaarten van rederijkerskamers, en - behoudens uitzonderingen - het overheidsdrukwerk.

 

www.andriesvandenabeele.net